Part 14
"Zij is dood!" riep hij knarsetandend uit, "en gij hebt haar vermoord!"
Mo haastte zich den sleutel aan de binnenzijde in het slot te steken om ze te sluiten, hij schudde het hoofd en mompelde: "och ... och, arme Christine! is zij werkelijk gestorven? wie zou dit hebben kunnen gelooven.... noch de minister, noch mevrouw...."
"Meng mijn vaders naam niet in de afschuwelijke daad, die gij gepleegd hebt," riep Johan en hij zette zijnen voet tegen de poort om Mo het sluiten te beletten. Een oogenblik kreeg deze het bewustzijn terug. De oude man stiet de poort zoo ver dicht, dat zij op eenen kier stond. Het gaslicht viel door de smalle opening op het bleeke gezicht met den valschen glimlach om den mond, met dat zilverwitte naar achter gestreken haar, en op duidelijken doch wat gedempten toon zeide hij: "De minister zoowel als mevrouw wisten het heel goed, maar zij wilden dat ik haar zou nemen, opdat gij haar niet krijgen zoudt," en met een onbeschrijfelijk kwaadaardigen grijns stak hij zijne tong tegen den dokter uit, terwijl hij de poort dicht sloeg en den sleutel tweemaal omdraaide. Johan Bennecken tuimelde tegen den lantaarnpaal en als verlamd bleef hij daar geruimen tijd staan.
Een jongen met eene ladder kwam op het trottoir: "man, ga wat verderop tegen eenen muur leunen, ik moet hier bij de lantaarn om het gas uit te draaien."
De dokter ijlde weg, alsof de grond onder hem brandde. In het Oosten begon de dag zich te vertoonen, eerst grauwachtig, dan rooder en rooder, totdat de zon opging; een vriendelijk stralende lentezon--het was de eerste Mei--bescheen de daken der huizen en verguldde de kerktorens.
Hij liep maar altijd voort, kwam in het oude gedeelte der stad, en keerde terug, altijd maar vóór zich starende en altijd geplaagd door dezelfde gedachten en denzelfden twijfel. Dat zijne moeder er niet onkundig van was geweest, hij kon zich die mogelijkheid hoe vreeselijk ook, haar te moeten gelooven, voorstellen. Zij was altijd zoo overdreven bang voor alles, wat een schandaal kon veroorzaken. Maar zijn vader--de brave edeldenkende man, zou die medeplichtig zijn? Die gedachte wierp hij ver van zich.
Mo was toch dronken, wist niet wat hij zeide, en was er altijd op uit met duivelsche boosaardigheid anderen te belasteren.
Maar wat hielpen al deze redeneeringen?
De twijfel brandde als eene gloeiende plek meer en meer in zijne ziel: hij moest zekerheid hebben.
Zoodra het besluit, naar zijne ouders te gaan, en hun ronduit de waarheid te vragen, bij hem vast stond, kwam hij tot meer kalmte. Intusschen kon er geen sprake van zijn op dit vroege uur te komen; een paar uren moest hij minstens nog wachten, en hij ging dus naar de kade, waar reeds volle bedrijvigheid heerschte. Werkvolk en sjouwerlui gingen naar de haven, leerjongens liepen naar hunne werkplaatsen met hunnen kleinen koffieketel en hunne boterhammen in een papier gewikkeld in de hand; fabriekmeisjes riepen elkander en gingen dan samen verder, lachende en elkander hare nachtelijke avonturen vertellende, terwijl politieagenten, die er slaperig uitzagen, zich voortsleepten en met verlangen hunne aflossing verbeidden.
Eene bevolking van een eigenaardig karakter bewoog zich op dit uur van den dag op straat: alle individuen geleken op elkaar, allen hadden een armoedig uiterlijk. Een welgekleed heer, die den nacht buitenshuis in vroolijk gezelschap had doorgebracht, sloop, druipstaartend als een hond en min of meer met zijne houding verlegen, in dien helderen zonneschijn naar zijne woning.
En intusschen waren de lieden, die in de fraaie gedeelten der stad woonden nog in diepen slaap gedompeld, achter neergelaten valgordijnen en gegrendelde deuren. Een verheven majestueuse slaap verkwikte hen, die over de stad, over den staat, over het volk en al zijne kleinoodiën zorgden; en hoe helder de morgenzon ook scheen, kon zij toch het mysterie niet opklaren, hoe het kwam, dat zij die sliepen, juist diegene waren, die waakten en dat over diegene, die wakker waren, gewaakt werd door hen, die sliepen. Steeds levendiger ging het echter langs de kade en in de haven zoowel als in de nauwe straten toe.
De kleine stoombooten lieten hun schel gefluit hooren en staken van wal; een weinig verder lag in de haven eene groote stoomboot, die juist van de Westkust was gekomen, en wachtte, totdat de havenmeester plaats voor haar aan de kade zou maken; visschersbooten kwamen binnenloopen; eenige visschers waren reeds aan het loven en bieden met de opkoopers en de dikke vischwijven, die groote, platte manden voor zich hadden staan.
Johan liep altijd maar voort; eindelijk kwam hij aan de Vestingkade, waar eene groote, groengeschilderde Engelsche stoomboot ankerde. De door stoom bewogen hijschmachine was druk aan den gang, volk liep af en aan op het vaartuig; tonnen en biervaten stonden in rijen langs de kade en in den vorm van eene pyramide was een groot aantal kisten op elkander gestapeld, waarop Noorsche namen en Amerikaansche adressen geschilderd waren.
Uit een der groepen van mannen en vrouwen met kinderen, allen in nieuwe baaien pakjes gestoken, trad een rijzig jonkman in bont katoenen hemd en zomerjas gekleed.
"Goeden morgen Johan! al zoo vroeg in de kleeren? Herkent gij mij niet?"
Johan herkende hem, het was een oud schoolkameraad, dien hij in jaren niet had ontmoet.
"Waar zijt gij al dien tijd geweest?" vroeg hij.
"In Amerika, kerel," antwoordde hij vroolijk. "Emigrantenagent--eene prachtige winstgevende zaak! maar, bliksems veel gezeur en ergernis ook.
"Thans zit ik er leelijk in moet je weten, want op de plaatsbiljetten, welke die lieden gekocht hebben, staat gedrukt: een Noorsch dokter bevindt zich aan boord, en de kerel, dien ik had geëngageerd, maakt nu allerlei zwarigheden en laat mij per slot van rekening nog in den steek. Maar.... waarachtig, daar denk ik juist aan, jij bent ook dokter--Johan, come along! goede voorwaarden, hoor maar eens!"
En nu begon de agent met zulk een rappe tong al de voordeelen, aan die betrekking verbonden, op te sommen, dat zijn eigen plan, hem zelf zoo begon toe te lachen, dat hij eindigde met te zeggen: "Zie zoo, dat is afgemaakt, die zaak is in orde. Hier is de nieuwe dokter," vervolgde hij, zich tot de om hem heen geschaarde landverhuizers wendende.
Johan moest onwillekeurig om hem lachen, maar zeide ja noch neen. Wanneer hij alles wel overwoog, was het eigenlijk het verstandigste, dat hij maar toesloeg.
Het was nu ongeveer zeven uur. Hij beloofde later op den dag nader bescheid te geven en begaf zich naar het ouderlijk huis.
In de voornamere stadswijken begon het thans wat levendiger te worden. De winkels werden geveegd en de spiegelruiten gezeemd. Eenige eerzame burgers in de Karel-Johanstraat waren bezig de vlaggestokken uit de dakvensters te steken, want men verwachtte den koning in den loop van den dag.
"Wie is daar?" riep mevrouw Bennecken, toen Johan aan de deur der slaapkamer klopte.
"Ik ben het.... Johan, ik moet vader spreken."
"Neen.... neen.... Johan.... je kunt nog niet binnen komen!" maar hij hoorde niet en deed de deur open.
"Maar Johan, wat beteekent dat," riep zijne moeder vertoornd uit, terwijl zij zich achter het bedgordijn verschool: zij was "en profond négligé"; de minister lag nog in bed.
"Ja.... neemt het mij niet kwalijk, maar ik moet met u beiden spreken." Zijn hart klopte zoo heftig, dat hij eerst bijna geen woord kon uitbrengen. "Ik ben hier.... om u te vragen.... vader..., of u, of moeder iets aangaande de ziekte van Mo wist, toen hij met Christine trouwde?"
Er ontstond eene kleine pauze; eindelijk begon de minister: "Ik vind je binnenkomen hier heel ongepast en...."
"Antwoord mij! antwoord mij," riep Johan.
De heer Bennecken ging overeind in bed zitten en beproefde met eene uitdrukking op het gelaat, die eerbied moest inboezemen, zijnen zoon aan te zien, maar dit wilde in zijn nachttoilet waarin het dunne grijze haar naar alle kanten uitstond, volstrekt niet gelukken. Had hij zich in al zijne heerlijkheid kunnen vertoonen, misschien zou het hem gelukt zijn, meester van de positie te worden: zoo als hij daar nu echter in zijn bed zat, een heel gewoon ongeschoren oudachtig heer, viel eensklaps de buitengewone eerbied, dien zijn zoon voor hem had gekoesterd, als een kaartenhuisje ineen, en op een ijskouden toon, die hem zelf bijna verschrikte, zei hij: "Vader--vader! ik heb mij in u vergist!"
Maar nu kreeg mevrouw hare tegenwoordigheid van geest terug, "ik verzoek je Johan met meer respect tot je vader te spreken.... en hoor bedaard wat ik je zeggen wil. Gij weet zelf.... als dokter heel best, dat de ziekte, waarop gij doelt, nooit door fatsoenlijke lieden wordt genoemd."
"Ja, dat is het juist," riep haar zoon uit. "Vele malen heb ik er mijne gedachten over laten gaan, wat de reden is, dat die vreeselijkste aller ziekten verlof heeft, incognito overal binnen te sluipen, terwijl het niet fatsoenlijk is, haar bij haren waren naam te noemen. O.... gij weet niet, wat gij gedaan hebt, moeder!"
"Wat heb ik dan gedaan! je bent van je zinnen beroofd, jongen!" riep mevrouw toornig uit. Zij kon het zich niet voorstellen, dat die sul van een Johan hier met het uiterlijk van een rechter voor haar stond.
"Adelaïde!" klonk het voorzichtig uit het bed.
Maar Johan ging kalm voort. Nu hij zekerheid had was het, of de vulkaan, die in hem brandde, op eens uitgedoofd was. "Dat gij trachttet mij te verhinderen haar tot vrouw te nemen, kan ik begrijpen, en zou ik misschien hebben kunnen vergeven, maar dat gij haar zoo moedwillig in het verderf liet loopen. O.... gij weet niet hoe edel en goed zij was, en hoeveel zij heeft moeten lijden.... Nu is zij gestorven, en ik vertrek van avond. Vaartwel!"
"Waar naar toe?" vroeg mevrouw.
"Naar Amerika," antwoordde Johan, die reeds in de deur stond.
"Naar Amerika! dat gaat volstrekt niet! Daniel!" riep zij haren man toe.
"Het is eene ernstige zaak, en vóór alles is het noodig dat wij bedaard zijn," zeide de minister.
In de eetzaal kwam Hilda, nog maar half gekleed haren broeder te gemoet; op hare slaapkamer had zij een groot gedeelte van het gesprek gehoord.
"Johan--Johan!" riep zij half snikkend uit, "wat is het toch?.... wilt gij weer weggaan?"
"Ja, Hilda, nu ga ik voor goed naar Amerika. Het doet mij leed voor jou, arme zus, want je staat dan weer zoo eenzaam," en hij drukte haar tegen zich aan.
"Ach.... ach....!" snikte Hilda.... "kan ik niet met je meegaan, Johan?"
Zij zeide die woorden zonder die nu juist ernstig te meenen, maar haar broeder vatte het anders op, en toen Hilda hem op zijn aanbod om hem te volgen antwoordde, dat mama het nooit zou toestaan, zeide hij op harden toon: "Och! het zijn de twee verschovelingen maar, die heen gaan, buitendien vragen wij geen verlof. Reis met mij mee en help mij, totdat gij iets beters voor je zelf vindt."
"Neen--maar Johan! is het je werkelijk ernst?"
"Waarom niet? Wat lot staat je hier t'huis te wachten? Trouwen zult ge wel niet.... neem het mij niet kwalijk, dat ik het zoo maar ronduit zeg.... en gij behoort tot een te voornamen stand om hier een nuttigen werkkring te vinden. Gij past volkomen voor Amerika."
Juist kwam mevrouw uit hare slaapkamer. "Ah zoo.... gij zijt nog niet weg, Johan.... dat tref ik, want ik wilde nog wat met je praten."
"Hilda gaat met mij mee," zeide Johan tot antwoord.
Mevrouw deed eene zwakke poging om te lachen.
"Nu ik ben blij, dat ik dit hoor; het heele plan was dus maar eene scherts, ja, ja, dat dacht ik wel."
"Neen, moeder, het is ernst," antwoordde Johan droogjes. "Hilda, pak nu je boeltje bij elkaar, wij gaan van avond aan boord."
Hilda was geheel verward, maar de gebiedende toon, waarop haar anders zoo vreesachtige broeder tot haar sprak, maakte zulk eenen indruk, dat zij hem gehoorzaamde en de eetzaal verliet.
"Luister nu, Johan," zeide mevrouw, en zij plaatste zich recht voor hem, "ben je gek, of ben je alleen dronken? Geloof je werkelijk, dat je vader en ik zulk een schandaal zullen gedoogen?"
"Ik kom van avond Hilda halen en verhindert gij haar de noodige toebereidselen te maken, dan kunt gij u op een nog grooter schandaal voorbereiden," klonk het uit zijnen mond en hij ging naar de deur.
Mevrouw Bennecken stiet eenen gil uit en viel achterover op eenen stoel. "Maar, Johan!" riep de minister in de deur der slaapkamer, hij had zijne pantalon nog in de hand, "help Mama toch, je ziet dat zij in onmacht is gevallen!"
"Dat is zij niet," antwoordde hij en verliet het huis.
XIX.
De agent voor de landverhuizers wreef zich vergenoegd in de handen, omdat hij zoo gemakkelijk aan eenen dokter gekomen was, en keek naar een stoomboot, die uit het Westen was gekomen, waarvoor nu plaats aan de kade was gemaakt vlak tegen het Engelsche vaartuig aan.
Zijn scherpe blik zag, overal zoekend naar landverhuizers rond en weldra ontdekte hij Njaedel en den opperloods, die juist aan wal gekomen waren. Door de menigte drong hij heen en voegde zich bij hen.
"Landverhuizers, naar ik zie," zeide hij, terwijl hij hen groette.
De opperloods beantwoordde zijnen groet maar toen de agent hem den reiszak, dien hij in de hand droeg, wilde afnemen, wilde hij volstrekt niet hebben, dat die netgekleede heer zich daarmede belastte. Intusschen praatte de agent onophoudelijk door en hielp hen uit het gedrang, want velen spoedden zich naar het pas aangekomen vaartuig. Njaedel volgde hen op den voet, hij zag alles met groot mistrouwen aan.
"Zie zoo..... daar ligt de boot op welke gij de reis zult maken, een prachtig vaartuig.... first class altogether, hebt gij al biljetten?"
"Neen!" antwoordde de opperloods.
"Very well! De biljetten krijgt gij aan boord, wees zoo goed aan boord te gaan!"
"Hoe laat vaart de boot af?" vroeg Njaedel.
"Morgen ochtend heel vroeg," antwoordde hij en met eenen woordenvloed, die Njaedel bijna deed duizelen, begon hij al de voordeelen van de onderneming, waarvoor hij passagiers werfde, op te sommen; hoe gelukkig het voor hen was, dat zij dadelijk, toen zij aan land kwamen, hem ontmoetten, en hoe gemakkelijk het was, dat zij van avond reeds aan boord konden komen, dat zij op deze manier de kosten voor huisvesting spaarden, enz.
Dit laatste betoog had de gewenschte kracht; zij volgden den agent naar boord en in minder dan een kwartier hielp hij hun aan kooien op de tweede klasse voordeks. Hij droeg zorg voor de biljetten, ontving de vooruitbetaling, schreef de quitantie, en beëindigde de zaak, door de handen vrij hard tegen elkaâr aan te slaan, herhalende: "all right, first class altogether!"
Toen dit alles in orde was, gingen zij weer aan land. Njaedel fluisterde den opperloods in 't oor: "Wanneer... die mooi gekleede mijnheer maar geen schelm is, hij praatte zoo in eenen adem door."
De opperloods lachte medelijdend en zei, dat dit Amerikaansche manier was. Hun bleef nog over zich omtrent "de zaak" op de hoogte te stellen en Christine in het hospitaal te bezoeken.
Njaedel was van meening, dat zij regelrecht naar den koning moesten gaan, maar de opperloods lachte weer medelijdend en begon aan allen, die hij ontmoette, den weg naar het ministerie te vragen.
Hij had geen geluk; de meesten lachten of antwoordden met eene geestigheid, anderen bleven staan om hen na te kijken. Zij zagen er ook in het oog vallend uit: de kleine, roodwangige opperloods in zijn geel zeemansbuis en pelsmuts en de reusachtige gestalte, naast hem, met den gekromden rug, den dikken verwarden langen baard en de buitengewoon heldere onschuldige kinderoogen.
Zij gevoelden, dat zij de opmerkzaamheid trokken, vooral toen zij in de voorname stadswijken kwamen. De opperloods vroeg niet meer zoo direct aan ieder den weg; aan den hoek van het postkantoor gekomen, zeide hij moedeloos: "Het is waarachtig al tien uur."
Juist keken zij op den kerktoren, toen een net gekleed heer met papieren onder den arm den hoek omkwam.
De opperloods vatte moed en zei: "Neem mij niet kwalijk.... maar kan u ons ook zeggen, waar het ministerie is."
"Welk ministerie?"
"Is er meer dan één," vroeg de opperloods op moedeloozen toon.
"Och mijn beste man," antwoordde de heer, "hoe zou het oude Noorwegen het met één Departement kunnen stellen! maar wat komt gij eigenlijk in het Departement doen?"
"Naar "de zaak" vragen," antwoordde Njaedel.
"Dat is te zeggen," verklaarde de opperloods nader, "het is over het wier aan het strand en een groot afvoerkanaal of sloot."
"Ja, groote afvoerkanalen vindt men in alle departementen meer dan genoeg," zeide de zoo goedig uitziende heer, "maar met het wier is het eene andere zaak."
"Het is aan dat departement, waar een minister is," verklaarde de opperloods verder.
"Och mijn beste buitenman, waar is geen minister! Wij hebben er elf van dat soort."
Nu zonk den opperloods de moed geheel in de schoenen, en hij zag zijnen vriend radeloos aan.
"Daar heb ik een broer," zeide Njaedel.
"Ah zoo! en hoe heet hij?"
"Hij heet Anders--Anders Mo."
"Ah, Mo! o dien ken ik heel goed; zoo zoo, is hij uw broer, gaat dan beiden maar met mij mee, ik ga denzelfden kant uit." Hij ging vooruit en de beide anderen volgden hem.
"Hij hoort tot de echt voorname lui," fluisterde Njaedel, "want hij schaamt zich naast ons te loopen."
"Ik vertrouw hem nog niet recht," antwoordde de opperloods voorzichtig.
"Hier breng ik u twee echte exemplaren van het uitstervend dierenras "Volk" zeide George Delphin tot Mortensen, toen hij met den opperloods en Njaedel de kamer, waarin deze zat, binnen kwam; "en hier mijne heeren," en hij wendde zich tot de twee reizigers, "ben ik zoo vrij u den waren "vriend des Volks," den heer Mortensen voor te stellen."
De redacteur stond op en boog deftig, ofschoon hij nooit recht op zijn gemak was, wanneer de hoofdcommies schertste. In eenige hoogdravende bewoordingen zeide hij, welk een genoegen het hem deed, zoo van aangezicht tot aangezicht te staan tegenover hen, die de eigenlijke kern van het volk uitmaakten. Noorwegens eerlijke, vrije mannen, enz.
Deze kleine comedie lokte Oerseth en drie of vier andere heeren uit de aangrenzende kamers; de opperloods had echter het bolle bleeke gelaat van Mortensen nauwkeurig beschouwd en voelde, dat hij op het punt stond in drift uit te barsten; toch gelukte het hem zich te bedwingen.
"Deze heeren," zeide de bureau-chef, terwijl hij zich gereed maakte heen te gaan, "beveel ik uwe bijzondere zorg aan, mijnheer Mortensen! en ik betwijfel volstrekt niet of gij zult met vreugde van de gelegenheid gebruik maken, u den waren Vriend des Volks te toonen."
"Pardon, mijnheer Delphin," antwoordde Mortensen een weinig knorrig, "maar van daag hebben wij wezenlijk geen tijd gekheid te maken."
"Gekheid," zeide Delphin, "gekheid? Hoorde wellicht een der heeren of de commies Mortensen van "gekheid" sprak?--Ik kan mij zulks niet voorstellen"--vervolgde hij, terwijl de schampere glimlach, die de schrik zijner vijanden was, zich om zijne lippen plooide, "ik kan mij de mogelijkheid niet voorstellen, dat de commies Mortensen een bevel, dat ik hem geef, als "gekheid" zou opvatten. Deze twee heeren komen hooren naar eene zaak over strandwier en over een groot afvoerkanaal, die bij ons Departement is ingediend. Wees zoo goed mijnheer Mortensen oogenblikkelijk naar alle papieren, die zaak betreffende, te zoeken en de heeren de noodige inlichting te geven."
De Redacteur zag vuurrood van kwaadheid en de anderen, bemerkende welke wending de comedie nam, slopen naar hunne plaatsen en bogen zich over hun werk.
Nu nam de opperloods Sechus het woord:
"Neem mij niet kwalijk mijnheer, maar--maar wij willen liever den minister zelven spreken--ik wil niets met dien mijnheer te doen hebben."
"Ja, daarin heb je gelijk," antwoordde de bureau-chef, en bracht de twee boeren door al de vertrekken tot in de wachtkamer van den minister. Hier verzocht hij hen te wachten, omdat deze nog niet op het bureau was.
Het duurde bijna een uur vóór hij verscheen--en bitter slecht geluimd.
Gedurende zijn ministerieele loopbaan had de heer Bennecken geleerd, om, hoe slechter hij gehumeurd was, een des te opgeruimder gezicht te zetten. Vandaag had hem zulks echter ontzettend veel moeite gekost, want de verdrietelijkheden waren al vroeg begonnen, en hadden hem geen oogenblik met rust gelaten.
Na de ongelukkige scène met Johan had hij een langdurig onaangenaam tête-à-tête met zijne vrouw gehad: Het had hem veel moeite gekost de energieke dame aan het verstand te brengen, dat dwangmiddelen en opsluiting geene afdoende middelen waren om een schandaal te voorkomen en waren dus tot de conclusie gekomen, dat het het beste zou zijn de zaak te laten zooals zij was en haar op hunne eigenaardige manier aan de wereld mee te deelen: Johan had lust een tocht naar Amerika te maken en Hilda zou hem voor pleizier vergezellen.
"Ach God! geen mensch zal het gelooven," jammerde Mevrouw!
"Dat hangt geheel af van de wijze, waarop wij het vertellen," antwoordde haar man.
Ter nauwernood was deze zaak beklonken, of onze candidaat Alfred kwam, heel zuinig kijkende, binnen. Hij was gedwongen geweest eenen wissel te accepteeren en die verviel vandaag en.... en.... De minister werd woedend en Alfred kreeg eenen duchtigen uitbrander; mevrouw schoof hem zachtjes de kamer uit en beloofde hem bij te springen met het huishoudgeld. En al deze verdrietelijkheden moesten juist plaats hebben op den gewichtigen dag, waarop men zijne majesteit den koning na eene lange afwezigheid verwachtte, op eenen tijd, waarin het van het grootste gewicht was voor het bezoek des Konings alles zoo feestelijk mogelijk in orde te hebben.
Toen de minister dan ook door de deur, waarvan hij alleen den sleutel bezat, op zijn bureau kwam, kostte het hem op het gezicht van de twee zonderlinge gestalten, die er zaten, groote moeite eenen vloek te weerhouden.
De opperloods stond dadelijk op en begon de zaak zóó voor te dragen, alsof hij een van buiten geleerd lesje opzegde. Tot Njaedels ongeveinsde bewondering sprak hij den minister telkens met "Uwe Hoogheid" aan.
De minister staarde hem een oogenblik aan, opende daarna de deur van het vertrek van den secretaris, die voor de verzending van de ingekomen stukken naar de verschillende afdeelingen zorg moest dragen, en vroeg: "Wat zijn dat voor lieden, die daar binnen zitten?"
"Ik weet het niet.... neen werkelijk ik weet het niet, Excellentie," antwoordde de secretaris, een klein mager man met grijs haar; "de bureau-chef Delphin heeft hen hier gebracht, ik weet er niets van.... volstrekt niets."
"Dat is juist iets voor u," mompelde de minister, "ga den bureau-chef zeggen, dat ik hem verzoek dadelijk hier te komen."
"Oogenblikkelijk.... oogenblikkelijk... Excellentie!" en met eenen sprong was hij van den kantoorstoel, liep een paar maal geheel ontdaan rond om zijnen hoed te zoeken, doch zich bij tijds herinnerende, dat hij de straat niet op behoefde, liep hij eindelijk naar Delphin's kamer, om deze de boodschap van den minister over te brengen. De minister liep terwijl hij op Delphin wachtte, de kamer op en neer; de opperloods was stom van verbazing en begon de geheele affaire vrij dwaas te vinden. De minister had er gedeeltelijk zelf toe bijgedragen, dat Delphin zoo snel eene schitterende carrière had gemaakt. In den laatsten tijd echter was hij niet al te zeer over hem voldaan; hij begon hem een weinig te wantrouwen, en had zich voorgenomen, om hem, zoodra zich een gepaste gelegenheid voordeed, aan te raden, naar eenen post in eene der kleine steden te solliciteeren.
Ondertusschen was George Delphin met zijne scherpe tong en zijne goede relatiën altijd een man, met wien het maar best was op goeden voet te staan, vooral wanneer er een schandaal te duchten was.
"Beste kamerheer," begon hij, toen deze binnenkwam, "gij kunt mij een groot pleizier doen. Zijne majesteit de koning komt, zooals gij weet, tegen vier uur. Dientengevolge zal een groot gedeelte van de notabelen der stad bij mij een déjeuner à la fourchette gebruiken, vóór den feestelijken intocht.... ik hoop, dat gij, Delphin, mij de eer zult bewijzen, ons met...."