# Anna Karenina

## Part 9

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/anna-karenina-13214/index.md

De held van het verhaal was reeds op het punt zijn Engelsch geluk te verwerven: een baronetstitel en een landgoed, en Anna wenschte reeds met hem naar dat goed te rijden, toen zij plotseling besefte, dat hij zich eigenlijk moest schamen, en zij schaamde zich er ook over. "Waarover moet hij zich echter schamen en waarover ik dan toch?" vroeg zij zich zelf met half beleedigde verwondering. Er was toch niets waarover zij zich te schamen had. Zij riep de bizondere voorvallen te Moskou in haar geheugen terug. Zij waren goed en aangenaam. Toen zij zich het bal herinnerde, dacht zij aan Wronsky, aan zijn verliefd, ootmoedig gelaat, dacht aan haar verhouding tot hem.... Maar daar stak immers niets in! En evenwel werd het gevoel van schaamte sterker en het was, alsof bij de gedachte aan Wronsky een inwendige stem zeide: "Warm! zeer warm! verzengend!"

"Nu, wat zou dat? Wat beteekent het? Vrees ik dan deze zaak in het aangezicht te zien? zou het dan mogelijk zijn, dat tusschen mij en dezen jongen officier een andere betrekking bestaat of bestaan kan, dan tot ieder ander mijner bekenden?" Zij glimlachte verachtelijk en nam haar boek weer ter hand. Maar nu kon zij in het geheel niet meer bevatten, wat zij las. Zij streek met het vouwbeen langs het vensterglas, toen legde zij het koude vlak tegen haar wang en zou nu luid hebben kunnen lachen, zoozeer bemachtigde haar plotseling een gevoel van vreugde tot in het diepst der ziel; zij gevoelde dat haar zenuwen als snaren al strakker gespannen werden, dat haar oogen zich al verder openden, dat haar vingers zich zenuwachtig bewogen, dat inwendig iets haar adem beklemde en dat alle voorwerpen en klanken in het halfdonker verbazend helder en duidelijk tot haar bewustzijn kwamen. Elk oogenblik beving haar de twijfel, of de trein voor of achterwaarts ging of wel geheel stilstond, of Annuschka naast haar zat of een vreemde, of dat daar op de armleuning een pels of een dier was.... "Ben ik het zelf? of is het een ander?".... Zij vreesde zich aan deze verdooving over te geven; zij stond op om zich te bezinnen en sloeg den plaid terug.

De deur werd geopend. De stem van een geheel ingehuld en met sneeuw bedekt persoon riep haar iets in het oor; zij begreep, dat zij bij een station waren aangekomen en dat die man de conducteur was. Zij vroeg Annuschka om haar pelerine en doek en ging naar de deur.

"Wil u naar buiten gaan?" vroeg Annuschka.

"Ja, ik wil wat frissche lucht scheppen, 't is hier te warm." Zij opende het portier. Sneeuw en wind stormden haar tegen en betwisten haar de deur. Zij opende die echter met beslistheid en ging naar buiten. Zij hield zich tegen den wind aan de balustrade van het platvorm vast. Achter den waggon was zij buiten den wind. Met welbehagen en uit volle borst ademde zij de koude sneeuwlucht in en liet haar blik over het perron en het station gaan. Twee heeren gingen langs haar heen en zagen haar in het gelaat. Nog eenmaal ademde zij met volle teugen de koude lucht in en trok reeds de hand uit den mof om de balustrade te grijpen en weer in den waggon te klimmen, toen een heer in een militairen mantel gewikkeld het licht van de lantaarn naast haar verduisterde. Zij wendde zich om en herkende in hetzelfde oogenblik Wronsky's gelaat. Hij bracht de hand aan de muts, maakte een buiging en vroeg haar, of zij niets wenschte en of hij haar niet met iets kon dienen.

Zij zag hem uitvorschend in de oogen en antwoordde niet terstond. Door de schaduw, die hem bedekte, heen zag zij toch of meende zij althans de uitdrukking van zijn gelaat te zien; het was weer diezelfde uitdrukking van eerbiedige verrukking, die gisteren ook zulk een diepen indruk op haar gemaakt had.--Herhaalde malen in de laatste dagen, maar zoo even ook nog, had zij bij zich zelf gezegd, dat Wronsky een van die honderden jonge mannen was, die overal te vinden zijn en aan wie zij zich zelf nooit zou veroorlooven te denken--en nu, het eerste oogenblik, dat zij weer met hem samentrof, doortintelde haar een gevoel van vroolijke blijdschap. Zij behoefde niet te vragen, waarom hij hier was, zij wist het even zeker, alsof hij het haar gezegd had, dat het slechts was om daar te zijn, waar zij was.

"Ik wist niet, dat gij ook op reis gingt. Waarom is u dan op reis?" vroeg zij, en een niet te verbergen vreugde en levendigheid straalden van haar gelaat.

"Waarom ik op reis ben?" vroeg hij en zag haar vlak in de oogen; "u weet, dat ik reis om daar te zijn, waar u is. Ik kan niet anders."--Op dat oogenblik veegde een windvlaag alle sneeuw van den waggon en rukte aan een losgegane zinken plaat, terwijl de locomotief klagend zijn schril gefluit deed hooren. De verschrikking van den storm loste zich nu voor Anna op in een liefelijke melodie. Hij had haar gezegd, wat haar hart wenschte, maar haar verstand vreesde. Zij antwoordde niets, maar haar gelaat verried den innerlijken strijd.

"Vergeef mij, indien ik daareven iets gezegd heb, dat u onaangenaam is," sprak hij deemoedig, beleefd en eerbiedig, maar toch zoo kalm, dat zij er een oogenblik niets op antwoorden kon.

"Wat gij daar zegt is slecht, en ik smeek u, als gij een weldenkend mensch zijt, vergeet dan, wat gij gesproken hebt, gelijk ik het ook vergeten zal," sprak zij eindelijk.

"Niet één uwer woorden, niet één uwer bewegingen zal en kan ik ooit vergeten.... "

"Genoeg, genoeg!" riep zij uit, terwijl zij te vergeefs haar gelaat, waarnaar hij vol verlangen opzag, een strenge uitdrukking poogde te geven.--Zij greep het koude ijzer van de balustrade, steeg de treden op en ging haastig het voorgedeelte van den waggon in. Bij den ingang bleef zij even staan om over het voorgevallene te denken.--Zij herinnerde zich zijn noch haar woorden, maar zij besefte, dat het zooeven gevoerd gesprek hen ontzettend nader tot elkander gebracht had. Het maakte haar evenzeer verschrikt als gelukkig.

Nadat zij zoo eenige minuten gestaan had, trad zij den waggon binnen en zette zich op haar plaats.--De gespannen toestand, waarin zij te voren verkeerd had, herhaalde zich niet slechts, maar werd sterker en het kwam zoover, dat zij vreesde, dat er iets te strak gespannens in haar zou breken.--Zij sliep den geheelen nacht niet, maar in de spanning en in de droomen, die haar verbeelding vervulden, was niets onaangenaams en duisters meer, maar integendeel iets gelukkigs, gloeiends en opwekkends.

XIX.

Eerst tegen den morgen sliep Anna zittend in. Toen zij ontwaakte, was alles om haar heen wit en licht, en de trein naderde Petersburg.

Terstond bestormden haar de gedachten aan haar huis, haar echtgenoot en haar zoon en de zorgen voor deze en volgende dagen. Met verwondering dacht zij aan haar toestand van gisteren terug. Wat was er toch gebeurd? In het geheel niets! Wronsky had onzin gesproken en daar kon kort en goed een eind aan gemaakt worden!

"En ik heb hem geantwoord, zooals ik doen moest! Of ik het mijn man vertellen zal? Maar wat moet ik hem dan zeggen? Daarover te spreken zou een schijn van gewicht aan iets geven, dat in het geheel niet van beteekenis is."

Zij dacht er aan, dat zij gedurende haar huwelijk driemaal in dezelfde positie verkeerd had. Zij herinnerde zich, dat, toen zij haar echtgenoot eens van een liefdesverklaring verteld had, die een jong ambtenaar haar had gedaan, hij hierop antwoordde: dat elke vrouw in de groote wereld aan zoo iets was blootgesteld, dat hij echter geheel op haar tact vertrouwde en noch zich zelf noch haar door ijverzucht zou beleedigen.

"Dus heb ik niets te vertellen! Het is ook, God zij dank, niets," sprak zij voor zich heen en stond op om den wagen te verlaten.

De eerste, dien zij te Petersburg, toen de trein stil hield, opmerkte, was haar echtgenoot.

"Mijn hemel, hoe komt hij toch aan zulke ooren?" dacht zij toen zij zijn koele en voorname houding beschouwde, waarbij haar de ver uitstaande ooren, die tot steun voor den rand van den hoed schenen te dienen, bizonder opvielen.

Toen hij haar gewaar werd, ging hij haar te gemoet, terwijl hij zijn lippen tot het gewone spotachtig lachje samenkneep en de groote, matte oogen op haar vestigde. Een onaangename gewaarwording beklemde haar het hart, toen zij dien flauwen blik ontmoette, alsof zij verwacht had hem anders te vinden! maar het meest werd zij getroffen door de ontevredenheid met zich zelf, die zij bij zijn ontmoeting gevoelde. Het was een haar onbekende gewaarwording, een gevoel van veinzerij in de verhouding tot haar echtgenoot.

"Zie nu eens welk een teeder echtgenoot gij hebt--teeder als in het tweede jaar van ons huwelijk! Hij brandt van verlangen u weer te zien!" sprak hij met zijn bedachtzame, fijne stem en op den toon, waarop hij gewoonlijk tot haar sprak, namelijk alsof hij spotte over iemand, die werkelijk zoo zou spreken.

"Is Serëscha gezond?" vroeg zij.

"En dat is nu al het loon voor mijn ijver?" zeide hij. "Gezond, gezond!" en haar den arm aanbiedende geleidde hij haar naar het rijtuig.

Ook Wronsky had dien nacht niet getracht te slapen. Hij zat daar, nu eens recht voor zich uit starend, dan de passagiers opnemende, en hij, die vroeger reeds door zijn onverstoorbare kalmte de hem onbekenden geïmponeerd had, scheen nu nog trotscher en zelfbewuster. Hij zag op de menschen als op levenlooze voorwerpen neer. Een jong zenuwachtig ambtenaar, die tegenover hem zat, begon hem om zijn voorkomen en houding te haten. Hij vroeg hem eerst om vuur, sprak hem aan, stiet hem zelfs aan om te toonen dat hij geen ding, maar een mensch was, doch Wronsky keek hem aan, alsof hij de waggonlamp was en de jonge man trok gezichten in het bewustzijn, dat hij onder den druk dezer negeering als mensch van zijn stuk geraakte.

Wronsky zag en hoorde niets. Hij gevoelde zich als een souverein, niet omdat hij meende op Anna indruk te hebben gemaakt--want daarvan was hij nog niet ten volle overtuigd--maar omdat de indruk, dien zij op hem gemaakt had, hem reeds gelukkig deed zijn.

Wat het einde daarvan zou wezen, wist hij niet en daar dacht hij ook in het geheel niet aan. Hij besefte, dat zich al zijn tot hiertoe verbrokkelde krachten nu tot een enkele concentreerden en met de grootste energie naar een begeerlijk doel streefden, en dit maakte hem gelukkig. Hij was zich slechts bewust tot haar de waarheid gesproken te hebben, dat hij daar zijn moest, waar zij was, dat haar te zien en haar te hooren zijn geheel levensdoel en levensgeluk geworden was. Toen hij bij gindsch station was uitgestegen om een glas selzerwater te drinken en hij Anna zag, vertolkte zijn eerste woord haar onwillekeurig, wat hij dacht, en hij verheugde er zich over, dat hij het haar gezegd had, dat zij het wist en er aan denken moest.

Te Petersburg den waggon verlatende, gevoelde hij zich, ondanks den slapeloozen nacht, frisch en opgewekt als na een koud bad. Hij bleef bij zijn waggon staan en wachtte tot zij den haren zou verlaten hebben.

"Ik zal haar nog eenmaal zien," dacht hij; "zij zal iets zeggen, het hoofd omwenden, opzien en misschien glimlachen."

Maar voor hij haar zag, werd hij haar echtgenoot gewaar, die door den stationschef beleefd door de menigte geleid werd.

"Ja, zoo, haar man!" Voor het eerst werd het Wronsky duidelijk, dat die man een persoon was, die bij haar behoorde; hij wist dat zij een echtgenoot had, maar aan diens bestaan had hij tot hiertoe schier niet gedacht. Dit gebeurde nu eerst, nu hij hem in levenden lijve voor zich zag, met zijn hoofd, schouders, beenen en zijn zwarte kleeding, vooral toen hij zag, dat die man haar als zijn eigendom aan den arm wegvoerde. Hij was als een dorstige, die eindelijk een bron gevonden heeft, maar daarin een schaap, een hond of een zwijn ontdekt, die het water troebel heeft gemaakt. Vooral hinderde Wronsky de manier van gaan van dien man, met die korte, stramme schreden, waarbij hij telkens de heupen optrok. Maar zij was dezelfde en haar aanblik werkte als vroeger physisch opwekkend op hem en verschafte hem een zalig genot. Hij beval zijn Duitschen bediende zijn bagage te bezorgen en weg te rijden; hij zelf echter naderde Anna. Hij had de eerste begroeting der echtgenooten gezien en met den scherpen blik van een verliefde de sporen eener kleine verlegenheid in haar gesprek met haar man bespeurd.

"Neen, zij bemint hem niet, zij kan hem niet beminnen!" was de gevolgtrekking, die hij maakte.

Terwijl hij hen achterop kwam, bemerkte hij met voldoening, dat Anna zijn nadering gevoelde; zij zag om en wendde zich, toen zij hem herkend had, terstond weer tot haar echtgenoot.

"Ik hoop, dat u een goeden nacht gehad heeft!" zeide hij en boog te gelijk voor beiden, terwijl hij het aan Alexei overliet den groet op zijn conto te nemen en hem te willen kennen of niet naar zijn believen.

"Ik dank u, zeer goed," antwoordde zij.

Haar gelaat droeg sporen van vermoeidheid; daarop ontbrak die levendigheid, die zich nu eens in een lach, dan in den glans der oogen verried; maar eenmaal schoot er toch een straal uit haar oogen tot hem over, en al werd dit vuur dadelijk gedoofd, hij was er toch werkelijk door beloond. Zij zag haar man vragend aan, of hij Wronsky ook herkende. Alexei Alexandrowitsch zag hem onverschillig en verstrooid aan, alsof hij zich zijner nauwelijks herinnerde. Wronsky's rustige kalmte en fier zelfbewustzijn stieten op Karanins hoog gevoel van eigenwaarde af als de zeis op een steen.

"Graaf Wronsky," zeide Anna.

"O, ik geloof dat we elkander al kennen," antwoordde Alexei Alexandrowitsch onverschillig en reikte Wronsky de hand. "Met de moeder zijt gij heengegaan en met den zoon komt gij terug," zeide hij, duidelijk elke lettergreep doende hooren, alsof elk woord een roebel was, dien hij haar schonk. "U is zeker met verlof hier?" voegde hij er bij en wendde zich, zonder het antwoord af te wachten, op zijn gewonen spottenden toon weer tot zijn vrouw: "Werden er bij het afscheid te Moskou veel tranen vergoten?"

Hij wilde Wronsky te kennen geven, dat hij met zijn vrouw alleen wenschte te zijn, en zich een weinig omkeerend tastte hij aan zijn hoed. Maar Wronsky wendde zich tot Anna: "Mag ik verzoeken om de eer mijn opwachting te mogen maken?"

"'t Zal ons zeer aangenaam zijn," antwoordde Alexei Alexandrowitsch; "elken Maandag ontvangen wij." Na Wronsky aldus zijn afscheid te hebben gegeven, ging hij tot Anna gewend voort: "Wat treft het goed, dat ik juist een half uur vrij heb om u af te halen en mijn teedere zorg te toonen," liet hij er op schertsenden toon op volgen.

"Gij onderstreept uw teedere bezorgdheid zoozeer," antwoordde zij denzelfden toon aanslaande, "dat ik ze wel waardeeren moet;" te gelijk luisterde zij onwillekeurig naar den klank van Wronsky's voetstappen achter haar. "Wat gaat mij dat aan?" dacht zij en vroeg haar man, hoe Serëscha den tijd had doorgebracht.

"O, uitstekend! Mariette zegt, dat hij zeer aardig geweest is en--ik moet u bedroeven--hij heeft in het geheel niet naar u verlangd, in het geheel niet, zooals uw trouwe heer gemaal gedaan heeft. Nog eens merci, melieve, dat ge mij een dag meer geschonken hebt. Onze lieve Samowar zal er geheel door verrukt zijn." (Samowar noemde hij de beroemde gravin Lydia Iwanowa, omdat zij altijd bij iedere gelegenheid in vuur geraakte en overkookte.) "Zij heeft reeds naar je gevraagd. Weet je: ik raad je aan haar vandaag nog te bezoeken. Haar hart deelt in alles en allen. Bij al haar andere zorgen, interesseert zij zich nog bizonder voor de verzoening onzer Oblonsky's."

Gravin Lydia Iwanowna was de huisvriendin der Karenins en het middelpunt van een dier Petersburger kringen, waarin Anna om haar mans wil het meest verkeerde.

"Ik heb haar immers geschreven."

"Ja, maar zij moet alles nauwkeurig weten. Als ge niet al te vermoeid zijt, bezoek haar dan. Nu, Conrad, rijdt ge naar huis; ik moet van hier dadelijk naar de eindzitting. Nu behoef ik mijn middagmaal niet meer alleen te gebruiken," ging hij op ernstigen toon voort; "gij weet niet hoe ge mij verwend hebt...."

En haar met een eigenaardigen glimlach een langen handdruk gevend, hielp hij haar in de coupé.

XX.

De eerste, die haar thuis te gemoet kwam, was haar zoon. Ondanks de vermaning zijner gouvernante was hij het bordes opgeloopen, riep jubelende: "Mama, mama!" en wierp zich om haar hals.

Maar even als haar man, maakte ook haar zoon op haar een teleurstellenden indruk. Zij had zich hem schooner voorgesteld dan hij werkelijk was. Maar toch was hij, zooals hij daar stond, met zijn blonden krulkop, blauwe oogen en gevulde beentjes in de strak gespannen kousen, een allerliefste jongen. Het was voor Anna een heerlijk genot hem bij zich te hebben en zijn liefkoozingen te ontvangen, en zij gevoelde een zedelijke geruststelling, als zij zijn blik vol liefde en vertrouwen tot haar zag opgeslagen en zijn naïve vragen hoorde. Zij haalde de geschenken te voorschijn, die Dolly's kinderen hem zonden en vertelde hem, welk een lief klein meisje die Tania daar in Moskou was, hoe die Tania al kon lezen en haar kleine broertjes en zusjes hielp bij het leeren.

"Is zij liever dan ik, mama?"

"Voor mij zijt gij het beste en liefste op de wereld."

"Dat wist ik wel," zeide Serëscha met een tevreden lachje.

Nauwelijks had Anna haar koffie gedronken, of Lydia Iwanowna werd reeds aangediend. De gravin was een groote en corpulente vrouw, met een ongezonde, geelachtige gelaatskleur, maar prachtige, dwepende, zwarte oogen. Anna hield van haar, maar vandaag was het haar, alsof zij voor het eerst al haar gebreken bemerkte.

"Nu, melieve? Gij hebt hun dus den olijftak gebracht?" vroeg de gravin, toen zij nog nauwelijks de kamer was binnen gekomen.

"Alles is voorbij, maar 't was ook alles niet zoo erg als wij dachten," antwoordde Anna. "Overigens is mijn belle soeur vast besloten ..."

Maar de gravin, die zich voor al wat haar niet aanging interesseerde, had de gewoonte naar datgene, wat haar interesseerde, niet te luisteren, en daarom viel zij Anna in de rede:

"Ja, er is zooveel ellende en boosheid in de wereld, en ik gevoel me vandaag ook zeer ontstemd."

"Hoe komt dat dan?" vroeg Anna met moeite een glimlach onderdrukkend.

"Och, ik begin het moede te worden altijd te vergeefs lansen te breken voor de waarheid; het verlamt mij bijna geheel. Onze aangelegenheid met de zusters" (het betrof eene godsdienstig-patriotische stichting) "ging eerst wonderlijk goed vooruit, maar met die heeren is 't onmogelijk klaar te komen," liet zij er met spotachtige berusting in haar lot op volgen; "in het eerst vatten zij de gedachte goed op, maar toen verminkten zij het plan en beoordeelden alles zoo kleingeestig. Twee of drie van hen, waaronder uw man, hebben de zaak in haar geheele beteekenis opgevat, maar de anderen willen ze nu opgeven. Gister schreef Prawdin er mij over."

Prawdin was een bekende Panslavist, die in het buitenland woonde, en de gravin vertelde, wat hij had geschreven. Daarop ging zij weer haastig heen, want zij moest nog een Panslavistische vergadering bewonen.

"Zoo was het vroeger ook al," dacht Anna, "maar hoe komt het, dat mij dat vroeger nooit is opgevallen? Of is zij vandaag nog opgewondener dan anders? 't Is inderdaad toch belachelijk: haar doel is de deugd, de Christelijke deugd en daarbij ergert zij zich aan alles en ziet overal vijanden, vijanden van Christendom en deugd!"

Na gravin Lydia kwam een harer vriendinnen, de vrouw van een president, en vertelde haar alle nieuwtjes uit de stad. Ten drie ure ging ook deze heen, maar beloofde des middags weer te komen.

Toen Anna alleen was, besteedde zij den overigen tijd van den voormiddag om haar zaken te ordenen en eenige brieven en briefjes, die op haar tafel verzameld lagen, te lezen en te beantwoorden.

Het onbestemde gevoel van schaamte en de opgewondenheid, waardoor zij onderweg was aangegrepen, waren geheel verdwenen. In de gewone omgeving en de bezigheid van haar huiselijk leven had zij weldra haar kalmte, zekerheid en gewetensrust terug gevonden.

Ten vier ure keerde Alexei Alexandrowitsch van het ministerie van binnenlandsche zaken naar huis terug. Zooals meestal het geval was, had hij ook nu geen tijd om eerst naar zijn vrouw te gaan. Hij ging terstond naar zijn kabinet, waar eenige sollicitanten hem wachtten en hij nog eenige stukken moest onderteekenen, die de chef de bureau gebracht had.

Op het diner (bij de Karenins waren er steeds twee of drie gasten genoodigd) verschenen een oude nicht van Alexei Alexandrowitsch, de departementspresident met zijn vrouw en een jong mensch, die als candidaat voor een opengevallen betrekking was aanbevolen.

Met klokslag vijf trad Alexei Alexandrowitsch de eetzaal binnen, met witten das, zwarten rok en twee orderteekens op de borst; hij moest terstond na het diner weer weg, want elke minuut van zijn leven was bepaald en in beslag genomen. Om allen te voldoen, moest hij de grootste stiptheid in acht nemen. Zijn leus was: "Zonder haast, zonder rust." Hij trad alzoo de zaal binnen, groette allen, nam dadelijk plaats, terwijl hij zijn vrouw toeknikte.

"Zie zoo, nu is mijn eenzaam leven weer voorbij. Gij kunt niet gelooven, hoe ongezellig het is alleen te eten."

Onder het diner besprak hij Moskousche aangelegenheden en informeerde met een ironisch lachje naar Stipan Arkadiewitsch; verder liep het gesprek over ambtelijke en maatschappelijke zaken. Na het diner bleef hij nog een half uur met zijn gasten saam, en daarop zijn vrouw weer glimlachend de hand drukkend, stond hij op en ging heen om de vergadering van den rijksraad bij te wonen.

Anna bleef heden, tegen haar vroegere gewoonte, te huis, had eene conferentie met haar modemaakster en ging toen naar de kinderkamer, waar zij den geheelen avond met haar zoontje doorbracht, legde hem zelf te bed, bekruiste hem en dekte hem toe. Zij verheugde zich, niet te zijn uitgegaan en den avond zoo goed doorgebracht te hebben. Het was haar zoo licht om het hart, zij was zoo wel te moede en zij zag zoo helder in, dat al wat haar onderweg zoo gewichtig was toegeschenen, niets meer was dan een der gewone nietige toevalligheden des levens en zij zich daarover noch voor zichzelf noch voor anderen behoefde te schamen. Zij zette zich met een Engelschen roman voor den haard neer en wachtte haar echtgenoot af. Precies om half tien ging de schel over en een oogenblik daarna kwam hij de kamer binnen.

"Zijt gij daar eindelijk?" vroeg zij en stak hem de hand toe.

Hij kuste die en zette zich naast haar.

"Ik zie, dat je reis van goed gevolg geweest is."

"Ja, zeker," antwoordde zij en verhaalde hem alles van het begin af: haar reis met gravin Wronsky, haar aankomst te Moskou, het ongeluk bij het station en dan van haar verrichting in de treurige zaak haars broeders met Dolly.

"Ik kan zulk een mensch niet verontschuldigen, al is hij ook je broeder," zeide Alexandrowitsch gestreng.

Anna glimlachte. Zij begreep, dat hij slechts zoo sprak om te toonen, dat zelfs geen familiebetrekking hem kon bewegen zijn oprechte meening te verzwijgen. Zij kende deze eigenschap van haar echtgenoot en waardeerde die.

"Maar ik verheug mij toch, dat alles zoo gelukkig is afgeloopen en gij weer hier zijt," ging hij voort. "Maar wat zeiden ze daar ginds van de nieuwe dienstregeling, die ik hier in den senaat heb doorgezet."

Anna had niets van deze dienstregeling gehoord en schaamde zich, dat zij iets, dat voor hem zoo belangrijk was, zoo geheel had kunnen ignoreeren.

"Hier is er integendeel veel over gesproken," zeide hij met een glimlach van zelfvoldoening.

Zij bemerkte, dat hij naar een gelegenheid zocht om haar iets van deze voor hem zoo aangename zaak te vertellen, en nu bracht zij er hem door haar vragen toe haar met hetzelfde vergenoegde lachje de ovaties te beschrijven, die men hem naar aanleiding van die hervorming gebracht had.

"Dat heeft mij veel, zeer veel genoegen gedaan, want het bewijst, dat men ook in dat opzicht tot een beter inzicht begint te komen."

Nadat hij een tweede glas thee had gedronken, stond hij op om zich naar zijn kamer te begeven. "Gij zijt in het geheel niet uitgegaan? Hebt ge u dan niet verveeld?" vroeg hij nog.

