Arbeiders: Roman

Part 11

Chapter 113,955 wordsPublic domain

De stilte, die nu aan tafel heerschte, was bijna benauwend. De dienstmeisjes, die juist de borden wilden verwisselen voor het rundvleesch, moesten staan wachten, terwijl de spreker de geschiedenis van het huwelijk aan zijne hoorders verklaarde. Hij ging van Adam en Eva, tot Abraham en Sara, en eindelijk tot Izaäk en Rebekka; behendig sprong hij Jakob met zijne twee vrouwen over, evenmin sprak hij over David en Salomo; geleidelijk kwam hij nu in zijne rede op het huwelijk van den tegenwoordigen tijd en eindigde met 's Hemels zegen over het bruidspaar af te smeeken.

De meesten der dames schreiden, Christine vooral. Juffrouw Evelina boog wat naar voren en knikte haar vriendelijk toe. Die plechtige woorden met aanhalingen uit den bijbel, het prachtige feest, alles maakte zulk eenen indruk op Christine, dat zij een oogenblik bijna begon te gelooven, dat dit huwelijk wellicht nog tot haar geluk kon dienen.

Juffrouw Evelina fluisterde Mortensen in: "het gaat mij toch werkelijk aan mijn hart, dat arme kind!"

Eene lange pauze ontstond er na den toast van den schoorsteenveger, waarin de dienstmeisjes eindelijk van de gelegenheid gebruik maakten de borden te verwisselen.

Madam Knoff, die den geheelen tijd beweerde, dat haar man, die afschuwelijke "Malle Bimbam" het hof maakte, had het ongeluk haar bord van de tafel te stooten, juist toen zij door een onverwachten zwenk den sergeant-majoor wilde verschalken. Het geraas, dat het bord bij het vallen maakte, verschrikte Knudsen zoo, dat hij van zijnen stoel opsprong, waardoor Andersen dadelijk op vermanenden toon riep: "Knudsen!"

Madam Gluncke had veel pleizier; zij lachte zeer luid en stootte haren buurman aan. Haar lachen maakte een begin aan de vroolijkheid. Mortensen liet de karaffen met Sherry rondgaan en de gasten lieten zich dien wijn goed smaken.

Toen stond de Redacteur op. "Dames en heeren! terwijl ik mijnen blik over deze vergadering laat gaan, rijst onwillekeurig de gedachte bij mij op, wat--zoo ik mij zoo mag uitdrukken,--wat eigenlijk de vereenigingsband tusschen ons uitmaakt?"

Hij sprak op een pedanten toon en zijne zinnen waren volkomen in courantenstijl geordend; daar hij voelde, dat hij de voornaamste man was en allen met de grootste opmerkzaamheid naar de woorden luisterden, die van zijne lippen vloeiden, gebruikte hij eene menigte latijnsche volzinnen en vreemde bewoordingen; hij ontwikkelde de stelling, dat allen, die hier vergaderd waren, deel van de groote staatsmachine uitmaakten, schalmen in de keten der mannen, "tot wie de natie met vertrouwen en eerbied opziet."

Zijne rede nam eene nog hoogere vlucht, toen hij in 't kort de groote beteekenis van den ambtenaarsstand voor het land ontwikkelde; altijd meer en meer stijgende, kwam hij eindelijk aan de spits van het systeem en eindigde hij met een plechtig:

"Dames en heeren, ledig uwe glazen op de gezondheid van onzen geëerbiedigden koning!"

De toast werd met geestdrift gedronken. Juffrouw Evelina keek den redacteur van ter zijde even aan, maar zij kon er niet recht wijs uit worden, of hij zelf werkelijk plechtig gestemd was dan dat hij het gezelschap voor den gek hield.

Nu bracht de bode van het Hooge Gerechtshof een' toast uit op den minister Bennecken, dien de bruigom beantwoordde met eenen toast op het vaderland; een der spoorwegbeambten sloeg voor op 't welzijn van het broederrijk (Zweden) te drinken en eindelijk stelde de havenmeester voor op de gezondheid der dames een glas te ledigen.

Plotseling riep echter de sergeant-majoor met zijne commandostem: "Geef acht! Geen gepraat in de gelederen vóór dat het rundvleesch van tafel is! Men kan door al die toasten waarachtig niet aan 't eten komen!"

Deze woorden brachten de vroolijkheid geheel aan den gang en hartelijk lachten allen over dezen uitval; Christine lachte ook. Toch keek zij half angstig achter den rug van haren man om naar madam Gluncke, die achterover in haren stoel lag en zóó van lachen schaterde, dat de tranen langs den kleinen vetten neus rolden. Madam Grüner, die tot nu toe van alles weinig had gegeten, deed zich aan het gebraden vleesch duchtig te goed, wijl zij zag, dat niemand in het minst op haar gedrag acht gaf. Toch bleef zij even slecht geluimd, waardoor haar cavalier zich met onverdeelden ijver aan zijn toezicht op Knudsen kon wijden. Wanneer hij dronk, fluisterde hij haar echter altijd op geheimzinnigen toon in, wijl hij aan zijne dame zag, dat zij vond, dat hij nog al dikwijls zijn glas vulde:

"Met mij ziet gij, loopt het geen gevaar! maar Knudsen, daar over mij, hij is nog maar op proef, begrijpt gij.... en ik ben de persoon, die op hem passen moet; "Knudsen!" riep hij dan, en hoe langer men aan tafel zat, klonk het luider "Knudsen."

Bij het dessert heerschte algemeene vroolijkheid en het leven nam, hoe meer de wijn het bloed verhitte, iedere minuut in luidruchtigheid toe. Paalsen, die als humorist bekend stond, vergastte op verlangen het gezelschap op eenige zijner komieke toeren; hij kon bijvoorbeeld kraaien als een haan, zich op de wangen slaan, waardoor het scheen, dat men eene flesch leeg schonk, de ooren naar alle zijden bewegen, en meer van die zaken.

Het kwam Christine voor, alsof dit alles niet heel gepast was. Naar haren smaak, moest het op eene bruiloft meer ernstig toegaan.

Toen de gastheer Paalsen bedankte, betitelde hij hem uit scherts: Mijnheer de President van den Hoogen Raad. Van die aardigheid maakte de Redacteur dadelijk gebruik en hij riep luid: "Generaal Knoff! gun mij de eer met u te klinken."

Eerst waren de gasten er wat over verwonderd, maar spoedig vond dit voorbeeld navolging. De schoorsteenveger Lunde werd als inspecteur aangesproken en de bruigom kreeg den titel van minister. Christine verheugde zich, dat het gezelschap zich zoo weinig met haar bemoeide; zij kon echter volstrekt niet begrijpen, waarom bijna alle gasten het van lachen uitproestten, toen Paalsen zich tot juffrouw Eveline Nielsen wendende, zeide: "Mag mij de eer ten deel vallen, met de gade van den President te klinken?"

"Gaarne! mijnheer de President;" antwoordde Evelina, en bloosde even; kort daarna lachte zij echter weer en fluisterde met Mortensen.

De inspecteur Lunde wilde volstrekt, dat madam Gluncke met eenen titel zou aangesproken worden, maar zij hield de handen voor de ooren en riep, dat zij daar niets van wilde hooren. Generaal Knoff, wilde met den politieagent Andersen klinken, die steeds met glazige oogen naar Knudsen staarde. Toen de generaal er hem niet toe kon krijgen naar zijne zijde te zien, nam hij op militaire wijze zijn toevlucht tot een afdoend middel: hij wierp hem een stukje van een sinaasappel over de tafel toe.

Ongelukkigerwijze trof het madam Grüner juist in het aangezicht: "zuur bij zuur!" riep Paalsen uit. Madam Grüner wilde dadelijk--hetgeen niemand natuurlijk bevreemden kon--de zaal verlaten en hare buren, de politieagent en de spoorwegbeambte hadden heel wat werk haar op hare plaats te houden. Dit kleine onaangename tooneel vergat men echter spoedig, wijl juffrouw Evelina op den goeden inval was gekomen het roode papiertje, dat om eene pistache gewikkeld was geweest, in het knoopsgat van den Redacteur te hechten.

Alles wat er aan gekleurde papiertjes en lintjes op de tafel te vinden was, werd nu gebruikt om de heeren te decoreeren waardoor het gezelschap er bij het einde van den maaltijd zeer schitterend uitzag. Met algemeenen bijval nam men den voorslag van Mortensen aan om de koffie rond te dienen, terwijl men aan tafel zat, en dan tevens eene sigaar aan te steken, "juist zoo als zulks te Parijs mode is!"

Het ging nu zoo levendig aan tafel toe, dat hooren en zien verging en men bijna zijne eigene woorden niet kon verstaan. Wild schreeuwden allen over de tafel heen. De woorden "Generaal" "Minister" "Inspecteur" enz. werden slechts afgewisseld door het op brullenden toon uitgeroepen "Knudsen" van Andersen, die zijnen vriend, die den proeftijd nog niet door gemaakt had, tot orde wilde vermanen.

Christine gevoelde zich hoe langer hoe minder op haar gemak. Zij zag de beide zijden van de tafel langs en schaamde zich dat het er zoo slordig uitzag. Groote roode wijn- en bruine sausvlekken, verwelkte bloemen en komkommersalade, rozijnentakjes, tabaksasch, sinaasappelschillen, verkreukte servetten en kruimels van gebak en bitterkoekjes, alles lag door elkaar tusschen de glazen en flesschen in. Alle gezichten waren rood als pioenen, de dames lachten luidkeels en de heeren schreeuwden elkander bijna doof, terwijl zij over de tafel heenlagen; de dikke rook der sigaren vermengde zich met de etenslucht en den geur van den wijn en de koffie.

Meer dan eens zag zij haren man vragend aan, maar hij lachte haar geruststellend toe, en fluisterde haar iets in wat zij niet begreep--hij sprak weer zoo erg onduidelijk.

Toen de gasten eindelijk van tafel opstonden, bleek het spoedig te benauwd in het vertrek, voor de eetzaal. Madam Gluncke ging daarop heel familiaar door de keuken en het voorhuis en opende de deuren, die naar het andere gedeelte der woning geleidden.

Deze kamers waren, wijl de familie nu buiten woonde, maar half gemeubileerd. De spiegels en lichtkronen waren met wit linnen bedekt, en de ruiten had men met krijt besmeerd, maar dit half donker en de aangename koelte, die er heerschte, vonden de gasten juist aangenaam en weldra hadden zij zich overal verspreid. De piano werd opengesloten en de jongste juffrouw Lunde speelde: "Zij ging naar het strand," enz.

Men kon duidelijk hooren, dat zij het zingen naar de nieuwste methode had geleerd, zooals hare moeder dan ook het gezelschap mededeelde, want zij zong:

Zij gi... ng na... a... r h... 't stra... nd" enz.

Maar nu ontstond er bij de piano een klein geschil, doordien madam Gluncke er eigenzinnig op aandrong, dat men zou zingen: "Daar stonden twee meisjes en zij plantten kool," terwijl de jongejuffrouw Lunde op beslisten toon weigerde zulk soort van liedjes te accompagneeren. Gelukkig dreef het onweer voorbij, doordien de President van den Hoogen Raad, de heer Paalsen, den arm om Malle Bimbam heensloeg en de polka met haar begon te dansen. Het bal nam nu een' aanvang, een buitengewoon vroolijk bal, dat tot laat in den nacht in de naakte halfdonkere vertrekken werd voortgezet.

Achter eene deur zat madam Grüner te luisteren naar de klaagliederen van madam Knoff, die heete tranen schreide over het gedrag van haren man. Beiden waren het eens, dat het volstrekt geen fatsoenlijke bruiloft was en dat "Malle Bimbam" nooit in 't gezelschap van fatsoenlijke lui moest toegelaten worden.

Christine liep van het eene vertrek naar het andere; zij voelde zich geheel verlaten en ongelukkig; maar toen zij laat in den nacht haren man in eenen donkeren hoek op zeer vertrouwelijke wijze met madam Gluncke zag zitten, werd het haar benauwd om het hart--zij verliet de groote woning, ging naar beneden en draaide den sleutel van hare kamerdeur om.

Toen de laatste gasten afscheid hadden genomen, scheen het schemerachtige daglicht door de ondoorzichtig gemaakte vensters. De redacteur had reeds een paar uur geleden juffrouw Eveline Nielsen naar huis gebracht; de politie-agent Andersen stond in eene zeer onbeholpen houding tegen de leuning der trap en fluisterde: "Knudsen!" hij kon niet meer spreken en evenmin kon hij alleen naar huis komen. De bruigom tuimelde de paar trapjes naar zijne woning af en toen hij Christines deur op slot vond, begon hij met geweld te kloppen en te roepen. Christine blies het licht uit en opende de deur.

XIV.

Des zomers woonde de familie Bennecken in een klein in Zwitserschen stijl opgetrokken huis op het Ladegaardseiland dicht aan het strand. Het was gebouwd op den grond die aan Falck-Olsen behoorde; de villa van deze familie was eenige honderden schreden verder op eene hoogte gelegen.

Wijl de afstand tusschen de twee villa's dus gering was, kwamen de familiën veel bij elkaar; inzonderheid ging de familie van den minister dikwijls naar de fraaie, ruime villa van de Falck-Olsens, omdat hunne woning vrij klein was.

Mevrouw Bennecken had de economie bestudeerd en dus een open oog voor de voordeelen, welke deze manier van huishouden aanbood; van haren kant was mevrouw Falck-Olsen er zeer mee ingenomen, dat hare buren zoo dikwijls kwamen, daar zij wat afwisseling, waarop zij zeer gesteld was, aanbrachten.

Zoo hadden de beide familiën jaren lang den zomer doorgebracht tot wederzijdsch genoegen en voordeel, maar van 't jaar scheen er iets aan te haperen: de ellendige Actiën-Bank was er schuld van.

De algemeene vergadering was op den twintigsten Augustus vastgesteld. Zooals men reeds vermoedde, had de oude raadsheer Falbe zich niet weer verkiesbaar gesteld, en nu wilde de heer Falck-Olsen bepaald, dat de minister bij de keuze voor eenen Directeur zijne stem op hem zou uitbrengen. Bennecken daarentegen beweerde hardnekkig, dat Falck-Olsen slechts onder zekere voorwaarden op zijne stem zou mogen rekenen.

Den geheelen zomer zat deze quaestie in de lucht en bedierf aller genoegen. De dames bespraken de zaak ook dikwijls en werden er soms zenuwachtig van.

Mevrouw Falck-Olsen vond, dat de minister heel goed haren Ole Johan zijnen zin kon geven en mevrouw Bennecken beweerde, dat de groothandelaar het best zou doen naar den raad van eenen man als haren Daniël te luisteren.

In den namiddag van dien zoo gewichtigen verkiezingsdag zaten de beide dames, ieder in haar eigen huis op het stoombootje te wachten, waarmede de heeren gewoonlijk uit de stad kwamen.

Mevrouw Bennecken was slecht geluimd. Al hare overredingskracht had zij aangewend om haren man tot andere gedachten te brengen, maar te vergeefs. De minister had zoo gewichtig mogelijk gezegd: "ik kan het niet Adelaïde!.... ik durf het niet!" en wanneer hij dien toon aansloeg, wist mevrouw bij ervaring, dat er niets aan te doen was. Nu zat zij in de huiskamer, die, wijl het huis alleen voor zomerverblijf was ingericht, volstrekt op geen comfort aanspraak kon maken; den ganschen dag zich hier te moeten ophouden, was allertreurigst; het regende dat het goot en de etenslucht drong door de dunne wanden uit de keuken tot in de zitkamer door.

De regen werd minder en mevrouw Falck-Olsen besloot haren man van de aanlegplaats af te halen, toen zij de boot den hoek zag omkomen.

De twee heeren kwamen van de boot, liepen samen een eindje op en toen barstte de toorn van den groothandelaar over het hoofd van den minister los. Hij had niet eerder gelegenheid gehad zijn hart te luchten, want de boot was stampvol geweest.

"Ja, dat had ik volstrekt niet kunnen denken," riep hij op bitsen toon uit, "ik ben verwonderd, ja waarachtig verbaasd ben ik.... dat gij het hebt durven wagen, Bennecken....."

"Het doet mij leed, Olsen, maar ik heb het u vooruit gezegd; ik heb niet anders kunnen handelen; consideraties van hooger belang...."

"Consideraties!--mij dunkt, dat gij mij vrij wat meer consideratie verschuldigd zijt,.... ja vrij wat meer...."

"Nu, nu, Ole Johan!.... maak je niet zoo driftig," zeide mevrouw, die hen ontmoette.

"Ik weet niet, waarom jij je in de zaak mengt, moeder! hij daar," en met het stompje van zijne sigaar wees hij naar den minister, "hij bracht zijne stem op Consul Lind uit, en dat niettegenstaande hij weet, dat, zoo ik wil, zoo.... maar wat hij van daag heeft gedaan, zal hem berouwen, daar kan hij op rekenen."

"Luister een oogenblik naar mij.... Falck-Olsen," sprak de minister. Hij was buitengewoon bleek en de hoeken van zijnen mond zag men zenuwachtig heen en weer gaan, toen hij beproefde te glimlachen, "hebt gij er nooit aan gedacht, dat het volstrekt noodig is.... dat u hier iets ontbreekt," en de minister legde met waardigheid den vinger op den linker omslag van de jas des heeren Falck-Olsen.

"Loop naar den d..... met die mooie praatjes, denkt gij mij aan het lijntje te houden. Goddank scheelt het mij nog niet in het hoofd.... dat zult gij spoedig genoeg ondervinden."

Na deze woorden geuit te hebben sloeg hij haastig den weg naar huis in. Mevrouw Falck-Olsen had de woordenwisseling van de heeren met belangstelling gevolgd. Zij wisselde eenen beteekenisvollen blik met den minister en hij knikte bevestigend.

"Kunnen wij er zeker van zijn?" vroeg zij.

"Geheel zeker, als hij zich verstandig gedraagt; dat is te zeggen.... na verloop van eenigen tijd."

"Nu dan zal ik de zaak wel opknappen," antwoordde zij.

"Ja, zoo gij dat kondt beste mevrouw," riep de minister met warmte uit. Hij wilde hare hand grijpen maar die zat onder den regenmantel zoodat zij met een hoofdknik afscheid moesten nemen.

Toen Mevrouw Falck-Olsen t'huis was gekomen, vond zij haren man met den hoed op in zijne kamer schrijven, zij hoorde de pen krassen.

"Je schrijft.... Ole Johan!" vroeg zij op schijnbaar onverschilligen toon.

"Ja.... ik schrijf naar het kantoor, dat de rekening van Bennecken van middag opgemaakt moet worden, dadelijk.... geen oogenblik mag het verschoven worden."

"Ja, dat kan ik mij voorstellen, want je bekommert je natuurlijk niets om zijn aanbod."

"Aanbod! welk aanbod?"

"Och, je hebt toch altijd den gek geschoren met al die kinderachtigheden," ging mevrouw voort, terwijl zij haren regenmantel afdeed.

"Maar wat bazel je dan toch? wat meen je?"

"Begreep je het werkelijk niet?" vroeg mevrouw, en zij deed of zij een en al verbazing was.

"Wat begreep ik niet? wat praat je toch voor domme dingen?" riep hij uit, en draaide naar haar toe.

"Wel heb ik van mijn leven, begreep je werkelijk niet, Ole Johan wat de minister meende. Sloeg je er geen acht op, dat hij hier zijne hand legde?"

"Begin jij mij nu ook met die praatjes? neen, neen.... ik zal...." Verder kwam hij niet, want vol verbazing staarde hij zijne vrouw aan die het uitproestte van 't lachen.

"Och, jij verstandige Ole Johan! Hoe zou het met je gaan, zoo gij mij niet hadt. Wat is dat?" en zij hield hem bij den linker omslag van de jas vast. "Wat hebben voorname groote mannen hier gewoonlijk zitten, wat ontbreekt daar? Nu?" Mijnheer de groothandelaar, Ole Johan Falck-Olsen, tuimelde drie schreden achteruit en bleef eindelijk voor den spiegel staan; hij keek beurtelings in den spiegel en naar zijn linker jasomslag, terwijl hij wat aan het knoopsgat friemelde.

"Denk je werkelijk, dat hij dit meende?"

"Natuurlijk! maar dan moet gij je aan eene bepaalde partij aansluiten, zoo als hij zegt en dat wil je toch niet."

"Dan kon je de bal wel eens leelijk misslaan," riep hij uit en draaide op zijne hakken rond, "de eene dienst is de andere waard, verlangt hij niets anders van mij, zoo..."

"Maar beste man, wanneer je dat vroeger had willen doen, zoudt gij Directeur hebben kunnen worden."

"Och wat, wat maal ik om dien ellendigen post van Directeur! denk je dat ik daar een zier om geef? Maar dit.... zie je, is heel wat anders; dat is werkelijk iets. Zoo het maar vlug in zijn werk kon gaan!"

"Niet lang geleden stak je den draak met de Gele Vereeniging, en ik zag dadelijk, dat de minister daar over uit zijn humeur was."

"Bravo, Malene! Ik zal den minister vragen mij in de Gele Vereeniging op te nemen. Ja, ja Malene, Salomo heeft het bij het rechte eind, wanneer hij zegt: hij die eene goede huisvrouw.... of zoo iets."

"Ik vind niet, dat jij je, wat huwelijkszaken betreft, juist aan Salomo zoudt houden," antwoordde mevrouw, terwijl zij zich door haren goed geluimden man liet omhelzen.

Toen Hilda Bennecken, die met dezelfde boot uit de stad was gekomen, de kamer binnenkwam, was het dienstmeisje bezig de tafel te dekken in de woonkamer. Eene afzonderlijke eetzaal hield men er buiten niet op na.

"Nu ben je daar eindelijk.... doornat natuurlijk. De Hemel mag weten waarvoor je eigenlijk in zulk weer naar de stad moest gaan, maar zoo doe je altijd."

"Ja maar mama, van morgen was het zulk helder mooi weer, en...."

"Och het mocht wat.... je bent nooit gelukkig in je plannen, dat is nu eenmaal zoo en daarom verwek je slechts ergernis. Is Alfred niet meegekomen?"

"Neen, hij heeft mij gevraagd t'huis te zeggen, dat hij in een restaurant met den zwager van Hiorth, geloof ik, zou eten."

"Die gemeene Hiorth!" zeide mevrouw zuchtend en zag naar de stoomboot, die weer van wal ging.

Hilda was aan zulke uitvallen gewoon. Zij deed haren hoed en mantel af en hing die in den gang te drogen. Toen zij weer binnen was, waagde zij te zeggen: "Die arme Christine! zij is volstrekt niet gezond. Zou het niet goed zijn, zoo wij dokter Rohde eens vroegen, naar haar te gaan kijken?"

"Hoor, Hilda!" zeide mevrouw, en rood van kwaadheid stond zij vóór hare dochter, "het verveelt mij geducht, dat je mij altijd plaagt door over dat mensch te spreken. Eens vooral, zeg ik je nu, dat ik haren naam niet meer wil hooren noemen.... geen enkele maal, begrijp je me? Wij hebben meer voor haar gedaan, dan de meesten in onze positie zouden doen, en je weet zelf, hoe onze woning in de stad er na die bruiloft uitzag. Nu is het, dunkt mij, genoeg en ik verbied je een' voet over haren drempel te zetten, hoor je? Altijd, bij alles wat jij uitvoert, verwek je ergernis en onaangenaamheid."

De minister kwam nu binnen, doch ziende dat er onweer aan de lucht was, vluchtte hij naar de slaapkamer en maakte er toilet, tot dat hij aan tafel werd geroepen. Toen zij goed en wel aanzaten, zei hij vriendelijk tot Hilda, want hij zag, dat zij zich de woorden harer moeder erg aantrok: "Hadt gij al lang met den kamerheer gewandeld, toen ik je met hem ontmoette?"

"Met den kamerheer," viel mevrouw boos in, "heb je hem nu weer je gezelschap opgedrongen! je stelt je zoo belachelijk mogelijk aan, Hilda, door hem na te loopen ja, wat erger is, je maakt hem min of meer belachelijk...."

"Neen, maar Adelaïde," waagde mijnheer voorzichtig in het midden te brengen.

"Je kunt toch zelf wel begrijpen, Daniel, dat het voor iemand, zoo gefêteerd als Delphin, vreeselijk gênant is voortdurend in gezelschap gezien te worden met eene dame, die.... om eene zachte uitdrukking te gebruiken.... zoo weinig gedistingueerd uitziet, als Hilda. Dat is klaar als de dag, naar het mij voortkomt."

Hilda kon het niet langer aan tafel uithouden; zij stond op en vloog de trap op. Toen zij haar laag dakkamertje had bereikt, [9] deed zij de deur op slot en verborg snikkend het gezicht in het kussen. Dat was toch het vreeselijkst van alles! Zoo leelijk te zijn, dat een man zich belachelijk maakte als hij met haar wandelde. Hield Delphin haar misschien voor den gek? En zij, die dacht, dat hij gaarne met haar praatte....! Mevrouw Bennecken schreide ook.

"Het is alles jouw schuld Daniel; waren wij niet door jou met de familie Falck-Olsen gebrouilleerd geraakt, zoo zou alles goed gaan, maar nu...."

"Bedaar toch.... beste Adelaïde.... wees toch bedaard. De verzoening zal niet lang op zich laten wachten en...."

"Och, zeur me toch niet met dat: bedaar toch Adelaïde! ik vind die woorden onuitstaanbaar," zeide mevrouw en nam het deksel van de schaal af, waarin kalfsvleesch met eene pikante saus was.

Juist toen mevrouw er zich van bediende, hoorde men voetstappen op de kleine veranda; zij had bijna niet meer den tijd het deksel weer op de schaal te doen, of de groothandelaar Falck-Olsen stond reeds in de kamer.

"Aha! dat tref ik gelukkig," riep hij uit en zijn gelaat straalde van tevredenheid, "de familie is nog niet aan het eten? Ik kom speciaal om u mevrouw met eene boodschap van mijne vrouw. Het zou haar genoegen doen, indien gij dadelijk mee wildet gaan om bij ons het middagmaal te gebruiken. Zij heeft een paar kuikens laten braden, die bijzonder goed uitgevallen zijn en zij wil absoluut, dat u ze komt proeven. En niet waar, Excellentie, gij wilt mij bij een glas witten portwijn wel gezelschap komen houden," voegde hij er bij, en stak hem de hand toe, "wij beiden hebben van daag wel eene extra hartsterking noodig." De minister drukte hem hartelijk de hand.