Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875

Part 10

Chapter 103,688 wordsPublic domain

„Zijn (Czaar Peter I) vertrek uit ’s Gravenhage geschiedde met een binnenjagt over Delft, alwaar hij de deftige wapenhuizen der Staten van Holland met zeer veel oplettendheid bezigtigde en het jacht voor het kruithuis der Algemeene Staten, nabij Delft, deed stil houden, en door twee Heeren zijns gevolgs den vermaarden Antoni van Leeuwenhoek deed verzoeken van zich in een der volgende vrachtschepen met zijn weergalooze vergrootglazen bij hem te vervoegen, dewijl hij zelf bij het doorvaren aan zijn huis wel zou gekomen zijn, bijaldien hij dit om den toevloed der menigte te ontvlieden met verdagt niet had achtergelaten. Hij vervoegde zich derwaarts en had de eer van onder andere zeldzame ontdekkingen den wonderlijken omloop des bloeds in een aale-staart, door middel zijner zonderlinge vergrootglazen tot zoo groot genoegen des Vorsts te doen beschouwen, dat zoo in deze als in andere bespiegelingen bij de twee uren werd gesleten en de Czaar vóór zijn vertrek den gemelden Leeuwenhoek, wegens te laten zien van zoo overkleyne voorwerpen bij handtasting ook van zijne zonderlinge dankbaarheid verzekerde.”

Het is inderdaad niet te verwonderen, dat bij het ondervinden van zoo veel onderscheiding en belangstelling in zijn persoon en werkzaamheden, het hart van den eenvoudigen Kamerbewaarder van H.H. Schepenen van Delft zich wel eens een weinig zal verheven hebben, of dat eenig gevoel van trots hem bezielde. De uitingen van bewondering van hetgeen men bij hem zag, vervulden dan ook zijn hart met groote vreugde.

„Ik heb” zoo schreef hij aan den Secretaris der „Royal Society”, toen hij, nu de bekendmaking van zijne ontdekking der bloed lichaampjes en zijne waarnemingen van den bloedsomloop daarover een zeer vleienden brief ontvangen had, „met een levendig genoegen gezien, dat mijne microscopische waarnemingen niet onaangenaam zijn geweest aan u, noch aan uwe vrienden de philosophen en dit heeft mij krachtig aangespoord om mijne nasporingen voort te zetten;” of waar hij, van wege de „Royal Society” een brief ontving [196] waarin de Secretaris Richard Waller hem schrijft: „Wij hebben de uwe van enz.... ontvangen en in eene vergadering van de R. S. vertoont, alwaar ze gelesen wierden tot genoegen van alle de tegenwoordige leden; en daar werd bevolen, dat men U.E. bedanken soude over U.E. vriendelijke communicatiën, U.E. alle voorspoet die U.E. selfs begeeren kunt toewenschende en u ook aanmoedigende om voort te varen en nieuwe ontdekkingen van dees selve natuere te maken, nademaal niemant beter versien is met gereetschap, of beter gebruyk daarvan in microscopische observatien heeft gemaakt, als U.E. zelfs.”

Behalve de belangstelling, die Leeuwenhoek door de vereerende bezoeken die hij ontving, mocht ondervinden, werden zijne verdiensten op vele andere wijzen erkend en werd hij door vele aanzienlijken met groote hartelijkheid en onderscheiding bejegend. Zoo bleek de hartelijke wijze, waarop hij in het huisgezin van een der aanzienlijkste landgenooten steeds ontvangen werd, uit de opdracht van het vijfde vervolg zijner brieven aan den Heer Frederik Adriaan, Baron van Reede, Heer van Renswoude enz. enz.

Verschillende dichters, waaronder ook Arnold Hoogvliet en de beroemde Poot, voelden zich geïnspireerd om de brieven, die door den toen reeds 86jarigen grijsaard geschreven waren en onder den naam van „Sendbrieven” het 5de deel van de brieven van Leeuwenhoek uitmaken, in te leiden.

In den aanhef schildert de dichter Hoogvliet, hoe de bloemen, het gras en de klaver, die in de Mei-maand hun geuren verspreiden, in het najaar en in den winter verdwenen zijn, en alles gestorven is; wijst op een wonder, namelijk een hof, die altijd bloeit en waarin bloemen en vruchten te garen zijn, die de groote Leeuwenhoek in den winter van zijn leven geplant heeft en zelfs deed rijpen: En nu vervolgt hij:

„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren! ’t Is geen winter in ’t vernuft, Dat, na vijf en tachtig Jaaren, Altydt arbeydt onversuft. Hoe zou ’t winter weezen konnen, In het brein des grooten mans, Dat, door zoo veel glaaze zonnen, Staag met warmte, licht en glans, Wordt gekoestert en beschenen?” enz.

Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn microscoop gedaan, waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste schepsel de grootste wonderen worden ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij, zal men:

Aanstonts, vol verbaastheit zeggen, Dit’s gedaan door de eige handt, Die den bliksem maakte en donder, Die de hemelkringen sloot Want het onbegrijplijk wonder Is zoowel in ’t kleyne als ’t groot.

Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten waardeerde en op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land betreft, niet door bijzondere erkenning te hebben beloond; zoo men daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs, die het bestuur van Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte brieven aan de „Royal Society” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester van Delft, de volgende aanteekening:

„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van 36 gld., over de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven, geschreven aan de Koninkl. Societeyt te Londen.””

Voor het 5de en 6de vervolg dier Brieven, ontving de groote natuurvorscher, respectievelijk 30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam) waren toen zeer gebruikelijk. O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel, Rector der Latijnsche scholen, voor de „dedicatie” van: „Enchiridion Epicteti,” hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van 63 gld.

Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die geschied, in zijn smaak zou gevallen zijn, mag men uit enkele uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen. Leibnitz schijnt dit punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd; althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz d.d. 13 Maart 1716 [197]. „Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en wetenschappen, vergelding krygen, dat syn Heeren Professoren, Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die soo veel Latyn konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De groote hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt, dat sekere persoon in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft bekomen, over syn dienst in ’t maken van tafels. Waar over de selve misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter uyt het lant te bannen, als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt. In ’t kort” zegt L. ten slotte „ik weyger giften om niet verpligt te syn.”

Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen natuuronderzoeker geschenken aan te bieden, als blijken van de waardeering zijner werkzaamheden.

Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door Holland, waarbij hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke zaken uit zijne verzameling bezichtigd had, uit erkentelijkheid, twee gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien.

Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief betuigde, antwoordde deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde schrijven aan Leibnitz vermeldt [198]. „Uwe gift is grooter als de mijne.”

Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van wege de Hoogeschool te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren in de Natuur- en Geneeskunde aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde veelal door tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der Nederlandsche Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd.

Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te Leuven, voelden zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk hunner achting en warme belangstelling aan te bieden. Op hun last namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die op de voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift: „Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.”

Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den voorgrond een bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende bijen, benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op voorkomt (Georgia IV. v. 6.)

In tenui labor, at tenuis non gloria [199].

Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een begeleidend, vereerend schrijven, op plechtige wijze te overhandigen. Leeuwenhoek betuigde in een brief aan genoemde Professoren zijn grooten dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze van opdracht er aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „Vol van vloeijende aardigheden”.

Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem aangedaan, diene hetgeen hij laat volgen: „En als ik gedenk aan de loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden gemelt, soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen; te meer omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe, niet is geweest om den lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar meest uyt een drift van weetgierigheyt, die in my meer woont, gelijk ik merk, dan in veel andere menschen.” (Het blijkt uit een brief aan Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was vervaardigd door J. G. Kerkherdere „synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.”) In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in bewoordingen, die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de waardeering van Leeuwenhoek’s karakter. Hij drukt zich aldus uit: „.... ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van myn ligchaam, over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde Heere, in uw noyt volpresen vers komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre, dat ik op het honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn geringen arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een neyginge, die ik hebbe om de beginselen van de geschapene saaken te ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk was.”

De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift:

De Rotte duik’ daer de oven, Erasmus in metael verkeert, Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven) Dat d’ eer van Delf met zilver eert. ’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven, Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt, Wat kon men grooter geven? Dees helt verdient een zinnebeelt. Doch wort de magt niet kranker, Zoo glinstert hy van gout op ’t lest; Maar ’t zilver is vry blanker, En dat gelykt zyn inborst best. Dus pryst de School ’s mans grysheit, De wysheit kroont de wijsheit!

De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs stelde en waarop hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was zijne benoeming tot „Lid der Royal Society te Londen.” Deze onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de kracht van zijn leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst van omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en vergezelden, eenigszins uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik gebruik gemaakt van de aanteekeningen, die men bij Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd genootschap, welke aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken.

Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd genootschap in 1673, in eene immer levendiger correspondentie was getreden en hij zijne onderzoekingen, over onderscheiden onderwerpen, voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie van het bloed had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de physiologie en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking deed van de infusoria, welke ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „Royal Society” hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de vergadering van 29 Januari 1680 plaats [200]. Birch teekende van dit besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr. Firmin, Mr. Houghton worden gekozen; evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van Dr. Croune.”

In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie, opgedragen, om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden geleerde werd in de vergadering van 12 Februari [201], gevraagd of het diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit er aan gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra onderscheiding waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der benoemingen in dit Collegie bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk: „er werd bevolen dat er tevens een zilveren doos voor moest gemaakt worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke doos de „wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd [202].”

In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan aan zekeren Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen alles gereed was, met een begeleidend schrijven, namens de Sociëteit, door den Engelschen gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek overhandigd [203].

Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt en zijn vurigste wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden onder de illustere leden van het hoogste wetenschappelijk collegie van Europa, dat, hoewel reeds in 1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek nog slechts kort geleden op vaste grondslagen was gevestigd en de beroemdste geleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn gelederen telde [204].

Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de ontvangen onderscheiding kenbaar te maken, zal wel geen verwondering baren. Reeds in de vergadering van den 13den Maart 1680 rapporteerde Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen had, waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den President en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De tweede brief behelsde het bericht van ontvangst van het diploma en vernieuwde betuigingen van zijn dank, en tevens de verzekering van zijn voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo veel hij kon en dat hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde weder eenige waarnemingen van hem behelsde.

En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik boven aanstipte, tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling met de Sociëteit verkeerde, toen hij (20 November 1717) zoo het scheen voor goed afscheid er van nam, maar het blijkt ook uit hetgeen ik in de „Philosophical Transactions” van na den bovengenoemden datum, tot op het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden heb, dat zijn werkzame geest zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog ook nog in dat tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „swak werden, ende een weynig bevinge ondervonden” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte.

In het 31ste en 32ste deel namelijk der „Transactions” worden nog een achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt, dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „Royal Society” briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvliet [205] opdroeg, twee brieven, die hij in den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn te vertalen en in zijn naam aan de Sociëteit toe te zenden.

De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet achterhouden; ze zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der „Philosophical Transactions”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet, d.d. 1 September 1723, aan den Secretaris der „Royal Society” Jacobus Jurin, overleggende twee brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek werden toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud en in ’t Latijn geschreven:

„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met den dood kampte, maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht, tot zich roepen en vroeg, mij met reeds half gebroken oogen aanstarende en in afgebroken woorden, of ik deze beide brieven in het Latijn wilde overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar ik het verzoek van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was, niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst geschenk van mijnen stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste werkzaamheden u aangenaam zullen zijn.”

De inhoud dezer twee brieven was:

1º. Over de globulen in het bloed en in den moer van den wijn. 2º. Over de voortteeling der dieren en over de klopping van het middenrif.

Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste onderwerpen, die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk te maken en waaraan hij schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs op zijn sterfbed voor den geest zweefden en tot op het laatst zijns levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten.

Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke dingen der aarde gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor oogen zijn geest daarmede uitsluitend zou hebben bezig gehouden. Neen, wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven zien, dat een innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij verwonderlijks zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor onder anderen wat hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen [206], „Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer verheerlyken, als dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse bloote oogen mogen zijn, als ze maar leven en wasdom hebben ontfangen, zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste verwondering sien uitsteken.”

Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan [207] over het ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „O diepte der Wysheyt, hoe ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen gevonden werden, die seggen datter geen God is?”

Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen, doch het aangevoerde zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen geest te kenschetsen.

Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen gemaakt had, kon hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne geliefde dochter, betrekkingen en trouwe vrienden, en met recht kan van hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo lang het voor hem dag was.

Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom van bijna 91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60 onafgebroken aan zijne geliefkoosde natuurstudiën had gewijd.

Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar een gedenkteeken nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat zijne dochter Maria, 17 jaren na het overlijden van haren vader, ter zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten. Dit gedenkteeken bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene vaas gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit marmer is aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest:

„Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg. (iae) angl. (icae) Societ. (atis) membr. (o), qui naturae penetralia et physices arcana microscopiis ab ipso inventis et mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo et idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime meruit.”

Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVICXXXII. Ibique denat. XXVI Aug. An. MVIICXXIII.

Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen rust, in het midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings gelegde doodsbeenderen, leest men de volgende inscriptie:

„Patri charissimo hoc monumentum filia Maria” A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit).

Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek, terwijl vóór dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene zware zerk, waarop het volgende opschrift is uitgehouwen:

„Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke Sosyteyt in Londe, gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten October 1632 en overleden op den 26sten Augustus 1723, out synde 90 jaren 10 maanden en 2 dagen.

„Heeft elk, o wandelaar, alom Ontzagh voor hoogen ouderdom En wonderbare gaven, Zoo zet eerbiedigh hier uw stap: Hier legt de grijse wetenschap In Leeuwenhoek begraven” [208].

En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog uitgehouwen:

„en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den 22sten September 1656 en overleden den 25sten April 1745.”

Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon bewerkte vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de klauwen een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen [209] zal gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen, zoo als dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten, waar deze vroeger bestonden, het geval is geweest. Het is een schild van goud, beladen met een klimmenden leeuw van azuur, getongd en geklauwd van keel. Het schild gedekt door een schuin staanden helm, waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde figuur, die ook voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste deel van de brieven van Leeuwenhoek, en waarvan de beteekenis is, volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter T. van der Wilt:

„Scherpzinnigheid, waarmede ’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”...

De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige gedachtenisse” van zijn vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen dus luiden:

„O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair, Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt, Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer, Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt. Wy zullen, als de lente weligh bloeit, En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien, Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit, Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien, Terwyl zult ge u vermaken in den rei Der zaligen, daer andre starren lichten. Vergeef my nu, dat ik weemoedigh schrei ’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.— En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt, Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen! Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt, Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”

Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent de waarnemingen van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan de „Royal Society” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan dus ook zijne geschriften uit eene verzameling dezer brieven, die allen op verschillende tijden, aanvankelijk ieder afzonderlijk of enkelen te samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens de pagineering, die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij onderscheidene boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en uitgegeven.