Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875
Part 12
Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan, dat deze geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het Hollandsch althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje en bevat eene wederlegging van de bewering, dat deze stof geen diertjes zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de verklaring van een ooggetuige, namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft de wijze hoe deze op de bladeren en takjes van zeker gewas „prikle-pear” of Indische vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien, voortplanten, en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen gedood en verzameld worden op onder de planten uitgespreide kleeden enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek ontleend te hebben uit de „Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en Juni 1691, waarvan hij zich eene vertaling had doen maken.
4º. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn afbeeldsel gemaakt, namelijk H. K. Poot, terwijl het tweede gedicht te vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van 10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,” en voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de tweede handelt: „over de maagdepalm,” waarvan men beweerde, dat de bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke bewering hij door zijne onderzoekingen logenstrafte.
Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin het vrij goed bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals blijkt uit de goede gelijkenis met het gegraveerde portret, uitgegeven bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden 1686.
Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld, dat door hem in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is gevonden van een brief van Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik Adriaan van Rhede en handelende over verfstoffen en turfgraving.
Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du Rieu, nauwkeurige afschriften toegezonden.
De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb geraadpleegd, zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de volgende:
D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen, 1729.
H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1755.
H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1778.
G. Stoll, Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit. 1731.
Z. C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland, und Engelland, 1754.
A. v. Haller, Bibliotheca anatomica, Tom. I. 1774.
G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723.
Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7. 1844.
G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859.
Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz. 1823.
Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven door Prof. I. van der Hoeven, en W. H. de Vriese 1834. 1e deel, bevattende: Eene verhandeling van H. C. van Hall over Antony van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde.
N. G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen 2e deel.
H. Halbertsma I. fil., Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam partes anatomiae microscopiae 1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de vasis et circulatione; de ossibus; de dentibus.
F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: De musculis; de lente crystallina.
N. H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud: De nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente.
A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde van den mensch, gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851.
G. Cuvier, Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841.
P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand. 3e deel 1850.
Émile Blanchard, Les premières observations au microscope, in „Revue des deux mondes 15 Juill. 1868.”
Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729.
Birch, the History of the Royal Society of London 1757.
Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV.
Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde, deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling voorkomt van Prof. H. Halbertsma over Johan Ham van Arnhem.
AANTEEKENINGEN.
[1] „Revue des deux mondes” 15 juillet, 1868 pag. 379.
[2] N. G. van Kampen, „Beknopte geschiedenis der Letteren en Wetenschappen in de Nederlanden”, 2de deel, blz. 58.
[3] 20ste Sendbrief van 13 Maart 1716, blz. 189.
[4] De naam van Leeuwenhoek wordt verschillend geschreven. Uit een achttal eigenhandig door hem geschreven brieven aan Constantijn en Christiaan Huygens, en aan N. Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” te Londen, van de jaren 1674, 1676, 1677 en 1679, berustende in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, waarvan ik door de zorg van Dr. du Rieu, „conservator der manuscripten” bij genoemde Bibliotheek, nauwkeurige afschriften bekomen heb, alsmede uit een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, van het jaar 1679, in het bezit van wijlen den Wel-Ed. Geb. Heer Van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van welke ik zelf een afschrift mocht nemen, teekent hij zich Antoni (lange i) Leeuwenhoe(c)k, terwijl een andere brief van hem, in het jaar 1701 aan „Burgemeesteren en Regeerders der stad Delft” geschreven, betrekking hebbende op zeker verschil in de steenkolenmaten te Delft en te Rotterdam, welke brief berust in het Archief van Delft, en waarvan mij door den Heer Mr. Soutendam, Secretaris en oud-Archivaris van Delft, welwillend afschrift verleend werd, de onderteekening draagt van Antoni, (lange i) van Leeuwenhoek (zonder c), terwijl in zijne gedrukte brieven de c vóór de k aan het einde van zijn naam nu eens gebezigd, dan weggelaten is. Ook moet nog opgemerkt worden, dat hij steeds een lange i bezigde bij het „schrijven” van zijn voornaam Antoni, waardoor deze dan ook in zijn gedrukte brieven met een y wordt gespeld. Overigens was het schrijven van de c vóór de k, in vroegeren tijd, algemeen en komt in „ick, melck, dick, volmaeckt enz.” steeds voor in zijne brieven, terwijl men in het schrijven van den naam in oude tijden geenszins de juistheid en gelijkheid van spelling, of het gebruiken of weglaten van het voorzetsel „van” in acht nam, zoo als in onzen tijd, waar dit verzuim in rechten de belangrijkste gevolgen kan hebben. Voegt men nu hierbij dat Leeuwenhoek’s dochter, die na zijn dood een gedenknaald ter zijner eere in de Oude Kerk te Delft liet oprichten, daarop en op de zerk, die zijn graf dekte, zijn naam aldus liet stellen: „Antony van Leeuwenhoek,” dan acht ik mij hierdoor genoegzaam verantwoord zijn naam ook aldus te schrijven.
[5] Margaretha Bel van den Bergh was de dochter van Jacob Sebastiaanzn. Bel van den Bergh, van een oud en aanzienlijk Delftsch geslacht. Deze laatste was in 1608 lid der 40en van de Stedelijke Regeering, en in 1610 en 1612 Schepen van Delft, terwijl reeds in 1579 bij Boitet gewag gemaakt wordt van zijn vader Bastiaan Corneliszn., als lid der 40en, Kerkmeester, en andere waardigheden bekleedende.
[6] In een oud familie-register in mijn bezit vindt men aangeteekend, dat zijn oudste zuster Margaretha, uit haar huwelijk met Jan du Molyn, vijf kinderen geboren werden, namelijk Philippus, Maria, Margaretha, Geertruida en Antony, waarvan Maria huwde met Cornelis Haaxman, terwijl Philippus en Geertruida ongehuwd overleden, Margaretha met Arnoldus van den Heuvel en Antony met .... Poelgeest huwde, welke laatste zich aan de geneeskunde wijdde. Van dezen Antony Molyn (of du Molyn), die zich tot voortzetting zijner studiën naar Parijs begaf, maakt Leeuwenhoek gewag in zijn brief aan Christiaan Huygens, d.d. 15 Mei 1679, aanwezig in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool en waarvan eene kopie in mijn bezit is.
[7] Boitet, „Beschrijving der stad Delft, 1729, in fol., blz. 765.” Isaac van Haastert, „Antony van Leeuwenhoek vereerend herdacht, 1823, pag. 10” D. Hoogstraten, „Algemeen Woordenboek voor Kunsten en Wetenschappen 1729, blz. 138.”
[8] 22ste Sendbrief, blz. 206.
[9] Dat de brouwers veelal onder de aanzienlijke en rijke burgers gerekend werden, kan blijken uit hetgeen bij Boitet, bl. 646, gemeld wordt.
„Yder weet ook, dat de brouwers in dese stad altijt boven andere koopluiden verheven wierden; mannen die doorgaans op het kussen der stad zaten.” En dat dit bedrijf goede winsten afwierp blijkt uit het volgend slot van een gedicht van Jacob van der Does:
„Wat dunkt u leser? heeft dat volck niet wel gebrout? Dat ’t hare kassen sien voor mout gepropt met gout?”
[10] 35ste Brief, blz. 24.
[11] 28ste Brief, blz. 14. De in dezen brief uitvoerig uitgewerkte berekening is ook van zijn eigen hand aanwezig in de verzameling manuscripten van Leeuwenhoek in de Leidsche Bibliotheek (Cat. VIII. Huygens no. 30).
[12] 4de Sendbrief, blz. 43. Brief aan den Heer Jan Meermans, Burgemeester van Delft.
[13] Zie ook den 67sten Brief (2de vervolg) van 1 April 1689, blz. 335, waarin hij berekent, hoe snel het bloed in het lichaam moet loopen, eer het tot de uiterste deelen van de voeten en van daar weder naar het hart komt, en door welke kracht; waarbij hij onder anderen zegt: „Dese myne demonstratiën syn seer licht te verstaan, voor diegeene, die de begintselen van de waterwicht van Mr. Simon van Stevin, sal doorlesen hebben.”
Dit blijkt ook nog uit zijn 111de Brief (zevende vervolg) van 9 Mei, 1698, blz. 46, waar hij, onder anderen, sprekende over het oog van den scharrebijter, in eene noot zegt: „Ik spreek hier tegen degeenen, die een weynig in de Gesigt-kunde geoefent syn” en verder: „Wij weten dus, wanneer wij eenig ligchaam voor een vergrootglas stellen, het nog verder, nog digter bij het vergrootglas moet staan, als het brantpunt van het vergrootglas is, en wat verder of te nader bij is, vertoonen de lighamen niet scharp, maar verwart,” enz.
[14] Boitet, t. a. p., blz. 795 verhaalt, „dat hij, niet meer dan 16 jaren oud zijnde, als boekhouder en kassier aldaar ageerde; en alhoewel hij door de bezigheid van deze tweevoudige bediening werk genoeg had om dezelve in orde waar te nemen, wist zijne buitengewone naarstigheid gedurig noch zooveel tijd tot de lakenwerkerij uit te koopen, dat hij binnen den tijd van zes weken als meester zijn proef deed, om zich in der tijd tot deze koophandel, waartoe hij zich echter nooit heeft afgezondert, te zetten.”
[15] Nieuwenhuis’s „woordenboek van kunsten en wetenschappen enz. 1859 deel V Letter L”.
[16] T. a. p., blz. 365.
[17] Vergelijk daaromtrent (5de vervolg) de 85ste Brief, blz. 13; de 10de Sendbrief, blz. 96 en Philos. Transact. Vol. XXXV, pag. 433.
[18] Dat Leeuwenhoek inderdaad microscopen voor zijn eigen gebruik er op nahield die sterker vergrootten, dan die hij aan anderen liet zien, blijkt uit hetgeen hij zelf betuigt, in een brief aan Henry Oldenburg, Secretaris der „Royal Society” (no. 96, blz. 170). „Te meer doen ik zeyde, dat nog in datzelfde water, twee à drie soorten van veel kleynder dierkens waren, die voor syn oogen verborgen waren, en die ik door andere glasen en methoden, die ik alleen voor myn zelve houde, kome te sien;” terwijl ook de Hoogleeraar Harting mededeelt, dat op het physisch kabinet te Utrecht een microscoop aanwezig is van Leeuwenhoek, waarvan hij betuigt, dat de lens zeer goed is en bewijst, dat hij het in de kunst van zeer kleine lenzen te slijpen, inderdaad reeds op eene groote hoogte gebracht had. Deze lens, namelijk, was biconvex en vergrootte 270 maal, en alzoo „merkelijk meerder dan de sterkste lens van de microscopen, door Leeuwenhoek aan de „Royal Society” vermaakt, en waarvan de grootste vergrooting door Baker wordt opgegeven als te zijn 160 maal. (P. Harting, „Het microscoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand,” enz., 3de deel, 1850, blz. 44.
[19] Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, Vol. IV, pag. 365.
[20] Het huis, waarin Leeuwenhoek gewoond heeft, is nog aanwezig en te vinden op den hoek der „Botersteeg en het Oude Delft,” wijk 4, no. 455, doch het is aan de vóórzijde kennelijk gemoderniseerd, terwijl het aan den kant der Botersteeg en van achteren nog het aanzien van oudheid behouden heeft. Aan de zijde der Botersteeg (Oud-Delft) vindt men nog als eene bijzonderheid aan het ijzeren hek, dat het vóórgedeelte afsluit, een astrolabium aangebracht.
[21] Familie-register.
[22] Ibidem en Boitet, t. a. p., blz. 765.
[23] De familie Swalmius behoorde tot een aanzienlijk en deftig geslacht. Bij Boitet, t. a. p., blz. 440, komt in de naamlijst van Predikanten, die sedert de reformatie in Delft gestaan hebben, in het jaar 1617 Henricus Swalmius voor, terwijl in de 40ste Sendbrief, blz. 390, een brief voorkomt aan zijn neef Mr. Adriaan Swalmius, Advocaat voor den Hove van Holland.
[24] Er bestaat van Leeuwenhoek een fraai „in olieverw geschilderd” portret, in het bezit van Dr. van Kaathoven, te Leiden. Deze schilderij stelt hem voor in de deftige kleedij van den aanzienlijken stand van dien tijd. Dr. van Kaathoven heeft mij de zeer gewaardeerde toestemming verleend, van deze schilderij eene afbeelding te laten maken, waardoor de waarde dezer uitgave belangrijk verhoogt wordt. Van deze schilderij zijn mij de volgende bijzonderheden door den geachten bezitter medegedeeld: Aan de rechter zijde (links van den toeschouwer) ziet men vóór hem op eene tafel het ontrolde diploma met het aanhangend zegel in rood zegellak (in doos) van het lidmaatschap der Koninklijke Sociëteit te Londen, en vóór zich heeft hij een blad papier waarop onduidelijke figuren zijn getrokken, terwijl hij in de rechter hand een passer houdt. Vóór den donkeren achtergrond is een hemelglobe aangebracht en men bespeurt op dien achtergrond een landschap, waarin men zonder andere voorwerpen, alléén de kronkelingen eener rivier ziet, waarmede waarschijnlijk die der Theems zijn voorgesteld. De naam van den schilder wordt echter niet op de schilderij aangetroffen. Dit geschilderd portret nu komt in gelaatstrekken, houding en kleeding, geheel en al overeen met een ander portret van Leeuwenhoek in zwarte kunst in fol. (eveneens in het bezit van Dr. van Kaathoven), doch hetgeen in het „geschilderd” portret links van den aanschouwer is, ziet men in de prent ter rechter zijde; de donkere achtergrond achter de hemelglobe, stelt op de prent duidelijker een gordijn voor. In de plaats van een passer in de hand staat er op de prent een microscoop van de eerste uitvinding van Leeuwenhoek op de tafel, in plaats van het diploma enz., een eikenblad met galnoten en het vergrootglas, terwijl hij ook, evenals op de schilderij, vóór zich een blad papier heeft, waarop dezelfde, maar nog onduidelijker figuren dan op de schilderij zijn getrokken. Verder ziet men op de prent op den donkeren achtergrond niet het landschap met de kronkelingen der rivier. Onder dit portret in „zwarte kunst” leest men: J. Verkolje pinx., fec. et exc. 1685.
Nu is de vraag of dit „geschilderd” portret het „echte” door Verkolje geschilderde is, dat later, hetzij door hem zelven, hetzij door een andere hand in sommige attributen enz. is veranderd? of dat er een ander „geschilderd” portret van Leeuwenhoek bestaat waaronder, even als onder dat van zw. kunst den naam van Verkolje gelezen wordt?
(Johannes Verkolje, geb. te Amsterdam 1650, was sedert 1672 te Delft woonachtig en wordt onder de vermaarde schilders gerekend. Hij overleed te Delft in 1693.) (Zie over zijn leven en schilderijen onder anderen Houbraken, III, blz. 282), doch noch bij dezen schrijver, noch in andere levensbeschrijvingen van Nederlandsche schilders, vond Dr. van Kaathoven onder de werken van J. Verkolje van een ander dan van de prent in zwarte kunst gewag gemaakt.
Behalve deze beide beschreven portretten van Leeuwenhoek zijn er nog een zestal andere drukken in het bezit van denzelfden verzamelaar, die onderling eenigermate verschillen, als:
„Antonius a Leeuwenhoek, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.” 4º. „Idem, J. Verkolje pinx., A. de Blois fec.”, 4º. „Antoni van Leeuwenhoek, geboren te Delft, Ao. 1632.” „J. Verkolje pinx., Zw. k.” fol. „Antonius a Leeuwenhoek, J. C. Phillips inv. et fec.,” 1747, 8º. „Idem (Antoni). Idem fecit.” 1740, fol. „Antonius Leeuwenhoekius,” J. Gourée sculpt. med.
Eindelijk bezit Dr. van Kaathoven nog een op Delftsch aardewerk vervaardigd portret van Leeuwenhoek, dat van boven met een oor voorzien is, bestemd om opgehangen te worden, waarop weder andere attributen dan op de schilderij zijn aangebracht; uit dit portret is Leeuwenhoek bijna niet te herkennen.
Ik zelf bezit drie borden van fijn echt Delftsch aardewerk of porcelein, op één waarvan het portret van Leeuwenhoek, dat volkomen in gelaatstrekken en kleeding met het boven beschrevene overeenkomt; links van den aanschouwer ziet men den toren der Oude Kerk te Delft, rechts eene draperie en onderaan „Antoni van Leeuwenhoek, Lit van de Koninglijke Societeyt in Londen, geboren tot Delft 1632”, op een goud veld in zwarte letters gebakken, het geheel met een zware, met kleuren en goud versierden rand omgeven.
Het tweede bord stelt voor de „grafnaald,” zooals die zich in de oude Kerk te Delft bevindt, met de buste van Leeuwenhoek en daaronder „P. M: Antoni a Leeuwen. Reg. Anglo. Societ.” omgeven door een zware gouden rand met gekleurde slingers. Op dezen rand leest men in zwarte letters: „Grafnaald van den heer Antoni van Leeuwenhoek in de Oude Kerk te Delft, geboren den 21sten October 1632, overleden den 26sten Augustus 1723.”
Op het derde bord is het „familie-wapen” van Leeuwenhoek gebakken, voorstellende een leeuw op een goud veld in schoone kleuren, en boven dien ben ik nog in het bezit van een theeschoteltje, van zeer fijn dun Delftsch porcelein, eveneens met het „familie-wapen” in goud en kleuren, maar in plaats van de kroon, een helm met vederen gedekt door een kroon. Onderaan leest men op een gouden band in zwarte letter „Maria Leeuwenhoek”. De borden zijn op de tentoonstelling van Nederlandsche oudheden, in het jaar 1863 te Delft gehouden, geweest, terwijl zij eveneens, bij gelegenheid der feestelijke herdenking van de ontdekking der microscopische wezens door van Leeuwenhoek, op den 8sten September 1875 te Delft tevieren, op eene tentoonstelling van het geen van Leeuwenhoek’s microscopen en andere bijzonderheden op hem betrekkelijk is kunnen bijeengebracht worden, zullen voorkomen.
[25] 34ste Brief bl. 11.
[26] Zacharias Conrad von Uffenbach, „Merkwürdige Reisen durch Nieder-Sachsen, Holland und Engeland.” Ulm. 1754. 3 Th. S. 349.
[27] 23ste Sendbrief, blz. 31.
[28] 2de vervolg, 66ste brief, blz. 323.
[29] Zevende vervolg, 116de Brief, blz. 97.
[30] 5de Vervolg, 93ste Brief, blz. 127.
[31] „Merkwürdige Reisen”. etc. t. a. p.
[32] Reinier de Graaf te Schoonhoven geboren in het jaar 1641 vestigde zich na voleindigde studiën in zijn geboorteplaats en werd van daar naar Delft beroepen, alwaar hij zich als geneesheer vestigde. Hij schreef behalve zijn werk over het „Succus pancreaticus,” over de voortplanting van den mensch en over de vrouwelijke geslachtsdeelen, waarover zijn grooten strijd met Swammerdam ontstond, waarvan gezegd werd dat hij zoo gevoelig was, wegens de scherpe en onheusche critiek van Swammerdam, dat hij tengevolge daarvan van verdriet stierf. Ook Leeuwenhoek maakt gewag van dezen vinnigen twist en de gevolgen er van. In een brief aan George Garden te Aberdeen van 19 Maart 1694 (2de vervolg 81ste Brief bl. 670) zegt hij: „Wat nu Swammerdam en Reinier de Graaf hare stellingen belangt: Ick hebbe die Heeren speciaal gekend en zij hebben verscheyde malen in myn huys geweest, en met vermaak beschout mijne ontdekkingen en twijfel ook niet, zoo die Heeren nu nog leefden, of zy souden schaamroot werden over hare ingebeelde verdigsels, daar zy tegen malkanderen als yder willende de eer hebben van de nieuwe ontdekking van voorttelinge, door het eyer-nest, door de hevige ontmoetinge, die zy met malkanderen met woorden voerden, de laatste niet alleen siek wierde, maar ook de dood daarop volgde, zoo mij doen ter tijd berigt wierd.”
[33] Van dit werk is in 1866 eene Hoogduitsche uitgave in het licht verschenen onder den titel: „P. Harting, Das Mikroskop. Theorie, Gebrauch, Geschichte und gegenwärtiger Zustand der selben. Deutsche Originalausgabe, von Verfasser revidirt und Vervollständigt. Herausgegeben van Dr. Fr. Wilh. Theile. In drei Bänden.”
[34] De hoogleeraar Harting zegt onder anderen in zijn bovenvermeld „het Mikroskoop” p. 26, dat de getuigenis van het recht van Hans en Zacharias Janssen op de uitvinding van het microscoop te vinden is in het boekje van Petrus Borellus: „De vero telescopii inventore, cum brevi omnium conspiculiorum historia.... accessit etiam centuria observationum microscopicarum. Hagae comitum 1633,” waarin een brief voorkomt aan den schrijver gericht door Willem Boreel, Middelburger van geboorte en toenmaals gezant bij het Hof van Frankrijk. Uit dezen brief blijkt, dat Boreel den in de buurt van het huis zijns vaders wonenden brillenslijper Hans en diens zoon Zacharias zeer goed gekend heeft, en dikwijls in hun winkel is geweest, en dat door hen, „lang vóór” 1610 microscopen zijn gemaakt, waarvan zij er een aan Prins Maurits gegeven hebben, en naderhand een ander aan den Aartshertog Albert van Oostenrijk, die dit werktuig aan Drebbel schonk, bij wien Boreel het zelf gezien heeft. Vandaar waarom sommigen Drebbel voor den uitvinder hielden, ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat deze eenmaal in het bezit van het microscoop van Hans en Zacharias Janssen zijnde, dit zal hebben nagemaakt.
[35] „Het mikroskoop,” enz., Deel III blz. 21.
[36] 18de Sendbrief, blz. 169.
[37] „Het mikroskoop,” enz., Deel III, blz. 34.
[38] „Het mikroskoop,” t. a. p., blz. 37.
[39] Robert Hooke, een beroemd Engelsch Philosooph en Geneeskundige, was geboren op het eiland Wight, in het jaar 1635 en overleed in 1702. Hij studeerde te Oxford in de medicijnen, werd in 1664 Hoogleeraar in de Wiskunde aan het „Gresham-College” te Londen. Hij muntte ook uit als werktuigkundige en was ten tijde van Leeuwenhoek een der Secretarissen der „Royal Society.”
[40] Birch, t. a. p., pag. 393.