Part 10
Stiller en warmer werd het langs de oevers van den Nijl. De krokodillen moesten zich nu met negervleesch tevreden stellen of een enkele maal met dat van een taaien Engelschen toerist. Dag en nacht vlogen de trekvogels naar het Noorden en naarmate zij de bekende plaatsen naderden, verminderde het reisgezelschap; zij, die aan hun bekend te huis waren gekomen, groetten hen, die nog verder moesten trekken, en leven en vroolijkheid over het oude bevrorene Europa zouden verspreiden, in bosch en veld, dicht bij de woningen der menschen en ver weg in het riet van de groote stilstaande meren.
In Italië stonden de rozenstruiken in vollen knop; in 't Zuiden van Frankrijk deden de bloeiende appelboomen denken, dat het zooeven gesneeuwd had, en op de Boulevards in Parijs begonnen de bladeren der kastanjeboomen hunne glanzende taaie knoppen te verbreken. De eerzame burgers van Dresden stonden op het Brühlsche terras en warmden zich in de zon, terwijl zij naar de ijsschotsen keken, die met den stroom kwamen afdrijven, om zich tegen de bogen der brug bij torenhoog op te stapelen.
Maar verder op in het Noorden bleef het nog koud; een scherpe, snijdende wind woei over de Noordzee en hier en daar zag men sneeuw op den grond. Hoe noordelijker men kwam, des te kleiner werd de schare der leeuweriken. Een groot gedeelte nestelde zich op de vlakten om Leipzig, en een ander op de Lüneburger heide; toen de overige in Sleeswijk waren aangekomen, vroegen de Deensche leeuweriken aan hen, die in het Noorden thuis behoorden, of zij geenen lust hadden een weinig te wachten om het weer wat aan te zien.
De sneeuw lag nog op de velden en hekken in Jutland, en de Noordwestenwind schudde de oude Deensche berken, welker bruine knoppen nog voorzichtig de saamgehulde teere blaadjes omsloten. De vogels verscholen zich achter groote steenen en in het heidekruid; sommige waagden het zelfs heel dicht in de buurt der boerderijen te komen, waar de musschen een leven maakten alsof alles hun behoorde.
Allen waren het er over eens, dat men al te vroeg op reis was gegaan, en hadden zij hem, die hen van Egypte's vleeschpotten gelokt had, hier beet kunnen krijgen, zij zouden hem zeker de veeren hebben uitgeplukt. Eindelijk woei er een Zuidenwind; de reizigers naar het Noorden namen afscheid, bedankten voor het aangename gezelschap en vlogen de zee over.
Daar in Noorwegen zag het er bij hunne tehuiskomst treurig uit. De sneeuw lag nog vele voeten diep in de dichte bosschen en zelfs in de dalen. Daar bracht de Zuidenwind den zoo gewenschten regen en,--nu niet trapsgewijze--neen, plotseling greep er eene omkeering plaats met geraas en gebulder en sneeuwstortingen en schuimend neervallend water en bruisende stroomen, zoodat het land veel op eenen reus geleek, die zich wascht en die er van houdt het ijskoude water over de krachtige leden te laten spatten. En een groen floers breidde zich over alles uit; over de jonge berken op de hoogten, over de stranden, waar de zee een inham maakt, over de vlakten in westelijke richting naar zee en over heide en moeras, over klippen en bergkloven en over de nauwe dalen tusschen de bergen. Op de toppen bleven de sneeuw en de gletschers liggen, alsof de bergen geenen lust hadden den hoed voor zulk een vluchtigen bezoeker als de zomer, af te nemen. De zon scheen zoo heerlijk en warm, ook het koeltje voerde nog warmte van het Zuiden aan, en eindelijk kwam de koekoek,--als opperceremoniemeester, om te zien, of alles in orde was; hij vloog nu hier, dan daar, verschool zich eindelijk in het dichtste loof van eenen jongen berkeboom, en riep: "de Lente is daar!"
Het oude Noorwegen was eindelijk ontwaakt!
Daar lag het nu--zoo hoog en zoo verblindend schoon aan de blauwe zee;--zoo arm en zoo mager en toch ook zoo frisch, gezond en lachend als een flink gewasschen kind.
In de havens langs de kust heerschte nu groote bedrijvigheid; witte zeilen vertoonden zich tusschen de klippen en verdwenen in zee. De schaatsen werden aan den balk gehangen, de sledevellen, goed met kamfer bestrooid, werden weggeborgen, en even als de beer, wanneer hij uit zijn hol komt, zijne pels eens goed schudt, evenzoo schudden nu de menschen, de loome leden, grepen de spade aan en begonnen met vollen ijver den voorjaarsarbeid.
Groote houtvlotten dreven de stroomen af en plasten in het ijskoude sneeuwwater; op de breede vruchtbare akkers sneed de ploegschaar lange zwarte voren; hoog in het Noorden waren de lieden druk bezig kabeljauw op de naakte klippen te drogen te leggen; op de vlakten in westelijke richting naar het strand toe, zag men karren met wier beladen langs de akkers rijden, en op de heide stond een kleine man met leepoogen, peinzende over eene Isabella-merrie.
Hier was de lucht nog frisch en aangenaam, terwijl de lieden te Parijs op straat door een zonnesteek getroffen werden en de bladeren der boomen op de boulevards vol stof en half verschroeid waren.
Op het Brühlsche terras zaten de eerzame burgers van Dresden het koeltje, dat de avond hun aanbracht, te genieten; zij dronken Meiwijn en disputeerden zoo over Wagner's muziek, dat zij elkaar bijna in het haar vlogen. Over iets anders mochten zij in het publiek niet disputeeren en--disputeeren moesten zij.
Zij, die eene goed gevulde beurs bezaten, begonnen in Baedeker te bladeren, en spoedig kwam er ook eene schare van krombeenige Duitschers en Engelsche dames met lange tanden opzetten, die frissche lucht wilden inademen, tusschen de bergen van Noorwegen, en later een weinig van die frissche lucht naar het vaderland wenschten mede te nemen, te gelijk met de goelijk gemeende karikaturen over het "Oude Noorwegen."
Terwijl die bonte menigte van reizigers zich in alle richtingen over Noorwegen verspreidde, ontmoette zij op hunnen weg eenen anderen stroom, die de kust trachtte te bereiken.
"Was sind das für Leute?" vroeg Raadsheer Schultze uit Berlijn.
Een beschaafde Noor antwoordde hem in het Duitsch "Emigranten."
Mannen en vrouwen met ernstig uiterlijk, gekleed in nieuw friesch baai, togen voorbij. Kinderen hielden zij bij de hand, op den arm, op den rug of wel aan de borst; eene schare van gezonde roodwangige kleinen, die met heldere oogen verwonderd naar alles staarden, wat op weg te zien was.
Aan al de spoorwegstations en op al de stoombooten, die de groote binnenmeren bevaren, stonden kisten opgestapeld, voorzien van duidelijk geschilderde adressen en namen in het Noorsch en in het Engelsch.
Op alles lag den stempel van een wel overwogen, langzaam gerijpt besluit: knappe stevige bagage, nieuwe sterke kleederen, geene nuttelooze kleinigheid in handen,--alleen kinderen, maar die werden dan ook stevig vastgehouden; men kon zien, dat ze niet eerder zouden losgelaten worden, vóór men goed en wel in de Nieuwe Wereld was aangekomen.
Maar geene vreugde, zelfs niet dat wat men hoop kon noemen, stond op die aangezichten te lezen; alleen lag om den mond een vast besloten, zwaarmoedige trek en een zwaar verdriet sprak uit die oogen, die tranen stortten of niet schreien konden.
Raadsheer Schultze uit Berlijn was een en al verwondering. Dat men lust had uit Duitschland te emigreeren, kon hij zich begrijpen; daar had men dienstplicht en eene militaire regeering, het socialisme, Bismarck en alle mogelijke ellende meer. Maar hier--! in dit schoone vreedzame land, met zijne welbekende vrijzinnige constitutie,--wat kon hier den menschen ontbreken?
En het land zelf scheen te vragen: waarom gaat gij heen? De zon gaf zulk een vriendelijk lachend uiterlijk aan de lichtgroene heuvels; de stroom kabbelde zoo vreedzaam en uit het woud kwam van de pijnboomen met de nieuw ontsproten naalden zulk een heerlijke geur!
Op het perron stonden familie en bekenden en zij weenden, wijl zoovelen wegtrokken--allen weenden tot de arme daglooner toe, die schreide, omdat hij geen geld had om mede op reis te gaan.
Toen de trein door het dal stoomde, zagen zij allen uit de nauwe raampjes van den waggon en zij wisten, dat er geen schooner land op de aarde te vinden is; dat nergens de zon zóo schijnt, dat nergens de lucht met zulk een' geur, met zulk een gejubel vervuld is, dat nergens de koekoek zoo vroolijk roept als in hun vaderland.
En heete tranen welden in de oogen op, en luid werd in die waggons gesnikt; men vergat, waarom men zich hier bevond, en ieders oog scheen dat des anderen de treurige vraag te doen: "waarom gaan we toch weg, waarom?"
Intusschen nam de lente weldra afscheid met haar welluidend gezang, met hare vechtpartijen en liefdesavonturen van de kleine kevers, die in het gras aan hunne schoonen het hof maakten, van de groote beren, die in de wouden vochten, tot er bloed stroomde. Natuurlijk waren zooals altijd de kleinen door de grooten verslonden, dat valt niet te ontkennen; doch het had nu meer als eene bijzaak plaats gehad: 't geschiedde min of meer gemoedelijk. Niemand behoefde veel voedsel; wanneer men verliefd is, heeft men aan andere dingen te denken. De strijd om het dagelijksch bestaan gaat, wanneer men verder in den zomer en in den herfst is gekomen, op eene geheel andere wijze toe: men moet dan voedsel zoeken voor het wijfje en eenen troep hongerige jongen.
Het voorjaar werpt een waas van ridderlijkheid over de materialistische jacht naar het stoffelijke; de mannetjes doen hun best, zoo lieftallig mogelijk te zijn, terwijl de wijfjes haren korten triomf genieten door zooveel zij maar kunnen en naar hartelust te coquetteeren.
In het woud en op het veld weerklinkt de lucht van smachtend verlangen, hopelooze klaagtonen en jubelend geluk, en vele kleine harten breken van stil verdriet; vele kleine ongeregeldheden hebben onder het dikke loof of op het eenzame veld plaats, en menig klein gevecht wordt er op leven en dood gevoerd, terwijl de schoone onverschillig ter neder zit en het spel aanziet.
Twee kwikstaartjes vochten zoo heftig met elkaar in de lucht tot zij van vermoeienis in de sloot bij den molen vielen; doornat en gehavend kwamen zij op het droge. Ondertusschen vloog zij, om welke het gevecht plaats had, met eenen derde, die daar toevallig voorbij kwam vliegen, weg. Het water bij den molen lag zoo blank en stil, dat de twee mededingers er zich in konden spiegelen, toen zij bezig waren, hun toilet in orde te brengen. De jonge kikvorschen hadden zich van hunne toga puerilis met den hinderlijken staart ontdaan. Zij vertoonden zich nu in al den glans van jonge kikvorschen, terwijl zij met de achterpooten als geëxamineerde zwemmeesters krachtige slagen in het water maakten.
Langs de geheele kust liep de zee; voorzichtig als eene kat, sloop zij tusschen de talrijke klippen door. Daar, waar gedurende den winter bij stormweer het schuimende water kon koken, bruisen en razen, gleden nu de lichtgroene golfjes in en uit; de groote, blauwe, door de zon zoo vroolijk beschenen zee vlijde zich zoo warm en koesterend tegen het oude zoo barsch schijnende land aan, alsof zij nooit vijandig tegen elkander gestemd waren geweest. Langs de naakte klippen en steenen en in de kleine fjorden groeide het wier in roode, gele en lichtgroene schakeeringen; het glansde gelijk een zijden dek. Op den bodem der zee krioelde het van allerlei schaaldieren met lange armen en voelhorens en stevige huisjes op den rug--eene wonderlijke wereld van listige wapenen en sterke harnassen. Op de naakte, gladde klippen, die dicht bij den blauwachtig witten zandigen grond gelegen waren, zaten tusschen weelderig zeegras en andere zeegewassen, slijmdieren, stekelige zeeëgels en prachtige roode zeesterren. Twee of drie zeealen staken hunnen kop tusschen het in elkaar gegroeide wier in en beten aan het een of ander; daar kwam onverwachts een dikke kabeljauw aanzwemmen, door wiens komst zij zoo schrikten, dat zij ijlings trachtten weg te komen. Deze stak nu den neus in het wier om te zien, wat er te koop was. Vermoedelijk vond hij er niets, wat zijnen eetlust opwekte, want met eenen verachtelijken zwaai keerde hij om, en zwom dood op zijn gemak verder langs de klip.
De zonnestralen vielen met een blauwachtig en geheimzinnig schijnsel op dat vreemdsoortige leven op den bodem der zee, zoowel als op de licht grijs gekleurde zandplaten, die hier en daar onder het water te zien waren, totdat zij eindelijk geheel verdwenen en slechts de groote, diepe, oneindige, blauwe zee zich vertoonde.
XIII.
Op den eersten Juli werd het huwelijk van den bode aan het Departement Anders Mo en Mejuffrouw Christine Vatuemo in de Drieëenigheidskerk gesloten.
Buiten degenen die uitgenoodigd waren de huwelijksplechtigheid in de kerk bij te wonen, waren nog een groot aantal menschen aanwezig, want de minister Bennecken bevond zich onder de bruiloftsgasten, en buitendien was het een interessant paar om naar te kijken: de oude man en het jonge meisje.
Eigenlijk geleek het niet zoo dwaas, als men gedacht had. Wanneer men het witte haar niet meerekende, was Oom Anders in zwarten rok, stijve witte das en gouden horlogeketting.... een huwelijksgeschenk van den minister, werkelijk nog een deftig bruidegom. Christine was zoo lang en forsch en zag er zoo boersch uit, dat het niet veel in het oog liep, dat zij nog zoo jong was; ook was zij van daag zeer bleek en zag er ernstig uit. De familie Bennecken woonde reeds buiten en mevrouw was zoo vriendelijk geweest de eetzaal en het daaraan grenzende vertrek aan de jonggetrouwden voor de bruiloft af te staan.
Toen de bruiloftsstoet uit de kerk kwam, dronk men eerst een glas wijn in de woning van den conciërge en de minister hield eene korte toespraak, waarnaar met groote belangstelling werd geluisterd; daarna verliet hij het gezelschap, dat nu naar boven ging waar de bruiloftstafel gedekt stond.
Het bruidspaar nam eerst plaats in het vertrek naast de eetzaal om de gelukwenschen der gasten, naar de volgorde waarin zij kwamen, te ontvangen, want buiten hen, die de plechtigheid in de kerk hadden bijgewoond, waren er nog vele anderen genoodigd.
De Redacteur Mortensen, die na het vertrek van den minister de voornaamste gast in het gezelschap was, voelde zich zeer op zijn gemak in het salon, praatte luid en maakte geestige aanmerkingen; de overigen zaten zwijgend en statig langs de wanden met de voeten zoo ver mogelijk onder hunnen stoel.
Christine was verbaasd, dat haar man zooveel bekenden had, en vooral dat zooveel deftige lui uit de stad de bruiloft met hunne tegenwoordigheid vereerden. Eindelijk waren al de zitplaatsen door de fraaie uitgedoste dames bezet, een paar jonge meisjes zaten zelfs op elkanders schoot. De heeren keerden dadelijk, wanneer zij in de kamer aan het bruidspaar hun compliment hadden gemaakt, naar de gang terug. Er heerschte eene stilte als bij eene begrafenis en geen ander geluid werd gehoord dan nu en dan een paar woorden van den Redacteur of eenig gerammel met borden in de keuken.
Onder de bruiloftsgasten bevonden zich een paar boden van een ander Departement, met hunne vrouwen en dochters, de politie-agenten Andersen en Knudsen,--de laatste was nog niet voor vast aangesteld, en stond onder Andersens toezicht; vervolgens was er de sergeant-majoor Knoff in uniform en handschoenen, de schoorsteenveger Lunde met zijne vrouw (eene zuster van den agent Andersen), de bode van het Gerechtshof, Paalsen genaamd, bekend door zijn talent om het gezelschap aangenaam bezig te houden, en madame Grüner, die voor den koning, wanneer deze in de stad kwam, kookte. Voorts maakten nog deel van het gezelschap uit, eenige sergeanten, een havenmeester en spoorwegbeambten in uniform met hunne dames. De keukenmeid kwam telkens in de gang, en gaf den bruidegom een teeken, dat alles klaar was; hij schudde dan echter met het hoofd en keek op zijn horloge.
Eindelijk ontstond er eenige beweging onder de heeren, die bij de deur stonden, en twee dames kwamen binnen. De eerste was een mooi slank meisje met blond haar en groote glanzende oogen. Zij was in eene licht zijden japon gekleed; bellen van filigran en eene zilveren ketting, waaraan een groot medaillon was gehaakt, voltooiden haar toilet. De dame, die haar vergezelde, was tamelijk gezet en kon zoo ongeveer een veertig jaar oud zijn; zij had koolzwart en glanzig haar; aan den eenen kant van haar kapsel stak eene donker roode roos en aan den anderen eene kleine kolibrie half verscholen in een strikje van Schotsch band. Zij was stijf geregen, zoodat hare weelderige vormen zeer goed in het roodfluweelen lijf, dat van voren uitgesneden was, uitkwamen; op haar boezem droeg zij eene gouden broche in den vorm van een hoefijzer. De rok van de japon was van zwarte zijde, hier en daar door kleine bouquetten van rozen opgenomen. De Redacteur Mortensen slaakte een' kreet van bewondering, toen zij naar het bruidspaar gingen waardoor de oudste der twee dames hem schertsend met haren waaier sloeg.
"Lieve Christine," zeide nu de bruidegom op de hem eigenen deftigen toon, "veroorloof mij u mejuffrouw Eveline Nielsen voor te stellen, die ons wel de eer wil aandoen...."
"O, beste mijnheer Mo! de eer en het genoegen zijn geheel aan mij," antwoordde de jonge dame en zij glimlachte vriendelijk, waardoor hare mooie witte tanden zich lieten zien.
Christine voelde zich dadelijk tot haar aangetrokken, ofschoon zij wenschte, dat haar nieuwe kennis wat minder fraai gekleed was geweest.
Daarna presenteerde de bruidegom de andere dame: mijne veeljarige vriendin, "madam Gluncke."
De kleine gezette dame omhelsde Christine hartelijk en drukte haar een vochtigen kus op den mond, terwijl zij in een vloed van woorden vertelde, dat zij de liefste bruid was, die zij ooit had gezien, ja werkelijk zonder overdrijving, de allerliefste.
Nu zou men aan tafel gaan.
De Redacteur Mortensen maakte met den hoed in de hand eerbiedig eene diepe buiging, voor juffrouw Nielsen.
"Onze gastheer heeft mij de eervolle opdracht gegeven u naar tafel te geleiden, juffrouw Nielsen;" hij bood haar sierlijk den arm en ging achter het bruidspaar de eetzaal binnen.
Daarna kwamen de sergeant-majoor Knoff en madam Gluncke, dan de schoorsteenveger Lunde en madam Grüner benevens de bode van het gerechtshof Paalsen met madam Lunde; de overigen van het gezelschap gingen met hem of haar, van wie de naam op het kaartje geschreven stond, dat zij van den koetsier van den minister een poosje geleden in de gang hadden ontvangen.
De bruiloftstafel had den vorm van een hoefijzer. Aan de kortste zijde zaten in het midden de jong getrouwden, links van hen Knoff en madam Gluncke, rechts de redacteur en juffrouw Evelina. Midden in het hoefijzer zaten Lunde en Paalsen met hunne dames, en de overigen namen de andere plaatsen in.
De politieagent Andersen had het bijster druk, eer allen naar zijnen zin geplaatst waren; en telkens maakte hij verschikkingen,--eindelijk gelukte het hem Knudsen vlak over zich geplaatst te krijgen. "U moet weten, madam Grüner," fluisterde hij haar in het oor; "dat hij nog maar op proef genomen is, ziet u, en dat het mijn plicht is een oogje in 't zeil te houden."
Zijne dame liet zich niets aan zijne woorden gelegen liggen: zij was ontevreden over hare plaats en over den cavalier, die men haar had gegeven. Zij had er zoo zeker op gerekend naast de jonggetrouwden geplaatst te zullen worden en door den sergeant-majoor naar tafel te worden geleid. Toen zij een paar schepjes soep gegeten had, legde zij den lepel neer en zeide half voor zich zelf op verachtelijken toon: "Liebigs extract!"
In het begin van den maaltijd ging het doodstil toe; het gerammel der lepels, die echter met groote voorzichtigheid werden gebruikt, alsmede het half luide gefluister en gelach van den redacteur en zijne dame, verbrak slechts de stilte.
"Mag ik de heeren verzoeken de glazen te vullen," zeide de bruidegom op eenen toon, die zeer aan den minister Bennecken deed denken. "Mijne vrouw en ik nemen de vrijheid de dames en heeren welkom aan tafel te heeten!"
Het eerste glas rooden wijn werd met groote plechtigheid geledigd, terwijl allen met eene lichte buiging van het hoofd naar den kant, waar de jonggetrouwden zaten, groetten.
Christine liet haren blik langs de tafel en door de geheele zaal gaan--'t was een oogverblindende pracht.
Buiten weten van hare moeder had Hilda het vertrek met groen en bloemen versierd, en al het glas en zilver, dat niet mee naar buiten was genomen, ten gebruike gegeven. Naar Christine's begrippen zag de bruiloftstafel er bijzonder prachtig uit. Zoo haar vader haar nu maar te midden van al die heerlijkheid had kunnen zien, dan bleef er niets te wenschen over.
Intusschen hield de politieagent Andersen Knudsen scherp in het oog en telkens wanneer deze eene beweging maakte om eene flesch of wel een glas in de hand te nemen, riep hij op gedempten toon waarschuwend: "Knudsen!"
"Present!" antwoordde Knudsen en nam dadelijk eene militaire houding aan.
Madam Knoff, die een van de spoorwegbeambten tot buurman had, zat zoo, dat zij volstrekt het oog niet kon houden op haren man, den sergeant-majoor--ja, zij kon het toch, maar dan zat zij niet behoorlijk. Deze houding was intusschen heel ongemakkelijk, zoowel voor haar zelf, als voor haren buurman, want zij was eene corpulente dame; hare gele gelaatskleur, gevoegd bij haar ongezond uiterlijk gaf den Redacteur aanleiding te beweren dat Knoff's vrouw zeker aan eene miltziekte leed. Daar bij het ronddienen van het eerste gerecht de doodelijke stilte bleef voortduren, fluisterde Mortensen achter Christine's rug om, den bruigom in: "Gij moet nu met de toasten aanvangen Mo!"
"Ik meende, dat zulks niet gebruikelijk was vóór het vleesch...."
"Juist het tegendeel; het is nu smaak met de toasten bij de soep te beginnen."
De Redacteur gaf een paar harde tikken tegen zijn glas en Mo stond van zijnen stoel op.
"Dames en heeren! In dit gewichtige oogenblik gevoel ik diepe behoefte uit te spreken, hoezeer ik het betreur aan deze tafel, waar zoovelen aanzitten, die mij dierbaar zijn--hem te moeten missen, wien ik inzonderheid van daag gewenscht had hier te zien. Ik meen den vader mijner vrouw, den heer Niels Vandmo."
Christine haalde haren zakdoek voor den dag.
"Gij weet genoeg Christine hoe innig ik aan mijnen eenigen broeder ben gehecht en welken prijs ik op het kleinood stel, dat hij aan mijne hoede vertrouwt."
Hier kreeg madam Gluncke eene heftige hoestbui, wat hoogst ongepast was. De spreker wierp haar snel eenen blik toe, en vervolgde: "Daarom dames en heeren willen wij een glas ledigen op de gezondheid van den vader mijner vrouw, ofschoon hij afwezig is; wij willen hem toewenschen, dat God hem met Zijne vertroostingen nabij zij en hem niet al te zwaar het gemis zijner lieve dochter doe gevoelen. Christine, je vaders gezondheid!"
Toen de bruidegom weer ging zitten, fluisterde hij haastig madam Gluncke eenige woorden in 't oor.
"Ik kon het waarachtig niet helpen," lispelde zij terug, "je waart onbetaalbaar!"
Daarna verlangde de schoorsteenveger Lunde het woord. Hij was een lang, mager man met grijs haar en spitsen neus. Met zijn beroep hield hij zich, wat zijn eigen persoon betrof, niet veel meer bezig: hij gebruikte daar "zijn volk" voor; in de voornaamste deelen der stad bekleedde hij alleen nog officieel zijnen post als schoorsteenveger. Hij had geld en zijne dochter was met eenen telegrafist getrouwd.
"Als de oudste in dezen kring," zoo begon hij, "is het mij zeker wel veroorloofd het gezelschap voor te slaan op de gezondheid van het bruidspaar te drinken. Wij weten allen, dat wij in onze jeugd geleerd hebben, dat de Heer heeft gezegd: "het is niet goed dat de mensch alleen zij!"