Part 13
In de hut van den postbeambte lagen nog eene massa brieven door elkander. De brieven die voor 't Noorden bestemd waren, werden op zijde gelegd: eerst was het zaak voor de meer nabijgelegene stations te zorgen. Brieven van allerlei soort en met allerlei adressen waren er--leelijke, dikke, scheeve letters, die de geheele enveloppe bedekten; kleine fijne damesletters, die als vliegepootjes over het gladde velijn liepen; groote onbeduidende brieven van het een of ander bestuur in dikke grove enveloppen met lak verzegeld en portvrij; verder waren er nog loterijbrieven, minnebrieven, brieven met geldswaarde, of wel brieven waarin om betaling werd gemaand,--een geheimzinnig hoekje vol verrassingen, teleurstellingen, verdriet, verlies en onverwachte uitkomst was die kleine hut op de groote boot, waarin de postbeambte de brieven zoo vlijtig en kalm door zijne dikke vingers liet glijden. Het vaartuig begon meer en meer te schudden, zoodat hij begreep, dat men de fjord uit was. Hij verzorgde alles zoo goed mogelijk; de meeste pakketten legde hij op den grond, daar waren zij ten minste voor vallen bewaard. Daarna nam hij alles van de sofa, en met het kleine brievenpakket voor Egersund in de hand, kroop hij in een hoekje om ten minste nog een beetje te slapen. De lamp zwaaide ondertusschen voortdurend heen en weer in het toestel, waarin zij hing. Nu begon de ellende in het dames-salon eerst recht; telkens wanneer de stewardess de deur opende om zich even te verwijderen, hoorde men een jammerlijk gesteun. De onvermoeide voetganger had ook zijnen meerdere gevonden; als een beeld der ellende zat hij, terwijl de sporen van de ziekte, waaraan hij leed, op zijne jas te zien waren, op het dek; bitter voelde hij zich teleurgesteld: een zijner vrienden had hem wijs gemaakt, dat het onmogelijk was zeeziek te worden, zoo men maar zorg droeg voortdurend in beweging te zijn en op het dek te blijven.
De heeren, die in het salon lagen, moesten zich aan den rand der tafel vasthouden om niet van de sofa's op den vloer te recht te komen, het tikkend geluid, dat het lampeglas den geheelen tijd had gemaakt, was door honderden andere tergende geluiden vervangen, die zich telkens, naarmate de boot op en neer ging, lieten hooren. Wanneer het vaartuig op de eene zijde viel, kraakten de lambrizeeringen in de salons en de koppen, die in rijen aan de zoldering van het buffet hingen, rinkelden dat het een aard had. Dan stond de boot op eens recht overeind, doch viel dadelijk naar de andere zijde over en al de koppen rinkelden weer mee. Eene tabouret en eene paar bij zeeziekte onmisbare zaken, rolden met volle vaart in het heeren-salon, eerst naar den eenen, toen naar den anderen kant; eene deur vloog uit het slot, en sloeg regelmatig open en toe; de machine werkte met alle krachtsinspanning, nu eens met een brommend geluid, dan weer met een vreeselijk geraas en schuddende beweging, wanneer de schroef voor een oogenblik uit het water kwam. In het hoekje van den postbeambte sliepen de brieven kalm in de pakketten, en de postbeambte sliep, met de brieven voor Egersund bestemd in de hand, ook rustig te midden van al dat gebalder door; en al degenen, die langs het strand of meer in het land woonden, en aan wie de brieven waren geadresseerd, lagen ook ter neer en sliepen, uitgenomen de een of ander, die gedurende den nacht onrustig heen en weer liep, wachtende op het reeds zoo lang gevreesde bericht en zich in slaap wiegde, met de zoete hoop, wanneer hij het loeien van den storm hoorde, dat de post misschien wel veel later zou aankomen.
"Postmeester!" riep de stuurman door een kiertje van de deur, "nu zijn wij dicht bij Egersund."
"Hier is de post," en verschrikt sprong de aangesprokene van de sofa, terwijl hij het pakket in de hoogte hield.
"Ha, ha, ha, je schijnt hem duchtig geraakt te hebben," zei de stuurman lachend, "houdt gij mij vrij voor een borrel, zoo trakteer ik op bier."
"Ja, ja," antwoordde de postbeambte nog op slaperigen toon.
De stuurman kwam fluks met eene flesch en een glas terug; zooveel plaats was er nog, dat hij de deur achter zich toe kon trekken.
"Hondeweer!" zeide hij, en terwijl hij dronk, droop het zeewater van zijne oliejas, en kon men de heldere droppels water in zijnen lokkigen baard zien glinsteren.
Plotseling hoorde men uit de machinekamer een schel klokje luiden.
"Hei ho!" riep de stuurman en zette oogenblikkelijk de flesch neer, en weg was hij. "Zijn wij er reeds! Ja, waarachtig!"
De postbeambte rekte zich zoo goed als de kleine ruimte zulks gedoogde uit, greep in haast de pet met gouden band, en ging met het postpakket naar het dek.
De dag brak aan; koud en nat was het, alles vertoonde zich in een droevig, grijsachtig licht. De naakte klippen zagen in de zware stormlucht geheel zwart; er viel een fijne regen. Te Egersund hield de boot maar een oogenblik stil, zij vervolgde spoedig haren weg en de beambte begon weer zijne pakketten in orde te brengen.
Toen het eindelijk dag was geworden, werden de pakketten, die langs de geheele kust bezorgd waren, geopend en de brieven werden heinde en ver verspreid. Hij, die eenen brief had verwacht, ontving er geen; hij, die des morgens bij het opstaan noch aan de post noch aan een' brief had gedacht, lachte of schreide 's middags of 's avonds over een stuk papier.
Hetzij de brieven verwacht werden of niet, zij kwamen toch aan hun adres te recht, en uit de kalme kleine hut van den postmeester werden langs het strand en over het land eene menigte verrassingen, teleurstellingen, niets beteekenende berichten, zorgen, onverwacht geluk en ook onverwachte ondergang verspreid, terwijl de stoomboot al noordelijker en noordelijker stevende en de slaperige postmeester bij elke landingsplaats met een ander pakket op het dek kwam.
XVII.
Het was reeds tien uur in den morgen, en nog was Njaedel niet aan zijn werk begonnen.
In het vertrek, waar hij zat, was de vloer koolzwart, half verrot stroo en een paar gescheurde dekens zag men in het bed; de klink van de deur, die toegang tot de keuken gaf, was gebroken waardoor zij half open stond en onder den schoorsteen stond een zwarte koffieketel op een klein turfvuurtje.
Met starren blik keek Njaedel door de kleine ruiten. Hij was nog niet half klaar met het voorjaarswerk, en het was al half April. Zijne krachtige armen hingen slap langs zijn lijf, de zware baard was om de hoeken van den mond geheel grijs, en de rug was meer gekromd dan vroeger. Zoo als hij in dat lage vertrek zat, terwijl de regen in dikke droppels neerviel en de wind in den schoorsteen gierde, lag over deze reuzengestalte eene doffe hulpeloosheid.
Zijne gedachten liepen altijd denzelfden cirkel rond, waarin zij zich nu bijna twee jaren lang hadden bewogen. Zij bepaalden zich slechts tot "die zaak" waaraan nooit een eind scheen te komen.
Al het geld, dat uitgegeven was, al de goede woorden en beloften van zijnen broeder, al zijne verwachting en al zijne teleurstellingen, alles, wat hem al dien tijd in spanning had gehouden, scheen zijne krachten ontzenuwd en verlamd te hebben; het was, alsof hij streed met eene donkere, geheimzinnige macht, zonder iets van den strijd te begrijpen.
Diep in het gebergte had hij tegen bergverzakkingen te strijden gehad, maar dat was een eerlijke kamp geweest en toen hij het onderspit had moeten delven, was er een eind aan gekomen. Maar hier werd hij door iets anders vervolgd. Waar hij zich ook heen wendde, overal stiet hij tegen iets kouds, iets weeks, dat hij niet verbrijzelen kon en dat hardnekkig weerstand bleef bieden. Hij ontmoette het op weg, wanneer hij naar de kerk ging en de lieden voor hem op zij gingen; hij ontmoette het op het Thing, waar hij bij alle gelegenheden moest hooren, dat hij voor de rechters was geweest; wanneer hij zijn werk aan de sloot weder wilde opnemen, zag hij het opnieuw; hij gevoelde zich als in boeien geslagen; overal ontmoette hij hindernissen, die hij niet scheen weg te kunnen ruimen en zoo verrichtte hij voortdurend in stal en huis eigenlijk vrouwenarbeid; want hulp wilde hij niet aanschaffen.
Op de plaats waar hij zat en door de morsige ruitjes tuurde, kon hij bijna niets van de halfvoltooide sloot zien. Het graven van die sloot was zijn grootsche plan geweest, toen hij te Krydsvig een poosje was geweest. Zij zou de grens van het zand uitmaken, zijne hoeve tegen het drijfzand beschutten. Tevens was hij van plan geweest wilgen, teenen en helm aan het strand te planten, op de wijze die in de courant was aangegeven.
Al die plannen waren in duigen gevallen; Börevig zond zijn arbeiders in grooten getale om wier te halen en hunne diepe wagensporen vertoonden zich langs zijnen akker, die vlak aan het strand lag, waardoor het drijfzand, nu nog gemakkelijker dan vroeger, zich eenen weg kon banen.
De opperloods Sechus kwam door de keuken binnen.
"Goeden dag, Njaedel! hier kom ik met een brief van Christiania." Njaedel zag even op en een glimlach verhelderde zijn gezicht. De brieven van Christine waren zijne eenige vreugde.
"Wil je koffie hebben, Sechus?"
"Neen, dank je," antwoordde deze; hij had geene groote gedachte van Njaedels koffie.
Hij opende den brief en schrikte, toen hij de zonderlinge, scheeve lijnen en het onzeker schrift zag, bovendien had de inkt, overal waar hare tranen waren gevallen, het papier bevlekt.
Hij las den inhoud voor, die hoewel kort, zooveel bevatte; een oogenblik later las hij hem opnieuw. Njaedel uitte geen woord, maar zijn gelaat was doodsbleek geworden. Toen de opperloods den brief op de tafel legde, nam hij dien in de hand en staarde er op, ofschoon hij geen schrift kon lezen. Lang had de opperloods zijnen toorn opgekropt, nu brak die los en hij riep op driftigen toon, terwijl hij van zijnen stoel sprong: "Hier zit schurkerij achter, Njaedel! zoo waarachtig als ik Lauritz Boldemann Sechus heet, ben ik er zeker van, dat de duivel de hand in 't spel heeft. Ik vertrouw je broer niet.... neen, geen zier, hoor! Eerst heeft hij ons verteld, dat Christine volstrekt met hem trouwen wilde, maar dat zij bang was, dat haar vader er tegen zou zijn. Zoo kreeg hij ons er toe haar te bepraten en haar raad te geven en bracht hij ons in den waan, dat de vreugde en vroolijkheid er opgeschept waren. Maar ik heb al lang aan Christine's brieven gemerkt".... verder kwam hij niet want de stem stokte hem in de keel. Hij ging naar de keuken en snoot daar met veel geweld den neus.
"Neen, neen, neen," antwoordde Njaedel en hij schudde het hoofd, "je moogt geen kwaad van Anders zeggen, als je met hem bekend waart, zoo...."
Daar werd de buitendeur voorzichtig geopend en Sören Börevig sloop door de keuken binnen.
"Wat komt gij hier doen?" schreeuwde Njaedel en sprong op hem toe. Sören kwam voorzichtig nader maar ging naast den opperloods staan.
"Ik kom de groeten en goede berichten brengen van bekenden in Amerika. Ik heb vandaag ook eenen brief ontvangen."
Njaedel stopte gauw Christines brief in de lade van de tafel.
"Eerst kan ik den opperloods de groeten van zijne zuster doen; zij is weduwe geworden, zooals je weet," zeide Sören op zalvenden toon.
Neen, de opperloods had nog geen brief met dat bericht ontvangen. Sören Börevig haalde nu den brief, dien hij van zijnen broeder had ontvangen, voor den dag en las luid: "Mrs. Johnson, de zuster van den opperloods te Krydsvig heeft mij gevraagd hem voor haar te groeten, en te vragen of hij niet naar Amerika wil komen en bij haar in huis zou willen wonen, of in de buurt land koopen."
"Daaraan heb ik waarachtig al dikwijls gedacht," bromde de opperloods in zijnen baard.
"In den brief staat ook nog wat, dat voor jou bestemd is, Njaedel," zeide Sören en zag na op welke pagina het stond.
"Ik heb geene bekenden in Amerika," antwoordde Njaedel kort af.
Sören glimlachte een weinig. "Is je geheugen zwak geworden? Kijk hier staat het: Bij Mrs. Johnson woont ook een meisje van Krydsvig, zij heet Anna, en zij heeft mij gevraagd hare groeten te doen aan Njaedel Vatuemo, en hem te zeggen, dat zij het goed heeft, en dat haar jongen frisch en gezond is en precies zulk rood haar heeft als zijn vader."
Njaedel zag op, dacht een weinig na, en zei daarna op zachten toon: "wel--heeft hij ook rood haar!"
Sören keek beurtelings Njaedel en Sechus aan en vond dat het oogenblik gunstig was om te zeggen, waarom hij eigenlijk was gekomen.
"Je bent zeker nog niet klaar met het voorjaarswerk, Njaedel?" vervolgde hij het gesprek.
"Wat raakt dat jou?" zeide Njaedel dadelijk weer op heftigen toon.
"Och, niet veel, maar zoo gaat het nu eenmaal in de wereld; de buren willen altijd graag op de hoogte van elkanders zaken zijn. Betaalde je geen tweeduizend zeven honderd rijksdaalders voor de boerderij--hm?"
Njaedel bromde een onverstaanbaar antwoord.
"Ik praatte wat met den advocaat Tofte, toen hij hier kort geleden was," ging Sören voort, en schijnbaar onverschillig keek hij uit het raam, "hij beweerde dat uwe boerderij met eene zware hypotheek belast is."
"Laat mij met vreê, Sören!" riep Njaedel dreigend uit.
"Nu, nu!" viel de opperloods in, "laat Sören toch voor den dag komen met wat hem op het hart ligt, want je kunt hem aanzien dat hij iets te vertellen heeft. Nu, Sören, zeg ronduit wat ge wilt."
Sören Börevig hield er volstrekt niet van op zulk eene wijze zaken te behandelen, deze twee gingen te recht op den man af; maar in dit geval was er niets aan te doen, hij moest zich daarnaar voegen.
"Ja.... ik dacht nu zoo bij mij zelf, dat, daar Njaedel nu op eene met hypotheek bezwaarde hoeve zit, hij mogelijk lust zou hebben haar te verkoopen?"
"Wat biedt je er voor?" vroeg Njaedel.
"Ho, ho! ik heb niet gezegd, dat ik juist zou willen...."
"Wat biedt je?" herhaalde Njaedel.
"Twee duizend vijf honderd rijksdaalders."
"Voor dien prijs gaat het niet!" riep de opperloods boos uit, "dat zou precies genoeg zijn om zijne schuld af te lossen. Buitendien heeft hij zooveel grond ontgonnen, dat er nu dubbel zooveel land bij de boerderij behoort, als toen hij ze kocht. Neen Sören, je moet een hooger bod doen!"
"Ik neem het bod aan," zeide Njaedel en hij strekte de hand uit, "de koop is gesloten."
De opperloods wilde bedenkingen maken, maar Njaedel gaf er hem den tijd niet toe. Sören Börevig was geheel in de war geraakt; op die wijze deed hij volstrekt geen zaken, neen dat scheelde wat. Intusschen haalde hij een gezegeld stuk papier, dat in een stuk van een courant was gewikkeld, voor den dag. Het was.... ja, het was misschien wel goed den koop op schrift te hebben. "Ik heb hier een papier.... dat een koopcontract wordt genoemd en zoo...."
"Je bent een slimme kerel," zeide Njaedel op honenden toon, "geef mij pen en inkt, Sechus!"
Hoe de opperloods ook tegenstribbelde, het hielp niets. Njaedel nam de pen en trok eenige dikke strepen, die den naam Njaedel moesten voorstellen. Voor meer was er geen plaats, maar die naamteekening werd als voldoende beschouwd. Toen dit geschied was, trok hij zijn buis aan, zette de pet diep in de oogen en verliet met zware stappen het vertrek.
"Wanneer hij het verlangt, want hij weet vandaag niet recht, wat hij doet, moet de koop als niet gesloten worden beschouwd, hoor," zeide de opperloods, eer hij ging zien, waar Njaedel was heen gegaan.
Sören Börevig vouwde het contract samen, en stak het papier in den zak met eene grijns, welke de opperloods gelukkig niet zag.
Njaedel liep een weinig voor hem uit de hoogte op, de opperloods volgde hem op den voet.
Toen zij boven waren gekomen, zeide Sechus: "Je moet met mij mee naar Amerika trekken."
"Met leege handen," antwoordde Njaedel op mismoedigen toon.
"Met zulke knuisten als gij hebt, kunt ge overal vooruitkomen," antwoordde de opperloods, "ik voor mij heb grooten lust er heen te gaan. Van mijn huisje kan ik dadelijk afkomen, daar is mij dikwijls geld voor geboden, en het beetje geld dat ik bespaard heb, kan ik ook dadelijk in handen krijgen. Hier hebben wij niets meer te doen, Njaedel. Ik betaal het geld voor je overtocht, wanneer je weer iets begint te verdienen, kun je het mij terug betalen. En bovendien heb je aan de andere kant van de zee een jongen en ook eene vrouw.... dat hangt van je zelf af.... ga met mij mee!"
Njaedel was blijven staan en staarde voor zich uit. Hier van de hoogte gezien scheen al, wat hij gedurende de jaren, die hij er woonde, verricht had, zoo gering. Hij liet zijne blikken langs de muren om zijne akkers gaan, waarvan hij elken steen kende en hij dacht aan al het werk en al de moeite, die hij er aan ten koste had gelegd.
Daarna viel zijn blik op den akker en de half voltooide sloot, en meer en meer verbitterd werd hij, wanneer hij dacht aan al de plannen, die hij gemaakt had, toen hij hier kwam wonen. Hij dacht ook aan den tijd terug, toen de lange Anna nog te Krydsvig woonde, toen Christine nog thuis was en alles zoo goed ging. Op het zand, waar de branding tegen de rotsen sloeg, viel zijn oog; de zee lag grauw en hopeloos vóór hem, zij scheen door den dikken mist, die er over hing, alle gedachten, die zich naar het Westen wilden richten, tegen te houden. En hoe donkerder de regenwolken er uitzagen, nadat de hevige wind was gaan liggen, des te somberder en mismoediger werd hij gestemd; het was de reactie na de heftige opwelling, waarin hij zijne boerderij had verkocht, en waarin hij alles had prijs gegeven.
Maar in al zijne zorg over Christine, over zich zelf, over zijn verspild leven, in al de bekommering die hem nu zoo ter neer drukte, schenen de laatste woorden van den opperloods eene kleine lichtstraal aangebracht te hebben. Te midden van dat sombere, droefgeestige grauwe waarin hij tuurde, ontdekte zijn oog een klein lichtpunt, en meer en meer nam het in helderheid toe, en kreeg den vorm van een kinderhoofd: een' klein blank kinderkopje zag hij met roodlokkig haar.
Hij haalde diep adem, en zag met verbaasden blik om zich heen. Daaraan had hij nooit gedacht! er was nog iets, waarvoor het waard was te leven, dat hem hoop in de toekomst gaf.
"Wil je met mij gaan?" vroeg zijn vriend weder.
"Ja!" luidde zijn antwoord, en in zijne volle lengte rekte hij zich uit, "maar eerst wil ik naar Christiania om te zien hoe Christine het maakt en of ik de zaak in orde kan krijgen!"
"Och neen..... nu is het toch hetzelfde, hoe het met de zaak afloopt en......"
"Ik wil graag, vóór ik naar Amerika trek, met mijne eigene ooren hooren zeggen, dat ik gelijk heb," viel Njaedel hem in de rede en zijne oogen fonkelden.
"Goed, goed!" antwoordde de opperloods, die begreep dat het maar het best was, hem niet tegen te spreken; "in de lente doen er wel schepen met landverhuizers Christiania aan, denk ik."
Bij zich zelf vond Sechus het volstrekt zulk een gek plan niet naar Christiania te gaan. Eerstens was het noodig alvorens te vertrekken, eens naar Christine te kijken en dan koesterde hij de zoete, stille hoop, dat het hem in de hoofdstad toch wel gelukken zou, vat te krijgen op den persoon, die over alle Lensmands, opzichters en ingenieurs van de openbare wegen geplaatst was. Het zou toch vermakelijk zijn te ondervinden, dat men in het goede Noorwegen eenen weg in zulk eenen toestand kon laten.
XVIII.
Christine was nog niet lang in het hospitaal opgenomen geweest, of alle bewijzen waren voorhanden, dat de dood spoedig volgen zou. De ziekte, die in zoo korten tijd haar sterk lichaam had gesloopt, greep eindelijk de hersens aan, en na een' dag in bewusteloozen toestand te hebben verkeerd, ontsliep zij op eenen Zondagavond.
Johan was tot het laatste oogenblik bij haar gebleven; toen alles was afgeloopen, liep hij doelloos zonder op iets of iemand acht te geven de eene straat na de andere door; den kraag van de jas had hij volgens gewoonte hoog opgetrokken.
"Goeden avond... dokter Bennecken," zeide de kamerheer Delphin, die juist zijne huisdeur opende, "ga met mij mee naar mijne kamers, wij kunnen onder een glas wijn en eene goede sigaar den tijd wat trachten te dooden."
"Een saaie kerel, die dokter Bennecken," mompelde Delphin bij zich zelf, toen de andere zonder een stom woord te zeggen, verder ging.
Delphin stak zijne lamp aan, verwisselde zijnen rok--hij kwam van eene soirée,--tegen zijn chambre-cloak, stak eene sigaar aan, dronk een glas wijn, en begon toen, al wandelende door zijne twee fraai gemeubileerde kamers, de gebeurtenissen van den dag één voor één te herdenken.
Sedert dat groote bal in den herfst bij de Falck-Olsens, was hij meer en meer op vertrouwelijken voet met Hilda Bennecken gekomen; in den laatsten tijd echter, ja eigenlijk den geheelen winter had zij zich meer van hem teruggetrokken. Wel kon het nu en dan gebeuren, dat hij er haar toe kreeg den gezelligen vroolijken toon van vroeger aan te slaan, maar dat duurde slechts voor een oogenblik; dadelijk verviel zij weer in die zonderlinge verlegene houding, die hij niet kon begrijpen, maar welke oorzaak was, dat een vertrouwelijk gesprek tot de onmogelijkheden behoorde.
Delphin klopte de asch van zijne sigaar tegen de kachel af en begon aan andere zaken te denken.
Van avond had zij hem ronduit gezegd, dat zij voortaan niet met hem wilde opwandelen, wanneer zij elkaar op straat ontmoetten en dat zij liefst niet meer met hem wilde dansen.
Opnieuw wilde hij zijne gedachten met iets anders bezig houden, maar altijd draaiden zij weer om Hilda's beeld; hij bleef voor den spiegel staan, zag zich strak aan, en zeide: "Hoor nu eens, George, hoe het eigenlijk met je gesteld is!"
Hij ging voor zijne schrijftafel zitten en schreef vlug:
Beste George! Het doet mij onuitsprekelijk leed te hooren, dat ook gij, in wien ik zoo veel vertrouwen stelde, het beet hebt gekregen, want:
"Wer zum ersten Male liebet, --Sei's auch glücklos, ist ein Gott, Aber--wer zum zweiten Male Glücklos liebt,--der ist ein Narr."
En Madame Börresen heeft mij er alles van verteld: je bent verliefd, kerel!
Nu ja--dat zou ik nu zoo erg niet vinden, maar dat gij verliefd zijt op eene kleine apin met hondenoogen en eenen platten neus, dit geeft eene ontaarding van de edele organen te kennen, en dat doet mij innig leed.
Waart gij ten minste maar een man met karakter maar dat ben-je niet, dat weet-je zelf al te goed, want je mist mij, maar waart gij beiden in eenen persoon vereenigd, zoo zou ik je willen zeggen:
Opperbest, mijn jongen, dat is het beste geneesmiddel voor je, de eenige manier waarop gij het wrak van je in stukken geslagen levensschip kunt redden. Neem ze--hoe leelijker zij is, des te beter; presenteer haar dadelijk in de salons en zeg luid: "Dames en heeren, ik ben er trotsch op, dat zij mij heeft gekozen!" dan was er misschien eenige hoop op je redding, dan waart gij niet langer die akelige stakker, die je nu bent en wel altijd blijven zult. Amen!
Hij wierp de pen weg, en ledigde het glas, dat voor hem stond.
Uit het gasthuis was Johan Bennecken, op den Wergelands weg, waar Delphin woonde, terecht gekomen; hij had eenen grooten omweg door de buitenwijken der stad gemaakt, tot aan Homannsby zelfs.
Half uit gewoonte sloeg hij den weg naar het ouderlijk huis in, om--nu alles voorbij was--nog een blik te werpen door die laag gelegen vensters, in dat vertrek waarin hij zoo innig had liefgehad, maar ook zooveel had geleden.
Daar gekomen, zag hij een' man voor de poort, die moeite scheen te hebben het sleutelgat te vinden. De dokter herkende dadelijk Mo en wilde voorbij gaan, want aan zijne waggelende houding bemerkte hij, dat de conciërge dronken was. Niettegenstaande hij een' diepen afschuw jegens hem koesterde, keerde hij een paar stappen terug en hielp hem in huis.
Anders Mo was niet zoo dronken of hij herkende den dokter.
"Ja .... de dokter is een goedhartig man," zeide hij op zijnen deemoedigen toon, "werkelijk een heel goedhartig man, en dat zegt Christine ook."
Toen hij haren naam noemde en aan zijn gezicht eene vrome plooi wilde geven, was Johan zijne woede niet langer meester: hij greep hem bij de schouders en schudde hem heftig heen en weer.