Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875

Part 3

Chapter 33,706 wordsPublic domain

„Alle dese figuren syn door een en hetselve vergrootglas geteykent, die de Teykenaar soo groot heeft geteykent als hy die quam te sien: dog wanneer ik die na myn oog soude uytbeelden, soude ik die veel grooter uytbeelden.”

Leeuwenhoek zal ook wel een geruimen tijd noodig gehad hebben eer hij in de bewerking zijner instrumenten, waartoe hij al de benoodigdheden zelf maakte, die vaardigheid verkregen had, dat zij ten gebruike geschikt waren. Hij getuigt zelf daarvan, in een brief aan de „Royal Society” van 12 Januari 1689 [28]. „Ick hebbe hier vooren geseit, hoe ik myn Instrumenten hebbe toegestelt, die eenige veel netter en bequamer souden maken. Dog men moet weten, dat ik in geen konsten ben onderwesen, daartoe men hamer of vijl gebruikt, als alleen, dat ik heb gesien, hoe men het staal hard, en tempert, en een dril maakt, waarmede men een gat in yser, koper, of silver drilt. Hoe en waarmede een silver-smit syn silver aaneen soldeert.

„Dit gesien hebbende, heb ik myn selven soo verre geoefent, dat ik sedert veel jaren myn gereetschap hebbe gemaakt, hetwelke ik in verscheide saken hebbe van node gehad. En dus is het, dat hetgeene dat ik tot myn gebruik van node hebbe, alleen maar uyt den rouwe by my gemaakt werd.”

Later schijnt hij zich echter zoo zeer in deze metaalbewerking geoefend te hebben, dat hij met meer tevredenheid over zijn werk spreken kon. In een anderen brief (9 Juni 1699) [29] zegt hij: „Terwijl ik besig ben om desen te schrijven, heb ik wel 8 à 10 vergroot-glasen voor my leggen, die door my met silver gemonteert syn, en alhoewel ik gans geen onderrigtinge en hebbe gehad, om in eenig metaal met hamer of vijl te arbeyden, soo monteer ik egter myn glasen; en myn werktuygen syn soo toegestelt, dat werkbasen in ’t Gout seggen, my niet te sullen nawerken.”

Hieruit en uit vele andere bijzonderheden blijkt, dat hij overal opmerkte of er iets voor hem te leeren viel en dan maar handen aan het werk sloeg totdat hij eindelijk zijn doel bereikte. Vooral maakte hij al zijn beschikbaren tijd zich ten nutte voor de volmaking van een instrument, waarmede hij later zulke groote ontdekkingen gedaan heeft. De slijping en polijsting zijner glazen zal hem wel het meest inspanning en tijd gekost hebben en wij zouden zoo gaarne weten wie hem daartoe den weg gewezen heeft. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het slijpen zelf aanvankelijk bij een glasslijper afgezien, zooals zoovele andere zaken, en dat daarvoor, tijdens hij nog in Amsterdam woonde, waar het slijpen van diamanten toen reeds tot een hoogen trap van volkomenheid gebracht was, wel gelegenheid zal hebben bestaan, mag men veilig aannemen.

Behalve het slijpen van glas had hij zich ook zelf geoefend in het glasblazen, en het bewerken van metalen; zoo beschrijft hij, in een brief aan Mr. Antonius Heinsius van 18 Aug. 1695 [30] hoe hij een glazen bol geblazen heeft om voor zekere proef tot het onderzoek van buskruit te dienen, „UEd. Gestr. Heere zoude wel meenen dat ik in de kunst van glasblasen, bij de kaars of lamp geoefend was. Ik hebbe geen andere kennisse van glasblasen gehad, als dat, wanneer op onse jaarmart een glasblaser in de stad was gekomen, die sijn glas-blazen bij de lamp, om gelt liet zien, en als doen op desselfs handeling agting nemende, heb ik het bij de hand gevat, en dus kan ik alleen maar blasen, hetgeene ick tot mijne verrigtinge van noode hebbe.” Ook blijkt uit het gesprek met Uffenbach dat hij in het glasblazen groote ervaring gekregen had. Uffenbach zegt daarvan in zijn verhaal van zijn bezoek bij Leeuwenhoek [31].

„Was die geblasenen Gläser anbelangt, versiecherte Herr Leuwenhoek, dasz er durch zehen-jähriges speculiren es dahin gebracht, dasz er eine taugliche Art blasen gelernt, welche aber nicht rund wáren. Mein Bruder wolte solches nicht glauben, sondern hielte es für Holländisch gejokt, indem es unmöglich ist, in Blasen etwas anders als ein Kugel oder Endung zu formiren.” Men ziet het, wat anderen onmogelijk voorkwam, kon Leeuwenhoek bereiken door zijn onvermoeide werkzaamheid, hij liet zich door geen moeielijkheden afbrengen van zijn eenmaal opgevatte voornemens, waar het hem te doen was om iets te leeren; nimmer verloor hij den moed, al moest hij aanvankelijk met groote bezwaren kampen, maar hij hield zoo lang vol totdat hij, zoo als hij gedurig eigenaardig uitdrukt „zich zelven kon bevredigen.”

Eindelijk was dan de tijd van ernstige voorbereiding volbracht en gevoelde hij zich sterk genoeg om hetgeen hij onderzocht en gevonden had ook onder de oogen van anderen te brengen. Goed toegerust treedt hij nu onverwacht te voorschijn en doet zich weldra kennen als getrouw waarnemer der natuur. Doch hij plaatste zich zelf niet met eigenwaan op den voorgrond, maar werd daartoe aangespoord door een geleerde van naam, Dr. Reinier de Graaf, die zeker al eenigen tijd met hem in wetenschappelijke aanraking zal zijn geweest en de gelegenheid zal gehad hebben om zijn ervaring in het waarnemen door het microscoop optemerken [32]. Deze keurde zijn onderzoekingen wel waardig om onder de oogen te komen van deskundigen. Bij gelegenheid dat de Graaf zijn twist met Swammerdam over wetenschappelijke geschilpunten aan het oordeel en de beslissing van de „Royal Society” onderwierp, schreef hij den 27sten Mei 1673 tevens aan Mr. Oldenburg, Secretaris van dit collegie, over Leeuwenhoek en sloot een brief van hem in, gedateerd 28 April 1673, welken brief de Graaf gezorgd had in het Latijn te vertalen, ten einde deze door de Engelsche geleerden zou kunnen verstaan worden. De Graaf vestigt in dit schrijven de aandacht der Koninklijke Sociëteit op „zekeren Mr. Leeuwenhoek, die onlangs microscopen gemaakt heeft, uitmuntende boven de tot hiertoe vervaardigde door Eustachio Divini en anderen”, er bijvoegende: „dat hij een voorbeeld van hun uitstekendheid gegeven heeft door onderscheidene onderzoekingen daarmede te bewerkstelligen en dat hij gaarne bereid zou zijn moeielijke zaken tot onderzoek van de leden te ontvangen, indien belangstellenden slechts lust hebben ze hem toe te zenden.”

De waarnemingen van Leeuwenhoek, waarvan hij in zijn brief gewag maakte, werden in de „Philosophical Transactions,” Vol. VIII, pag. 6037, opgenomen, onder den titel „A specimen of some observations made by a Microscope contrived by Mr. Leeuwenhoek, Concerning Mould upon the skin, flesh etc; the Sting of a Bee, etc., lately communicated by Dr. Regnerus de Graaf.”

Deze waarnemingen van den Hollandschen natuuronderzoeker werden door de leden der Koninklijke Sociëteit met groote belangstelling ontvangen en men sprak de hoop uit, dat hij ze weldra door meer anderen zou doen achtervolgen. Deze waardeering en uitnoodiging was inderdaad eene krachtige aanmoediging voor een tot nog toe vergeten, maar onderzoeklievenden waarnemer, wiens nasporingen alleen nog maar de nieuwsgierigheid zijner vrienden en bekenden, nauwlijks in staat om er den wijden omvang van te begrijpen en te waardeeren, hadden opgewekt. Van nu af waren het de geleerden en wel van de beroemde Engelsche Sociëteit, die zich met den arbeid van den eenvoudigen Delvenaar zouden bezig houden! Bemoedigende gedachte die zijn ijver aanspoorde en hem zijne pogingen deed verdubbelen om de verwachtingen, die men van hem koesterde, niet te beschamen.

Voor dat wij echter meer in bijzonderheden de onderzoekingen van Leeuwenhoek nagaan en zijne verdiensten in het licht stellen, willen wij kortelijk een blik slaan op de hoogte der kennis, waarop men ten tijde van Leeuwenhoek, met betrekking tot de vervaardiging van microscopen, stond. Daarna zullen wij de microscopen van Leeuwenhoek bespreken en zien wáárin deze uitmuntten boven anderen van dien tijd, waarbij wij genoegzaam gelegenheid zullen vinden om enkele bijzonderheden, hem zelven betreffende, te vermelden. Eindelijk kunnen wij onze aandacht onverdeeld wijden aan de belangrijkheid zijner ontdekkingen, welke, schoon vele er van groote tegenspraak moesten ondervinden en hem zelfs aan bespotting en beschimping blootstelden, echter door anderen hoog gewaardeerd en verdedigd werden, en waarvan sommigen zelfs nog in dezen tijd, als onomstootelijke waarheden worden erkend.

Het is door den Hoogleeraar P. Harting in zijn: „Bijdrage tot de geschiedenis der mikroskopen in ons Vaderland” (Utrecht 1846) en zijn: „Het Mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand” (3 deelen 1850) [33] op onwederlegbare gronden aangetoond, dat de eer der gewichtige ontdekking van het microscoop in de 17de eeuw aan Nederland toekomt. De Italianen roemen in dit opzicht nog wel hun Fontana en Galilaeus, van wien de eerste zich de eer der uitvinding toeëigende, daar hij in het jaar 1646 schreef, dat hij reeds in 1618 het microscoop had uitgevonden; doch de gronden die zij voor hun beweren, aanvoeren, zijn onhoudbaar; want daar de Italianen de uitvinding van het microscoop in 1612 aan Galilaeus toeschrijven, zoo is het bewezen, dat de eer dezer uitvinding aan Hans en Zacharias Janssen van Middelburg toekomt en dat die zelfs reeds lang vóór 1610 plaats had, hoewel het moeielijk te bepalen schijnt hoe lang vóór dien tijd. [34]

Het blijkt echter, dat reeds in zeer oude tijden het vergrootend vermogen van bolle, doorschijnende lichamen, alsmede de kunst om glas en berg-kristal te slijpen, bekend is geweest en men met het einde der XVde eeuw reeds daarin eenige vordering had gemaakt, doch er verliepen meer dan twee eeuwen eer het eenvoudig microscoop uitgevonden werd, welke uitvinding ten onrechte aan Drebbel in het jaar 1621 wordt toegeschreven. Het waarschijnlijkst, volgens Harting, is, dat de uitvinding der brillen, die alleen daarin bestond, dat men begonnen was de lenzen te slijpen met een verderen brandpunts-afstand dan vroeger, tusschen 1285 en 1290 geschied is. Verder zegt Harting [35], dat het brillenslijpen, na 1363, allengs tot een handwerk was geworden, dat men op het laatst der XVIde eeuw twee brillenslijpers te Middelburg (de genoemde Janssens) vond, en ten tijde van Leeuwenhoek drie te Leiden, zooals hij zelf in een brief aan G. C. Leibnitz, d.d. 28 September 1715 [36] zegt: „daar sijn drie Glaseslijpers geweest te Leyden, bij dewelke de studenten het glaseslijpen gingen leeren” enz. Uit een en ander blijkt, dat het zeker is, dat het samengesteld microscoop te Middelburg reeds eenige jaren vóór 1610 is uitgevonden.

De Hoogleeraar Harting maakt de opmerking [37], dat het bevreemdend is, dat de uitvinding van een werktuig, hetwelk voor den onderzoekenden blik eene geheel nieuwe wereld ontsluit, aanvankelijk zoo weinig de aandacht getrokken heeft, dat het bestaan ervan jaren lang ter nauwernood buiten de muren der woonplaats van den uitvinder is bekend geweest, daar men, noch in 1611 in de „Dioptrica” van Keppler, noch in het werk van Syrturus, dat over verrekijkers en het slijpen van glazen handelt en in 1618 verscheen, iets vindt opgeteekend, waaruit hunne bekendheid met het microscoop blijkt. Eerst in 1625 maakte een Italiaan Franciscus Stellubi eenige microscopische waarnemingen bekend over de verschillende deelen der honigbij.

De eigenlijke geschiedenis van het enkelvoudig microscoop vangt eerst aan op het tijdstip, toen men begon lenzen te vervaardigen, welke een genoegzaam korten brandpunts-afstand bezaten, om eene eenigszins aanmerkelijke vergrooting daar te stellen, dat, volgens Harting [38], hoogstwaarschijnlijk eerst geschied is na en ten gevolge der uitvinding van het samengesteld microscoop.

Een der eersten, die het enkelvoudig microscoop zoodanig inrichtte, dat het geschikt was voor wetenschappelijke nasporingen, was onze Leeuwenhoek.

Wij zagen boven, dat Dr. Reinier de Graaf in den brief, dien hij bij de toezending der eerste waarnemingen van Leeuwenhoek aan de „Royal Society” te Londen schreef, als eene bijzonderheid mededeelde „dat deze Leeuwenhoek onlangs microscopen gemaakt had, uitmuntende boven die tot hiertoe vervaardigd worden door Eustachio Divini.” Deze microscopen van Eustachio de Divinis nu waren in dien tijd zeer beroemd en worden beschreven in de „Philosophical Transactions” no. 42, pag. 842. Divini had, behalve de objectieflens, twee plano-convexe oogglazen zoodanig geplaatst, dat zij elkander in het midden hunner bolle oppervlakte raakten. Deze oogglazen waren ongeveer zoo breed als de handpalm eens mans, en de buis, waarin zij besloten waren, was zoo dik als een mans dij. Een vrij onhandig instrument alzoo, dat niet gemakkelijk in het gebruik moet zijn geweest en veel overeenkomst met een kleine mortier moet hebben gehad. Het was omstreeks 16½ duim lang; de verschillende vergrootingen werden verkregen door uittrekking tot verschillende lengte. De geringste vergrooting was van 41, de sterkste van 143maal in middellijn.

Het voornaamste, waardoor de microscopen van Leeuwenhoek uitmuntten boven die van anderen van zijn tijd, bestond in de kennis van het slijpen en polijsten zijner lenzen en in het stellen (monteeren) daarvan.

Men maakte destijds ook veel gebruik van gesmolten glazen bolletjes, omdat men niet best terecht kon met het slijpen der lenzen, en niemand ten tijde van Leeuwenhoek hem hierin op zijde schijnt gestreefd te hebben.

De eerste, die deze glazen bolletjes vervaardigde, was Robert Hooke [39], die in 1663 de vervaardiging ervan beproefde en ze later verbeterde. Hij maakte van deze bolletjes onder anderen gewag in een verslag, door hem uitgebracht in de vergadering van 14 Maart 1678 van de „Royal Society” [40], ten gevolge van het te vergeefsch opsporen van de kleine diertjes in peperwater door Leeuwenhoek waargenomen, hetwelk hem nu bij het gebruik maken van zijn verbeterde inrichting van zijn microscoop gelukte.

Hij bezigde daartoe een enkelvoudig microscoop, gemaakt uit een klein glasbolletje, waardoor het voorwerp buitengewoon vergroot kon worden, welk bolletje hij, met de lamp, van een glazen draad smolt. In 1668 vervaardigde Hartsoeker [41] op dergelijke wijze glasbolletjes, die vrij goed waren en hun vergrootend vermogen moet zeer aanzienlijk geweest zijn.

In 1677 maakte Butterfelld [42] deze bolletjes door tot fijn poeder gestoten glas, dat hij aan de punt eener naald in de vlam van een spirituslamp hield, tot een bolletje samen te smelten. Ook Jan van Mussenbroek vervaardigde dergelijke glasbolletjes, naar de methode van Hooke en schijnt daarin zeer te hebben uitgemunt. Het verst van allen bracht het daarin Pater Della Torre van Napels [43]. Deze bracht het bolletje, dat hij op de wijze van Hooke aan een glasdraad gesmolten had, in eene komvormige holte, gemaakt in een stukje tripoli, waarin vervolgens het bolletje op nieuw gesmolten werd door de vlam der glasblazerslamp. De glasbolletjes van Della Torre vergrootten ongemeen sterk. De „Royal Society” te Londen ontving er in 1763 eenige van, waarvan het grootste een diameter had van 1⁄36 duim en 640maal in middellijn vergrootte; de doorsnede van het kleinste was 1⁄144 duim en zijn vergrootend vermogen 2560maal. Zulke sterk vergrootende bolletjes zijn echter, volgens Prof. Harting, wegens hun zeer korten brandpunts-afstand, als microscoop weinig bruikbaar. Volgens Harting geven de bolletjes van 300–900maal vergrooting het zuiverste beeld, zoodat zij zelfs in dit opzicht geslepen lenzen van gelijke vergrooting dikwijls werkelijk overtreffen.

Ook Leeuwenhoek schijnt zich aanvankelijk van zulke bolletjes bediend, maar die later verworpen en er zelfs eene groote verachting voor aan den dag gelegd te hebben, zooals blijkt uit hetgeen Uffenbach daaromtrent verhaalt, bij gelegenheid van zijn bezoek ten zijnen huize [44].

„Als wir Herr Leuwenhoek ferner fragten, ob er denn alle seine Gläser schlieffe und keine bliese? verneinte er solches, und bezeigte eine grosse Verachtung gegen diese geblasene Gläser” „Er wiese uns, wie dunn seine Microscopia gegen anderen wären, und wie nahe de laminae zwisschen welche das Glas ist, beysammen waren, so dasz kein sphärisch Glas dazwischen seyn könnte, sondern alle seine Gläser waren auf beyden Seiten convex geschliffen.” Daarenboven gebruikte Leeuwenhoek ook microscopen met dubbele glazen. „Er hatte auch einige Microscopia mit doppelten Gläsern die, ob sie gleich doppelt, und einwendig nach ihrer behörigen Distanz vermuthlich durch eine laminam separirt waren, demnoch nicht viel dicker als die einfachen waren.” Deze vergrootten, volgens Leeuwenhoek, een „weinig meer” dan zijn enkelvoudige microscopen.

Wij zijn alzoo genaderd tot het microscoop waarvan Leeuwenhoek zich bediende voor zijne onderzoekingen, en het is door alles wat wij daaromtrent hebben kunnen opsporen uitgemaakt, dat hij de glazen daartoe gebezigd zelf sleep en polijstte en dat deze niet uit gesmolten glasbolletjes bestonden maar uit een tot eene biconvexe lens geslepen helder glas.

Hij besteedde veel zorg aan het kiezen van het geschiktste soort van glas, en gebruikte ook gerold bergkristal. De zuiverheid en helderheid er van moet buitengemeen groot geweest zijn, hetgeen blijkt, zoowel uit de getuigenis zijner tijdgenooten, als uit vele der daarmede gedane waarnemingen van hemzelven.

De lens in Leeuwenhoek’s microscopen was gevat tusschen twee koperen of zilveren, soms ook wel gouden plaatjes, waarin zich één, soms twee en ook wel eens drie openingen bevonden. Bij van Haastert [45] is zulk een microscoop met ééne opening op het titelblad afgebeeld, zoo als ook in fig. 1 is geteekend. Deze afbeelding komt geheel overeen met een dergelijk instrumentje van Leeuwenhoek afkomstig en door hem vervaardigd, waarmede ik in mijn jeugd dikwijls kleine insecten, vlerkjes en andere voorwerpen heb bezichtigd. Er werd, helaas, toen door mij niet meer waarde aan gehecht dan aan gewoon speelgoed, zoodat het in het ongereede is geraakt en verloren ging. Het komt in alle opzichten overeen met de 26 microscopen, die Leeuwenhoek aan de „Royal Society” heeft nagelaten. Baker [46] had deze microscopen gedurende drie maanden ter onderzoeking onder zijne berusting en beschrijft ze zeer uitvoerig. Deze beschrijving nu is zoowel toepasselijk op de hier bijgevoegde fig. 1 als op fig. 2, daar de laatste alleen daarin verschilt dat er twee lenzen in zijn en het microscoop alzoo ingericht was om twee verschillende vergrootingen te geven. Fig. 1 stelt het microscoop voor met ééne, fig. 2 A en B met twee openingen en aan beide zijden gezien.

Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop voor als bij van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben ik bekend geworden met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der Leidsche Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een officier van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder anderen een rood marokijnen étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet te Leiden is een microscoop van Leeuwenhoek afkomstig.

Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik mededeelen, dat ik in het jaar 1872 van den officier van gezondheid 1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, een schrijven heb ontvangen, mij meldende, dat hij in het bezit was van:

1º. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer brochure; 2º. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig. 3, pag. 36); 3º. Een loupe van Leeuwenhoek; 4º. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en eene lens nog niet in koper gevat, dus in het geheel zes.

Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door den Hoogleeraar de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader van den briefschrijver en later aan hem was present gedaan. Als eene bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui met eigenaardige krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool ten geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende voorwerpen kennelijk de bovenbeschrevene.

Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een microscoop aanwezig is.

De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B. Het platte gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren plaatjes, aan elkander vastgemaakt met kleine klinknageltjes, b b b b b b. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een holligheid geplaatst, recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander in de plaatjes gedrild bij c. Aan de eene zijde van de plaatjes is een koperen of zilveren strookje d met een schroef e gehecht, welk schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje winkelhaaks omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de andere zijde uit. Door dit omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene lange fijndradige schroef, welke in- en uitgeschroefd wordende, de plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager brengt. Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetje i, waaraan het voorwerp moet worden vastgehecht en dat door een handvatsel k wordt omgedraaid. Men kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener kleine schroef l, die horizontaal door de plaat b loopende en tegen de achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze plaat verder afdringt. Het eind van de lange schroef g komt door de vertoonplaat heen bij m, alwaar zij rond draait, maar niet als een schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog niet reikt. Leeuwenhoek maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje met de eene of andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten slotte eenige honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een brief aan Hans Sloane, Secretaris der „Royal Society” d.d., 24 December 1700 [47]. „Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar van de meeste zoo scherp sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen ander als dag ligt enz.” Wanneer het voorwerp alleen kon gezien worden als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer dun glas, dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt vasthechtte [48]. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als onder anderen, om den bloedsomloop te bezichtigen, wijzigde hij dien toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig in een brief aan de „Royal Society” van 12 Januari 1689 [49] (Fig. 3). Zij bestond uit eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen of zilveren plaat, a, in welker omgebogen gedeelten b en c de ronde openingen e en i waren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan door de veeren r en d werd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht hij dan water en een klein vischje of aaltje met de vinnen of den staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop er in kon waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek, tusschen 2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door middel van de rechtopstaande plaat g, die door de beide schroeven h h op een gedeelte van c bevestigd was, en waaraan de lensplaat door de schroef f werd vastgemaakt [50]. Leeuwenhoek heeft verscheidene van deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus zijner microscopen, die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren en 4 koperen vermeld.

Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden titel: