Part 16
Hier viel zijn toehoorder hem haastig in de rede: "Gij denkt er juist over als ik. Ik ben langer dan vijf jaar predikant in eene kleine gemeente op het land geweest, en durf zeggen, ofschoon ik er mij in het minst niet op wil beroemen, dat niet vele predikanten zooals ik in en met het volk hebben geleefd, maar juist daarom schijnen mij die moderne, hoogdravende phrasen, waarin men de boeren zoo ophemelt...."
"Ja, niet waar," zeide de ambtman tevreden: "deze beklagenswaardige overschatting van het volk, is in den grond niets anders dan een dekmantel voor verborgen eergierigheid...."
"En ongeloof," vulde de predikant aan. De beide heeren begrepen elkander nu volkomen en zett'en het gesprek op een vertrouwelijken fluisterenden toon voort.
De Redacteur Mortensen verscheen zeer laat. Hij behoorde tot de weinigen, die nog geen ordelintje in het knoopsgat hadden. Aan de familiare wijze, waarop hij dezen en genen groette, kon men evenwel zien, dat hij een man was, die vasten grond onder de voeten had.
Hij was in werkelijkheid gedurende de laatste jaren, sedert hij de Redactie van den "Waren Vriend des Volks," op zich had genomen, een geheel ander mensch geworden. Zijn linnen was nu altijd hagelwit en er lag in de wijze waarop hij zich presenteerde die voorzichtige deftigheid, welke den vertegenwoordiger der pers zoo goed staat.
Delphin nam hem scherp op en kwam tot de conclusie, dat mijnheer de Redacteur eene geheime conferentie met den minister moest hebben gehad.
Dit was ook het geval geweest.
In het begin was de toon van den minister vrij scherp geweest; hij begreep niet dat zulk een verzuim, de stukken in den chaos betreffende, had kunnen plaats hebben; Mortensen nam de vrijheid den minister in de rede te vallen met aan te merken:
"Ja die Mo, Excellentie, schijnt niet recht meer te weten, wat hij zeggen of zwijgen moet; hij begint onbruikbaar, zoo niet lastig te worden. Hij gaat in de bureau's rond en vertelt allerlei rare geheimzinnige histories aangaande eene zekere madam Gluncke, die...."
"Hm...." antwoordde de minister. "Ja gij hebt gelijk; reeds lang ben ik ontevreden over hem, hij schijnt kindsch te worden."
De minister sloeg nu een geheel anderen toon aan en toen Mortensen het vertrek verliet, straalde zijn bolbleek gezicht van innige tevredenheid.
Er lag nog iets triomfeerends in zijne trekken, toen hij Delphin naderende, vroeg: "Wilt gij zoo goed zijn mijnheer Delphin, mij aan den ambtman Hiorth voor te stellen."
"Neen," antwoordde de kamerheer kortaf, terwijl hij voor den spiegel staande, zijne Wasa-orde wat terecht schoof.
Mortensen beet zich van woede in de lip, doch zeide kalm: "De minister heeft uitdrukkelijk zijnen wensch te kennen gegeven, dat ik u zulks zou vragen."
Delphin haalde de schouders op, en bracht Mortensen naar de plaats, waar de ambtman Hiorth stond te praten.
"Mijnheer de ambtman! Ik heb het bevel ontvangen u den commies Mortensen voor te stellen"; na deze woorden gezegd te hebben, verdween hij dadelijk.--Den geheelen tijd had hij getracht Hilda te ontmoeten, in al de kamers had hij haar gezocht, maar nergens was zij te vinden.
Mortensen zwoer in stilte zich bij gelegenheid op den kamerheer over deze behandeling te zullen wreken. Hij verklaarde in een paar woorden aan den ambtman Hiorth, wie hij eigenlijk was, waarop zich terstond een vriendelijke plooi op diens gezicht vertoonde.
Geruimen tijd spraken zij met elkander, en Mortensen haalde een klein notitieboek voor den dag, waarin hij eenige biografische détails, die den ambtman hem meedeelde, opteekende. Het gesprek liep daarna over de vragen van den dag, en de ambtman drukte zijne verontwaardiging zoowel als zijne bekommering uit over de zware, moeielijke tijden, die men beleefde.
De Redacteur antwoordde geruststellend:
"Och, zoo lang ons land zich mag verheugen een' ambtenaarsstand te bezitten als de onze...."
"Ja, ja, op de predikanten en rechters kunnen wij ons geheel verlaten," zeide de ambtman, terwijl hij beproefde de deftige handbeweging, welke hij Bennecken had afgezien, te maken.
"En met mannen aan het roer van den staat, als de minister Bennecken! o, daar komt hij!.... welk een man! iets eerbiedwekkends omstraalt hem."
"Vindt gij niet, ambtman, dat hij in het oog vallend op Goethe gelijkt."
"Ja, werkelijk, werkelijk!" mompelde deze.
De minister was door eene deur, waarvoor eene portière hing, binnengekomen, zoo dat het gezelschap niet dadelijk bemerkte, dat de gastheer zich onder de gasten bewoog.
Hij was in zijne ministerieële uniform gekleed; een menigte sterren en kruisen versierden de borst, den driekanten steek hield hij onder den arm en de handschoenen had hij in de hand. Met de rechterhand groette hij naar weerskanten zijne gasten en ging glimlachend en het hoofd een weinig naar achteren geworpen, met deftigen tred door de salons.
Hij gaf de hand aan een' zijner collega's en fluisterde hem eenige woorden in, welke de andere met een vertrouwelijk glimlachje beantwoordde. In de onmiddellijke nabijheid van den minister werd het gesprek op gedempten toon gevoerd, allen hadden, terwijl zij schijnbaar het gesprek voortzett'en, slechts oog voor den minister.
De groothandelaar Falck-Olsen, die eigenlijk een kwartier geleden al in den zadel had moeten zitten, naderde nu ook zijne Excellentie, niet als in vroegere dagen, toen hij gaarne aan een ieder wilde toonen op welken vertrouwelijken voet hij met Bennecken stond, neen, nu was op zijn gezicht de grootste dienstvaardigheid en eerbied te lezen.
De minister boog zich tot hem en de heer Falck-Olsen fluisterde hem in 't oor: "Ik neem de Isabella."
De voorname heer knikte toestemmend; als een koerier, die het hof met gewichtige dépêches in den zak verlaat, ijlde de groothandelaar door de salons; zijne sabel rinkelde en de spik-splinternieuwe uniform glinsterde in de fraaie vertrekken, vriendelijk beschenen door de vroolijke Meizon.
Onderwijl zette de minister zijne wandeling voort, hier een vriendelijk woord zeggende, elders de een of andere instructie gevende.
"Ik heb eenen president voor uw Comité gevonden," zeide hij tot den beeldhouwer, "den ambtman Hiorth."
"Hm!.... de heer, die daar ginds bij het raam staat," vroeg de kunstenaar, die eenigszins door de keuze teleurgesteld was, maar als welopgevoed man natuurlijk er niets van blijken liet, "maar wanneer ik vragen mag, Excellentie, is deze heer niet een vreemdeling in de hoofdstad?"
"Hij zal dit niet lang meer blijven," fluisterde de minister hem in.
"O, zoo.... ik begrijp!" antwoordde de andere en trok de wenkbrauwen samen.
Nog bemerkte men, dat de minister ook de hand aan den ambtman Hiorth reikte, welke eer hij, uitgenomen aan zijne collega's, niemand der andere gasten had bewezen; nu scheen het aan geenen twijfel meer onderhevig--Hiorth zou tot minister benoemd worden, te eerder omdat de oude Falbe zijn ontslag had aangevraagd.
"Wij staan er juist over te praten, Redacteur Mortensen en ik, hoe goed het toch is, dat wij in deze moeielijke tijden ons onbepaald kunnen verlaten op de predikanten en de rechterlijke macht." De ambtman zeide dit met eenige trotschheid.
"Of met andere woorden," antwoordde de minister, "dat de godsdienst en de gerechtigheid op onze zijde zijn."
"Welk een man!" zeide op gedempten toon ambtman Hiorth, toen de minister verder ging; onwillekeurig moest hij zijne uitdrukking met die van den grooten staatsman vergelijken, en terwijl hij het raam uitzag, voegde hij er bij: "och ja, veel wordt er toe vereischt zulk eene betrekking goed te kunnen vervullen."
"Sta mij toe, min..... ambtman," viel Mortensen hem op zeer eerbiedigen toon in de rede, "sta mij toe u op eene goede oude uitdrukking opmerkzaam te maken, namelijk, dat God met het ambt ook het talent en de kracht verleent, om het goed te vervullen."
"Dank, dank voor die woorden, waarde Redacteur," riep de ambtman uit, en hij drukte hem met warmte de hand; "ja, gij hebt gelijk, alle kracht komt van boven," en hij sloeg zijne oogen naar den helderen blauwen lentehemel, die zich boven de daken welfde.
Nu begonnen de jonge ambtenaars, Hiorth en Bennecken, de champagnekurken te laten knallen: hun was op dezen gewichtigen dag opgedragen voor den wijn te zorgen.
De gasten gingen terug naar de eetzaal, waar de minister langzamerhand de voornaamste van hen aan het boveneinde van de tafel verzamelde. Eene plechtige stilte ontstond toen hij zijn glas ophief en aldus begon:
"Mijne heeren! wanneer ik mijnen blik over deze vergadering laat gaan, zoo rijst bij mij onwillekeurig de vraag op: wat is het eigenlijk, dat ons allen zoo vast samenbindt? Het is de gemeenschappelijke arbeid, de gemeenschappelijke gehechtheid voor onzen verheven monarch!"
Mortensen, die achter een venstergordijn aanteekeningen maakte, moest even lachen. Hij dacht aan de rede, die hij in deze zelfde zaal en over hetzelfde onderwerp had gehouden, doch voor een ander publiek.
Vandaag nam de rede van den minister eene hoogere vlucht dan gewoonlijk, inzonderheid schreef Mortensen zeer nauwkeurig het slot op.
"Ja, mijne heeren! Zooveel wordt er in onze dagen gesproken, dat de tijd, dien wij beleven, een tijd van werken is; maar slechts weinigen zijn er--en ik betreur zeer dat het zoo is--slechts weinigen zijn er, zeg ik, die recht begrijpen, wat de ware arbeid is en wie eigenlijk de ware arbeiders in het land zijn;.... Het zijn.... (de spreker zag rond) die kring van mannen, die de orde hooger schatten, dan hun eigen voordeel; die trouw en gehoorzaam verkleefd blijven aan de onomstootelijke waarheden, die ons door onze vaderen in hunne staatsinstellingen en in hun vroom geloof zijn nagelaten,.... die de diep gewortelde overtuiging hebben, dat hetgeen in een tijd van oplossing en verdeeldheid een' staat te zamen houdt, en eenen sterken band bindt om het beste wat de natie bezit, uitgaat van en zich concentreert in den heiligen persoon van den vorst. Mijne heeren! God beware Zijne Majesteit, onzen geëerbiedigden Koning!"
"Leve de Koning!" gilde de overste kolonel-luitenant Grobs, en hierop volgde een drievoudig hoera, dat de ruiten er van rinkelden; zelfs de meest stijve bureaulisten schreeuwden, dat zij er blauw van zagen, terwijl zij elkander zijdelings aankeken om te zien of ieder zijnen plicht deed.
Toen de stilte wat hersteld was, kwam de bediende van den minister haastig binnenloopen, en met eene diepe buiging overhandigde hij een telegram op een zilveren presenteerblaadje.
De minister opende en las de dépêche; de grootste stilte heerschte in de zaal. Niemand van het gezelschap durfde bijna ademhalen.
"Mijne heeren! binnen een half uur kunnen wij den Koninklijken extratrein met den Koning verwachten."
Eene algemeene beweging ontstond: de minister hief even de hand op--weder werd het doodstil.
"Mijne heeren!" zeide hij op plechtigen toon, "ieder op zijnen post. Het oogenblik is ernstig; Zijne Majesteit verwacht, dat ieder zijnen plicht doe!"
Na deze woorden geuit te hebben, groette hij het gezelschap vluchtig, gaf den ambtman Hiorth een teeken hem te volgen, en verdween met dezen door de kleine deur, waarvan de portière onhoorbaar toeviel.
In geestdriftvolle stemming namen de gasten afscheid, en Mortensen schreef in zijn notitieboekje: Het was een van deze merkwaardige nooit te vergeten oogenblikken, in welke men als het ware den polsslag der wereldgeschiedenis voelt.
Mevrouw Bennecken had reeds vroeger de gasten verlaten. Al de gemoedsbewegingen, gedurende den ganschen dag ondervonden, hadden haar zoo geschokt, dat zij zich gekleed op haar bed had geworpen, waarop zij in hevig snikken was uitgebarsten.
In de salons wandelde Delphin eenzaam heen en weer. Hij behoefde eerst tegen het souper op het slot te verschijnen, en het was hem onmogelijk het huis te verlaten zonder Hilda te hebben ontmoet. De bedienden namen de tafel af, dronken den nog in de glazen en flesschen aanwezige champagne en waren zeer vroolijk. Delphin kon dus onmogelijk langer in de eetzaal en het aangrenzend vertrek blijven, en trok zich in de verst afgelegen kamer terug ontevreden op zich zelf, weifelende wat hem te doen stond, maar voelende dat het hem niet mogelijk was heen te gaan, zonder haar gesproken te hebben. Eindelijk riep hij een der dienstmeisjes en vroeg, waar juffrouw Hilda was.
"Juffrouw Hilda is op hare kamer bezig met pakken. Weet u niet, dat de juffrouw van avond naar Amerika vertrekt," vroeg zij en hare mooie oogen hadden van de Champagne een nog helderder glans gekregen.
Delphin, die door deze woorden onaangenaam getroffen werd, zeide kortaf:
"Vraag juffrouw Bennecken uit mijnen naam, of zij de goedheid wil hebben een oogenblik hier te komen; ik zou haar gaarne even willen spreken."
Toen het dienstmeisje was weggegaan, bleef hij verschrikt voor den spiegel staan. Wat had hij gedaan?
Wat wilde hij eigenlijk van haar? Was hij niet te ver gegaan? hoe zou hij er zich weer uithelpen? En wenschte hij dit niet het meest?
Na verloop van eenige minuten kwam Hilda binnen. Aan hare oogen kon men zien, dat zij geschreid had, maar toch lag er over haar gelaat eene bijzondere kalmte. Delphin bemerkte dit dadelijk.
"Arme mama!" zeide zij, terwijl zij hem beide handen reikte; "het is haar zoo zwaar gevallen zich met de gedachte vertrouwd te maken, dat Johan en ik zulk eene verre reis gaan ondernemen. Ja, ik zelf heb moeite te gelooven, dat zij door zal gaan."
Delphin vergat haar te antwoorden, zoo veranderd kwam zij hem voor. Hare verlegenheid, bijna zou men het hebben kunnen noemen, schuwheid was geheel verdwenen. In haar eenvoudig toilet zag zij er zoo vastberaden en reisvaardig uit, en er was zoo iets zekers in hare stem en in geheel haar voorkomen, dat het hem niet gelukken wilde den half schertsenden, half beschermenden toon, waarop hij gewoonlijk met haar sprak, aan te slaan.
Meer door de toon zijner stem, dan door de woorden, die hij sprak, keek Hilda op. Hunne oogen ontmoetten elkander voor eene seconde en er ontstond eene pauze.
"Er is niets, dat u terughoudt niet waar?" vroeg hij op bitteren toon.
"O ja, dat weet gij heel goed," luidde haar antwoord en hare oogen vulden zich met tranen.
Hij zag haar van ter zijde aan; zoo als zij daar stond het hoofd wat voorover gebogen, terwijl zij zenuwachtig met haren zakdoek speelde, vroeg hij zich af, of zij dan werkelijk zoo leelijk was?
"En er is niets, dat u terughoudt?" Hij wist niet, dat hij dit reeds had gevraagd.
"Waarom wilt gij mij het afscheid zwaarder maken, dan het reeds is," vroeg zij bijna onhoorbaar en begon te schreien. George Delphin ging het vertrek een paar maal op en neer. Hij gevoelde, dat het leven hem eene goede kans bood en dat het nu voor het laatst zou zijn. Al het goede dat in hem was, trachtte hij te verzamelen, maar toen hij voor haar stond, hief zij even het hoofd op, en zeide:
"Neen, ik wil niet meer schreien. Ik voel, dat een gelukkiger leven mij daar wacht, dan mij ooit hier ten deel zou kunnen vallen. Vaarwel kamerheer--hartelijk zeg ik u dank voor uwe vriendschap."
Zij reikte hem de hand en keek hem met de trouwe gazellen-oogen, die vol tranen stonden, moedig aan. Op dit laatste oogenblik zag hij dat zij schoon was--maar toen was het te laat. Zij verliet het vertrek en liet de deur half open. Het leven, dat de bedienden in de zaal maakten, drong weer tot hem door. Hij stond voor een oogenblik roerloos, nam toen zijnen hoed en verliet het huis. Op de trap werd hij ingehaald door den jongen Hiorth en door Bennecken, die juist van den zolder kwamen. Met levensgevaar hadden zij eene vlag uit het dakvenster gestoken.
XXI.
Het kostte heel wat tijd, eer Njaedel en Sechus het hospitaal, waar Christine zich bevond, vonden en hadden zij niet bij toeval den politie-agent Knudsen naar den weg gevraagd, dan had het kunnen gebeuren, dat zij onverrichter zake aan boord hadden moeten gaan, of wel tot laat in den avond de stad in alle richtingen hadden moeten doorkruisen. Het was reeds bijna drie uur en iedereen stroomde naar de Karel-Johanstraat om den optocht te zien, zoodat niemand tijd had te blijven staan om inlichtingen te geven; de politie-agent Knudsen evenwel, die gelukkig zijnen proeftijd had doorstaan, wees hun, toen hij hoorde, wie zij zochten, den weg en zoo kwamen zij aan het hospitaal.
In de poort ontmoetten zij eene der verpleegsters, die naar de stad wilde gaan. De opperloods nam zijne pelsmuts af en zeide: "Wij komen hier zekere madam Christine Mo bezoeken."
"Zij is van nacht gestorven," antwoordde zij gejaagd: zij had haast.
"Gaat die gang in de tweede deur links, zij zijn juist met haar bezig." Schielijk liep zij verder en deed de poort achter zich dicht.
"Nu, nu, Njaedel, dat is misschien maar het best voor haar," zeide de opperloods om hem wat te troosten, "kom meê, wij hebben hier niets meer te doen."
"Ik wil haar lijk zien," antwoordde Njaedel, en liep de gang in.
Vóór de deur, die de ziekeverpleegster had aangewezen, bleven zij staan; de deur stond aan, en zij hoorden in het vertrek luid spreken. De opperloods stiet de deur open, Njaedel en hij traden binnen.
Dicht bij het raam stonden eenige jonge studenten over iets wits, dat op de tafel lag, heengebogen. Een klein man, met grijs haar en in zijne hemdsmouwen stond het dichtst van allen bij dit witte voorwerp, terwijl men eenen blanken voet tusschen twee der omstanders zag uitsteken.
"Nooit heb ik het zoo spoedig zien afloopen," zeide dokter Rohde, tot een der professoren, die hij had uitgenoodigd bij de ontleding tegenwoordig te zijn. Johan Bennecken had uitdrukkelijk verboden het lijk naar de ontleedkamer in de universiteit te brengen.
"En zij was met dien schurk van een Mo getrouwd?" vroeg de professor, "hoe gaat het met hem?"
"De ziekte is naar binnen geslagen en de hersens zijn aangedaan. Wat wilt gij?" vroeg de dokter plotseling, toen hij de twee mannen in de deur zag staan.
"Hier is haar vader," zeide de opperloods op Njaedel wijzende, "die gaarne haar lijk wilde zien."
"Neen, neen, beste vriend, 't is beter dat gij zulks niet doet."
Maar Njaedel kwam dichter bij de tafel; de jonge studenten maakten voor hem plaats, en de professor gaf aan een der studenten een teeken een laken over haar te werpen. Door de haast waarmede dit geschiedde werd het lijk slechts ten halve bedekt; het was zoo uitgeteerd, dat het slechts vel en been leek. Het dikke roode haar hing verward over het voorhoofd, de wangen waren geheel ingevallen; zij zag er uit als eene oude vrouw.
"Dat is zij niet!" fluisterde de opperloods Njaedel in.
Maar toen streek Njaedel het haar van zijne gestorven dochter een weinig op zijde en legde zijnen vinger op het litteeken, dat zij aan een der slapen had.
"Kom, Njaedel, nu moesten wij maar gaan."
De opperloods was doodsbleek. Njaedel zag rond en toen hij den indruk kreeg, dat al deze welgekleede heeren belangstelling in zijne dochter hadden getoond, reikte hij hun één voor één zijne hand. Toen hij echter bij den professor kwam, week deze eene schrede achteruit:.. "Neen, neen, beste man.... ik kan.... het is mij onmogelijk u de hand te reiken."
Nu eerst zag Njaedel het blanke mes in zijne hand. Op dit gezicht rilde hij en hij verliet met den opperloods dadelijk het vertrek.
Toen zij weer op straat stonden, zag Sechus Njaedel uitvorschend aan; hij bemerkte dat deze de vuisten balde, en dat zijne tanden knarsend tegen elkaar sloegen.
"Hij zal mij daar rekenschap van moeten geven, Anders," mompelde Njaedel.
"Och," zeide de opperloods ietwat bang, "laat je aan Anders niet meer gelegen liggen. Wij reizen nu ver weg, laten wij eerst zien, wat eten te krijgen, want ik heb honger als een wolf."
Maar Njaedel was niet van zijn plan af te brengen; de opperloods wilde echter niet naar den weg vragen en zoo moest Njaedel zulks zelf doen; de politie-agent, tot wien hij zich wendde, zeide hem, waar de minister Bennecken woonde.
Eindelijk stonden zij vóór het huis.
Een vreeselijke strijd had er in Njaedel's binnenste plaats. Hij kon niet gelooven, dat zijn broeder de schuld van al die ellende was, en toch ook de gedachte niet van zich zetten, dat zulks wel het geval was. Maar in toorn ontstak hij niet, neen, eene diepe smart drukte hem ter neer, hij gevoelde er behoefte aan zijnen broeder te zien: in zijn hart hoopte hij nog altijd, dat deze misschien zich van die schuld zou kunnen vrijspreken.
Toen zij een paar treden waren afgegaan, zeide de opperloods: "Eéne zaak moet gij mij beloven Njaedel, dat gij de hand niet aan hem zult slaan, denk er aan dat hij je broeder is."
"Daar kunt gij u op verlaten," antwoordde Njaedel.
Anders was juist bezig zich te scheren.
Hij had het spiegeltje aan het vensterkozijn gehangen, zoodat het volle daglicht, dat van de straat door het raam viel, hem bescheen. Met eenen kant was hij klaar, maar de andere kant van zijn gezicht was nog ingezeept. Toen hij zag, wie binnen kwamen, legde hij het scheermes uit de hand, en een krampachtige trek verwrong zijn gezicht; spoedig echter herstelde hij zich en de half idiote glimlach, die hem den laatsten tijd eigen was geworden, vertoonde zich.
Hij stak zijnen broeder de hand toe. "Zoo ben je eindelijk gekomen Njaedel.... daar hebt ge goed aan gedaan."
"Anders.... Anders!" riep Njaedel uit en met gebalde vuisten stond hij dreigend voor hem.
"Wat heb je Christine aangedaan?"
Toen hij deze krachtvolle stem hoorde, scheen Anders als uit eene verdooving te ontwaken. Van schrik kromp hij ineen en vluchtte in den versten hoek van het vertrek. Zijn gezicht was bijna aschgrauw, toen hij die dreigende vuisten aanstaarde.
Langzamerhand gelukte het hem met de grootste inspanning zijne zwakke hersens tot denken te dwingen. De diepe vouwen, ontstaan door den valschen glimlach, die hem zoo lang eigen was geweest, legden zich opnieuw om den mond, en hij zeide op klagenden toon:
"Dat je het over je hart hebt kunnen krijgen Njaedel, zóó tegen je broer te zijn, die altijd zoo zwak en ziekelijk is geweest. Weet gij niet meer, hoe wij voor moeder heideplantjes gingen plukken, daar op de hoogte?"
Njaedels armen vielen slap langs zijn lichaam.
Welke herinneringen bracht die zachte, klagende stem hem voor den geest, dat geluid uit zijne kinderjaren, die stem van den broeder, dien hij zoo had liefgehad!
"En weet je nog, wat moeder altijd zei," ging Anders voort, terwijl hij zijn broeder geen oogenblik uit het oog verloor; "moeder zei altijd: jij Njaedel bent een groote slungel, zei zij, maar Anders is fijn en glad als een aal."
Njaedel knikte toestemmend. Anders had gelijk.
En zijne moeder, en de hut daar ginds in de bergen, en de hoogte met de heideplantjes, die in den zonneschijn zulk een' heerlijken geur verspreidden, alles stond op eens zoo klaar vóór hem; en te midden van dit alles zag hij zijn broertje, bleek, zwak, hulpbehoevend, die door hem over gevaarlijke plaatsen gedragen moest worden.
En al, wat tusschen dat verleden en dit tegenwoordige lag, smolt weg als sneeuw voor de warme lentezon,--hij werd weer een kind, een groote, linksche, goedhartige jongen, zooals hij altijd was geweest, en alle toorn was in hem gebluscht, en toen hij wegging zeide hij slechts: "Anders..... Anders..... dat had je niet moeten doen!"
Toen zij in de poort waren, zeide Sechus:
"'t Is maar goed, dat gij de hand niet aan hem geslagen hebt, gij hadt hem als een suikerkrakeling aan stukken kunnen breken."
Njaedel's krachten waren gebroken, hij leunde tegen eenen muur en snikte luid.
De opperloods liet hem zoo lang weenen als hij dacht, dat noodig was; daarna trok hij hem zacht bij den arm mee, en Njaedel volgde gedwee als een lam. Eindelijk traden zij bij een restaurant binnen. De opperloods, die te Petersburg en te Kopenhagen was geweest, vond zich hier spoedig te huis. Hij bestelde twee portiën beefsteak en eene flesch bier. Juist toen zij aan de gedekte tafel wilden gaan plaats nemen, dreunde het huis van de kanonschoten.