Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875

Part 2

Chapter 23,790 wordsPublic domain

Dat hij, zoowel te Warmond, als te Benthuizen, goede gronden zal gelegd hebben voor zijne intellectueele ontwikkeling en bij voorzeker gunstigen aanleg, zich den tijd aldaar doorgebracht goed ten nutte zal gemaakt hebben in het verwerven van die kundigheden, die onder zijn bereik kwamen, is van een man met zulk een werkzamen, onderzoekenden geest als wij Leeuwenhoek later zullen leeren kennen, zeker te verwachten. Dat hij zich hier en later, vooral in de wiskundige wetenschappen geoefend heeft, blijkt uit vele brieven van hem in lateren tijd geschreven, waaruit zijn grondige kennis in die richting onmiskenbaar aan den dag komt. Zoo bij voorbeeld, waar hij het aantal „vis-veseltjes” (draadjes, fila) uit de Kabeljauw, die vervat zijn in de „circumferentie van een visstriemtje” (fibrilla) wil uitrekenen, maakt hij gebruik van de leer van Archimedes, om den inhoud van den cirkel door de kennis van den omtrek te berekenen [10]; alsmede, waar hij door uitrekening tracht te bepalen, dat er tienmaal zoo veel levende dieren uit een hom van een Kabeljauw voortkomen, dan er menschen op aarde wonen, stelt hij, om dit laatste getal te berekenen, „de lengte van den grooten cirkel van den aardbol op 5400 mijlen gerekend zijnde, 22—7—5400 = 1718 mijlen voor de as van den aardbol” en berekent volgens den regel van Metius „om de superfitie van een cloot-bult te berekenen, 7 geeft 22, wat geeft het quadraat getal van de asse,” enz. enz. [11]. Nog blijkt zijne wiskundige kennis onder anderen uit een postscriptum achter een brief [12], waar hij zegt: „De hoogte van onze nieuwe kerkstooren is voor veel jaren door mij, ende wijlen den Landmeter Spoors, yder met syn quadrant afgezien, en bevonden hoog te syn 299 voeten” [13].

Ik haal deze voorbeelden, die met nog vele anderen zouden kunnen vermeerderd worden slechts aan, om te doen uitkomen, dat Leeuwenhoek, hij moge dan al niet tot den geleerden stand behoord en vooral geen geleerde opvoeding genoten hebben, toch niet zoo onontwikkeld was als doorgaans vele schrijvers vermelden.

Nadat onze jeugdige Leeuwenhoek eenigen tijd te Benthuizen had doorgebracht en zijn mindere geschiktheid of lust voor de werkzaamheden, aan de betrekkingen bij zijn oom verbonden, zal gebleken zijn, besloot zijn moeder hem een meer practische loopbaan te openen en bracht hem in 1648, op den leeftijd van 16 jaren, te Amsterdam in aanraking met een voornaam lakenhandelaar, op wiens kantoor hij werd aangenomen en waar hij al spoedig de functie van boekhouder en kassier vervulde [14].

Hoe lang hij in deze betrekking te Amsterdam gebleven is, kan uit de berichten van dien tijd niet opgemaakt worden. Boitet, die hier onze eenige leidsman is, spreekt van „eenige jaren”, waarna hij weder naar Delft terug keerde; en daar hij, altijd volgens denzelfden schrijver, kort daarna in het huwelijk trad en dit huwelijk, blijkens mijn familie-register, in het jaar 1654 plaats had, zoo kan daaruit met genoegzame zekerheid worden opgemaakt, dat dit niet langer dan 5 à 6 jaren kan geweest zijn. In die jaren nu moet bij Leeuwenhoek langzamerhand de lust tot natuuronderzoek zijn voorbereid en ontwikkeld geworden; en hoewel hij de plichten, aan zijne maatschappelijke betrekking verbonden, zeker niet zal veronachtzaamd hebben, zoo kan men aannemen, dat de beschaving van zijn geest en het onderzoeken van hetgeen hem omringde en zijn aandacht wekte, hem zijn vrijen tijd nuttig heeft doen doorbrengen.

De waarschijnlijkheid dat hij, tijdens zijn verblijf te Amsterdam in aanraking gekomen is met kundige mannen en geleerden van naam, die bij hem den lust voor de natuurstudie zullen hebben opgewekt en aangewakkerd, alsmede, dat hij daar het eerst kennis zal gemaakt hebben met een instrument, dat hij later door eigen inspanning en volharding tot zulk een volmaking bracht, mag men wel veilig als gegrond aannemen, hoewel de beweering van sommige schrijvers, dat hij aldaar met beroemde natuurkundigen vriendschap had weten aan te knoopen [15] naar mijn oordeel niet dan eene veronderstelling mag heeten.

Ik waag het ten slotte nog ééne meening te uiten, die ik vermeen niet zoo geheel zonder grond te zijn, ter verklaring van den bij hem opgewekten lust tot het onderzoeken en bestudeeren van insecten en andere voorwerpen door het microscoop. Zij is deze: Johannes Swammerdam, over wien ik later meerdere bijzonderheden zal mededeelen, was een tijdgenoot en (blijkens de noot op bl. 26) een bijzondere kennis van Leeuwenhoek, daar hij in 1637 te Amsterdam geboren werd en dus slechts weinige jaren jonger was dan hij; de vader nu van Swammerdam was Apotheker te Amsterdam en bezat een uitgebreide en toen reeds algemeen beroemde en bekende groote verzameling van voorwerpen uit de natuurlijke historie, en andere curiositeiten die hij had bijeengebracht. Johannes Swammerdam had, van der jeugd af, een groote voorliefde voor de natuurlijke geschiedenis aan den dag gelegd en bijzonder voor die der insecten, welken lust hij ruimschoots bevredigen kon door het dagelijksch beschouwen van de voorwerpen in het kabinet zijns vaders, dat hij, volgens zijn levensbeschrijver Boerhaave, in orde hield en rangschikte. Wat is nu natuurlijker, dan dat Leeuwenhoek, tijdens zijn verblijf te Amsterdam, bij dien Apotheker toegang zal gehad hebben, aldaar de lust voor natuurstudie in het beschouwen der insecten enz. zal hebben voelen opgewekt en kennis gemaakt hebben met een instrument, waarmede hij later zooveel ten uitvoer bracht. Deze onderstelling dunkt mij is alleszins aannemelijk en geenszins ongegrond.

Intusschen stond hem aanvankelijk en ook later, zeker het gebrekkige zijner letterkundige ontwikkeling in den weg om dieper door te dringen in hetgeen vooral door buitenlandsche geleerden onderzocht en geschreven was; maar, door eigen oefening en studie, trachtte hij zich zelven eigen te maken, wat hem in zijne ontwikkeling in den weg stond.

Die lust tot onderzoek en oefening bleef hem altijd bij, en vooral toen hij in de kracht van zijn leven was, schijnt hij eene opmerkelijke volharding in dit opzicht aan den dag gelegd te hebben. Boitet zegt van hem [16] „dat hij zich, kort na zijn huwelijk, zonder onderwijs van iemant, in de navigatie, sterrekunde, wiskunde, filosofie en natuurkunde, en wel met zoo veel vrucht oefende, dat men hem wel bij de voornaamste meesters in die kunst gelijk mag stellen, en met een woord gezegt er geen kunstenaar was die hem in de laatste wetenschap overtrof,” en hij voegt er, hoogelijk ingenomen met zijn held, bij: „Zooveel vermogt die onbezweke naarstigheid dezes grooten mans, dewelke in deze evengenoemde kunsten zijn eigen meester was. Dus wort het aloude gezeg bewaarheit, „dat de Goden alles voor zweet en arbeyt veil hebben.””

Ik stem ten volle in met hetgeen Émile Blanchard, in zijn artikel in de „Revue des deux mondes” (pag. 407) zegt, waar hij van de groote gaven van Leeuwenhoek bij weinige wetenschappelijke ontwikkeling gewaagt: „Alors l’âme est pénétrée d’un regret; on voudrait voir Leeuwenhoek pourvu des connaissances générales qui permettraient à cet esprit ingénieux de s’élever à quelques hautes conceptions. Avec une forte instruction, Leeuwenhoek en effet aurait sans doute mérité d’être compté au nombre des génies dont s’honore l’humanité.”

Bij al de bovengenoemde kundigheden, die Leeuwenhoek zich door eigen studie had verworven, schijnt hij zich ook nog in de Scheikunde geoefend en zich daarmede bezig gehouden te hebben. Ook hieromtrent bericht ons Boitet, „dat hij zich zoo ver in de Scheikunst geoefend had, dat hij uit ruw erts goud en zilver wist te scheiden, waarvan er bij zijn in leven zijnde dochter verscheydene gedenkstukken voorhanden waren.”

Dat hij nimmer Latijn geleerd had en zelfs onbekend was met vreemde levende talen, blijkt uit onderscheidene gezegden van hem in zijne brieven, waarin hij betuigt, dat zijne manuscripten voor hem in het Latijn werden overgezet, om daarna naar Engeland aan de Koninklijke Sociëteit te worden toegezonden [17]. Dit wordt ook bevestigd door Thomas Molyneux, een Engelsch Natuurkundige. Deze geleerde bezocht dikwijls ons land en kwam herhaaldelijk in Leiden. In het jaar 1685, toen de onderzoekingen en ontdekkingen van Leeuwenhoek reeds eenige jaren in Engeland bekend waren gemaakt en vooral zijne ontdekkingen over de, later zoogenoemde, infusoria in regen- en andere wateren, de verbazing van de geleerde leden der Royal Society hadden opgewekt, waarbij niet minder zijne vroegere waarnemingen over de bloedbolletjes en den bloedsomloop, alsmede die omtrent de zoogenoemde zaaddiertjes (spermatozoïden), ieders belangstelling hadden gaande gemaakt, was men natuurlijk zeer verlangend iets naders omtrent den persoon van dien grooten ontdekker van de „geheimen der natuur” te vernemen, die men tot nog toe slechts uit zijne brieven kende. Toen nu Molyneux in het voorjaar van 1685 zich naar Holland begaf, werd hem door Sir François Aston, Secretaris der Royal Society opgedragen ook Delft te bezoeken, aldaar kennis met Leeuwenhoek te maken, en tevens van hem te weten te komen, op welke wijze hij zijn microscopen maakte, waarmede hij uitkomsten verkreeg, die men in Engeland met moeite, en dan nog onvolledig, kon bekomen met de beste microscopen, die men daar kon vervaardigen. Molyneux voldeed aan deze opdracht. In de vergadering van dit geleerd Genootschap werd daarop een brief van Molyneux ontvangen, gedateerd uit Leiden d.d. 13 Februari 168⅘ N. S. (nieuwe stijl). Deze was van den volgenden inhoud:

„Ik heb tot nu toe het antwoord op uwe laatste uitgesteld, omdat ik u nog geen bericht kon geven van Mijnheer Leeuwenhoek, doch ik bezocht hem voorleden week uit uw naam. Hij vertoonde mij vele zaken door zijne microscopen, welke onnoodig is hier te vermelden, daar hij zelf u de beschrijving daarvan uitvoerig heeft medegedeeld. Wat zijn microscopen zelf aangaat, zoo waren allen, die hij mij liet zien, ten getale van minstens een dozijn, van ééne soort, bestaande elk uit een klein glas geslepen („„Ik vermeld dit, omdat men algemeen gelooft, dat de glazen voor zijn microscopen met de lamp geblazen zijn; die geenen, die ik zag, kan ik verzekeren dat niet geblazen zijn””), geplaatst tusschen twee dunne platte koperen plaatjes, omtrent één duim breed en anderhalven duim lang. In deze twee openingen, één voor en één achter het glas, welke grooter of kleiner waren, naarmate het glas meerder of minder convex was, of dat het vergrootte. Vlak over deze opening was aan de eene zijde nu eens eene naald aangebracht, dan weder een dun plat plaatje van glas of doorschijnende stof, waarop hij, al naar het noodig was, of op de punt, het voorwerp dat hij wilde bezien, vastmaakte, daarop het naar het licht keerde en nu door middel van twee kleine schroefjes het voorwerp juist in den focus van zijn glas lichtte, waarna hij dan zijn waarnemingen bewerkstelligde. Zoodanige waren de microscopen die ik zag en deze vertoont hij aan de nieuwsgierigen die hem komen bezoeken; maar behalve deze, vertelde hij mij, had hij nog eene andere soort, door welke geen levende ziel, behalve hij zelf zag; deze soort bewaart hij geheel voor zijn eigen waarnemingen en hij verzekerde mij, dat zij diegene, die hij mij had laten zien, verre overtroffen; doch hij wilde mij niet toestaan ze te zien, dus al wat ik kan doen is eenvoudig te gelooven, want ik heb er geen ondervinding van”.

„Wat nu de microscopen aangaat, waardoor het mij vergund werd te zien” [18], vervolgt Molyneux, „zoo vergrootten deze niet veel meer dan verscheidene glazen, die ik, zoowel in Engeland als in Ierland gezien heb, doch in ééne bijzonderheid moet ik zeggen, overtreffen zij ze allen, namelijk in hunne buitengewone helderheid en dat zij alle voorwerpen zoo uitstekend helder vertoonen. Want ik herinner er aan, dat wij in eene vrij donkere kamer waren, met slechts één raam voorzien, waar de zon toen ook niet op scheen, en toch vertoonden de voorwerpen zich schooner en duidelijker dan diegeenen, die ik vroeger door microscopen gezien heb, hoewel er de zon geheel op scheen, of dat zij meer dan gewoon licht ontvingen, door weêrkaatsende spiegels of op andere wijze. Zoodat ik vermeen, dat het hoofdzakelijk, zoo niet geheel alleen aan deze bijzonderheid is toe te schrijven dat zijne glazen alle andere overtreffen, die over het algemeen, hoe meer zij vergrooten, het voorwerp des te duisterder vertoonen, en zijn eenig geheim bestaat, geloof ik, daarin, dat hij de glazen helderder slijpt en ze beter polijst dan anderen kunnen doen.” En nu vervolgt Molyneux, „Ik vond in hem een beschaafd, vriendelijk man en zonder twijfel met groote bekwaamheden voorzien, maar tegen mijne verwachting geheel en al ongeletterd, daar hij, noch het Latijn, noch Fransch of Engelsch, of eenige andere der nieuwe talen, behalve zijn moedertaal machtig is, hetgeen een groote hinderpaal is om zich met hem, voornamelijk over zijne waarnemingen te onderhouden, want daar hij volstrekt onbekend is met de denkbeelden van anderen, moet hij geheel op zijn eigen oordeel afgaan en heeft hij dan ook zulk een vertrouwen op zijn eigen opgevatte meening, dat hij, zooals ik opmerkte, nu en dan tot ongerijmdheden of in bizarre verklaringen vervalt, ja soms zoodanig, dat zij in het geheel niet met de waarheid overeentebrengen zijn. Gij ziet, Mijnheer, hoe vrij ik mijn gedachten over hem uit, zooals gij mij dit verzocht hebt” [19].

Nadat alzoo Leeuwenhoek gedurende vijf à zes jaren te Amsterdam gewoond had waar de drukten en beslommeringen aan een handelszaak verbonden, aan zijn meer en meer ontwikkelenden lust tot natuuronderzoekingen en eigen studie hinderlijk zullen geweest zijn, besloot hij in het jaar 1653 of 1654 naar Delft terug te keeren [20].

Hij trad kort daarna, namelijk den 26sten Juli 1654, in het huwelijk met mejufvrouw Barbara de Mey dochter van Elias de Mey en Maria Viruly. Zij was geboren den 13den December 1629 en was alzoo 25 jaren oud toen zij met Leeuwenhoek huwde. Uit dit huwelijk werden hem vijf kinderen geboren, en wel drie zonen en twee dochters, waarvan hij er slechts één over hield, daar de overige hem door den dood ontnomen werden. Deze overgeblevene was zijne dochter Maria, die ongehuwd bleef en haar vader tot in zijn hoogen ouderdom en op zijn sterfbed verzorgde.

Deze dochter, Maria, werd geboren den 22sten September 1656 en overleed den 25sten April 1745, zoodat zij haar vader 23 jaren overleefde en den hoogen ouderdom van 88 jaren bereikte [21].

Na eene vereeniging van 12 jaren overleed zijne echtgenoote, en wel den 11den Juli 1666 [22], waarna hij een tweede huwelijk aanging met mejufvrouw Cornelia Swalmius [23], die hem één kind schonk, dat echter vroeg gestorven is.

Leeuwenhoek schijnt in onbekrompen omstandigheden verkeerd te hebben, want eerst in het jaar 1660 werd hem eene Stadsbetrekking opgedragen, die hem een vast inkomen verzekerde. Gedurende de zes eerste jaren van zijn huwelijk leefde hij geheel voor zijne studie en moet hij dus de middelen bezeten hebben, niet alleen om in de behoefte van zijn gezin naar behooren te voorzien, maar ook om zich de noodige instrumenten voor zijne onderzoekingen te kunnen aanschaffen; en daar de Stadsbetrekking die hij gedurende 39 jaren bekleedde, zooals wij straks zullen zien niet buitengewoon voordeelig was, kon hij daardoor niet tot den welgestelden stand geraakt zijn. Dat hij tot den deftigen vermogenden stand moet behoord hebben is voorts afteleiden uit de aanzienlijke collectie microscopen, gedeeltelijk van zilver en enkele zelfs van goud, allen bewaard in afzonderlijke daartoe vervaardigde Japansch verlakte cabinetjes, die hij naliet en waarvan er zeven op den Catalogus van de verkooping, die na zijn dood gehouden werd, voorkomen. Evenzoo kan men dit opmaken uit hetgeen Boitet vermeldt, dat er „verscheidene gedenkstukken van zijn hand, bij zijn dochter voorhanden waren, vervaardigd uit goud en zilver;” en vervolgens uit de van hem bestaande portretten, die hem voorstellen in de kleeding en houding van den aanzienlijken stand van dien tijd [24]; eindelijk uit den inhoud van een brief aan Robert Hooke van 4 November 1681 [25], waaruit blijkt dat hij er zelfs een paard op na hield, waarvan hij schrijft, dat hij na een sterke rit er mede gedaan te hebben, de urine, die zeer dik was en aschkleurig, onderzocht. Ook bezat hij een buiten-tuin, zoo als blijkt uit den 61ste brief, blz. 247. Uit een en ander is de vermelding, dat hij een vermogend man was, genoegzaam gemotiveerd.

Intusschen werd hij door het Bestuur van Delft met eene betrekking begiftigd, die hem een voor dien tijd niet onaanzienlijk inkomen verschafte, terwijl de diensten, daaraan verbonden, gering waren, zoodat hij genoegzamen vrijen tijd overhield om zich aan zijn geliefkoosde studiën en onderzoekingen te kunnen wijden. Deze post bestond in de betrekking van „Kamerbewaarder der Kamer van Heeren Schepenen van Delft”, eene bediening, volgens van Haastert, in vroegere dagen waardig genoeg aan den deftigen burgerstand. Deze betrekking werd hem den 26sten Maart 1660, dus toen hij 28 jaren oud was, gegeven. Hij vervulde deze betrekking gedurende 39 jaren, namelijk tot aan het jaar 1699, doch behield het salaris daaraan verbonden tot aan zijn dood.

Tengevolge mijner nasporingen omtrent den aard dezer betrekking en andere bijzonderheden daaromtrent in het werk gesteld, zijn mij door den oud Archivaris en Secretaris van Delft Mr. J. Soutendam, uit het Archief een paar afschriften verschaft, die ik niet onbelangrijk acht hier mede te deelen. Een dezer extracten luidt aldus:

3de Memoriaal van H.H. Burgemeesteren van Delft, fol. 365.

„Den 26sten Maart 1660 is Antony Leeuwenhoek, in plaats van Jan Strick, tot Camerbewaarder gestelt, op gelijke gagie, baten ende emolumenten.” Zijne Commissie luidt als volgt: (fol. 364 en 365 ibid. „Mijnen Heeren Burgemeesteren ende Regeerders der stad Delft hebben gestelt ende committeeren bij desen, Antony Leeuwenhoek tot het waarnemen van de Camer, daer de H.H. Schout, Schepens ende die van de wet deser Stadt vergaderen, om de voorz. Camer te openen ende te sluyten, soo op ordinaris als extraordinaris vergaderingen van de voorn. Heeren, op soodanige wijsen, als des vereyscht ende nodig sal wesen; item deselve Heeren te betonen alle respect, eere ende reverentie ende naerstelyck te agtervolgen ende getrouwelyck te effectueren alle diensten, die hem sullen werden belast, ende secreet te houden ’t gunt hij in de Camer soude mogen hooren; de voorz. Camer pertinentelyck te reynigen ende schoon te houden, ’t vuyr, soo wanneer den tijd sulcx sal vereyschen, op syn bequamen tijd aan te leggen ende de koolen, die ongeconsumeert soude moge wesen, tot syn profyt wel te bewaren, dat geen ongeluk daar van ofte van het Ligt van de kaarsen en geschiedde ende sal voorts alles doen dat een goet ende getrouw Camerbewaarder schuldig is te doen ende behoort. Voor welcken dienst de voorz. Antony Loeuwenhoek sal genieten soodanigen gagie, bate ende emolumenten als voorn. Jan Strick saliger syn voorzaat in dienste heeft genoten, ende sal desselfs dienst ingaan metten 24 January 1660 ende syn gagie betaalt werden op soodanige termynen, als die aan den voorz. Strick betaalt syn geweest. Actum bij al de Burgmeesteren collegialiter vergadert den 26sten Maart 1660 ende geteekent bij den Pensionaris J. Camerling.”

Het salaris aan dezen post verbonden wordt opgegeven in de „Thesauriers-rekening” van Delft van 1661 fol. 113 en 114: „Antony Leeuwenhoek, Camerbewaarder van de Raatcamer twee hondert ’t sestich gl. over één jaar wedde, verschenen den 24sten January 1661, dus: ijc lxgl.” „Den selven voor het schoonmaeken van de Schepenen-, Vroetschap- ende Schutterskamer; Item voor de behoeften die hij daer toe van nooden heeft, de somma van liiij gl. Alzoo te samen een tractement van ƒ 314.” De „Stads-secretaris,” zoo schrijft mij Mr. Soutendam, ontving te dien tijde, behalve het „tabbertlaken of stedekleeding” en den „vrijdom van Stads-accijns ƒ 800 ’s jaars.” Het baantje was ook (altijd volgens Mr. Soutendam), niets minder eervol, dan dat van Kamerheer aan ’t Hof, „mutatis mutandis;” natuurlijk zal Leeuwenhoek het vuile werk wel door een bode of bediende hebben laten waarnemen.

Er is verder in het Archief niets gevonden, waaruit kan blijken of Leeuwenhoek om deze betrekking gevraagd heeft. Waarschijnlijk zal een zijner vrienden, in de Regeering zittende, hem die wel bezorgd hebben. In die dagen was alles „correspondentie” van ’t hoogste ambt tot het minste toe.

Behalve deze betrekking van Camerbewaarder, schijnt hem nog een andere te zijn opgedragen blijkens een afschrift uit het „15de Memoriaal van Burgemeesteren van Delft” fol. 118 en 119 als volgt:

„Mortificatie van het generaal-wijkmeesterschap, d.d. 23 December 1711, nadat Antony Leeuwenhoek, die dese betrekking tegen een tractement van ƒ 50 ’s jaars bekleedde, sal sijn overleden.” Het blijkt echter niet, wanneer hij deze sinecure gekregen heeft.

Verder vindt men in hetzelfde: „Memoriaal”, fol. 206 en 207. „Resolutie ter verbetering van Stads-finantie, d.d. 30 December 1718”: „Dat na overlijden van Antony Leeuwenhoek en Arnold Ramp, de kamerbewaarder van Schepenen-kamer voortaan niet meer sal toegelegt worden als ƒ 300”. Hieruit blijkt dus, dat Leeuwenhoek nog tractement ontving, ofschoon hij reeds een opvolger of hulp had. De „Thesauriers-rekening” van 1699 geeft hiervan opheldering; daaruit blijkt, dat Leeuwenhoek, als Camerbewaarder der Raat-camer enz., over een jaarwedde, verschenen October 1699, ontving.... „iiijc gl.” „Den selven, of nu Arnold Ramp, voor ’t schoonmaken van Schepens-camer enz.... Liiij gl.”

Hij behield dus ’t tractement van „Camerbewaarder” en van „generaal-wijkmeester” (twee sinecures) tot aan zijn dood en betaalde ƒ 54 aan Arnold Ramp. Het is echter niet kunnen blijken, wanneer dit salaris tot ƒ 400 verhoogd werd.

Van het jaar 1654 af, vermoedelijk het jaar dat hij zich voor goed in Delft met der woon vestigde, tot het jaar 1673 toe, het jaar waarin het eerst microscopische waarnemingen van Leeuwenhoek door bemiddeling van Dr. Reinier de Graaf, aan de „Royal Society” te Londen werden medegedeeld, en zijn naam alzoo in het buitenland en spoedig daarna overal algemeen bekend is geworden, vinden wij niets omtrent hem aangeteekend. Er was dus een tijdvak van 19 jaren, dat men een tijdvak van voorbereiding kan noemen, waarin hij zich voldoende kon oefenen, zoowel in het aanleeren als verder volmaken van de kunst om de lenzen, die hij voor zijne microscopen gebruikte en die wij zullen zien dat hij zelf vervaardigde, zoodanig te slijpen en te polijsten, dat zij de bewondering van kenners en geleerden, opwekten. Men trachtte op allerlei wijzen achter zijn geheim te komen, hetgeen hij echter zorgvuldig voor zich zelven hield. Hij zal zich overigens gedurende dien tijd vlijtig hebben geoefend in het beschouwen van de voorwerpen, die zijne aandacht wekten.

Leeuwenhoek moet daarvoor een allergelukkigsten aanleg hebben bezeten en bovenal een scherp, helder gezicht, dat hem, niettegenstaande de dagelijksche langdurige en onafgebroken inspanning, tot aan zijn hoogen ouderdom toe, bewaard bleef. Dit getuigt ook Uffenbach [26], toen hij hem in 1710, dus toen hij 78 jaren oud was, bezocht. „Wir muszten uns wundren, dasz er fast gar nicht zittert, und noch ein gar unvergleichlich Gesicht hat, da er auch die Augen durch sein observiren gar sehr angreiffe.” Zelfs noch kort voor zijn dood, die den onvermoeiden grijsaard op 91jarigen leeftijd eindelijk van zijne geliefde bezigheden afriep, was hem nog het volkomen gebruik daarvan bewaard gebleven. En dat zijn oogen in het beschouwen en waardeeren der voorwerpen scherper zagen dan die van anderen, kan men opmaken uit eene periode van hem, uit een brief aan den Burgemeester van Delft Jan Meerman [27], van den 28sten Februari 1713, dus toen hij den ouderdom van 81 jaren bereikt had.