Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875

Part 13

Chapter 133,112 wordsPublic domain

[41] Nicolaas Hartsoeker was een beroemd Nederlandsch Natuurkundige en werd in 1656 te Gouda geboren. Zijn vader was Remonstrantsch predikant te Rotterdam. Hij was bestemd voor den geestelijken stand, doch wijdde zich, tegen den zin zijns vaders aan de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, zoodat hij, ten einde zijn vader niet zou ontdekken, dat hij des nachts studeerde, de dekens van zijn bed voor de vensters van zijn slaapvertrek spande. Hij betaalde zijn onderwijzer die hem ook optische glazen leerde slijpen, van zijn zakgeld. Het toeval bracht hem tot eene belangrijke ontdekking. Opgemerkt hebbende, dat het einde van een glazen draad, in de vlam eener kaars gehouden, eene bolvormige gedaante kreeg, en dit verschijnsel toepassende op de proeven, die hij Leeuwenhoek had zien doen, vervaardigde hij daarmede microscopen, die hij beweerde die van Leeuwenhoek te evenaren. Deze was geen vriend van hem, omdat hij voorgaf de ontdekking der zaaddiertjes reeds vóór hem gedaan te hebben. Hoe Leeuwenhoek over hem dacht, blijkt uit een brief d.d. 9 December 1698 (113de Brief, blz. 63) aan Harm. van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam. „Wat voor een persoon desen Hartsoeker is, weet ik niet, omdat er meer zijn, die den naam van Hartsoeker voeren, en ten mynen huyse zijn geweest, en onder anderen veel jaren geleden, een out bedaagt man, die men tot my seyde, dat een prediker van de Remonstrantsche gemeente te Rotterdam was, by sig hebbende een soon, die een jong student was, en welke toen van syn vader veelmaal wierde aangemaant, om nauwkeurig toe te sien, want ik saaken vertoonde, soo als den Prediker seyde, die noyt in de Werelt waren kundig geweest”....„Dat de Heer Hartsoeker de woorden voert, dat hy na syne kennisse, de eerste van allen is, die het saad der dieren met de vergrootglasen heeft beginnen te ondersoeken, komt my vreemt voor” enz. (Hierover later).

Hartsoeker hield zich van 1674–1677 te Leiden op, begaf zich daarna naar Parijs en hield zich daar bezig met het vervaardigen van teleskopen. In 1679 keerde hij naar Holland terug, doch ging weder naar Parijs, waar hij tot het jaar 1696 bleef. Hij vestigde zich daarna te Amsterdam, zich bezig houdende met astronomische waarnemingen, en ontving weldra eene uitnoodiging van Czaar Peter den Eerste, om hem als Hoogleeraar in de mathesis naar Petersburg te volgen, welk aanbod hij echter afsloeg. Later nam hij dergelijk beroep naar Dusseldorp aan, keerde later naar Holland terug en overleed te Utrecht in 1725.

[42] „Philos. Transactions,” 1677, pag. 226.

[43] „Harting’s Mikroskoop,” t. a. p. 3de Deel, blz. 53.

[44] Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.

[45] „Antoni van Leeuwenhoek, Vereerend herdacht” door Isaac van Haastert enz., 1823.

[46] Henry Baker schreef een werk over „Het Nuttig gebruik van het Mikroskoop” en later een ander: „Het Mikroskoop gemakkelijk gemaakt;” beiden door Houttuyn vertaald in 1755 en 1770. Hij verhaalt in het eerstgenoemde werk blz. 453, dat deze 26 microscopen vervat waren in een klein kistje, hetwelk Leeuwenhoek bij zijn overlijden aan de „Royal Society” had nagelaten en dat door Martin Folker aan de Sociëteit werd aangeboden. Men vindt daarvan de mededeeling in „Philos. Transact.” no. 380.

Omtrent deze microscopen heb ik dezer dagen, door een mijner betrekkingen te Londen woonachtig, onderzoek laten doen bij den tegenwoordigen secretaris der Royal Society Dr. Walter White, die bekend bleek te zijn met de relatiën van dit college met Leeuwenhoek gedurende de jaren 1673–1718. Het was hem bekend dat Leeuwenhoek verschillende voorwerpen aan dat college had ten geschenke gegeven, doch er was daarvan niets meer aanwezig. Er wordt nu nog onderzocht of er soms microscopen van Leeuwenhoek bij het Kings College te vinden zijn, waarvan ik spoedig bericht verwacht, zoodat ik wellicht vóór het afdrukken dezer uitgave daar nog mededeeling van doen kan.

[47] 7de Vervolg, 135ste brief, blz. 305.

[48] „Philosophical Transactions” Vol XXXij, pag. 450.

[49] 2de Vervolg, 66ste Brief blz. 308.

[50] Deze beschrijving is gevolgd naar „Harting’s mikroskoop,” Deel III blz. 380.

[51] Uffenbach geeft over Leeuwenhoek’s werkzaamheid zijn verwondering te kennen („Merkw. Reisen” t. a. p.) in deze bewoordingen: „Es ist zich übrigens nicht genug zu verwundern, über Hern Leeuwenhoek’s grossen Fleisz und Arbeitsamkeit, so woll in Observationen zu machen, als auch Gläser zu schliffen, und die Machienen zu denen Microscopiis zu machen.”

[52] 2de Sendbrief, blz. 22.

[53] 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 96.

[54] Birch t. a. p., Vol. III, pag. 338 en 346.

[55] Birch t. a. p., pag. 346.

[56] Birch t. a. p., blz. 349.

[57] De eigenhandige brief van Leeuwenhoek aan Constantijn Huygens, waaraan ik deze bijzonderheden ontleend heb, en waarvan een afschrift in mijn bezit is, bevindt zich in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.

[58] „Beiträge zur Biologie der Pflanzen” 2e Heft S. 127.

[59] Birch t. a. p., blz. 358.

[60] Birch t. a. p., Deel IV pag. 104.

[61] Birch t. a. p., blz. 386.

[62] „Zuletz” zegt hij „wiese uns Herr Leeuwenhoek sein cabinet, in welchen er wohl ein Duzent lackirter kästgen, und in diesen wohl anderthalf hundert ob vermeldeter kleinen Futerälgen hatte, in deren jedem zwey kleinen sorte lagen. Als wir uns über diesen Vorrath wunderten, und fragten, ob er denn keine verkauffte, indem wir gerne etliche haben möchten, sagte er; nein, bey meinen Leben nicht. Er war auch sehr geheim mit seiner Arbeit, wie er sie machte.” En iets later zegt Uffenbach: „Wir hatte gerne gefragt, warum er so viele Microscopia machte und doch keine verkauffen wolte, wir fürchteten aber, wie möchten eine Holländischen, oder kein Antworth bekommen.” Uffenbach, waarschijnlijk uit spijt over dit weigerend antwoord, laat zich daarover echter in onheusche gevolgtrekkingen uit, zeggende: „Vermuttlich steckt vornemlich der Neid dahinter, dasz er bey seinen Lebzeiten niemand seine Art von Microscopiis zu Handen kommen lassen will.”

[63] Dr. Halbertsma, „Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis, in quasdam partes anatomiae microscopiae”, 1843, pag. 12.

[64] 18de Sendbrief, blz. 169.

[65] 20ste Sendbrief, blz. 189.

[66] 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 312.

[67] 7de Vervolg, 116de Brief, blz. 100.

[68] „Employement for the Microscope. Londen, 1753. (Hollandsche vertaling) Nuttig gebruik van het Mikroskoop. Amsterdam, 1756, blz. 456.”

[69] Het Mikroskoop, enz. t. a. p. dl. 3, blz. 44.

[70] 33ste Brief, blz. 17.

[71] 35ste Brief, blz. 17.

[72] 41ste Sendbrief, blz. 37.

[73] 41ste Sendbrief, blz. 404.

[74] Manuscript in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan afschrift in mijn bezit is.

[75] „Het Mikroskoop t. a. p. 3de deel, blz. 404.”

[76] Brief aan de „Royal Society van 25 Juli 1684, No. 42, blz. 32.”

[77] Zie 36ste Brief, blz. 33.

[78] Robert Smith, volkomen samenstel der optica of gesichtkunde 1753 pag. 338 (uit het Engelsch „Dissertations upon Physico-Mathematical Subjects 1732” p. 45).

[79] 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 243.

[80] 6de Vervolg, 98ste Brief, blz. 198.

[81] T. a. p. blz. 18.

[82] 4de Vervolg, 83ste Brief, blz. 723 en 7de Vervolg, 111de Brief, blz. 48.

[83] 32ste Sendbrief, blz. 317.

[84] 47ste Brief, blz. 48.

[85] 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 374.

[86] 30ste Sendbrief, bladz. 304.

[87] „Philosophical Transactions, Vol. IX, pag. 23. More microsc. observ. made bij Mr. L. Upon the globuls of the Blood” etc. Deze brief werd eerst, na in het Engelsch vertaald te zijn, in de Vergadering van 27 April 1674 voorgelezen, en werd dit onderwerp nader vervolgd in een brief, d.d. 4 September 1674.

[88] 1ste Vervolg, 65ste Brief, blz. 294.

[89] 7de Vervolg, 128ste Brief, blz. 232.

[90] 42ste Brief, blz. 32.

[91] Ibidem, blz. 37.

[92] Halbertsma, t. a. p. pag. 32.

[93] Ibidem, t. a. p. pag. 33.

[94] 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 284.

[95] 3de Vervolg, 67ste Brief, blz. 341.

[96] 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 353.

[97] 2de Vervolg, 66ste Brief, blz. 289, 300, 306.

[98] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 333.

[99] Van der Boon, t. a. p., blz. 29.

[100] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 332.

[101] 2de Vervolg, 65ste Brief, blz. 382.

[102] 2de Vervolg, 67ste Brief, blz. 334.

[103] 3de Vervolg, 68ste Brief, blz. 355, en „Biographie Universelle etc. Paris 1819.” T. XXIV, pag. 363.

[104] „Biographie Universelle, t. a. p.”

[105] A. van der Boon, t. a. p., blz. 29.

[106] „Philosophical Transactions.” Vol. IX, p. 125; Halbertsma, Diss., t. a. p. blz. 51.

[107] „Philosophical Transactions.” Vol. XII, p. 1002; 49ste Brief, blz. 31. Halbertsma, Diss., t. a. p. blz. 51.

[108] Van der Boon etc., t. a. p.

[109] Van der Boon, t. a. p., blz., 81.

[110] 53ste Brief, blz. 1.

[111] Men leze verder wat van der Boon daaromtrent mededeelt, ten betooge, dat Leeuwenhoek anderhalve eeuw vroeger reeds bekend maakte, wat Purkinje en anderen daaromtrent als nieuw vermelden, t. a. p., blz. 81.

[112] 41ste Sendbrief, blz. 405.

[113] 7de Vervolg, 109de Brief, blz. 27.

[114] 7de Vervolg, 113de Brief, blz. 65.

[115] Deze bijzonderheden komen niet voor in de eerste uitgave mijner biographie van Leeuwenhoek; zij zijn ontleend aan de „Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde, deel 13, 3e stuk,” alwaar deze mededeeling van Prof. Halbertsma, op blz. 342 voorkomt.

[116] A. Haller, „Elem. Physiologiae, Lugd. Bat. 1765. Tom. VII, p. 523.”

[117] „Versuch einer pragmat. Geschichte der Arzneykunde Halle 1801. Th. IV, S. 293.”

[118] In deze Encyclopaedie wordt eene korte levensbeschrijving van Ludwig von Hammen gevonden, waaruit blijkt dat hij in het jaar 1652, waarschijnlijk te Dantzig, geboren werd, zich aan de geneeskunde gewijd en te Montpellier gestudeerd heeft, alwaar hij tot Doctor gepromoveerd werd. Hij vestigde zich te Dantzig, werd te gelijkertijd lijfarts van Johan Sobieski, koning van Polen, maar stierf zeer jong n. m. den 15 Maart 1680. Er zijn van hem geen geschriften bekend als zijn doctorale dissertatiën „Curriculum medicum Monspeliense” 1674, 4º en „de herniis diss.” en „de crocodilo et vesicae mendaci calculo epistolae. Gedani 1677, 4º Lugd. Bat. 1682, 12º.” Verder staat er te lezen, dat het tamelijk zeker schijnt, dat hij, tegen Hartsoeker’s beweeringen, de ontdekker der zaaddiertjes is, welke ontdekking hij in Augustus 1677 mededeelde aan „dem Professor” (!) Ant. v. Leeuwenhoek te Delft.

[119] „Mikroskopische Anatomie II. 2. S. 398.”

[120] „Lehrbuch der Anatomie des menschen. Giessen 1862. S. 228.”

[121] „De carnis musculosae fibrarumque carnearum structuram L. B. 1741.”

[122] „Philosophic. Transactions, no. 247, fol. 337.”

[123] 7de Vervolg, 117de Brief, blz. 102.

[124] 38ste Brief, blz. 4.

[125] 18de Sendbrief, pag. 168.

[126] 45ste Brief, blz. 43.

[127] Cornelis Bontekoe was geboren te Alkmaar in het jaar 1647, studeerde en promoveerde te Leiden, en werd beroepen als Hoogleeraar te Frankfort a/Oder. Hij overleed in 1685.

[128] 45ste Brief, blz. 74.

[129] „Anleitung zur historie der medicinischen Gelährheit von Gottlieb Stolle”. Jena, 1731, 4º., 3de Th. S. 535.

Deze en vele andere bronnen werden mij met groote welwillendheid verstrekt door den Hoogleeraar Dr. Groshans, wiens rijke verzameling boeken ten allen tijde mij ten dienste stond.

[130] Sendbrieven no. 20, blz. 166.

[131] „Rede zur Feier des Leibnitz’schen Jahrestages über Leibnitz’ens Methode Verhältniss zur Natur-Forschung und Briefwechsel mit Leeuwenhoek, in der öffentlichen Sitzung der Königlich-Preuss. Akademie der Wissenschaften am 3 Juli 1845 gehalten von Christian Gottfried Ehrenberg.” Deze redevoering is te vinden in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool.

[132] De „Theodicae” van Leibnitz verscheen in 1710.

[133] Ook zou ik wenschen, dat bij het onderzoek de microscopen werden aangewend, waarmede de schrandere en ijverige Leeuwenhoek zoo veel heeft gepraesteerd, dat ik mij dikwijls verontwaardig over der menschen traagheid, die de oogen niet willen openen en zich niet verwaardigen te geraken in het voor de hand liggend bezit van wetenschap. Want indien wij wijs waren zoude hij reeds overal navolgers hebben.

[134] 28ste Brief, blz. 13.

[135] 4de Vervolg, 81ste Brief, blz. 671.

[136] 3de Vervolg, 74ste Brief, blz. 507.

[137] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 138.

[138] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 130.

[139] 3de Vervolg, 72ste Brief, blz. 449.

[140] „Philosophical Transactions. Vol. XXVI, pag. 416.”

[141] 7de Vervolg, 120ste Brief, blz. 133.

[142] Dit doelt op hetgeen hij omtrent zoodanige purgeermiddelen op blz. 86 gezegd heeft.

[143] 38ste Brief, blz. 21.

[144] No. 43, blz. 66.

[145] 32ste Sendbrief, blz. 317.

[146] 49ste Brief, blz. 30.

[147] 51ste Brief, blz. 67, terwijl de bijgevoegde afbeeldingen der met den kapokvezel en zaden gevulde vrucht, volkomen juist zijn, zijnde een exemplaar van deze vrucht aanwezig in het pharmacognostisch kabinet van het Rotterd. Depart. der Ned. Maatsch. t. b. der Pharmacie.

[148] De plant waarvan de kapok afkomstig is, heet „Eriophorus Javana” Rumph., „Bombax pentandrum” L. „Ceiba pentandra” Gärtner, „Eriodendron anfractuosum” Dec.

[149] 2de Vervolg, 64ste Brief, blz. 245.

[150] Christiaan Huygens, Heer van Zeelhem, enz.

[151] 3de Vervolg, 71ste Brief, blz. 397, 405.

[152] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 42, 6de Vervolg, 99ste Brief.

[153] 6de Vervolg, 100ste Brief, blz. 251–255.

[154] 49ste Brief, blz. 26.

[155] 55ste Brief, blz. 28–52. 26ste Sendbrief, blz. 235–253.

[156] 3de Vervolg, blz. 395.

[157] 50ste Brief, blz. 45.

[158] 59ste Brief, blz. 130.

[159] 58ste Brief, blz. 105.

[160] 40ste Sendbrief, blz. 391.

[161] „A letter concerning green weeds growing in water and some animalcula found about them.” Philosophical Transactions, vol. 23.

[162] 7de Sendbrief, blz. 64.

[163] Vangarmen.

[164] „Verhandeling over Antoni van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde; in het Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis, uitgegeven door Prof. J. van der Hoeven en W. H. de Vriese, 1834, 1ste deel.

[165] 29ste Brief, blz. 17.

[166] 29ste Brief, blz. 19.

[167] Van Hall, t. a. p., blz. 6.

[168] 29ste Brief, blz. 26.

[169] 29ste Brief, blz. 19.

[170] 29ste Brief, blz. 26.

[171] 29ste Brief, blz. 12.

[172] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 50.

[173] 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 52.

[174] 74ste Brief, blz. 482.

[175] 28ste Sendbrief, blz. 261.

[176] 28ste Sendbrief, blz. 264.

[177] 28ste Sendbrief, blz. 266.

[178] 28ste Sendbrief, blz. 269.

[179] 2de Vervolg, 74ste brief van 12 Augustus 1692, blz. 484 en 496, 497.

[180] 29ste Brief van 12 Januari 1680.

[181] 46ste Brief van 30 Maart 1685, blz. 75.

[182] 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692.

[183] 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692, blz. 488.

[184] Van Hall t. a. p., blz. 18.

[185] 55ste Brief van 13 Juni 1687, blz. 37.

[186] 46ste Brief van 13 Juli 1685, blz. 27.

[187] „Vermischte Schriften”, I. S. 145. Van Hall t. a. p., blz. 21.

[188] „Elemente der Phytotomie”. Jena, 1815, I. S. 36.

[189] R. Brown, „Prodromus Florae Novae Hollandiae,” pag. 573. Van Hall t. a. p., blz. 25.

[190] De dichter Hendrik Schim, die aan hem op zijn 90sten verjaardag eenige dichtregelen wijdde, en hem daarin tot rust van zijn arbeid aanmaande, vervolgde echter, niet onkundig zijnde dat de wakkere grijze te naarstig was om stil te zijn, in deze woorden:

„Neen schryf, en doet ons al uw zeldzaamheden erven, Al zoudt gy met de pen in uwe vingers sterven. Als Plato ondersoek, zoo lang uw levensglas Noch loopt,” enz.—

[191] „Het Mikroskoop, t. a. p. 3de dl. blz. 464, 465”.

[192] „Philosophical Transactions Th. XXXII, pag. 446”.

[193] 30ste Sendbrief, blz. 295.

[194] Deze aanbeveling werd hen door Cornelis van Arckel, Predikant te Delft, later te Rotterdam, met wien Leeuwenhoek bevriend was, verstrekt.

[195] Gerard van Loon, „Beschrijving der Nederlandsche Historiepenningen.” Bd. III, blz. 223.

[196] 3de Vervolg, 71ste Brief, slot, blz. 436.

[197] 20ste Sendbrief, blz. 189.

[198] 20ste Sendbrief, blz. 189.

[199] Van Loon voegt er deze vertaling bij:

„Zijn arbeid valt op kleine zaken, maar is van geen kleine glorie”. Bd. III, pag. 223.

[200] Er is eene tegenstrijdigheid in de genoemde aanteekening bij Birch, dat de benoeming van Leeuwenhoek tot Lid der Royal Society in 1680 zou zijn geschied, terwijl Leeuwenhoek zelf in den 46sten Sendbrief opgeeft dat hij in 1679 werd benoemd. Dit jaartal 1679 is op zijn grafzerk in de Oude kerk te Delft uitgehouwen en wordt ook genoemd in mijn vroeger vermeld familieregister. Deze tegenstrijdigheid kan, dunkt mij, worden opgelost, door de vermelding, dat men in dien tijd gewoon was, het jaartal, van den aanvang des jaars, tot ongeveer in het midden van Maart, zoodanig te schrijven, dat het vorig jaartal er bij vermeld werd, zoodat men dan schreef 16​79⁄80 enz. Ook de dateering geschiedde volgens oude en nieuwe stijl, welke circa 10 dagen met elkander schijnt te hebben verschild.

[201] Birch, t. a. p., pag. 11.

[202] Birch, t. a. p., pag. 13.

[203] Halbertsma’s Dissertatie, t. a. p., blz. 18.

[204] De stichting der Royal Society dagteekent van de onrustigste dagen waarin Engeland verkeerd heeft, namelijk van het jaar 1645, hetzelfde jaar van den slag van Naseby, die de macht van Karel I vernietigde. Eenige geleerde mannen, afgemat door de eindelooze politieke twisten en vervolgingen, kwamen overeen, om op zekeren dag in iedere week zich te vereenigen, ten einde zich over wetenschappelijke onderwerpen te onderhouden en op deze wijze, de twisten te vergeten, die hun vaderland te gronde dreigden te richten.

De eerste bijeenkomsten hadden plaats te Londen. Toen de onlusten iedereen, die maar eenigszins de partij des konings scheen toegedaan te zijn, noodzaakten Londen te verlaten, verplaatsten zij hun zetel naar Oxford.

Gedurende het protectoraat van Cromwell bleven de leden verspreid en liet het collegie niets van zich hooren, tot op de verheffing van Karel II, toen zij in 1659 weder naar Londen terugkeerden en hunne vergaderingen, even als vroeger, in het Gresham-College hervatteden.

Men ondervond opnieuw tegenspoed, doordien het gewoon lokaal waarin zij vergaderden, tot eene kazerne werd ingericht. In 1660 werd hun collegie door patent-brieven voor goed geconstitueerd, ondervond de Sociëteit spoedig eene groote uitbreiding en werd van zeer groot gewicht in de wetenschappelijke wereld. Dien voorspoed was het voor een groot deel verschuldigd aan den ijver van zijn Secretaris Heinrich Oldenburg, een Duitscher.

De „Philosophical Transactions” werden het eerst in 1665 uitgegeven en werden, bijna zonder eenige afbreking tot op onzen tijd toe geregeld voortgezet.

Het belang dat dit Collegie stelde in de onderzoekingen van Leeuwenhoek heeft zeker veel bijgedragen tot prikkel en aansporing voor hem om zijne waarnemingen en ontdekkingen met onverflauwden ijver voorttezetten.

(George Cuvier. „Histoire des sciences naturelles” 1841. Émile Blanchard „Les observations au microscope” in de Revue des deux mondes 1868 p. 389.)

[205] Johannes Hoogvliet was Heelmeester te Delft.

[206] 6de Vervolg, 99ste Brief, blz. 231.

[207] 5de Vervolg, 89ste Brief, blz. 62.

[208] Dit grafschrift werd door den dichter Poot gemaakt.

[209] Van dit familiewapen maakte ik reeds melding op blz. 19, Noot.

[210] T. a. p., blz. 26.

[211] Derde deel, 85ste Brief, blz. 13.

[212] Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p.

[213] „Biographisch Woordenboek der Nederlanden. (Letter L.)”

[214] Dit werd mij eerst onlangs door Dr. du Rieu medegedeeld terwijl dit laatste blad ter perse was.