Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875
Part 11
Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de Hollandsche en de Latijnsche; beiden in vijf 4º deelen, waarvan het vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat.
De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van 1685–1718. Daarin zijn de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen” enz., deels onder dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien van „Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn.
Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot no. 52, bevattende de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste Vervolg van no. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat zelfde jaar gevonden worden.
Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van no. 61 tot no. 83, loopende van 1688 tot 1694.
Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van no. 84 tot no. 107, loopende van 1694 tot 1696.
Deel IV bevat het Zevende Vervolg van no. 108 tot no. 146, loopende van 1697 tot 1702.
Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende van 1712 tot 1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in deze verzameling in het geheel 165 brieven opgenomen.
De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt niet met zekerheid bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in het eerste deel voorkomen, zegt aan het begin van het „Register” op den 28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by den Auteur geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met den druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die gedrukt is.”
Van Haastert [210] oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26 brieven uit kieschheid niet geschikt voor de publiciteit zou gekeurd hebben, doelende op een postscriptum onder een brief van Leeuwenhoek, handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt:
„Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de bevrugting enz., doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.” En in een anderen brief aan Petrus Rabus [211], „Myne stellingen omtrent de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze vrouwen enz., hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan een zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my hadde aangeboden om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal wereltkundig te maken. Doch die Heer is, nevens my, van gevoelen, dat wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.... en ten anderen, uit vreze dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis tot haar verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.”
Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik in de brieven, die ik van Leeuwenhoek in de „Philosophical Transactions” aan de „Royal Society” van vóór 1679 geschreven, gevonden heb, die een zestiental bedragen, er slechts eene gevonden heb die over de spermatozoïden handelt.
Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij zijn eerste brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin de 28ste of eerste brief der Verzameling is geschreven, in deze verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen een tijdvak, waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de bewondering en verbazing van de leden der „Royal Society” opwekten, dat daardoor niet alleen de aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de hooge onderscheiding werd waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als wellicht zelden aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het IXde, Xde en XIde deel der „Philosophical Transactions” opgenomene brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van „bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de gezichtszenuw, de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-, wel-, zee-, en sneeuwwater, alsmede in water, waarin men peper had laten trekken; de structuur der tanden, beenderen, ivoor.”
Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven zal gehouden hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit enkele perioden in sommige zijner brieven gebleken is, en hij daarom buiten de gelegenheid was, toen men bij hem op de uitgave zijner brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste betreft, gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit eigen beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit een brief van zijn eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1 Januari 1684, bij wijze van opdracht voor het eerste deel geplaatst, waarin hij dus aanvangt: „Als alle de werelt seer verwondert sprak, van de uitvindinge tot beschouwinge der onsienelyke verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in andere landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede een oog-getuige daar in te zijn; soo heeft my den geleerden Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande, Raad en Scheepen der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet min loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE. beleefde goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de vreemde boeken die daar af door de wereld sweeven, in den zin, afteekening en waardigheid niet weinig verschilden, en ook dat onse eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die wetenschappen, die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen taal en sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had bekoomen yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so wierden my ter hand besteld (door een Heer, die ik en de wereld daar voor moet danken) deese UE. nevensgaande brieven, by UE. „meede Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits in Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te schouwen) dagten my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in haar eigen taal (door hulp van den voornoemden Heer, en myn druk-pers, mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders, Abraham de Blois te Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar op alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare wetenschappen verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge wederom voor UE. neder; in hoope, dat dit myn stout bestaan by UE. over ’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal werden; dat ook UE. deese uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en dan wederom een Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen en luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland komen te aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene vrugten en maaksels uwes verstands erkennen en aannemen; ende daardoor nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen UE. verdere ondervindingen, maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben) omtrent thien jaren herwaards aan het Hoogloffelijk Collegie in Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene wijsgeerders meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder en altoos sal zeegenen”.
Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die Leeuwenhoek aan de „Royal Society” geschreven had.
Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de Hollandsche en Latijnsche verzameling wil ik wijzen.
De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (Deel IV) eindigt met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der 46 „Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8 November 1712. Er is dus weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek in onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het deze brieven, waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der verkooping der microscopen in de volgende noot: „N.B. In den boedel van wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek zijn gevonden eenige nagelaten manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni van Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene nette en goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne voorgaande uitgegeven brieven gedrukt te kunnen worden; alle de Platen daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo als de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen zijnde dit werk te laten drukken, kan zich addresseren aan de Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van die brieven geworden is ben ik niet te weten kunnen komen.
Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde, niet onwaarschijnlijk voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan von Uffenbach, tijdens zijn bezoek aan Leeuwenhoek mededeelde. „Sie erzählte uns,” zegt hij, „dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues durch seine Microscopia entdekt hätte, er wolte aber in seinen leben nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil ihne einiger Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch aufgehalten, und ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.” [212] Dit bezoek nu had juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702 ondernomen en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven in de „Philosophical Transactions” van de jaren 1702–1712, deel XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden er in vermeld: „Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten; den kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de circulatie van het bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten; spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de voortteeling der mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van diamanten.”
Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov. 1717, waar hij, om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal Society, in het XXXIste en XXXIIste deel der „Transactions” een achttal brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de spiervezels der visschen; de vaten in sommige soorten van hout, en over spiervezels in verschillende dieren; de membranen die de vaatbundels omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten van de bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij eindelijk nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het Latijn over te zetten en aan de Royal Society toe te zenden, welke brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb.
De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4º. onder de volgende titels:
Deel I onder dien van: „Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae invisibilium secretorum, comprehensorum Epistolis quibusdam scriptis” etc. Lugd. Bat. 1685.
Deel II: „Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros illustros datur.” Lugd. Bat. 1689.
Deel III: „Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum inanimatarum, ope et beneficio exquisitissimorum microscopiorum detectis.” Lugd. Bat. 1689.
Deel IV: „Arcana naturae ope microscopiorum detecta.” Delphi 1695–1697.
Deel V: „Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis, hactenus nunquam editae,” Delphi 1709.
Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „Opera omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta;” doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen 1715–1722.
A. J. van der Aa [213] vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche en Latijnsche uitgaven in vijf deelen, waarin de brieven van Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer brieven bij een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn uitgegeven en, zoo als ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52 eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken de 27 eerste niet gedrukte, terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche uitgave de geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der Aa zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal van Europa,” welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van „Boekzaal der geleerde wereld” is bekend gebleven.
In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men er echter slechts één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend van Leeuwenhoek moet geweest zijn.
Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze is de volgende:
1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een overzeldzame ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter oor loosde”, en brief van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal over de vorenstaande historie.
2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der Natuurgeheimen den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld wordt van de vis, Roch genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei 1695, (In de P. R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322).
3. „Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’ oogen van een Rombout (Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve. Uit hoevele schubachtige opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog. Reden waarom het vliegend dier met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-, kreeften- en garnaals-oogen. Eijernesten der vorensgezeide Rombouten, Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit die eijeren niet meer voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge” in P. Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511.
4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal (P. Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de historie van de vrouw van Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal van Europa,” Julij en Aug, 1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258.
5. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld word van den zoogenaamden Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker glimpend vocht op lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt uit de bladeren uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare bladen, bijzonderlijk den Wijngaert. Bevestiging van het voorgestelde. Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij en Aug. 1696, blz. 144.
6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, den vijfden van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te Londen geschreven, wegens den zeilsteen en het ijzer”, in Rabus, Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459.
7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den Heer Ant. van Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159.
8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in Boekzaal van Europa, 1633, blz. 554.
9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek afgevaardigt, over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere bergstoffen, met een tweesprankelig takje van een boom te ontdekken”; in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz. 495 en Antwoord van Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522.
Van deze brieven zijn No. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner brieven te vinden, terwijl over den inhoud van No. 3 gehandeld wordt in het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van No. 5 in het IIIde deel, 6de vervolg; 104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de vervolg 109de brief; van No. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste brief, blz. 3; van No. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief, blz. 561.
Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in de „Giornale Litterati te Modena” zijn opgenomen.
Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos. Transact.” No. 3, pag. 51; No. 94, pag. 6037; No. 97, pag. 6116; No. 102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet en uitgegeven, 2 deelen in één band.
Verder: „De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae, Theoriae, et Materiei Med. Profess. P. O. in Academia Julia Serenissimi Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis Aulae et Archiatri ac Regiae Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.”
Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „Cours de Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui ont déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek, par feu Mr. Hartsoeker, A la Haye, 1730 4º.” ’t welk aanwezig is op de Academische Bibliotheek te Leiden.
Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden bij L. Theod. Gronovius, Bibliotheca Regni animali atque lapidi. L. B. 1760, pag. 159.
Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „Bibliotheca entomologica,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van entomologischen inhoud.
Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van Leeuwenhoek opgenomen in zijn „Bibliographia zoologiae et geologiae,” London 1852.
J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun „Bibliotheca Zoölogica,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal zijner brieven, die zij onder de desbetreffende rubrieken hebben vermeld.
Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van Leeuwenhoek, die ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, Cat. XVIII, Huygens, No. 26 en 30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L. C. Luzac, doch na diens overlijden verkocht zijn [214], als: I. vijf aan Constantijn Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een aan N. Oldenburg, Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij bevindt, waarbij gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en uitgewerkte berekening, ten betooge, dat er meer dan tienmaal zoo veel levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen als er menschen op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een „postscriptum” onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew, Secretaris der Royal Society te Londen (28ste brief, blz. 14).
Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een lange i zonder „van” en met „ck.”
De inhoud dezer manuscripten is de volgende:
I. 1º. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de nagels; de vorming van melk in de vrouwen-borsten uit bloed.
2º. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan de witte kleur aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven; de bolletjes in de kuit van cabeljauw.
3º. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in regen- en andere wateren, waarin hij zes verschillende diertjes beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek bedankt in deze brief aan het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens, om zijne observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal wereldkundig te maken.
4º. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens waargenomen en afgebeelde diertjes in verschillende wateren; over het zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer schoone schubjes.
5º. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in de kleine diertjes in het water enz.; calculatie omtrent de grootte dezer diertjes.
II. 1º. d.d. 15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het Fransch zijner observatiën.
2º d.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of du Molyn. (Zie mijn familieregister). Over de beweging der kleine diertjes met een lange staart. Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van Robert Hooke, „Lectures and collections” te lezen.
III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der „Philosophical Transactions” en voor de aanmoediging van Boyle, om voort te gaan in het onderzoeken van de „bloeijende couleur”, die het bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld; observatie over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over de wijze hoe hij bloed en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en beschrijving en afbeelding dezer fijne haarbuisjes; over de drukking die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond er eenige der boven beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over de structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het ruggemerg eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin; speeksel; de menschelijke opperhuid.
IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek. Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten, ten einde de ronddraaiende beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66 en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263).
Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van 11 Mei 1679: Over de figuur van een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in de zaden, het hout en andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het gevormd wordt; over de witte vloed.
Later is mij nog door Dr. du Rieu bericht, dat door hem in een bundel nog niet op den catalogus gebrachte brieven, gevonden zijn vier brieven van Leeuwenhoek:
1º. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan het oorspronkelijke berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal van Buitenlandsche Zaken te ’s Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes”; de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8 á 10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal 24 uren, tot meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan begrijpen hoe deze zonder voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij over op de vermenigvuldiging van de diertjes in het regenwater, waarbij het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen. Hij verdiept zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt, waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en dieren gevonden wordt.
2º. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld als No. VIII der „Philos. Transact.”
3º. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69 vermeld, en in het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos. Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614.