Anno 2070: Een blik in de toekomst
Part 6
Dat het Phantasia ernst was met die klacht, bleek uit de opgewondenheid, waarmede zij sprak. Toch kwam het mij voor, dat zij Mill wel wat te hard was gevallen. Hij en zijne aanhangers hadden immers slechts voorgesteld aan ongehuwde vrouwen van eenen zekeren leeftijd en eigenaressen van een zeker eigendom het stemrecht te verleenen. Zij konden het immers niet helpen, dat men later tot zulke uitersten was vervallen. Maar toen herinnerde ik mij wederom den kiesladder, die, eenmaal betreden, dwingt om al verder en verder, al dieper en dieper te dalen, en ik begreep dat ook hier allengs alle tegenwerpingen hadden moeten zwichten voor zoogenaamde beginselen en logische consequentiën.
Wij hadden onder dit gesprek Oroemiah met zijn sterrenwacht uit het gezicht verloren. Tevens bespeurde ik, dat ook de voorwerpen onder ons al kleiner en kleiner werden, terwijl de barometer, die in een beugel in het midden van het salon hing, aanmerkelijk daalde, waaruit ik afleidde dat wij sterk rezen, waarschijnlijk om eenen gunstigeren luchtstroom in de hoogere streken des dampkrings op te zoeken. Het gevolg hiervan was echter, dat de oorden, waarover wij heen togen, al onduidelijker en onduidelijker werden, zoodat er weinig van hetgeen zich aan de oppervlakte bevond, meer afzonderlijk herkenbaar was. Na eenigen tijd werd die oppervlakte gelijkmatig groenachtig blauw. Ik besloot hieruit, dat wij ons boven de Indische zee bevonden. Het werd nu tamelijk vervelend in ons salon. De meeste passagiers waren ingedommeld. Daarbij merkte ik op, dat bij allen, ook bij mij, de ademhaling versneld was, hetgeen ik aan de ijlere lucht toeschreef, waarin wij ons thans ophielden. De dikke heer ronkte op eene zeer onaangename, stootende wijze. Zelfs de levendige Phantasia, die zich tot hiertoe met eene aardige française over hare lievelings-onderwerpen, de schoone kunsten en de poësie, onderhouden had, zat te sluimeren. Baco was verdiept in een boek, waarin de vraag behandeld werd: in hoeverre het mogelijk zoude zijn de aardbewoners door optische telegraphische seinen in gemeenschap te stellen met de bewoners der overige hemelbollen. Wat mij betreft, ik recapituleerde in mijne gedachte al het vreemde en wonderbare, dat ik in den loop dier twee dagen gezien had, en dacht er bij: wanneer reeds twee eeuwen zoovele veranderingen hebben teweeg gebracht, wat zullen dan vier, tien, honderd eeuwen doen!
Eindelijk waagde ik het Baco in zijne lectuur te storen door de vraag: »Waarheen meent gij dat wij ons nu begeven?"
»»Ik denk dat wij niet ver meer van Nieuw-Zeeland zijn,"" ontving ik ten antwoord. »»Wij hebben een grooten omweg door de hoogere lucht gemaakt, om partij te trekken van den tusschen de keerkringen opstijgenden en zich dan noord- en zuidwaarts en vervolgens oostwaarts wendenden luchtstroom, maar zijn thans weder aan het dalen. Zie slechts hoe de barometer rijst.""
Dit zeggen noopte mij weder eens door een der teleskopen te zien, en op eenigen afstand ontwaarde ik twee groote eilanden, die slechts door een nauwe straat gescheiden waren.
»»Wij zijn thans bij onze tegenvoeters, vervolgde Baco. Nieuw-Zeeland is het Groot-Brittanje van de Zuid-zee.""
»Maar toch nog verre van een zoo rijke, machtige en beschaafde bevolking te hebben."
»»Niet zoo ver als gij denkt. Reeds telt Nieuw-Zeeland verscheidene groote steden, met al de inrichtingen voor onderwijs, wetenschap en kunst, die wij in Europa gewoon zijn daar aan te treffen. Het bezit eene aanzienlijke handelsvloot, rijke ertsaderen, steenkolenlagen, een uitgestrekten landbouw, eenen grooten veestapel, eene bloeijende nijverheid en eene krachtige bevolking van meerendeels engelsche afkomst.""
»Wat is er dan van de Maori's geworden?"
»»Die zijn verdwenen, men weet niet waar. Volgens sommige Nieuw-Zeelandsche oudheidkenners zouden zij uitgestorven zijn; anderen beweren dat de laatsten verhuisd zijn, ofschoon het moeielijk zou te zeggen zijn waarheen; nog anderen willen dat een gedeelte der landelijke bevolking min of meer rechtstreeks van de oude Maori's afstamt. Is dit zoo, dan zijn hunne nakomelingen zeer veranderd; want het is nu een zeer vreedzaam volkje. Wanneer gij echter eens weder te Londinia komt, vergeet dan niet op het Nationaal Museum de ingebalsemde Maori's te gaan zien, een man en eene vrouw, de eerste prachtig getatoueerd. Gij zult in die zelfde zaal nog een aantal andere ingebalsemde oorspronkelijke bewoners van andere streken vinden, Nieuw-Hollanders, Amerikaansche Roodhuiden enz., die allen thans spoorloos verdwenen zijn.""
»Geldt dit van alle bewoners van landen, waar zich de Europeanen gevestigd hebben?"
»»Neen, alleen van die welke buiten de keerkringen gelegen zijn, want de heete keerkringsgewesten zijn op den duur voor het Kaukasische ras onbewoonbaar, met uitzondering der koelere bergstreken. De binnenlanden van Afrika hebben nog hunne oorspronkelijke negerbevolking, Nieuw-Guinea wordt nog bewoond door de Papoes, en ook vele andere eilanden der tropische zeeën hebben nog bewoners, welke van de vroeger daar levende afstammen, ofschoon hun getal over het algemeen eer af- dan toegenomen is.""
»Zijn die volkeren, welke tot de zoogenaamde lagere menschenrassen behooren, in beschaving vooruit gegaan?"
»»Niet veel. Vooruitgang is bij hen allen langzaam, zeer langzaam. Sommigen zijn zelfs van meening, dat de vooruitgang eigenlijk meer schijnbaar dan wezenlijk is en meer bestaat in een bloot aannemen van eenige Europeesche zeden en gebruiken, en van deze juist niet altijd de beste. Intusschen meen ik voor mij toch grond te hebben om te gelooven, dat de beschaving ook onder hen vorderingen maakt, maar dat de zich bij hen ontwikkelende in haren aard verschillen zal van die van het Kaukasische ras.""
Zoo pratende waren wij het noordelijke eiland van Nieuw-Zeeland zoo nabij gekomen, dat ik de bergtoppen en zelfs de dichtst bewoonde plekken reeds door het teleskoop onderscheiden kon.
Ons reisgezelschap was weder wakker geworden, en Phantasia vroeg mij, of ik met hen in hetzelfde logement te Melbourne mijn intrek nemen wilde.
»»Wij logeeren in het Hotel van Oud-Engeland, vervolgde zij, en zullen vooraf ons diner bestellen.""
Ik antwoordde, zoo als van zelf sprak, dat ik mij niet van een zoo aangenaam gezelschap scheiden wilde.
De hofmeester werd geroepen en ontving bevel, om, zoodra wij boven kaap Maria van Diemen waren gekomen, de noodige seinen te doen, die dan door den telegraaf naar Melbourne zouden worden overgebracht.
Weldra dreven wij boven Nieuw-Zeeland, en ik overtuigde mij, dat Baco er niet te veel van had gezegd. Weinige landen ter wereld zijn zoo door de natuur begunstigd. In de groote baaien en inhammen zagen wij talrijke schepen liggen, van welker masten de vlaggen van allerlei natiën, ook onze driekleur, wapperden. Steden en dorpen waren over de oppervlakte verbreid, en alles openbaarde eene groote mate van welvaart der bevolking.
Onder de vlaggen der schepen was er eene veel talrijker dan de overige. Zij vertoonde twaalf zonnen op een blauw veld. Die vlag niet kennende, vroeg ik: aan welken staat zij behoorde?
»»Dat is de vlag der twaalf Vereenigde Staten van Nieuw-Holland, die te samen eene gefedereerde republiek vormen.""
»Eene republiek! Ik meende dat Nieuw-Holland aan de Britsche kroon behoorde."
»Zoo was het eertijds,--hernam Baco. Nu echter zoude dat niet meer gaan. Het kind is grooter dan de moeder geworden. De Nieuw-Hollanders besturen sedert lang hunne eigene zaken. Zij zijn, zoo als gij weet geheel van oorspronkelijk Europeesche afkomst. Dat is het groote verschil tusschen Nieuw-Holland en het vroeger aan uwen staat behoord hebbende Java en naburige eilanden. Ook zijn wij in de beste vriendschap gescheiden, en de eenige band, die ons nog verbindt, is het wederzijdsche handelsbelang. Het groote Zuidland is een machtig rijk geworden, en wanneer immer, hetgeen echter niet waarschijnlijk is, de beschaving uit ons oud Europa verdwijnen mocht, dan zoude zij hier nog haren zetel vinden. Gij zult er u van kunnen overtuigen, wanneer wij daar zijn aangeland.""
Wij vorderden snel. Reeds verdween Nieuw-Zeeland aan den gezichteinder, en aan den tegenovergestelden doemde uit de zee land op, dat zich weldra langs den geheelen horizon uitbreidde. Het was Nieuw-Holland, het groote Zuidland, het doel onzer reis!
Elk der reizigers begon zich gereed te maken en zijne bagaadje bijeen te zoeken.
Daar hadden wij de lange kustlijn onder ons. Wij daalden langzaam, in eene zeer schuinsche richting. De voorwerpen aan de oppervlakte der aarde werden al duidelijker en duidelijker, al grooter en grooter. Wij naderden eene aanzienlijke stad. Het was Melbourne. Spoedig waren wij er boven en konden de straten, pleinen, huizen, en zelfs de menschen onderscheiden. Nog eenige oogenblikken, en wij vernamen een geweldig geraas op het dek boven ons als van het nedervallen van zeilen en touwen. Daarop hoorden wij schreeuwende stemmen onder ons en zagen dat touwen uit ons vaartuig naar beneden werden geworpen. Toen volgde een schok, en.... ik ontwaakte in mijn leuningstoel.
AANTEEKENING
[1] Deze uitdrukkingen worden gevonden in den beroemden brief van Baco: De mirabili potestate artis et naturae, etc., die het eerst in het boek van Claudius Celestinus, De his quae mundo mirabiliter eveniunt, Lutetiae Parisiorum 1542, gedrukt is. Dat Baco echter in zijne wijsgerige droomen zich ook wel eens verleiden liet de grens der mogelijkheid te overschrijden, blijkt uit de aldaar tevens door hem gegeven beschrijving van een vliegwerktuig.