Arbeiders: Roman

Part 15

Chapter 153,854 wordsPublic domain

Delphin boog.

"Nu was er nog iets, wat ik u vragen wilde, beste Delphin. Mijne vrouw zou het zeer aangenaam vinden, wanneer gij haar een weinig bij het arrangeeren behulpzaam wildet zijn,--dat behoort eenmaal tot eene van uwe vele talenten,--want Adelaïde is vandaag een weinig geëchauffeerd... verschillende omstandigheden... hm..." de minister beproefde even te glimlachen.... "zooals gij ongetwijfeld hebt gehoord, heeft Johan er lang over gedacht een tocht naar Amerika te maken..." Delphin was beleefd genoeg een bevestigend antwoord te geven.

"Dit is weer zoo'n inval van hem," zeide de minister schertsend, "en nu presenteert zich juist eene goede gelegenheid: een plaats als dokter op een landverhuizersvaartuig is hem aangeboden, maar 't mooiste van de grap is dat Hilda voor pleizier met hem meegaat."

"Hilda!" riep Delphin en viel geheel uit zijne rol.

"Ja, ja," zeide de minister lachend, "een zonderling denkbeeld, niet waar? Adelaïde wilde eerst volstrekt hare toestemming niet geven, maar ik zeide: laat haar meereizen; eene reis naar Amerika is tegenwoordig eene kleinigheid, een tochtje dat men voor zijn pleizier doet, en daar dokter Rhode van meening was, dat de zeelucht.... hm!...."

Delphin mompelde eenige beleefde volzinnen, en de minister was zeer over zich zelf te vreden; toen Delphin op het punt stond het vertrek te verlaten, vroeg hij fluisterende: "Wat zijn dat voor vreemde Chinezen, die gij mij op den hals hebt geschoven?"

"Boeren van de Westkust, die naar eene zaak komen informeeren, welke aan ons Departement ingediend is. Ik trok mij hun lot een weinig aan, daar Mortensen hen wat onaangenaam behandelde. Ik meende dat het beter was geene aanleiding te geven dat...."

"Volkomen juist geoordeeld, waarde kamerheer, ik zal hen eens aanspreken. Ja Mortensen is, onder ons gezegd, soms wel wat ruw."

De bureau-chef ging weg en de minister zei vriendelijk tot de twee, die te wachten zaten: "Nu, luidjes, nu ben ik geheel tot uwen dienst. Het was dus eene zaak aangaande...."

"Aangaande het recht op een deel van het strandwier," zeide de opperloods.

"Het recht op een deel van het strandwier," de minister schelde--"gaat zoo lang zitten, die zaak zullen wij eens spoedig in orde maken,"--hij schelde weer,--"is de zaak kort geleden bij ons ingediend?"

"Aanstaanden herfst wordt het twee jaar," zeide Njaedel.

De minister sprong verschrikt van zijnen stoel op, toen hij die grove stem hoorde, daarna opende hij de deur van het vertrek met den afzonderlijken ingang en riep: "Mo!" Mo was er niet; de minister liep naar de andere deur en joeg den secretaris een' doodelijken schrik aan, toen hij, duchtig met zijne sleutels rammelende--dit was altijd een teeken van slecht humeur--hem naar eene zaak over "wier" vroeg.

De secretaris begon ijverig in de protocollen te zoeken; hij bladerde van voren naar achteren en van achteren naar voren, maar niets, wat op deze verd.... zaak de minste betrekking had, kon hij vinden, en zij was toch, zooals de minister zeide, reeds twee jaar geleden ingediend.

Daar al dit zoeken vruchteloos was ging de minister door de andere vertrekken en kwam eindelijk in Mortensen's kamer, waarin hij nooit van zijn leven den voet had gezet, overal schrik en angst met zijne rammelende sleutels en zijne vraag naar eene zaak over "wier" te weeg brengende, want niemand kon zich herinneren van die zaak te hebben gehoord.

Mortensen waagde eenigszins boosaardig aan te merken: "de bureau-chef is reeds vertrokken, misschien wist hij er iets van."

"De hoofdcommies moest voor zaken uitgaan, en buitendien moet die zaak reeds lang geleden door hem overgedragen zijn," antwoordde de minister op strengen toon, "ik begeer, dat deze geschiedenis dadelijk in orde wordt gebracht. De stukken moeten gevonden worden, hebt gij mij begrepen mijneheeren, zij moeten voor den dag komen en oogenblikkelijk!"

De minister keerde naar zijn bureau terug en het gansche Departementsgebouw kreeg op eens het uiterlijk--een buitengewoon iets--van een mierennest. Deuren werden opengeworpen en toegeslagen; angstige gezichten vertoonden zich en verdwenen; planken en loketten werden nagezien, pakketten nauwkeurig onderzocht; de schrijvers draafden door de lange gangen heen en weer, gingen trappen op en trappen af, kwamen zelfs tot op den zolder en zochten in blinde vertwijfeling tusschen stof en papier. De angst steeg elke minuut; van tijd tot tijd opende de minister de deur van zijn bureau en vroeg tot grooten schrik van den secretaris, die als een drijftol ronddraaide wanneer hij het gelaat van den minister maar zag: "Nu, zijn de stukken nog niet gevonden?"

Doch in de verwarring werd eene vraag gedaan, die van mond tot mond ging, totdat zij eindelijk als een diepe zucht door het geheele gebouw werd geslaakt: "Waar blijft Mo toch? Waarom komt Mo.... Mo de almachtige niet?" Eindelijk kwam hij. Behoedzaam, bleek, glimlachend sloop hij in de kamer van den minister, juist toen daar een groot aantal verschrikte ambtenaars bijeen waren, die allen hun best deden te bewijzen, dat die zaak onmogelijk door hunne handen had kunnen gaan.

Allen ademden ruimer, toen de kleine man binnentrad, en de minister hem gejaagd vroeg of hij iets aangaande die zaak in quaestie wist.

"Ja," antwoordde Mo, "die ligt in den chaos."

"In wat?" vroeg de minister.

"In den chaos van Mortensen," antwoordde Mo glimlachende.

"Daar gij weet, waar de stukken zich bevinden, zoo breng ze hier," beval de minister.

Anders Mo verliet het vertrek; achter hem ging Mortensen, die buiten zich zelf van woede was, en Mortensen volgden de anderen.

"Was dat je broeder?" vroeg de minister.

"Ik meende hem aan zijne stem te herkennen," antwoordde Njaedel eenigszins op weifelenden toon, "maar hij was niet zoo groot als mijn broer, vond ik, en hij zag er zoo oud uit."

De minister bedacht, dat deze scène mogelijk een minder goeden indruk op de twee boeren kon maken en dat wilde hij liefst niet. Daarom zei hij vriendelijk tot den opperloods: "Hoe heet ge vriendschap?"

"Lauritz Boldemann Sechus."

De minister was een en al verwondering op het hooren van dien welluidenden naam, en toen Sechus hem vertelde, dat hij den post van opperloods had bekleed, nam hij eenen stoel en ging naast hem zitten, begon een gesprek en klopte hem nu en dan vertrouwelijk op de knie.

"Vertel mij eens, opperloods, is het leven aan de kust niet dikwijls moeielijk en gevaarlijk?"

"Och ja, Uwe Hoogheid; wanneer de zeelui zich bij stormweer ver in zee wagen, bekomt het hun soms slecht."

"Ja, ja," antwoordde de minister, en hij maakte eene beweging met de hand. "Ik denk zoo dikwijls met trotschheid aan deze wereldberoemde, onverschrokken loodsen, die langs onze gevaarlijke kusten wonen, en het verheugt mij zeer in de gelegenheid te zijn met één van hen persoonlijk kennis te maken."

"Hé?" vroeg Sechus, "ja, ziet u, eigenlijk ben ik nu juist niet zoo'n loods en Njaedel ook niet."

"Hm!" zeide de minister en brak dit gesprek af; "de groote haringvisscherij op de Westkust is wel een bron van groote verdienste in de streek waar gij woont."

"O ja, voor hen die er wat van meekrijgen," antwoordde Sechus, die vond, dat de minister een echte spotvogel was.

"Een bont, afwisselend leven moet het zijn in den tijd waarop de visscherij het levendigst is," ging de minister voort; "zulk een toeloop van bewoners uit de verschillende deelen van het land moet gewis voordeelig op de ontwikkeling van het volk werken."

"Ja, Uwe Hoogheid, groote vechtpartijen hebben er dan plaats."

"Hm.... zeker, zeker! kleine schermutselingen, maar zeg mij nu eens,"--de minister veranderde weer van onderwerp,--"wanneer zoo vele lieden samenstroomen, waar krijgen dan allen nachtverblijf?"

"Och!.... Uwe Hoogheid," antwoordde Sechus, "met slapen nemen zij het niet zoo nauw. De meesten leggen zich op den buik en dekken zich zoo goed als zij kunnen met den rug toe."

Bum.... Bum.... Bum, neuriede de minister, terwijl hij al rammelende met zijne sleutels het vertrek op en neer liep.

De opperloods, die zich volstrekt niet bewust was, iets gezegd te hebben dat niet te pas kwam, maar integendeel vond, zooals reeds gezegd is, dat de minister heel familiaar met hen omging, trok Njaedel even bij het buis en fluisterde: "ik geloof, dat ik met hem eens over den weg spreek."

Njaedel knikte toestemmend en Sechus stond weer van den stoel op.

"Neem mij niet kwalijk.... Uwe Hoogheid.... maar er is nog iets, waar ik heel gaarne alles van wist."

"Tot uwen dienst, opperloods."

"Staat Uwe Hoogheid niet boven alle lensmands, rotmeesters en ingenieurs van de openbare wegen?"

"Ja, ja, vriend."

Het oog van den opperloods glansde van vreugde. Eindelijk had hij dan den rechte te pakken; nu zou hij alles, wat hem aangaande dien weg zoo lang op het hart had gelegen, den minister zeggen, en zijne lang verkropte woede gaf zich dan ook lucht in eenen woordenvloed, waarvan zijn toehoorder de helft niet begreep.

"Van welk stuk van den weg is er sprake," vroeg deze, terwijl hij op eene groote landkaart wees.

Sechus, die daar hij op zee gevaren had, gewoon was met kaarten om te gaan, had dit spoedig gevonden.

De minister zette zijn gouden lorgnet op, nam eenen passer uit eene étui, die op de tafel lag, en mat het stukje met de grootste nauwkeurigheid.

Daarna zeide hij op zijne kalme, vloeiende manier "zie, opperloods, dit is alleen eene kaart van onze wegen. Zoo gij u al deze roode, gele en blauwe lijnen, als eene lijn kondt voorstellen, zou die zeer, zeer lang zijn, nietwaar?"

Ja, dit stemde de opperloods gaaf toe, ofschoon hij niet begreep, waar de minister heen wilde.

"En wees nu zoo goed, de ruimte te beschouwen, die zich bevindt tusschen de beenen van den passer,... gij ziet, dat die niet veel grooter is dan de dikte van een stuk karton."

De opperloods staarde beurtelings den minister en den passer aan.

"Zie nu, opperloods Sechus, zoo klein is het stukje van den weg, waarover gij u beklaagt, in verhouding tot het overige deel van onze wegen, en zijt gij nu niet overtuigd, dat het misschien ja, wat zal ik zeggen--een weinig te veel is verlangd, dat hij, die dit zoo samengestelde net van dijken en wegen in zijn hoofd moet hebben, dat hij, herhaal ik, zijne bijzondere zorg.... zijne bijzondere zorg zeg ik, over zulk een onbeduidend stuk van het geheel zou moeten uitstrekken"--en de minister hield den opperloods den geopenden passer voor den neus. Deze stond met den mond vol tanden. Heel duidelijk was hem de zaak niet geworden, maar hij voelde, instinktmatig, dat men hem om den tuin leidde en hetzelfde gevoel dat hem eenige oogenblikken te voren bezielde, alsof er iets in hem kookte,--overviel hem. Gelukkig werd de deur geopend, en trad Anders Mo binnen, gevolgd door Mortensen, den secretaris en eenige anderen, die in het zijvertrek bleven staan om te hooren hoe die merkwaardige zaak zou afloopen.

Mo had, niettegenstaande alle tegenstribbelingen van Mortensen, den geheelen chaos doorwoeld, en achter in het loket vond hij een verkreukeld pakket in een geel omslag, dat hij heel bedaard voor den dag haalde.

Allen waren het eens, dat Anders die documenten met het een of ander boosaardig plan daar had verstopt.

Mortensen mompelde: "Nu is hij rijp."

De minister zette zijn gouden lorgnet op, verbrak het omslag, en een klein stofwolkje vloog in de hoogte.

"Hier staat het volgnummer.... uw eigen schrift," zeide de minister tot den secretaris en hij voegde er bij, "collationeer het volgnummer."

De kleine man liep zoo haastig weg alsof het volgnummer hem in de beenen was geslagen, maar vóór hij nog tijd had gehad de protocollen voor den dag te halen, werd hij door den minister op een toon, die weinig goeds voorspelde, teruggeroepen. Deze had ter nauwernood een paar regels van het verzoekschrift gelezen, of riep uit: "maar hoe zijn die stukken in ons Departement gekomen?"

Toen de secretaris terugkwam, zette de minister den langen, blanken wijsvinger zoo stijf onder een woord van den inhoud, dat zijn nagel een diep spoor achterliet: "Wat staat hier? Hier staat: Eigendommen tot de kerk behoorende."

"Bisdom Kristiansand," zeide Njaedel, die met gespannen aandacht toehoorde.

"Aldus behoort deze zaak in het Departement van Eeredienst te huis en niet hier," hervatte de minister op hoogen toon.

"Ja maar, ja maar," begon de secretaris: "ik herinner mij nu niet meer, neen werkelijk ik herinner het mij niet meer, maar misschien heb ik destijds gevonden, dat het onderwerp van den twist van zoodanigen aard was, dat....."

"Het onderwerp van den twist," viel de minister met strengen toon in, "hier is geen sprake van het onderwerp van den twist, maar wel van eene goede Departementale orde, en volgens deze, behooren alle zaken, die betrekking op vroegere geestelijke goederen hebben in het Departement van Eeredienst te huis. Dit is een oude bekende regel, met welken, naar het mij voorkomt, de secretaris bekend moest zijn. Mo.... ga dadelijk met deze stukken naar het Departement van Eeredienst."

De minister overhandigde in zijne meest eerbiedwekkende houding aan Mo de stukken. Alle ambtenaars, die getuige van de zaak waren geweest, verdwenen weder in hunne afdeelingen, en de secretaris zette zich geheel en al vernietigd op zijne plaats en tuurde op de volgnummers.

Njaedel had geen oogenblik de stukken uit het oog verloren, en toen zijn broeder er mede verdween, riep hij uit: "Wie had gelijk?"

"Ja, mijn goede man," antwoordde de minister, "dat kan ik u niet zeggen, doch men zal u, zoo gij na eenigen tijd bij dat Departement er naar vraagt, zeker de noodige inlichtingen dienaangaande geven. Vaartwel heeren--vaartwel, het was mij een groot genoegen u van dienst te zijn."

Hierop schoof hij hen beleefd de deur uit en draaide den sleutel om.

Alles schemerde Njaedel voor de oogen; nu begreep hij er niets meer van; de opperloods kookte meer en meer van woede. Nu maakte Mortensen, toen de twee vrienden zijn kamer passeerden een deftige buiging, waarop de opperloods die anders zoo goedhartig van karakter was, zijne drift, die bijna tot razernij was gestegen, niet langer meester bleef. Hij greep een flesch met inkt, die in een vensterbank stond, en wierp haar met alle kracht naar het hoofd van Mortensen.

De Redacteur boog schielijk op zijde, waardoor de flesch tegen den muur achter zijnen lessenaar te recht kwam en in duizend stukjes brak. Weer ontstond er groote verwarring in de aangrenzende kamers, waarin de opperloods en Njaedel zich haastten de trappen af te komen.

De schrik over deze ongehoorde handelwijze was zoo groot, dat niemand er aan dacht de misdadigers te vervolgen. Terwijl zich al meer en meer heeren van het departement om de groote inktvlek verzamelden, waaruit zwarte stralen naar alle richtingen schoten, voerde Hiorth met zich zelf een inwendigen strijd: zou hij, hetgeen hij op de tong had, zeggen of niet? Hij was er niet geheel zeker van of de opmerking, die hij wilde maken, als eene geestigheid, of wel als eene groote flauwiteit zou beschouwd worden, want in zake geestigheid had hij bittere teleurstellingen ondervonden. Eindelijk verzamelde hij al zijnen moed en zeide half luid: "Wartburg!" Het was werkelijk eene geestigheid, en het gemoed van den jongen commies Hiorth zwol van trots. Toen het bekend werd, dat hij die uitdrukking had gebezigd, waren zijn vrienden zoo verbaasd, dat velen hunner het van dien dag af in twijfel trokken of hij werkelijk wel zoo dom was, als algemeen aangenomen werd.

Eenstemmig werd besloten, dat de plaats van Mortensen "den Wartburg" zou worden genoemd, en dat de inktvlek, waaraan zoovele herinneringen verbonden waren, nooit uitgewischt of oververfd mocht worden. Lang nadat Mortensen zijn plaats tegen eene betere had verwisseld, werd zijn vorige zitplaats nog bij dien naam genoemd en 't is niet onmogelijk, dat deze inktvlek en Hiorth's geestigheid zullen blijven voortleven, zoolang het Departement zal blijven; dat wil naar alle waarschijnlijkheid zeggen: tot zeer kort vóór den dag van het laatste oordeel.

XX.

Het was twee uur.

Delphin had de kamers in het huis van den minister gearrangeerd naar den smaak, die, zooals hij beweerde, op de Tuilerieën gedurende het tweede keizerrijk mode was geweest.

In het midden van het vertrek stonden geene meubelen, zoodat men zich daar ongedwongen kon bewegen; doch in alle hoeken half verscholen onder de zware gordijnen, waren fauteuils en tabouretten geplaatst, waarom zich hoogstens drie of vier personen konden groepeeren.

Het was hem door zijne vroolijke invallen en door zijn talent, om alles met smaak en naar den zin van mevrouw in te richten, gelukt hare booze luim, ten minste gedeeltelijk, te verdrijven, en tevens was de kamerheer al de door hem gewenschte berichten, aangaande het plotselinge vertrek der door de natuur zoo stiefmoederlijk bedeelde kinderen, te weten gekomen. In de eetzaal stond eene zoogenaamde "koude tafel," gedekt,--een uitgezocht déjeuner met fijne wijnen en champagne. Het plan was, dat de gasten niet op elkaar met het eten zouden wachten, ongedwongen moest het toegaan, zoodat ieder die kwam zich dadelijk bedienen kon. Het moest op deze wijze toegaan, want allen hadden geen tijd lang te blijven:--de meesten hadden nog vóór de komst van den koning het een en ander in orde te brengen. Men kon niet met zekerheid zeggen, wanneer de gastheer zou verschijnen, want hij had nog veel werk voor de borst en daarbij was Daniel, vertelde mevrouw op vertrouwelijken toon aan Delphin, zeer slecht gehumeurd.

In de salons zag men langzamerhand verschijnen: militairen in groot tenue, heeren ambtenaren in uniform, de voornaamsten der geestelijkheid met stijve, gepijpte kragen en ordeteekenen, verder twee of drie ministers en eenige eerzuchtige advocaten, die zich op de eerste trede van de ladder bevonden.

De groothandelaar Falck-Olsen trad in zijn nieuwe uniform van de "gele vereeniging," de salon binnen. "Ik heb de Champagne aan de achterdeur laten bezorgen," fluisterde hij mevrouw toe, terwijl hij haar de hand drukte.

Daarna zag hij links en rechts om zich heen, en aan ieder, dien hij ontmoette, vroeg hij wanneer minister Bennecken zou komen. Eindelijk stond hij vlak bij den kamerheer Delphin, die zijne fraaie uniform zeer bewonderde.

"Gij ziet er uit als een zweedsch officier," zeide de kamerheer tot hem.

De groothandelaar rammelde onder het gesprek telkens met zijnen sabel en wierp ter sluiks eenen blik in den spiegel.

"Gij kunt niet half gelooven, beste kamerheer, in welke pijnlijke verlegenheid ik geweest ben bij de keuze van een paard, want mijne prachtige zwarte merrie is eigenlijk een koetspaard. Nu heb ik wel een Isabella, een mooi dier met prachtige manen en zoo glad van huid en rond van vormen, dat het een lust is het dier te zien--ik heb het van een paardenopkooper van de Westkust gekocht--maar het ongeluk wil, dat het dier een weinig klein is en--"

"Napoleon bereed altijd kleine paarden," zeide Delphin.

"Werkelijk!" riep de heer Falck-Olsen verheugd uit, "en denk eens, de kolonel zwoer bij hoog en bij laag, dat mijn Isabella te goed was voor het gele corps."

"Maar gij zult toch het mooie dier berijden," vroeg Delphin op eenen toon, alsof hij 't een zaak van 't grootste gewicht beschouwde.

"Ja, ik neem mijn Isabella," antwoordde de groothandelaar op beslisten toon.

Onder de laatst aangekomenen bevond zich de ambtman Hiorth van de Westkust. Hij was kort geleden in de stad gekomen en het gerucht wilde, dat hij den ouden Falbe zou vervangen, die afgetreden was, na den--zelfs voor een noorsch minister--eerwaardigen ouderdom van 82 jaren te hebben bereikt.

Hiorth gaf zijn genoegen te kennen den kamerheer Delphin te ontmoeten, die in vroegere jaren bij hem als jong advocaat werkzaam was geweest, en hij verzocht de kamerheer hem aan dezen en genen der meest invloedrijke lieden voor te stellen. In vele jaren was hij niet in de hoofdstad geweest; velen waren hem dus onbekend.

Intusschen was hij spoedig weer op hoogte, want voor het meerendeel droegen de gasten nog die half Duitsche uit den Deenschen tijd ingevoerde namen, die volgens een geheimzinnig erfelijk recht eenige vette landsposten aan zich verbinden. Niet alleen schijnen deze heeren de namen en betrekkingen hunner vaderen te hebben geërfd, maar zelfs in hun voorkomen hebben zij iets behouden, dat aan den tijd van Frederik den Zesde herinnert: hetzelfde regelmatige, wel gevormde profiel, hetzelfde kleine ronde hoofd, denzelfden stijven hals en hetzelfde gelaat, door eenen korten, stoppeligen baard omgeven, dat van voortdurende bescheidenheid getuigt.

Naar Delphins plan had het gezelschap zich in de hoeken en bij de ramen in kleine groepjes verdeeld, terwijl men midden in de vertrekken meest twee aan twee ging, anderen waren nog om de tafel geschaard of met hunne borden in de andere kamers verdwenen. Om een rijzig mager heer met een langen grijzen baard, een Noorsch beeldhouwer, die zijn atelier in Stockholm had, hadden zich ook vele gasten verzameld.

Naar men zeide, was hij te Christiania gekomen om gedurende de aanwezigheid van den koning, de belangstelling voor een nationaal monument, waarvan hij eene schets ontworpen had, op te wekken.

Het was eene groep, die de vereeniging tusschen Noorwegen en Zweden moest voorstellen; het plan bestond, het monument op de Eidsvoldsmarkt vlak voor het Storthinggebouw te plaatsen. Hij had de schets, verkleind en in potlood bij zich, en liet die aan hen, die om hem heen stonden, zien.

De omstanders legden veel belangstelling aan den dag en prezen de schets zeer, want allen waren genoeg met den loop der zaken bekend om te begrijpen, dat, als men tot lid van het Comité werd benoemd, men zeker op een ordeteeken kon rekenen.

De schets stelde Svea [10] voor als eene zittende vrouwelijke gestalte; de eene hand rustte op een zwaard, terwijl de andere arm om den hals van eenen kleinen knaap, die naast haar stond, geslagen was.

De kunstenaar vertelde, dat volgens het oorspronkelijke plan de knaap op de knieën van de vrouwelijke figuur had moeten zitten, maar, daar hij in aanmerking had genomen, hoe licht geraakt de Noren van natuur zijn, had hij den knaap naast haar geplaatst, zoodat iedereen dadelijk zien kon, dat de figuren denzelfden rang innamen. Om dezelfde reden had hij den knaap een' grooten helm opgezet, die hem over de ooren zat, en een groot slagzwaard rustte tegen zijnen schouder, hetgeen--half humoristisch--moest uitdrukken, dat, zoo het noodig zijn mocht, de kleine knaap zich de vijanden van het lijf zou kunnen houden.

Als een volleerd hoveling antwoordde de kunstenaar op al de indirecte vragen, die hem aangaande de samenstelling van een comité werden gedaan, dat de minister Bennecken aangeboden had, daarvoor te zorgen.

De kamerheer Delphin had den ambtman Hiorth aan een der voornaamste predikanten uit de hoofdstad voorgesteld. Zij stonden bij een venster te praten, maar, daar zij volstrekt niet met elkander bekend waren, liep het gesprek over het verschil, dat er bestaat tusschen het leven in eene stad en buiten, en over dergelijke algemeene onderwerpen.

Na een paar onbeduidende opmerkingen kreeg de ambtman gelegenheid te zeggen: "Het verwondert mij dikwijls, dat er tegenwoordig zulke valsche, scheeve voorstellingen over ons volk in de wereld in omloop zijn. Ik moet er mij steeds over verbazen; want iemand in mijne betrekking, die altijd te midden van het volk leeft, is meer dan iemand anders in staat over de toestanden te oordeelen. Mijne dagelijksche bezigheden brengen mij onophoudelijk met het zoogenaamde "Volk" in aanraking; ik spreek den boer in zijne slechte en voorspoedige dagen, ik ben bekend met zijne goede, zoowel als met zijne slechte eigenschappen."