# Anna Karenina

## Part 51

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/anna-karenina-13214/index.md

De roodwangige kleine zat aan de tafel en sloeg geweldig met een stop op het tafelblad, terwijl zij met haar zwarte oogen haar moeder aankeek. Deze beantwoordde eene vraag der Engelsche, door te kennen te geven, dat zij zich weer wel gevoelde en dat zij morgen naar het landgoed zouden vertrekken; toen zette zij zich naast het kind neder en begon voor hetzelve de stop op de waterkaraf rond te draaien. Maar het luid, helder klinkend lachen van het kind, de beweging der wenkbrauwen, herinnerden haar zoo levendig aan Wronsky, dat zij, om niet in tranen uit te barsten, opstond en de kamer verliet.

"Is het mogelijk? Is alles ten einde? Neen, hij zal terugkeeren! Maar hoe zal hij mij dan dien vriendelijken lach, zijn geheele blijde opgewektheid, nadat hij met _haar_ had gesproken, kunnen verklaren? Maar al verklaart hij ze niet genoegzaam, ik wil hem toch gelooven. Als ik hem niet geloof, blijft mij slechts dat ééne over, en dat wil ik niet."

Zij zag op de pendule. Er waren slechts twaalf minuten verloopen.

"Nu moet hij mijn briefje al ontvangen hebben en komt terug. Nog maar tien minuten.... Maar als hij nu eens niet komt? Neen, dat kan niet zijn. Hij mag mijn beschreide oogen niet zien. Ik zal mij wasschen. En mijn coiffure? Heb ik mij niet gefriseerd?" Zij kon het zich niet herinneren. Zij trad voor den kapspiegel. Het haar was opgemaakt, maar wanneer? Zij herinnerde het zich niet.

"Wie is dat?" dacht zij toen zij haar gelaat aanschouwde, waar uit een paar ontstoken, zonderling gloeiende oogen haar verschrikt aanzagen. "Dat ben ik toch," begreep zij, en terwijl zij zich verder beschouwde, voelde zij zijn kussen in haar nek; zij trilde en bewoog de schouders. Toen bracht zij haar hand aan de lippen en kuste ze.

"Wat is dat? Word ik dan waanzinnig?" En zij ijlde naar de slaapkamer, waar Annuschka juist bezig was op te ruimen.

"Annuschka," zeide zij, ging voor het meisje staan en zag haar aan, zonder te weten wat zij zeggen wilde.

"U wil naar Darja Alexandrowna rijden?" antwoordde het meisje, alsof zij haar verstaan had.

"Tot Darja Alexandrowna? Ja, daar wil ik heen. Vijftien heen, vijftien terug.... Hij komt dadelijk." Zij haalde het horloge te voorschijn en zag er op. "Maar hoe kon hij heengaan en mij in zulk een toestand achterlaten? Hoe kan hij leven zonder met mij verzoend te zijn?"

Zij ging naar het venster en zag naar de straat. Volgens den tijd had hij al terug kunnen zijn. Maar haar berekening kon onjuist zijn, en zij begon weer de minuten te tellen en na te denken wanneer hij vertrokken was.

Op het oogenblik dat zij op de pendule toeging om er haar horloge mede gelijk te zetten, kwam een rijtuig voor. Zij zag uit het venster. Het was zijn kales, maar niemand kwam de trap op en beneden hoorde zij geen stem. De bode, dien zij had gezonden, was met de kales teruggekeerd. Zij ging hem tegen. Hij had den graaf niet meer aangetroffen; deze was naar het Nischnegorodsche station gereden.

"Wat wil je nog?" vroeg zij op barschen toon den teruggekeerden Michaël, die haar het briefje toehield, "ach ja, hij heeft het niet meer in handen gekregen," herinnerde zij zich. "Rijd met dit briefje naar de villa van gravin Wronsky; je kent het huis toch? en wacht op antwoord."

"Wat zal ik er echter doen?" dacht zij. "Ja, ik rijd naar Dolly, dat is waar. Anders word ik krankzinnig. Ik kon evenwel ook nog telegrafeeren!"

En zij schreef het telegram.

"Ik moet haar noodig spreken. Kom dadelijk terug."

Zij verzond onmiddellijk het telegram en begon zich toen te verkleeden.

Toen zij haar toilet gemaakt en den hoed reeds opgezet had, zag zij de kalme Annuschka weder in de oogen. Een blijkbaar medelijden sprak uit deze kleine, goedige grijze oogen.

"Annuschka! Lieve! Wat zal ik doen?" zeide zij snikkend en viel hulpeloos in een stoel neder.

"Waarom is u zoo ontroerd, Anna Arkadiewna? Zoo iets komt dikwijls voor. U moet uitrijden en u wat verstrooien," antwoordde het meisje.

"Ja, ik wil uitrijden!" zeide Anna zich bezinnende en stond op. "En komt in mijn afwezigheid een telegram, zend het dan naar Darja Alexandrowna.... Of neen, ik kom zelf spoedig terug."

"Ja, men moet niet zooveel denken! ik moet handelen! Vooral uit dit huis weg," sprak zij bij zich zelf, terwijl zij ontsteld naar het kloppen van haar hart luisterde. Zij ging haastig naar buiten en zette zich in het rijtuig neder.

"Waarheen beveelt u?" vroeg Peter.

"Naar de villa Oblonsky."

XXII.

De lucht was helder. Den geheelen morgen was er een fijne, dichte regen gevallen, maar nu was het opgeklaard. De daken der huizen, de steenen der trottoirs, de raderen, het leder, het koper en zilver der equipages, alles schitterde helder in de meizon. Het was drie uur en op de straten was het zeer levendig. Bij den snellen draf der schimmels, bij het onophoudelijk rollen der raderen en de snel afwisselende indrukken in de frissche lucht, zag Anna, die nog eenmaal alle gebeurtenissen der laatste dagen van het begin af doorliep, haar toestand reeds geheel anders in, als te voren toen zij te huis was. De gedachte aan den dood was haar niet meer zoo verschrikkelijk en deze zelf niet meer zoo onvermijdelijk. Zij verweet zich nu nog slechts, dat zij zich zoo ver had vernederd.

"Ik heb hem bezworen mij te vergeven; ik heb mij geheel aan hem overgegeven en beleden schuldig te zijn. Waarom? Kan ik dan niet zonder hem leven?" Zij beantwoordde deze vraag niet, maar begon de opschriften in de straat te lezen: "Kantoor en dépôt--Dentist--Ja, ik wil Dolly alles vertellen. Zij houdt niet van Wronsky. Ik zal mij wel schamen en het zal mij pijn veroorzaken, maar ik wil haar toch alles zeggen. Zij heeft mij lief en haar raad zal ik volgen. Ik wil mij niet onderwerpen. Ik zal hem niet toestaan mij te vergeven ... Philippow ... Bakkerij.--Men zegt, dat zij het brooddeeg naar Petersburg zenden--het Moskouer water moet zoo voortreffelijk zijn.--Metischensky, Mineraalwater en pannekoek...." En nu herinnerde zij zich, dat zij lang geleden, toen zij pas zeventien jaar was, met haar tante--men reisde toen nog met paarden--naar het klooster te Troïtza was gereden en toen hier was gepasseerd." "Is het mogelijk," dacht zij, dat ik dat was? Dat meisje met roode handen? Hoeveel, dat mij toen zoo begeerlijk en onbereikbaar scheen, is mij nu onverschillig, maar hoeveel dat ik toen bezat, is nu voor mij verloren--voor altijd! Zou ik destijds hebben kunnen gelooven eenmaal zoo vernederd te worden?--Wat zal hij trotsch en tevreden zijn als hij mijn brief heeft gezien; maar ik zal hem toonen.... Hoe onaangenaam riekt deze verf! Waarom moet men altijd bouwen en verven?--Modes en coiffures...." las zij. Een man, Annuschka's man, groette haar: "Onze parasieten!" herinnerde zij zich een gezegde van Wronsky: "Onze? Waarom onze?... Het ergste is, dat het onmogelijk is het gebeurde ongedaan te maken.... Maar men kan de herinnering daarvan dooden, begraven.... En dat zal ik...!" En hier herinnerde zij zich haar verloopen leven bij Alexei Alexandrowitsch, dat zij reeds uit haar gedachten had verbannen. "Dolly zal het zoo opvatten alsof ik nu mijn tweeden man wil verlaten, en zal mij voorzeker ongelijk geven. Wil ik dan gelijk hebben? En zij voelde de tranen opwellen. Maar dadelijk dacht zij weder over twee jonge meisjes, die hartelijk lachten, en vroeg, waarover deze wel lachen mochten. Over de liefde? Zij weten nog niet, hoeveel treurigs en vernederends daaraan is verbonden.... Daar is de boulevard! Daar loopen drie jongens ... zij spelen ... Serëscha. Alles zal ik verliezen en men zal hem mij niet teruggeven.... Ja, ik zal alles verliezen als hij nu niet terugkeert. Wellicht heeft hij zich voor den trein verlaat en is misschien al teruggekeerd. Weder denkt gij er aan u te vernederen," sprak zij tot zich zelf. "Neen ik ga naar Dolly en zeg haar alles rechtuit: Ik ben ongelukkig, ik heb het ook verdiend, ik heb schuld, maar ik ben toch ongelukkig--help mij. Deze paarden en dit rijtuig--het staat mij tegen om er mij van te bedienen--het hoort alles aan hem.... Maar weldra zal ik ze niet meer zien!"

Terwijl zij zoo overlegde, hoe zij Dolly alles zou bekennen en daarbij haar hart nog meer wondde, ging zij de trap op.

"Is er bezoek?" vroeg zij in de voorkamer.

"Catharina Alexandrowna Lewina," antwoordde de bediende.

"Kitty! Dezelfde Kitty op wie Wronsky verliefd was," dacht Anna; "dezelfde Kitty, die hij zich steeds zoo gaarne herinnert. Hij betreurt het haar niet gehuwd te hebben. Maar aan mij denkt hij met wrevel en betreurt het mij ooit te hebben ontmoet."

Dolly kwam haar te gemoet.

"Ah, je bent nog niet vertrokken? Ik wilde je zelf bezoeken," zeide zij. "Vandaag heb ik een brief van Stiwa ontvangen."

"Wij hebben ook een telegram gekregen," antwoordde Anna en zag naar Kitty om.

"Hij schrijft, dat hij niet kan begrijpen, wat Alexei Alexandrowitsch eigenlijk wil, maar hij zou zonder een bepaald antwoord niet vertrekken."

"Ik dacht bezoek bij u te vinden. Kan ik den brief lezen?"

"Ja,--Kitty--" zeide Dolly wat verlegen. "Zij is in de kinderkamer gebleven. Zij is zeer ziek geweest."

"Dat heb ik gehoord. Kan ik den brief lezen?"

"Ja, ik zal hem dadelijk halen. Hij slaat het wel niet af, integendeel, Stiwa heeft hoop...." zeide Dolly en bleef in de deur staan.

"Ik hoop en wensch volstrekt niets," zeide Anna.

"Wat is dat? Kitty acht het zeker vernederend voor zich om mij te ontmoeten?" dacht Anna toen zij alleen was. "Wellicht heeft zij gelijk. Maar als het ook al waar is, mocht zij het mij toch niet toonen, zij, die op Wronsky verliefd is geweest. Ik weet het: in mijn toestand kan geen vrouw, die veel aan welvoegelijkheid hecht, mij ontvangen. Ik weet, dat ik van het eerste oogenblik af alles heb geofferd. Dat is nu mijn loon. O, wat haat ik hem. En waarom ben ik nu hierheen gekomen? Het wordt mij hier nog zwaarder dan te huis."

Zij hoorde in de andere kamer de stemmen der zusters.

"En wat moet ik nu aan Dolly zeggen? Moet ik Kitty de voldoening geven te zien, dat ik ongelukkig ben en dat ik bescherming inroep? Neen, en ook Dolly zal mij niet begrijpen. Ik heb haar niets te zeggen.... Het zou echter niet kwaad zijn Kitty te ontmoeten en haar te toonen, dat ik alles veracht en dat ik voor alles onverschillig ben."

Dolly kwam met den brief terug. Anna las dien en reikte hem zwijgend weer over.

"Dat alles heb ik geweten," zeide zij, "en het interesseert mij in het minste niet."

"Waarom niet? Ik, integendeel heb hoop," antwoordde Dolly en zag Anna uitvorschend aan. Nog nimmer had zij haar in zulk een zonderlingen, opgewonden toestand gezien. "Wanneer zul je vertrekken?"

Anna zag met half toegeknepen oogen voor zich uit en gaf geen antwoord.

"Kitty schijnt zich voor mij te verbergen?" zeide zij met een blik naar de deur, terwijl het rood haar gelaat begon te kleuren.

"Och, dat is onzin! Zij is bij het voeren van het kind, dat nog niet recht goed wil gaan, en ik heb haar aangeraden.... Neen, het doet haar genoegen! Zij zal dadelijk komen," antwoordde Dolly, die weinig aanleg had om te liegen. "Daar is zij."

Toen Kitty vernam, dat Anna er was, had zij niet te voorschijn willen komen. Maar Dolly had haar toch overreed. Met inspanning van al haar kracht trad zij nu binnen, naderde blozend en reikte haar de hand.

"Het doet mij veel genoegen," zeide zij, maar haar stem beefde. Het gevoel van afkeer van deze moreel slechte vrouw en de wensch voor haar niet hard te zijn kampten in haar binnenste en zij was daardoor eenigszins verlegen; maar toen zij Anna's schoon, innemend, ongelukkig gelaat aanschouwde, verdween alle bitterheid en zij gevoelde slechts medelijden.

"Het zou mij niet verwonderd hebben als u ongezind was geweest mij te ontmoeten. Ik ben daaraan reeds gewoon. U is ziek geweest. Ja, uw voorkomen is veranderd," zeide Anna.

Kitty gevoelde, dat Anna haar vijandig aanzag. Des te meer medelijden had zij met haar. Deze vijandschap was haar verklaarbaar uit de onbehagelijke verhouding, waarin Anna, die vroeger haar protegeeren wilde, zich nu tegenover haar bevond.

"Zij spraken over Kitty's ziekte, over haar kind, over Stiwa, maar blijkbaar was er niets, dat Anna belang inboezemde.

"Ik ben gekomen om afscheid te nemen," zeide zij en stond op.

"Wanneer vertrekt u dan?"

Maar weder zonder te antwoordden, wendde Anna zich tot Kitty.

"Ja, het doet mij veel genoegen u gezien te hebben," zeide zij lachend. "Ik heb zooveel van u gehoord, zelfs door uw man. U weet, dat hij mij heeft bezocht," voegde zij er met kwade bedoeling bij. "Waar is hij?"

"Hij is naar buiten vertrokken," antwoordde Kitty blozend.

"Groet hem van mij, groet hem bepaald."

"Zonder verzuim," antwoordde Kitty naïef en zag haar medelijdend in de oogen.

"Nu, vaarwel, Dolly." En terwijl zij deze kuste en Kitty de hand drukte, verwijderde Anna zich haastig, terwijl Dolly haar uitgeleide deed.

"Nog altijd als vroeger, even innemend en zeer schoon," zeide Kitty, toen zij weer met haar zuster alleen was. "Maar zij heeft iets vreemds over zich, iets dat medelijden inboezemt."

"Ja," zeide Dolly! "Maar vandaag gaat er iets bizonders in haar om. Toen ik haar naar de vestibule vergezelde, zag zij er uit alsof zij in tranen zou losbarsten."

XXIII.

Nog in slechter gemoedsstemming dan toen zij van huis ging, steeg Anna weer in het rijtuig. Met de vroegere kwelling paarde zich nu nog het gevoel van beleediging en verstooting, die zij zoo duidelijk in haar ontmoeting met Kitty had ondervonden.

"Waarheen beveelt u?" vroeg Peter.

"Naar huis," antwoordde zij. Zij dacht nu in het geheel er niet meer over waarheen zij anders zou kunnen gaan.

"Hoe nieuwsgierig zagen zij mij aan, als iets monsterachtigs en onbegrijpelijks!... Wat heeft deze aan dien andere met zulk een ijver te vertellen?" dacht zij en zag naar de voetgangers op de straat. "Kan men een ander mededeelen, wat men gevoelt? Ik wilde met Dolly spreken.... Het is goed dat ik het niet gedaan heb. Zij zou zich over mijn ongeluk verheugd hebben! Zij zou dat wel niet hebben getoond, maar in den grond toch een voldoening gesmaakt hebben, dat ik voor al de voorrechten, die zij mij benijden moest, nu gestraft ben. En Kitty? Zij zou nog meer verheugd zijn geweest. Ik ken haar door en door. Zij weet, dat ik de oogen van haar man meer dan gewoon beminnenswaardig geweest ben. Zij is ijverzuchtig en haat mij. En zij veracht mij nog bovendien. In haar oogen ben ik een immoreele vrouw. Was ik dit, dan had ik haar man op mij verliefd kunnen maken, als ik had gewild. Het voornemen is wel bij mij opgekomen, ik erken het.... Deze is ook met zich zelf tevreden," dacht zij van een dikken heer met roode wangen die voorbijreed en groette, daar hij haar voor een dame zijner kennis hield. "Hij denkt, dat hij mij kent en hij kent mij zoo weinig als iemand ter wereld. Ik ken mij zelf nauwelijks.... Die zouden gaarne van dat vuile ijs hebben," dacht zij, toen zij twee knapen zag, die bij een ijsverkooper stonden, die van zijn hoofd een vaatje nederliet en met het einde van een handdoek zijn bezweet gelaat afwischte. "Heeft men geen bonbons, dan neemt men het voor lief met smotsig ijs. Zoo ook Kitty. Toen ze Wronsky niet krijgen kon, vergenoegde zij zich met Lewin. En zij benijdt mij, en wij haten elkander--ik Kitty en Kitty mij--dat is waar.... Jätkin coiffeur.... Je me fais coiffer par Jätkin.... Dat wil ik hem zeggen, als hij komt," dacht zij en lachte.

Op hetzelfde oogenblik herinnerde zij zich, dat zij nu niemand had, dien zij iets grappigs kon zeggen. "Er is ook niets vroolijks meer. Alles is afschuwelijk. Men luidt voor de vesper en die koopman daar bekruist zich zoo voorzichtig, alsof hij vreest, daarbij iets te laten vallen. Waartoe deze kerken, dit klokgelui? Waartoe al deze leugens? Slechts daartoe om er achter te verbergen, hoe wij allen elkander haten, juist als gindsche droschke-koetsiers, die zoo ruw elkander uitschelden; Jawschin zeide: De anderen willen me het vel over de ooren halen en ik hen--dat is de waarheid."

Onder zulke gedachten, waarbij zij haar eigen toestand vergat, kwam zij aan haar woning terug. Bij den aanblik van den portier herinnerde zij zich, dat zij een brief en een telegram had afgezonden.

"Is een antwoord gekomen?" vroeg zij.

"Ik zal eens zien," antwoordde de portier, zag op den schrijflessenaar in het kantoor en gaf haar een telegram over in een couvert van dun papier. "Vóór tien uur kan ik niet komen. Wronsky," las zij.

"En de bode is nog niet terug?"

"Nog niet," antwoordde de portier.

"Als dat zoo is, dan weet ik, wat mij te doen staat," zeide zij, en terwijl zij een gevoel van toorn, dat op iets onbepaalds gericht was en de behoefte aan wraak in haar opstegen, snelde zij naar boven.

"Ik zal zelf naar hem toerijden. Ik zal hem alles zeggen vóór ik voor altijd vertrek. Nimmer heb ik een mensch zoo gehaat als hem," dacht zij.

Toen zij zijn hoed aan den kapstok zag hangen, rilde zij. Zij overlegde in het geheel niet, dat dit telegram slechts een antwoord op het hare was en dat hij haar brief nog niet had kunnen ontvangen. Zij stelde zich hem nu voor in rustig gesprek met zijn moeder en met Sorokina, zich verheugende over haar leed. "Ja, ik moet sneller rijden," zeide zij, zonder te weten waarheen? Zij wilde vluchten, sneller vluchten voor de gewaarwordingen, die zij in dit verschrikkelijk huis had doorgestaan. De bedienden, de tapijten, de meubels, alles in dit huis vereenigde zich om haar een ontzettenden afkeer in te boezemen, die als een last op haar drukte.

"Ja, ik moet naar het station rijden; ik rijd er heen en zal hem overvallen!"

Zij zag in de courant naar het vertrek van den trein.

"'s Avonds acht uur twee minuten. Ha, ik kom nog bijtijds."

Zij liet inspannen en pakte in een reistasch de noodzakelijkste dingen voor eenige dagen. Zij wist, dat zij in dit huis niet weer zou terugkeeren. Zij kwam onder de menigte plannen, die haar hoofd doorkruisten, tot het besluit, dat zij na het bezoek aan de villa der gravin zich naar het naaste station begeven, over den Nischnegorodschen spoorweg naar de naaste stad reizen en daar blijven zoude.

Het middagmaal stond reeds opgedischt. Zij ging naar de tafel, maar toen zij bemerkte, dat zelfs de reuk der spijzen haar tegenstond, liet zij het rijtuig voorkomen en ging naar buiten. Het huis wierp zijn schaduw reeds over de geheele straat; het was een heldere, warme avond.

Annuschka en Peter, die haar volgden en haar goed in het rijtuig droegen, de blijkbaar ontevreden koetsier, allen stonden haar tegen en hinderden haar met hun woorden en gebaren.

"Ik heb je niet noodig, Peter."

"Maar het plaatsbillet?"

"Nu, zooals je wilt, 't is mij hetzelfde," zeide zij verdrietig.

Peter sprong op den bok, en terwijl hij de hand in de zijde zette, beval hij den koetsier naar het station te rijden.

XXIV.

"Ja, wat was dat ook voor een goede gedachte, die ik onlangs had?" dacht Anna, toen zij de raderen van het rijtuig weer over het plaveisel hoorde rollen en in de weeke kussens begon te schommelen: "Jätkin--coiffeur.... Neen, dat was het niet. Juist! Dat, wat Jawschin gezegd heeft.... De strijd om het bestaan en de haat.... Dat is een deel van datgene, wat de menschen aan elkander bindt.... Neen, gij rijdt te vergeefs!" zeide zij in gedachten tot een gezelschap van personen in een kales met vierspan, die, zooals het scheen, voor hun pleizier een uitstapje buiten de stad wilden maken. "En de hond, dien ge daar bij u hebt, zal u ook niet kunnen helpen! Zich zelf kan men niet ontloopen...."

Zij wendde den blik zijwaarts daarheen, waar Peter naar iets scheen te kijken. Een smoordronken fabrieksarbeider werd door een politieagent weggebracht.

"Deze toch wellicht," dacht zij; "maar wij, graaf Wronsky en ik, wij hebben het geluk niet gevonden, hoeveel we ons daarvan ook hadden voorgespiegeld!... Wat heeft hij eigenlijk in mij gezocht? Minder liefde dan voldoening zijner ijdelheid." Zij herinnerde zich nu levendig al zijn woorden en bewegingen uit den eersten tijd hunner verbintenis. "Ja, hij heeft het genoegen gesmaakt zijn eerzucht bevredigd te zien. Wel is waar was daarbij ook liefde, maar voor het grootste deel was het toch de trots van het goed succes. Hij wilde met mij pralen. Nu is alles voorbij. Ik heb niets, waar ik trotsch op zijn kan, maar heb mij slechts te schamen. Hij heeft mij alles ontnomen, wat hij konde, nu behoeft hij niets meer. Ik ben hem tot last en hij beijvert zich slechts, jegens mij niet oneerlijk te zijn. Hij heeft zich gisteren versproken--hij wenscht de scheiding en dan het huwelijk om de schepen achter zich te verbranden.... Hij bemint mij--Maar hoe? The zest is gone.... Die daar wil, dat allen hem bewonderen en is met zich zelf tevreden," dacht zij bij den aanblik van een commies met roode wangen, die op een manegepaard voorbijreed. "Ja, hij heeft den smaak in mij verloren. Als ik hem nu verlaat, zal hij in den grond van zijn hart blijde zijn. Mijn liefde wordt steeds hartstochtelijker en zelfzuchtiger, de zijne daarentegen verflauwt meer en meer; derhalve moeten wij van elkander gaan. Er is anders geen uitkomst. Al het mijne ligt in hem, en ik vorder van hem, dat hij zich geheel aan mij toewijdt; hij wil zich echter meer en meer van mij terugtrekken. Tot op het oogenblik onzer vereeniging zijn wij elkander genaderd, sedert verwijderen wij ons onophoudelijk. En dat is niet te veranderen. Hij zegt mij, dat ik bovenmatig ijverzuchtig ben en ik heb mij zelf dat gezegd. Maar dat is niet waar. Niet jaloersch, maar ontevreden ben ik. Doch...." In de gemoedsbeweging, door haar gedachten verwekt, verwisselde zij van plaats in het rijtuig en bewoog onwillekeurig de lippen om te spreken.... "Indien ik voor hem een verstandige vriendin trachtte te zijn en niet zijn hartstochtelijke minnares.... Maar ik kan en wil niets anders zijn. En hierdoor verwek ik bij hem slechts tegenzin en bij mij zelf toorn. En dat zal niet anders worden. Ik weet zeer goed, dat hij mij niet bedriegt; hij heeft het oog niet op Sorokina, hij is niet meer verliefd op Kitty, hij zal mij niet ontrouw worden--dat alles weet ik, maar dat helpt mij niet. Indien hij, zonder mij te beminnen, slechts uit plichtgevoel goed en teeder voor mij is, dan is dat niet wat ik verlang; dat is honderdmaal erger dan haat, dat is de hel. En dat juist is het geval. Hij bemint mij reeds lang niet meer. En waar de liefde ophoudt, begint de haat. Als ik verstandig ben, laat Alexei Alexandrowitsch mij misschien Serëscha over en ik trouw met Wronsky." Terwijl zij zich Alexei Alexandrowitsch herinnerde, stond hij dadelijk levendig voor haar met zijn vermoeiden, half uitgedoofden blik, met de gezwollen aderen op zijn witte handen, met de eigenaardige stem en met het knakken zijner vingers. En bij de herinnering aan het gevoel, dat hen vereenigd had en dat ook liefde genoemd werd, huiverde zij van afkeer.

