Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875
Part 5
Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,” zooals Molyneux zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te verkrijgen. Uffenbach had daartoe een aanzoek bij hem gedaan, doch zonder gevolg. [62]
Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de kunst, die hij met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte had gebracht, niet gaarne aan anderen mededeelde. Huygens verhaalt namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en zijn microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard waren, doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de nieuwsgierigheid van zijn bezoeker te hebben bevredigd, voorzichtig de kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat zij hem door anderen mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid zou zijn achter zijn geheim te komen [63].
Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze die buitengemeene helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken en ontweek steeds zorgvuldig daarvan iemand verklaring te geven, of wel beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen. Ook had men hem meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij voorbeeld aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem in dien geest daarover geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in de volgende bewoordingen antwoordde [64]: „Om jonge luyden tot het slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te regten; daar uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne ontdekkingen en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden aangemoedigt, ende daar syn drie Glasenslypers geweest, bij dewelke de studenten het glasenslypen gingen leeren. Maar wat is ’er uyt voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de studenten daar op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen, of wel door de geleertheyd geagt te syn; ende dat steekt in het glas te slypen, ende in het ontdekken van de saaken, die voor onse oogen verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat van duyzent menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige studie, omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert, ende men gedurig met syne gedagten moet besig wesen, sal men wat uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste menschen niet weetgierig; ja eenigen, daar men het niet van behoorde te wagten seggen, wat is ’er aangelegen of wy het weten?”
Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der wetenschap om de wetenschap zelve, tot de zeldzaamheden scheen te behooren en dat ook toen reeds de practische geest bij de studeerenden was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend aan onze eeuw wil toeschrijven.
Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart 1716: [65] „Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te onderwysen, want als ik het aan een gaf, soude ik aan meer moeten doen, omdat verscheyde souden meenen dat ik het aan haar uyt maagschap en andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus sou ik my tot een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en tragt ook geen loon daarvoor te trekken.” En elders zegt hij: „om wel te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en geheel syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet van dien aart is, om een groot aantal jonge lieden aan te trekken.”
Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder veel aan de monteering er van. In zijn oordeel over een beweeren van zekeren Dalepatius aan den schrijver van een boekje genaamd: „Nouvelles de la République”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden „soo goet dat ’er geen beter kan gemaakt werden, dewijl het een sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat” enz. repliceert Leeuwenhoek [66]: „Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene kleynheit, en soo goet als er kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by laten. Maar om soodanige glaasjes wel te monteeren daar vereyst meer oordeel toe, als om deselvige te maken.”
Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere kleinheid der lenzen, die de deugdzaamheid aan de microscopen verzekert, want hij zegt daarvan iets verder in denzelfden brief: „Wat mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een ongemeene kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in gebruyk, en ze dienen na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te doen, en daar toe syn bequaam die geene, die uyt een grooter diameter syn geslepen.”
Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting zijner voorwerpen met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het aanwenden van een metalen hol spiegeltje, in welks midden hij zijn lens plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in een brief van 12 Januari 1689 aan de „Royal Society” [67].
Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een kommetje” noemt en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer nauwkeurig afgebeeld in de bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. 8; dergelijke spiegeltjes zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn aan zijn microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding toeschrijft.
Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „Royal Society” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van Leeuwenhoek zelven in zijne brieven, dat hij microscopen vervaardigde met verschillend vergrootend vermogen.
Baker [68] geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26 microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de volgende:
één van 40 malige middellijn-vergrooting één ,, 53 ,, ,, ,, twee ,, 57 ,, ,, ,, drie ,, 66 ,, ,, ,, twee ,, 72 ,, ,, ,, acht ,, 80 ,, ,, ,, drie ,, 100 ,, ,, ,, één ,, 114 ,, ,, ,, één ,, 133 ,, ,, ,, één ,, 169 ,, ,, ,,
En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker vermogen bezaten, dan het meest vergrootende van de Londensche verzameling, blijkt uit het boven reeds vermelde exemplaar van hem, berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is in zilver gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil is; terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting, biconvex geslepen is.
Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige wijze de bepaling van de sterkte der microscopen in vroegeren en lateren lijd geschiedde, wil ik echter de wijze van bepaling hier vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp waarvan Prof. Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht [69]. Dit onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche proefplaatje. Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen 1846”, no. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te vervaardigen met een aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze lijnen zijn in de eerste groep het verst, in de laatste groep het minst ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende groepen achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken, welke groep door het microscoop nog in afzonderlijke lijnen kan ontleed worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek bleek het Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de 3de groep zeer gemakkelijk en de 4de (1⁄704 mill.) nog met moeite kon worden opgelost.
Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s microscopen is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de voorwerpen bepaalde, die door hem werden waargenomen.
Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of mosterdzaadje; of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van een baardhaar, ja zelfs van een haar uit zijn paruik! Later weder gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte der bloedbolletjes, die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste ontdekkingen herinnerde.
In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een brief aan Robert Hooke d.d. 12 November 1680 [70] zegt hij daaromtrent het volgende:
„Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door een goet microscope, hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van myn baard, op een verdeelde linie beslaat; als by exempel, een zoodanig hair syn diameter is so lang, door een microscope te zien, als 50 delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt, als ik door myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien, en ik oordeel, dat als 9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct van een naalde getrokken heb, nevens den anderen lage, een vijftigste part van de diameter van een hair souden uitmaken. Komen dan 450 diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie, uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een hair van myn baard 200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van een vlieg.”
Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke d.d. 3 Maart 1682 [71] „een klein sandje, waar hij calculeerde, dat de vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden zoo dun te zijn dat 50 van deselvige nevens den andere leggende de lengte uitmaken van 1⁄20 van een duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 vleesstriemtjens met haar membranen omwonden in een quadraet duym komen”, en een paar regels verder: „Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne musculen vlees, yder met haar menbraan omwonden, nevens den anderen leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars hadde doorgesneden, soo veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (waarvan 100 sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer uitmaken), zoude die konnen bedekt houden.”
Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 1684 [72] deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins beteren maatstaf voor zijn berekening erlangt. Hij zegt, „als ik sedert weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in het zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens, en om derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof sant, wiens axe dat seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een microscope siende, oordeelde ik dat deszelfs axe ten minsten 330 deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten, en dat, wanneer 8 van de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330 van de axe van een sant in lengte souden uitmaken.”
Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking om slechts eene aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid der voorwerpen, door hem met het microscoop waargenomen. In veel later tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking met zandkorrels, wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient hij zich nu van een’ „geerst-greijntje of een mostersaetje”, zooals bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 1717 [73] blijkt. „Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens in ’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote geen grof sant souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden een groot onderscheyt in groote is, zoo wil ik liever seggen, de groote van een geerst-greyntje of mostert-saetje, ende seggen dat, by aldien duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen lagen, deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of mostert-saetje”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling vindt men in een brief aan Constantijn Huygens, d.d. 21 Mei 1679 [74]. Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een diertje in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel haar-breedten de lengte van een duim uitmaken.
Dit beschrijft hij aldus: „Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de duymen verdeelt waren in dry deelen en yder weder in 10 deelen, is summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb ick geleyt het haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en geoordeelt, dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan 600 hair-breeten in de lenghte van een duym”.
De Hoogleeraar Harting, deze maatbepalingen van Leeuwenhoek besprekende, zegt daarvan, [75] dat als men bedenkt hoe uiterst gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men niet nalaten kan zich te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige zijner bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door de juistheid van een oog, dat door een jaren lange oefening eene zekerheid in het bepalen van maten verkregen had, welke een minder goed waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij bijv. [76] de doormeter van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel, dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk komt deze bepaling zeer na overeen met de gemiddelde grootte der bloedlichaampjes, zooals deze tegenwoordig met onze nauwkeurige hulpmiddelen gevonden wordt.
Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van bekende grootte, was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar werd door beroemde geleerden van dien tijd eveneens gebruikt. Robert Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek d.d. 18 April 1778 [77] „dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden uit eene ontelbare menigte zeer kleine draadjes, bijna honderd malen kleiner dan een haar van zijn hoofd.”
Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende maatbepaling. Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een speld of eenig ander dun lichaam, dat er geen tusschenruimten meer tusschen de draden gelaten werden, waarvan hij zich met een vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig een zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal omwindingen te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte zilverdraad. Nu knipte hij de draad in kleine stukjes en strooide er eenige van op het voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend en er onder als het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de deelen van het voorwerp met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin zond eenige stukjes van zulk een draad aan Leeuwenhoek [78] die daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van maatbepaling door hem bevestigd werd (in de Philosophical Transactions no. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is blijven geven.
In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere vaardigheid gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht en groot geduld uitnemend te stade kwamen.
Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin hij omstandig zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in een brief aan de „Royal Society” [79], waarin hij uitvoerig de angel eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere angels bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „Soo ymant genegen waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen, soo wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de gesamenlijke vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen, uyt de koker te halen, ende de koker te openen, dat heb ik veelmaal achter den anderen teweeggebracht, maar dese werktuigen uyt den anderen te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen, dat men die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne moeite. Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne observatiën op verscheyden dagen moeten hervatten enz.”
In een anderen brief [80], waarin hij uitvoerig de gedaante en structuur van de luis, de voortteeling dezer parasiten enz. uiteen zet, beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen eieren zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat er van deze vier in getal waren. „Deze testikels,” zegt hij, „leggen yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met derselver twee einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen vereenigde, en het veeltijds soo quam te vertoonen, als of deselve maar een afdragend zaatvat hadde, yder van dese testiculen oordeele ik omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney te sullen uitmaken.” En iets verder: „Wijders haalde ik veelmaal uit de mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als ook bragt ik veelmaal de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis, en ook nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van de dunne hoornachtige deelen die al diep in hun lijf vast waren, enz.” Verder maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en zegt dat deze wel 700maal dunner was dan een haar van zijn hand.
Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit in de onderzoeking van de oogen van den Rombout, als ook van die van bijen, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve manen, waarin een ongemeen getal kleine halve bolletjes zijn, die met de uiterste regelmatigheid en netheid in elkander overkruisende lijnen geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn een verzameling van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van alle uitwendige voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000 halve oogen of facetten in de twee oogen van een hommel; Leeuwenhoek calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van den zijdeworm, 7362 in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl hij er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook in het middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat helderder was dan het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de lichtstralen doorgelaten worden tot op het netvlies.
Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter genoemd) af, reinigde het met een penseel met water van al de aanhangende vaten en onderzocht het door zijn microscoop. Hij plaatste het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop liet, en toen door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van de nieuwe kerk, welke 299 voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk door ieder facet den geheelen toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt van eene fijne naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende, zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den gevel van het huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in staat te onderscheiden, of de vensters open of gesloten waren. Van Haastert [81], die van zoodanig onderzoek ook gewag maakt, voegt er nog bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen maakte, dat hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht eveneens te doen opmerken.”
En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de gezichtszenuwen van een honigbij [82]. Hij nam het hoornvlies uit het hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was. Terwijl hij vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes ten naasten bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets dikker dan aan het andere en daarbij aan het dikkere einde rondachtig, en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer deeltjes een gezichtszenuw was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in de kleine holte van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „soo veel gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.” Hij geeft in genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van zoodanige gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „Dese verhaalde verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy weten! en heeft dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle die volmaaktheit in al de vliegjens die der zijn.”
Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te halen, waarin zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en bezig daartoe liefst weder zijn eigen woorden: „Ik hebbe een kleyne mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede ik het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te halen, maar ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen stellen, schoon ik het tot drie à viermalen toe hervatte, in welk ondersoek my veel malen de hersenen uyt het hooft van de mugge, omset met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten te syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met derselver bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden uit het hooft van de mugge haalde, die ik voor het vergrootglas gestelt hebbende den teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, omdat my van een voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne ontdekkingen quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het onmogelijk was te doen, hetgeene ik quam te seggen, omdat, seyde denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet gebruyken, hoe kleyn ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan geen quaatsprekers, het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede sulks te kunnen uitwerken.”
Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het doen van zulke uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen ouderdom behield, zoo als blijkt uit een brief aan zijn neef Abraham van Bleiswijk van 2 Maart 1717 [83], toen hij dus reeds 85 jaren oud was.
Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne zenuwen uit het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze bestonden uit uiterst dunne vaatjes, waarvan honderden te samen eene zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen openingen van eene onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door zijn microscoop te beschouwen.
Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge jaren toch niet mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te zetten, waarvan hij de moeielijkheid zelf inzag en deed opmerken zeggende: „ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die verdeelingen en men kan bezwaarlijk bekennen, dat soo een dun senutje in soo vele spranken kan verdeelt worden,” maar dat hij daarom toch niet mocht stil staan, want „dat de vrugten, die in den herfst rijp werden, langst konden duren.”
Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn waarheidsliefde in twijfel trok of verdacht maakte en beweerde dat hij zich door zijn verbeelding liet misleiden om anderen maar wat wijs te maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de zaken, die hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt hij er zelf voor „dat het bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.” Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat hij werkelijk „gezien”, en wat hij zich „geïmagineerd” heeft.