Part 9
Er was reeds een groot aantal toeschouwers bijeen, zoodat het Tom’s familie moeite kostte zich een goed plaatsje te veroveren, maar eindelijk gelukte het hun toch.
De jongens speelden vol vuur en beide partijen waren goed tegen elkaar opgewassen, terwijl het een oogenblik scheen, alsof de Engelschen zouden winnen; maar na de rust haalde Tom’s elftal het zoo mooi op, dat zij tenslotte een glansrijke overwinning behaalden. Aan het gejuich scheen geen einde te komen en Frans, de aanvoerder, werd op de schouders der anderen over het veld gedragen.
„Dat zal een gedrang geven bij den uitgang,” zeide de heer Stubbens, „het zal trouwens overal hier in de buurt druk zijn door de volksfeesten, die hier van middag gegeven worden. Je moet weten, Paula, dat wij hier een soort najaarskermis hebben, waarvan het vandaag de laatste dag is, daarom is het zoo druk.”
„Kermis op Zondag, hoe grappig,” merkte Paula op, „bij ons op het dorp mag het niet.”
„Hier was het eerst ook verboden maar om de een of andere reden hebben zij permissie gekregen om vanmiddag na kerktijd nog voor het laatst feest te vieren,” antwoordde de heer Stubbens. „Als wij van elkaar afraken moeten wij maar niet op elkander wachten, want iedereen kent toch den weg naar huis, nietwaar Paula jij weet hem immers ook?” vroeg hij aan het meisje. „In ieder geval zullen de jongens en Annie wel op jou passen en Tine mag hier bij papa komen loopen.”
„O, meneer, ik weet den weg nog wel, ik ben al meer hier geweest,” antwoordde Paula, die zich toch te oud vond dan dat de jongens op haar zouden moeten passen.
In het eerst ging het goed, maar nu moest men door het nauwe hek aan den uitgang en daar was een vreeselijke opstopping. Paula heeft nooit geweten, hoe zij er eigenlijk door was gekomen. Juist toen zij heel erg in de klem raakte, en geen enkel bekend gezicht meer zag, had zij op haar schouder een stevigen arm gevoeld, die haar langzaam maar zeker door de drukte heenschoof. Zij dacht dat het mijnheer Stubbens was, maar toen zij weer kon ademhalen zag zij in plaats van haar gastheer, iemand dien zij in het geheel niet kende.
„Ziezoo, jonge dame, nu ben je veilig uit het gedrang, ik dacht op een gegeven oogenblik heusch, dat je dood gedrukt zou worden,” zeide de vreemde heer vriendelijk en zonder een bedankje af te wachten, verdween hij onder de menschen. Paula keek om zich heen, niets dan onbekende gezichten, maar een eind voor zich uit meende zij tusschen die zee van hoofden den hoed van mevrouw Stubbens te onderscheiden. Zij baande zich een weg daarheen, maar toen zij vlak bij de bedoelde dame was gekomen, zag zij dat zij deze nooit te voren gezien had.
Welnu, daarom niet getreurd, dacht zij, zij zou alleen den weg wel vinden, zij meende zich nog wel te herinneren, hoe zij op den Keizersgracht moest komen. Toen zij echter een kwartier geloopen had, kwam zij aan een plantsoen, dat zij nog nooit gezien had. Zij bleef besluiteloos staan, maar daar zag zij een dame aankomen, aan haar zou zij den weg naar den Keizersgracht vragen.
„Mevrouw,” zeide zij beleefd, „zou u mij ook kunnen zeggen hoe ik van hier naar den Keizersgracht kan komen?”
„De Keizersgracht?” herhaalde de dame, die niemand anders was, dan mevrouw Van Scheik, peinzend, want het meisje had iets in haar gezicht, dat haar bekend voorkwam, „die is nogal ver van hier, maar als je even wilt wachten tot ik hier aan het dienstmeisje een boodschap heb gegeven, dan kan ik je een heel eind brengen, want ik woon er vlak bij.”
„Als het u blieft, mevrouw,” antwoordde Paula en bleef wachten, terwijl mevrouw Van Scheik bij haar kennissen aanschelde en daar een boodschap afgaf. Een oogenblik later wandelde zij naast haar tante voort, zonder te weten, dat die vriendelijke dame de eigen zuster van haar moeder was.
„Moet je ver op de Keizersgracht zijn?” vroeg mevrouw Van Scheik.
„Bij mevrouw Stubbens, daar heb ik vannacht gelogeerd, van avond ga ik weer weg,” vertelde Paula, die nooit verlegen was.
„Mevrouw Stubbens ken ik heel goed,” hernam mevrouw Van Scheik, onmiddellijk begrijpende, wie het meisje was, „maar hoe kom je hier dan zoo alleen?”
„Wij zijn naar den voetbalwedstrijd geweest en bij het uitgaan was het zoo’n gedrang, dat ik van de anderen afgeraakt ben.”
„Jij bent zeker Paula Tillens, de vriendin van Annie van Walen?”
„Ja mevrouw,” antwoordde Paula verbaasd, „kent u Annie ook?”
„Ja, en ik vind haar een heel aardig meisje; ken jij Annie’s vriendinnetjes, de meisjes van Scheik ook?”
„Neen mevrouw.”
Mevrouw Van Scheik keek het meisje aan.
„Je lijkt op je moeder, maar nog meer op je vader, Paula.”
„Maar u kent iedereen,” riep het meisje verwonderd, „mama en papa ook al!”
„Ja, kind, ik ken je moeder, maar wij hebben elkaar in geen jaren gezien.”
Zij durfde niet meer te zeggen. Nu zij haar nichtje ontmoet had, in wier gezicht zij hoe langer hoe duidelijker dat van haar zuster terugzag, kwam een vurig verlangen in haar op om zich met die eenige zuster te verzoenen, maar zij wilde niets doen zonder voorkennis van haar man en wanneer deze onverbiddelijk bleef, was het maar beter, dat het meisje niet wist, wie zij was.
Aan den hoek van den Keizersgracht gekomen, zeide mevrouw Van Scheik:
„Hier zijn wij aan den Keizersgracht, Paula, nu kan je den weg zeker wel alleen vinden?”
„O, ja, mevrouw, hier de brug over en dan maar rechtuit, is het niet zoo?”
„Juist, dus kan ik je hier veilig alleen laten? dan ga ik hier de straat in.”
„Dag mevrouw, ik dank u wel, dat u mij den weg gewezen hebt,” zeide Paula.
„Dag Paula, ik hoop, dat je verder goed thuis zult komen,” antwoordde mevrouw Van Scheik, toen lachte zij het meisje nog eens toe en ging haars weegs.
Vijf minuten later stapte Paula de stoep op bij de familie Stubbens, waar Tom voordat zij nog had aangescheld, de deur reeds voor haar opende.
„Wij dachten al dat je verdwaald was,” riep hij, „wij zijn al wel een kwartier thuis, kom maar gauw binnen, Annie maakte zich al ongerust over je.”
„Daar is het verloren schaap eindelijk,” liet Coba zich onvriendelijk hooren, toen Tom en Paula binnenkwamen, „waar ben jij heen gedwaald, je hadt toch wel bij ons kunnen blijven?”
„Ben je verdwaald geraakt, Paula?” vroeg mevrouw Stubbens vriendelijk.
„Ja, mevrouw,” antwoordde Paula, „eerst werd ik door een heer door het gedrang heen geholpen, ik dacht dat u het was, mijnheer, maar toen ik uit de drukte kwam, zag ik dat het een vreemde was.”
Nu vertelde Paula alles wat er gebeurd was, hoe zij eerst gemeend had den hoed van mevrouw Stubbens te zien, hoe zij later op een plantsoen gekomen was, waar zij nog nooit geweest was en hoe zij daar toen die vriendelijke dame ontmoet had, die heelemaal met haar was meegeloopen tot aan den Keizersgracht.
„Zeker mevrouw Van Meerel, die woont vlak op den hoek van den gracht” merkte mevrouw Stubbens op. „Maar het doet er niet toe, meisje, wij zijn blij dat je weer veilig en wel terug bent. Wij hadden juist Thomas uit willen sturen om te zien waar je bleef, want wij zijn al een minuut of tien thuis.”
„O, tien minuten maar? hij zeide een kwartier.”
„Ik denk, dat hij zoo naar je verlangde, dat die tien minuten hem meer dan een kwartier schenen,” zeide mijnheer Stubbens.
Paula begon te lachen en op hetzelfde oogenblik ging de deur open en bracht Suze een briefje binnen voor Paula.
„Jongejuffrouw Paula Tillens,” stond op het adres.
„Van wie kan dat zijn?” riep Paula verwonderd, „het is een dikke brief.”
„Lees hem maar even, Paula,” zeide mevrouw Stubbens, „wordt er op antwoord gewacht, Suze?”
„Neen, mevrouw.”
Paula scheurde de enveloppe open en nu kwam daar nog een kleinere uit te voorschijn, geadresseerd aan mevrouw Tillens en een kort briefje aan Paula zelve:
„Lieve Paula,
Om verschillende reden kon ik je van middag, toen ik je ontmoette, niet zeggen wie ik was. Wil je nu voor mij aan je moeder inliggend briefje geven? Daarmee zal je ten zeerste verplichten
je M. van Scheik.”
„Hoe grappig, dat mevrouw Van Scheik mij dat van middag niet heeft gezegd,” zeide Paula, terwijl zij het briefje aan mevrouw Stubbens overhandigde.
„Mag ik het lezen, Paula?”
„Ja, mevrouw, vindt u het ook niet grappig?”
„Je hoort het, het staat hier; mevrouw had er haar redenen voor. Die zal zij wel in dat andere briefje aan je mama schrijven. Pas maar goed op, dat je het niet verliest.”
Daar het dien avond later was geworden dan den vorigen keer, kon Annie niet meegaan om Paula weg te brengen; de vriendinnetjes namen dus, toen de auto voorreed, afscheid van elkaar en de heer Stubbens bracht Paula naar huis.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
EEN VERZOENING.
„Wel, Paula, heb je evenveel plezier gehad als den vorigen keer?” vroeg mevrouw Tillens, toen haar dochtertje weer thuis was.
„O, ja, ma, dol veel en kijk eens wat een mooi broche ik gekregen heb, de meisjes kregen ieder een broche en de jongens een zakmes en, o ja, dat is voor u van mevrouw Van Scheik.”
Mevrouw Tillens verbleekte, maar Paula zag het niet. Zij gaf het briefje aan haar moeder en bekeek toen opnieuw haar broche.
„Nu, Paultje, dien brief zal ik straks wel lezen, laat mij nu eerst je broche zien en dan vlug naar bed, hoor; het is al tien uur, dus eigenlijk veel te laat voor je.”
Zoodra mevrouw Tillens alleen was, scheurde zij de enveloppe open en vond daarin een langen brief van haar zuster. Daarin vertelde deze hoe zij aldoor verlangd had zich met haar te verzoenen, maar dat zij wist, dat haar man er tegen was, omdat deze vreesde, dat mevrouw Tillens er niet op gesteld zou zijn.
Ook zij was altijd bang geweest dat haar zuster geen verzoening zou wenschen, maar nu zij Paula gezien had, was haar verlangen haar te machtig geworden en had zij aan haar man gezegd dat zij aan haar zuster wilde schrijven op gevaar af dat deze van geen verzoening zou willen hooren. De heer Van Scheik had hierin toegestemd, want ook hij wilde niets liever dan dat zij het verleden zou vergeven en vergeten en het zou hem zeer aangenaam zijn, zoo mevrouw Tillens hen wilde ontvangen.
Mevrouw Tillens was overgelukkig. Niemand wist hoe zij al die jaren verlangd had haar eenige zuster weer te zien. Toen Paula den volgenden morgen beneden kwam, zeide haar moeder:
„Paula, kom hier bij mij aan tafel zitten, dan zal ik je iets vertellen. Mevrouw Van Scheik,” vervolgde zij, toen haar dochtertje gezeten was, „die je den weg gewezen heeft en je dien brief aan mij meegaf, is je eigen tante, mijn eenige zuster.”
„Hè, ma, waarom heeft zij me dat niet gezegd en u heeft er ook nooit iets van verteld, hoe vreemd!”
„Ja kind, je bent nu oud genoeg om te begrijpen, wat ik je zeggen zal, daarom wil ik het je nu vertellen. Heel lang geleden, zelfs nog vóór je geboorte, hebben je papa en je oom Van Scheik onaangenaamheden gehad en ik heb toen natuurlijk partij getrokken voor je papa en mijn zuster voor haar man. Begrijp je dat?”
„Jawel, moes. Waarom waren ze boos?”
Mevrouw Tillens dacht een oogenblik na alvorens te antwoorden. Neen, het was beter de reden maar niet aan het kind te vertellen. Hoe zou zij van haar oom en tante kunnen houden wanneer zij wist, dat deze haar vader van zoo iets verkeerds verdacht hadden?
„Dat is een lange geschiedenis, Paula,” zeide zij dus maar, „waar je toch niets van zoudt begrijpen, aangezien je geen verstand hebt van zulke zaken en ik het je toch niet zou kunnen uitleggen. Toen je tante je nu ontmoette en zooals zij mij schreef, in jou gezicht hoe langer hoe meer het mijne meende terug te zien, kon zij het verlangen om zich met mij te verzoenen niet langer weerstaan en schreef ze mij dezen brief om mij te vragen of ik het verleden vergeten en vergeven wil.”
„Heerlijk!” riep Paula in de handen klappende, „dan zijn Bertha en Clara dus mijn nichtjes, komen zij hier, moes?”
„Dat weet ik nog niet, ik zal straks aan mijn zuster schrijven.”
Toen Paula en haar moeder een paar dagen later—het was Woensdagmiddag—op zolder bezig waren, waar Paula als een groot meisje haar mama met de wasch hielp, kwam het dienstmeisje met een kaartje in de hand boven.
„Deze heer vraagt of u hem kan ontvangen, mevrouw.”
„Laat meneer maar even in de zijkamer, Lena, en zeg, dat ik dadelijk bij meneer zal komen.”
Toen Lena weg was, zeide mevrouw Tillens tot Paula: „het is oom Van Scheik, laat alles maar zoo staan, Pautje, dan zal ik het morgen wel met Lena afmaken. Het is toch heerlijk voor me zoo’n groote dochter te hebben, die me helpen kan,” voegde zij er glimlachend bij.
Een oogenblik later traden mevrouw Tillens en Paula het salon binnen, waar zij den heer Van Scheik en Bertha vonden.
„Dag, Johan,” zeide mevrouw Tillens dadelijk, terwijl ze hem met uitgestoken hand te gemoet trad, „hoe gaat het je en is dat een van je meisjes?”
„Mijn oudste dochter,” antwoordde de heer Van Scheik, blij dat ze hem zoo vriendelijk ontving, „maar niet de eenige hoor, ik heb er nog een en twee zoons.”
Intusschen hadden de nichtjes ook kennis gemaakt en waren zij samen den tuin ingeloopen.
„Zij passen aardig bij elkaar, hè, zij zijn geloof ik even oud?” vroeg de heer Van Scheik. Toen zweeg hij en keek mevrouw Tillens aan. „Het is een ellendige geschiedenis geweest, Paula,” vervolgde hij een oogenblik later, „ik had al veel eerder willen komen, maar ik was bang, dat je niets van ons zoudt willen weten. Je weet niet hoe blij ik ben, dat je bereid bent alles te vergeven.”
„En te vergeten, Johan; laten wij er nu maar niet verder over spreken.”
„Neen, neen, Paula, dat gaat zoo maar niet, daar kwam ik juist voor hier. Ik wilde je vertellen, dat ik besloten ben alles nog eens grondig te laten onderzoeken.”
„Heb je dat dan niet vroeger gedaan, bij het leven van mijn armen man?”
„Zeker wel, maar toen leefde de oude heer Stokman nog en ik ben langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat hij de schuld van alles was. Hij schijnt een gladde vogel geweest te zijn, die wel degelijk belang had bij het wegraken van de bedoelde papieren. Ik word woedend als ik eraan denk, dat wij, zooals ik nu zeker weet, dien armen Tillens onschuldig verdacht hebben en het nu niet meer aan hem kunnen goed maken. Kan jij je voorstellen, wat dat voor een gevoel moet zijn, Paula? Wil je me toestaan, zooveel ik kan het geleden onrecht aan jou en je kind te vergoeden?”
„Als je dat verlangt, Johan.”
„Niets liever dan dat,” antwoordde de heer Van Scheik blijkbaar opgelucht, omdat zij geen wrok koesterde. „Je moet weten,” zeide hij een oogenblik later, „dat Mina en Clara vandaag mee hadden willen komen, maar ik wilde je liever eerst alleen spreken om met je te overleggen. Welke plannen hadt je eigenlijk met Paula?”
„Om je de waarheid te zeggen, had ik nog geen vast plan betreffende haar. Zij moet natuurlijk haar eigen brood verdienen, ik denk wel, dat zij bij het onderwijs zal gaan. Zij heeft een goed hoofd om te studeeren.”
„Wat een toekomst voor het arme kind, naar de kweekschool, examens doen, en dan de eerste jaren van ’s morgens tot ’s middags aan een armenschool les geven en tegelijk voor haar hoofdakte werken. En als zij dan nog maar een goed salaris kreeg, maar dat is ook maar net genoeg om niet van honger om te komen. Neen, Paula, zoo’n leven wil ik je dochter zoo mogelijk besparen. Ik heb er in de laatste dagen eens over nagedacht en ben tot de slotsom gekomen, dat het voor Bertha en Paula zeker heel aardig zou zijn, samen te werken. Bertha’s groote illusie is het gymnasium af te loopen en te gaan studeeren; zou Paula daar ook zin in hebben? zij zou dan een betere toekomst te gemoet gaan, dan als eenvoudig onderwijzeres.”
„Of zij het prettig zou vinden? dat zou ik meenen!” antwoordde mevrouw Tillens.
„Wij zijn van plan Bertha het volgend jaar op het gymnasium te doen. Misschien kan zij dan met bijwerken van Grieksch en Latijn in de tweede klasse komen en nu had ik het volgende bedacht: Jij komt met Paula bij ons in de stad wonen, de meisjes nemen samen privaatles en volgend jaar gaan zij naar het gymnasium. Wat zeg je daarvan? Je zoudt Paula natuurlijk bij ons in huis kunnen doen, terwijl jij hier bleef wonen, maar ik begrijp, dat het je te zwaar zou vallen van haar te scheiden en het kind zou jou te veel missen. Ik heb al een aardig huis voor je op het oog, niet duurder dan dit en met een flinken tuin, en de opvoeding van Paula is natuurlijk voor mijn rekening, dat mag je mij niet weigeren, Paula, anders denk ik, dat je nog boos bent. De cursus is nog geen twee maanden aan den gang, dus kan zij gemakkelijk invallen en de school hier is goed zoodat ik niet bang ben, dat zij niet in de zevende zal komen.”
„Het komt zoo plotseling, Johan, mag ik er een paar dagen over denken?”
„Natuurlijk, maar niet te lang, want het zou het beste wezen, dat Paula over een week op school kwam.”
„Maar, ik heb hier nog een jaar huur.”
„Dat breng ik wel voor je met den huisheer in orde, laat dat maar aan mij over, wanneer zoo iemand met een man te doen heeft, zal hij veel welwillender zijn, dan wanneer jij dat zaakje met hem afhandelt. Nu, Zondag verwacht ik je antwoord. Wil je ons het genoegen doen, dien dag bij ons te komen doorbrengen? dan kom ik je om tien uur per rijtuig halen, je doet er ons allen een groot genoegen mee, dat begrijp je.”
„Zeg aan Mina, dat ik graag zal komen, want dat ik erg verlang haar terug te zien,” antwoordde mevrouw Tillens.
De meisjes kwamen arm in arm de kamer in en waren dol blij, toen zij hoorden, dat zij elkaar den volgenden Zondag weer terug zouden zien.
„Ik mag meerijden om tante en Paula te halen, hé pa?” vroeg Bertha.
„Wij zullen het aan mama vragen, als die het goed vindt, heb ik er ook niets tegen,” antwoordde haar vader. „Maar nu wordt het onze tijd, jonge dame, neem dus afscheid van tante en Paula.”
Dezen deden hen nog uitgeleide tot aan het hek en een oogenblik later reden vader en dochter weg.
„Ik heb heel groot nieuws voor je, Pautje,” zeide mevrouw Tillens, zoodra zij en haar dochter weer alleen waren. „Oom heeft mij een voorstel gedaan, maar ik heb gezegd, dat ik er nog een paar dagen over moest denken, want als jij het al te akelig vindt, dan wil ik het niet aannemen.”
„Wat is het dan toch, moesje?”
„Als het doorgaat zou je van hier weg moeten, zou je dat héél naar vinden?”
„Ik weet het niet, ma, nu Annie weg is, heb ik het hier zoo stil.”
„Nu, oom kwam vragen of jij er zin in zou hebben met Bertha samen privaatlessen te nemen, om daarna met haar naar het gymnasium te gaan en later te studeeren.”
Paula’s oogen glinsterden van blijdschap. „Meent u het? O, moes, het is bijna te heerlijk!”
„Maar je moet niet vergeten, dat je dan nooit meer hier komt, want wij moeten dan in de stad gaan wonen en je bent zoo aan het buitenleven gewend.”
„Ja, moesje, dat is wel zoo, maar u weet niet hoe heerlijk het daar is met al die andere meisjes. Hier ben ik altijd alleen.”
„Wij waren toch samen, Pautje, maar je hebt misschien gelijk,” merkte mevrouw Tillens met een zucht op, „jong hoort bij jong en een oude moeder is geen vroolijk gezelschap voor een meisje van dertien jaar.”
„Neen, ma, dat moet u niet zeggen,” riep Paula verdrietig, terwijl zij een arm om den hals van haar moeder sloeg, „maar u weet niet hoe prettig het daar bij mevrouw Stubbens was.”
„Zeker, kindje, ik begrijp het best; dus zal ik dan Zondag maar aan oom zeggen, dat ik zijn voorstel aanneem?”
„Verrukkelijk, moesje, met Bertha en nu eerst ook nog met Annie op dezelfde school!” en de anders zoo kalme Paula danste in haar blijdschap de kamer rond.
Mevrouw Tillens verlangde bijna even sterk naar den Zondag als haar dochtertje en toen Paula, die den Zondagmorgen al een half uur met den neus tegen de ruiten gedrukt had gezeten, haar eindelijk opgetogen van blijdschap toeriep, dat het rijtuig aankwam, stond zij al geheel gereed te wachten.
Bertha had van haar moeder toestemming gekregen om mee te gaan om haar tante en nichtje te halen, en het duurde niet lang of mevrouw Tillens en Paula zaten bij hen in het rijtuig.
„Oom,” zeide Paula, onder het rijden, „als ik dien vorigen Zondag niet verdwaald was, dan had ik tante niet ontmoet en dan zou u niet bij ons gekomen zijn.”
„Dat denk je maar,” antwoordde de heer Van Scheik, „ik was het al lang van plan, maar ik was bang, dat je moeder niets van mij wilde weten en daarom heb ik niet eerder durven komen.”
„Foei, Johan, hoe kan je zoo spreken, dat weet je wel beter!” riep mevrouw Tillens verontwaardigd.
„Daar staat mama aan het raam naar ons uit te kijken,” zeide Bertha en het volgende oogenblik hield het rijtuig voor het huis der familie Van Scheik stil.
Onmiddellijk werd van binnen de deur geopend en nu had er een innige begroeting tusschen de beide zusters plaats.
„Ach, Paula, ik heb zoo naar je verlangd,” zeide mevrouw Van Scheik met tranen in de oogen.
„En ik dan, Mina,” was het antwoord van haar zuster. „Weet je wel dat het al vijftien jaar geleden is, dat wij elkaar voor het laatst zagen?”
„Spreek er me niet van, het lijkt me een eeuw,” riep mevrouw Tillens, „maar nu zal het anders worden, want wij komen hier wonen.”
„Ik had wel hoop dat je het voorstel zou aannemen, Paula,” merkte de heer Van Scheik op, „daarom heb ik alvast den sleutel gevraagd van het huis, waarvan ik je sprak, dan kan je het van middag gaan zien. Het is hier schuin tegenover, je kunt het van hier zien, dat huis met het bordje „te huur.””
„Wat, dat groote huis! zijn de huizen hier allemaal zoo goedkoop?” vroeg mevrouw Tillens.
„O, je zoudt er versteld van staan als je die prijzen hoorde,” antwoordde mijnheer Van Scheik met een knipoogje tegen zijn vrouw.
Na de koffie gingen zij gezamenlijk naar den overkant, want de meisjes wilden natuurlijk ook graag mee en daarna zouden deze Annie gaan opzoeken en haar voor dien middag ten eten vragen.
De bedoelde woning was wel niet zoo groot als mevrouw Tillens eerst dacht, maar ze was ruim en gezellig en het heerlijkst van alles was de groote tuin, die zich achter het huis uitstrekte.
„Als je liever buiten de stad woont om het gevoel te hebben van toch nog buiten te zijn,” zeide de heer van Scheik, „dan kan je even buiten de stad ook nog een huis krijgen; je hebt maar te kiezen.”
„Neen, dank je,” antwoordde mevrouw Tillens, „dat buitenleven kan ons niet schelen, wij zijn veel liever in de buurt van tante, nietwaar, Pautje?”
„Ja, ma, dat is veel prettiger.”
„Dat is dan in orde,” hernam mijnheer Van Scheik, „dan zal ik dit huis morgen dadelijk voor je huren en Dinsdag stuur ik je Mina voor een paar dagen om je met de verhuizing te helpen.”
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
FRANS VAN MEEREL BEZOEKT DEN HEER STUBBENS.
Ongeveer een maand was er verloopen. Mevrouw Tillens woonde reeds sedert een paar weken in de Markusstraat tegenover haar zuster en Paula was bij Bertha in de klas gekomen. Annie die eerst zoo verdrietig was geweest, omdat zij bij tante Dora moest gaan logeeren, bedacht nu met schrik, dat er reeds twee maanden van haar verblijf bij de familie Stubbens om waren. Zij had in dien tijd nog een paar brieven van Mary Ackfield gekregen en in den laatsten had deze haar verteld, dat zij over veertien dagen met haar zuster en den heer Van Walen naar Wilgenhorst kwam, omdat daar het een en ander veranderd moest worden.
Haar brieven aan Annie waren altijd zoo lief en hartelijk, dat het kind bepaald begon te verlangen om kennis met haar te maken, zoodat zij in de wolken was, toen Mary schreef dat zij naar Nederland kwam.
„Tante,” zeide zij toen zij na het lezen van dit schrijven in de huiskamer kwam, waar haar tante zat te werken, „hier is een brief van juffrouw Ackfield, zij komt met haar zuster en papa over veertien dagen naar Wilgenhorst.”
„Dat is aardig Annie, dan zal ik dadelijk schrijven of juffrouw Ackfield hier wil komen logeeren, wat zeg je daarvan?”
„U bent een best tantetje ik vind het heerlijk! schrijft u gauw?”
„Ik beloof het je.”