Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875

Part 6

Chapter 63,743 wordsPublic domain

In een brief aan de „Royal Society” [84] zegt hij: „En nademaal my veel maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen, en stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans een groot hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid ben enz.” en elders [85].... „Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde, dat ik hier of daar in kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge doen”, en in zijn brief aan Leibnitz [86] zegt hij onder anderen: „Ik sie wel dat ik veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als ik maar het geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote mannen myne ontdekkinge aannemen.”

Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek gedaan heeft, had betrekking op de physische samenstelling van het bloed, en werd door hem reeds op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd [87]. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig roode vloeistof was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna kleurloos was, maar dat daarin kleine lichaampjes gesuspendeerd waren, welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de geheele vloeistof mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen, zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar de geschriften van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het licht verschenen, zoo konden deze geen invloed hebben uitgeoefend op de ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij zulks van Swammerdam zelf of van anderen mocht vernomen hebben.

Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het beschouwen van het bloed eener egel onder het microscoop, roode lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze voor vetbolletjes gehouden en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste van Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook bekend, dat Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven heeft, die hij in het bloed van koortslijders als „kleine wurmpjes” zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter onderzocht nauwkeurig het bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren, zoo als van den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op kleine lenzen gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij bij de vogels, kikvorschen en eenige soorten van visschen enz., dat deze lichaampjes afgeplat en eivormig van gedaante waren [88] en noemde deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere onderzoekingen hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn, maar platgedrukt, op kleine schijfjes gelijkende, waarom zij thans „bloedschijfjes” genoemd worden.

Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum) [89]. Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes was vrij juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren, grooter bij de vogels, nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De grootte dezer bloedlichaampjes bij den mensch, den os, het schaap en het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen” naast elkander liggende nauwlijks de ruimte van een zandkorrel beslaan [90], de zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim [91] in diameter, alzoo 1⁄3000 duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte der bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen, door micrometers, zijn waargenomen (​1⁄125 millimeter). Deze diameter wordt door Rudolf en Hodgein eveneens als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner stelde ze 1⁄4000​, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄4000 [92]. Bij de visschen is deze diameter van 1⁄1800​–​1⁄4000 bevonden en bij de kikvorschen = 1⁄1200​–​1⁄1920 duim [93].

Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen omtrent den omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt evenwel niet aan Leeuwenhoek maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame nauwkeurigheid en volharding. Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge kikvorschen en het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt [94]; deze leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel omdat zij uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes bij deze dieren, zoo als wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren. Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen en bespiedde hare dunne vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten [95]. Ook bezigde hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer doorschijnend is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit de slagaderen in de aderen [96]. Jonge alen en andere visschen, die hij daartoe in glazen buizen met den staart er buiten, voor zijn microscoop plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen [97]. Hij trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds, bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat, zoo in deze visch het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het bloed in een uur 13malen van het hart lot den staart teruggevoerd wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts 1½ duim zijnde, zou zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben [98]. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed bij den mensch was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats heeft. Volgens Sebastian [99] schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste snelheid van het hart tot aan de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug tot het hart, bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart 4​4⁄1​1maal, in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur [100].

Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen ontstond reeds in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders van dezen grooten physioloog wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed direct uit de slagaderen in de aderen overging, het de deelen, waardoor het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was nog onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „Royal Society” een brief schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te hebben ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de slagaderen in de aderen plaats had [101]. Later echter, in 1698, toonde hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk den samenhang van de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals hij zeide, onmogelijk was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen, noch waar de aderen beginnen [102]. In dit tijdvak stelde men ook de chemische theorie op den voorgrond en wilde men de fermentatie van het bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor luchtbellen aanzag.

Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele microscopische waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven voldingend aantoonden, dat er volstrekt geen luchtbellen in de bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben als het bloed gistte [103].

Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der vermelding waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van onzen beroemden landgenoot Boerhaave over de inflammatie en andere ziekten [104], terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als Leeuwenhoek, bij gemis aan fundamenteele wetenschappelijke kundigheden, door eenvoudige beschouwing van den poot van een kikvorsch, het oor van een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk als de bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder belangstellende zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties omtrent de structuur der capillaire vaten zijn door latere onderzoekers als nauwkeurig erkend [105].

Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne waarnemingen omtrent de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de eerste observaties van Leeuwenhoek behooren, die onder de oogen der Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden.

Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en vond, dat zij uit bolletjes bestonden [106]; maar reeds in 1678 kwam hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze bolletjes de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de beenderen bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal Society” [107], zette toen dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat de vaste deelen der beenderen uit vierderlei pijpjes bestonden, van verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst.

De Heer van der Boon [108], deze waarnemingen besprekende, merkt daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving vergelijkt met de kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit, men dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot nu toe gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der beenderen door onzen Leeuwenhoek. Nog meer, vervolgt hij, moeten wij zulks betuigen bij de overweging van de kennis die hij had van het maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven, dat daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk van de eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde kennen, grootendeels vervalt. [109] In een brief aan de „Royal Society”, d.d. 4 April 1687 [110] zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben, dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer dunne pijpjes, die alle in het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek eindigen [111].

Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen velerlei tegenspraak moest ondervinden, die hem de vele gelukkige oogenblikken, door hem genoten bij de waarneming van de wonderen der schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van wezens, zeer vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak ondervonden immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd waren en iets nieuws hadden waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde meeningen en theoriën omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou een Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste, hoogstbelangrijke vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan? Dat was niet te verwachten en zij werd hem ook geenszins onthouden. In vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak en het gelukte hem vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te overwinnen, troostte hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover te stellen en zeide: „Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de waarheyt hebbe” [112], en hij haalt de schouders op over de onkunde en het vooroordeel dat hy te bestrijden had, waar hy, onder anderen, over den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het bederf in de tarwe toeschreef, zegt: „Ik houd my verseekert, dat het vallen van den gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen syn, die ligtelyk van een out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het haar niet qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven hangen en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen, ende de waarheid omhelsen” [113].

Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de kleine diertjes in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels, zoo als ik die boven beschreven heb en aan welke diertjes, om de wijze, waarop zij verkregen werden, eene eeuw later de oneigenlijke naam van „afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd.

En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk geringe grootte zoo lang aan het menschelijk oog onttrokken was gebleven, waardoor een nieuw veld van wereldbeschouwing geopend werd en de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze kleine levende schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf ontstonden, maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo zeer in tegen de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te verwonderen is dat Leeuwenhoek de hevigste tegenspraak te verduren had. En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen tijd groote strijd gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende organismen, dat nog de „generatio spontanea”, niettegenstaande de meest overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare van die stelling hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam in de geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek ondervond in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe mate over het verlichte oordeel van den moedigen en zelfstandigen denker, die zijn tijd ver vooruit was en zich door geen blind geloof of gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte te doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had om voor zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad en verguisd worden.

Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen stadgenooten te ondervinden. In een brief aan den heer L. van Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het bezit nu van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie mocht nemen, schrijft hij „Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het bloet van ongesonde menschen etc. etc, genegen was om te sien, maer ick heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en daarom is mijn voornemen geen versoeck na dees tijd meer te doen.” En aan zeker Ciciliaansch edelman die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, dat hij binnen Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „Ick verwonder my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.”—

Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond ten gevolge zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en zijne beschouwingen over de voortteeling, die zoo geheel indruischten tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze over dit onderwerp.

Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan had, werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder belang te achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd geruimen tijd heeft bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge waarvan de mannen der wetenschap zich als het ware in twee gelederen schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek er uit afleidde en zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. De voor- en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der bespotting en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der wetenschap beter voorgelicht, eene voorstelling aannam, die beter met de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. Deze nieuwe ontdekking nu, welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek zelf, niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de waarneming van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren.

Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook „spermatozoïden” genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen.

De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer Harmen van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17 December 1698 [114] zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later Hartsoeker zich de eer der ontdekking wederrechtelijk toeëigende, rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar 1677 aan de Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief van den Heer Craanen Hoogleeraar te Leiden ontvangen te hebben, met verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in de medicijnen eenige zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus 1677 een bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij een glazen fleschje mede, waarin hij „eenig ontloopen zaad van een man medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde geweest.” Deze Heer Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende schepsels” zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren voortgekomen. Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij gezien, dat zij niet meer dan 24 uren in het leven bleven; tevens verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn had ingegeven, de diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt het vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het in het bijzijn van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid. Onmiddellijk daarop werd dit onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen nu ook gezond sperma, vooral ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij allen bewaarheid. Somtijds vond hij „meer dan duizend levende schepsels in de quantiteyt materie van een grof sand.” Zij waren kleiner dan de bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig, van onder spits toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5 à 6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij bewogen zich door eene slangsgewijze beweging van den staart.

Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking reeds vóór het jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde waarneming te hebben gedaan, was geschied, voegt hij er nog aan toe: dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, was opgenomen in de „Philosophical Transactions” no. 142 zijnde van December 1677 en Januari en Februari 1678.

Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit, zeer verkeerde lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer plaatse melding te maken van bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn bekend geworden uit eene mededeeling in 1862 gedaan door Prof. H. I. Halbertsma [115] waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door sommigen voor een Duitscher, een jong geneesheer uit Dantzig gehouden, maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der spermatozoïden is. De belangrijkheid dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning strekken voor de uitweiding over zijn persoon.

Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens Prof. Halbertsma, Haller [116] aanleiding gegeven, als hij zegt: „Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et de crocodilo) juvenem germanum”.

Kurt Sprengel [117] neemt echter, in later tijd, deze meening van Haller reeds als eene uitgemaakte zaak aan, waar hij zegt: „Es war in August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von Hammen, die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von Leeuwenhoek zu Delft besuchte, und diesen zuerst auf die Körperchen im männlichen Saamen aufmircksam machte, auch sie ihm wirklich zeigte.”

Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben opgehouden, zoo als blijkt uit eene plaats in zijne „Dissertatio de Herniis”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt, p. 61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „Leydensium Nosocomio” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie spreekt, waargenomen „ni fallor, Lugduni ad Rhenam.”

Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere schrijvers dezen Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der spermatozoïden gehouden, zoo als onder anderen in de „Allgemeine Encyclopædie” van Ersch en Gruber [118] en Kölliker [119] en Eckhard [120].

Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze meening aan te kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen dan dat hij een Leidsch student was. Prof. Halbertsma nu toont in bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze meening aan en gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was.

Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk van Muys [121] citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar voorkomende op p. 288, waarin de ontdekking van Ham der spermatozoïden, in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld, wordt vermeld en waaruit verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk heeft uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij den keurvorst van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde gezantschap heeft gestaan; dat hij, teruggekeerd in het vaderland, Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk Gelderland bij de Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller, daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop van Johan Ham, hoewel hij desniettemin gelooft dat hij een Duitscher was.

Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven bestaan over de juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt, opgeheven, door de nasporingen, welke de heer Bakhuyzen van den Brink in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het provinciaal Archief van Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit dit onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen, maar kortweg Ham heette.

Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne Hoog-Mogenden, te vinden in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen der stad Arnhem. En ten overvloede vindt men dat in den „Catalogus inscriptionum”, voorkomende in het Archief van den Senaat der Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving als student op de volgende wijze staat: „1671 Sept. 16. Johannes Ham, Philosophiae studiosus ann. 20, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen verwondering te baren, dat Ham als student in de philosophie werd ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt als student in de medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen, wiens neef onze Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie en medicijnen en doceerde zelfs deze beide vakken. Daar nu verder geen bijzonderheden meer omtrent den levensloop van Ham kunnen medegedeeld worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te Leiden, noch te Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de onmogelijkheden, dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben volbracht, den graad van Doctor in het buitenland, bij voorbeeld aan eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling die niet zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren, blijkens zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student, toen hij den leeftijd van 20 jaren bereikt had. Met minder juistheid nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel met zekerheid is vast te stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens de stads rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem uit de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter vergadering van Hunne Hoog-Mogenden.

Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug.