Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875

Part 7

Chapter 73,807 wordsPublic domain

Op uitnoodiging der „Royal Society” zette Leeuwenhoek nu zijne waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, verzekerde zich van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn, den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met die, welke hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de gelegenheid die te observeeren en vond daarbij dat zij in dit groote dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die hij bij de kleine dieren waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende visschen, die hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot aantal.

De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo als later bleek, vergiste hij zich in de natuur der waargenomen lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, maar veeleer als celachtige weefseldeeltjes moeten beschouwd worden.

Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem eene theorie der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes de grootste zich in de baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en de vrucht of het foetus vormden. Deze theorie, hoewel zij tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze indruischte, werd door velen aangenomen, zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, maar door niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf, Kerkringius, Nuck, Swammerdam en anderen.

Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging zijne theorie der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen met kracht tegen al wie zich met hem daarover in het strijdperk durfde wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij daarover schreef, toen Dr. Martin Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling uit een diertje van het mannelijk zaad in de „Philosophical Transactions” had bestreden [122]. „Ik moet” zegt hij [123], „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet een stip om soo te spreeken, doen veranderen.”

François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne theorie, „dat deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in de wereld zou ondervinden.” Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit ook wel gedacht had: „Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent het eyernest ingenomen maar,” voegt hij er bij „ik heb al veel geleerde Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.” [124] Aan Leibnitz schreef hij [125]. „Seker seer verstandig Heer in onze stad, seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt, maar bij u leven sal zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in myn leven wert tegengesproken.” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan dezen geleerde schrijft hij [126]: „Ik weet wel, dat myne stellinge omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen werden, gelyk dan ook seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den selven op telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo van menschen als beesten uit een ey voortkomen” .... „Maar laat nu onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die alle het ovarium ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk saat niet in de baarmoeder werd gestort, ik segge dat sy altemaal gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen, die seggen, dat menschen en dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad in de baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die onder de geneesmeesters in swang gaan.” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet gemakkelijk uit het veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting van de „gewaande eyernesten”, van „dat tuig, dat men eyeren noemt.” Vooral was hij scherp tegen Bontekoe [127], die zijne observaties omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk daglicht had trachten te stellen. In een brief aan de „Royal Society” van 30 Maart 1685 [128] laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit:

„My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea medico-physica”, alwaar, Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar het allerverwonderenste is, dat ons den geleerden Heer Cornelis Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s menschen sperma vol soude zyn van kleine kinderkens, en soo voorts en andere dingen na yders aard.” Waarna hy laat volgen: „’t Is waar dat de Heer Bontekoe my veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar ik heb nooit tegen hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het vol is van levendige dierkens of wormkens die lange staarten hebben”.... Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen niet alleen verdraait, of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het papier met den druk komt gemeen te maken.”

Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek zoowel van het ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma werden gecritiseerd diene het volgende curieus versje, dat ik in een oud geschrift [129] vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering van Leeuwenhoek van het vinden van levende diertjes in verschillende vochten enz. en dat hij wormen meende te zien, waar anderen niet het minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd dat men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker in zijn „Närre Weisheit und weise Narheit”, 1682, no. 38 heeft aangevoerd:

„Die Welt still steht, Und nicht umgeht, Wie recht die Gelehrten meynen; Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt, Copernicus des Seines, Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.

Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, niet alleen bij zijn leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot Hartsoeker rekenen. Deze geleerde, wiens scherpe critiek zelfs mannen als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, had zich de moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te onderzoeken. Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn „Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr. Leeuwenhoek,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood van Hartsoeker, is in het licht gegeven.

Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en geringschatting, waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te vinden zijn.

Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn „Extrait critique” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren, zullen voldoende zijn, om zijn scherpen toon te leeren kennen.

Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij geschreven zijn „dans un stile bas et rampant” hoewel hij niet nalaten kon te erkennen, dat zij „contiennent parmi quantité d’observations inutiles et chimériques, quelques unes de très bonnes et qui servent à l’avancement des sciences.”

Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder jaloezie, wegens de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „Je n’ai jamais été surpris qu’un homme comme nôtre auteur, dont le genie étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il a fait des globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en médecine, l’ont cité avec éloge sur sa belle découverte des pretenduës boules, et ont adopté son galimatias.”

Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte van Hartsoeker kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde „Extrait critique”. „J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de l’année 1672, ou au commencement de l’année 1673, dont il s’est fort bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y fus la deuxième fois seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite, que je lui rendis, moité dans la ruë et moitié a l’entrée de sa maison, m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je lui fis sur ses ridicules anatomies, quelques objections aux quelles il ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui disois je, pour disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour tirer les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la semence, enfin pour voir que cette semence est remplie de petits animaux en forme de petites anguilles fort longues et fort minces; de quels verres vous servez vous pour faire cette anatomie? Si le verre est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à vous même; s’il est grand il ne grossit pas assés. Mais de quels couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin et le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .... et la dessus s’ennuiant sans doute de mes objections, il me congédia assez brusquement, disant qu’il avoit d’autres affaires.”

Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of 1698. Hartsoeker was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft, wien hij verzocht had zijn naam niet te noemen.

Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid gebracht, ten einde hen eenige praeparaten te laten zien. De burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker denkende, stelde hem aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijn Extrait critique: „me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil d’indignation et de mépris, serra d’abord toute la boutique, sans vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en fallut qu’il ne nous mit par les bras hors de sa maison.”

Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in de beoordeeling van zijn laatsten brief, vol van scherpte en persoonlijke antipathie: „Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille fois, de sorte que ce ne sont qu’autant de parôles perduës; et pour ce qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus”.

Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens zijne ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel tegenspraak ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan den anderen kant had hij ook warme voorstanders onder de beroemdste en geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan blijkt ons vooral uit eene correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715 [130]. Deze had hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne stellingen ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te geven over dit onderwerp, waarin hij hem recht zou laten wedervaren. Leeuwenhoek antwoordde: „Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat ééne bonte kraaij geen koude winter maakt, is de Heer Vallisnieri tegen myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.”

Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van Leeuwenhoek, alsmede van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader uit eene verwijzing naar het boven bedoelde geschrift, de „Theodicae” van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek verdedigt.

In een door Prof. C. G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de vergadering van de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter herdenking van den geboortedag van Leibnitz [131], wordt namelijk door genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken, als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer, Leibnitz zeer hoogen prijs stelde.

Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz gevoerde correspondentie in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60 en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was), voornamelijk bevattende de gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz aan zijn oordeel onderworpen vragen, omtrent de physiologische beteekenis der spermatozoïden, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de meeningen van Leeuwenhoek over dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk hield en die ook in zijn Theodicae [132] had uitgesproken.”

Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen der infusoriën in het water en der spermatozoïden in het mannelijk sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste ontwikkelingsmomenten der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, zoo als Haller in zijne beroemde physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper te Delft was geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden, persoonlijk geachten, met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met Leibnitz in schriftelijke verbintenis staanden man, de onafhankelijke zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, wiens wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis en eer verdienen.”

Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen „Protogeae”, in het bijzonder met de volgende woorden, welke als antwoord en dankbetuiging moesten strekken voor den laatsten aan hem gezonden brief, herdacht:

„Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum praestitit sagax Leeuwenhoekii Philosophi Delphensis diligentia, ut saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire oculos et in paratam scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus jam passim ille imitatores haberet” [133].

Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van Leeuwenhoek, zegt hij in een zijner brieven: „de Heer Boerhaave in syn oratie, verwerpt onder andere de stellinge van verscheyde Heeren omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant, Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.”

Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden der „Royal Society” tegen het groot aantal diertjes door hem in het sperma waargenomen, gerezen waren, te wederleggen. Hij deed dit in een brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699 [134] en zegt daarin het volgende: „en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde observatiën by weynige menschen sullen aangenomen worden, nademaal het onmogelyk is, sulken grooten getal van levende schepsels in soo een quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de geenen die het selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de Koninglyke Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik myne calculatie en eenigsints myn methode van doen beschreef, soo heeft UEd. confrater de Heer Robert Hooke het getal noch vergroot ende my geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort hebbende, begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de dierkens siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot respect van myn naam sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens in het water heb geschreven, soo waaragtig schrijf ik van de dierkens in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen ende visschen, en het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde Heeren Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.”

Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor waarheid hield, volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als sommige schrijvers wel eens hebben gezegd. Dit kan, onder meer andere betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit zijne volgende verklaring in een brief aan George Garden [135] „myn voornemen is niet hartnekkig by myn stellinge te blijven, maar zoo ras, als men my waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van ik een bevattinge kan krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan, te meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken, als omme waarheyt, soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn talent, dat ik ontfangen heb, te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof af te trekken, ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.” En elders [136] „Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet alle over een komen, maar tegen den anderen strijdende saaken daar onder gevonden werden, soo sal ik al weder seggen, dat myn doen is, niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der tyd en wyle ik beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.” Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en onwillekeurig worden wij met eerbied vervuld voor den man, die pal stond tegen onwaardige verguizing en bespotting, maar vatbaar was voor overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek doorleest, hoe meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne beperkte ontwikkeling, maar die overigens edel van hart en eenvoudig van zin was en daarvan talrijke bewijzen gaf.—

Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van oordeel, zijn oorspronkelijkheid in het verklaren en beoordeelen van feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht in vele zaken, waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en zich alzoo in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang deed kennen.

Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem bestreden; dit bleek o. a. als hij in de gelegenheid was te waarschuwen tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei kwalen. Hij doet dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het bewijs, dat Leeuwenhoek reeds twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo velen van onzen tijd. „Het is te beklagen” zegt hij [137] „dat veele menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde geneesheer in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure gedaan te hebben, gelyk ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel leugens weten op te pronken. Dit pochen en snorken vint veeltyds niet alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook over tot luyden, waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde opsnuyvers omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te spreken, bevind men haar slegte knegten te zijn. Eenigen tijd geleden en is in ons land gekomen, een grooten, botten opgever en leugenaar, zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”, alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen pofhans die bragt men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn huis, opdat ik soo een wonderlyke geneeser soude aanschouwen; dese syne geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie te gebruyken op de urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t breede soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid te mogen hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten, dat my wierd toegestaan, waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste seyde, dat wy Hollanders sulks niet en sullen gelooven, enz. en op het tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat alle, die sulke taal voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden wierd, dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele geneesinge en door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden konnen hebben, en die by alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig, dat ik my schaamde over syn onnoselheid, en gelyk ik voorseyd hadde, dat ze alle sullen bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg sulks geleerd heeft, want hy is met schande vertrokken”.... „Is ’t niet miserabel”, zegt hij iets verder, „dat onse natie haar aan sulke menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient werden van oude ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .... „Ons leert de ondervindinge hoe onervarender in konsten en wetenschappen, voornamentlijk in de genees- en heelkunde, hoe grooter roemers.” Ten slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke dwaling te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die de waarheden omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen is, van de dwalinge ende het vooroordeel, die niet als te veel nog in swang gaan, af te leyden.”

Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele zaken door zijne stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen bekend was geworden en men hem over allerlei aangelegenheden kwam raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren geraadpleegd over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te wederleggen, waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte onthouden kon, want hij was een man, die zonder aanzien des persoons zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien, zoo als men zegt, het hart op de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen aan het discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen. Men oordeele over de volgende staaltjes [138]. „Weynige dagen geleden, kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van vogtigheden, beneden aan het been hadde”.... „Om nu het verhaalde ongemak te genezen, hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t werk gestelt dog alles te vergeefs en tusschen beyde verscheyde purgeerende medicamenten ingegeven, onder anderen had ze een dag à twee daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan ze wel agt afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks geseyt werdende, bekende dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.... „De lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere geneesmeesters, haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo verbied sulks haar genees-meester. Dese mishandeling van stark purgeren en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten was uytgeslagen geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is eer een moortmiddel, dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het poeyertje, dat de afgange hadde veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte van een pont is. Als nu soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag en darmen kan te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een „Moortpoeder” noemen”?

Nog verhaalt hij [139] dat zeker Doctor in de medicynen hem een papiertje vertoonde, waarin eenige kleine deeltjes waren, door zekere jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren. Hij beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al dadelijk, dat het zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij dit mededeelde, wist daar geen verklaring van te geven, en scheen niet ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten, doch Leeuwenhoek bewees duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden in de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der dienstboden die zaden in den waterpot zou geworpen hebben, „om door sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.” „Wij vinden menschen,” vervolgt hij, „die de naam wel willen dragen van doorgaans siekelyk te syn, omdat men haar beklagen en medelyden souden hebben.”