# Anna Karenina

## Part 48

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/anna-karenina-13214/index.md

"Maar haar positie in de wereld is eene onmogelijke," ging Oblonsky voort, hem weder met de hand aanrakend, alsof hij overtuigd was, dat zulk eene aanraking zijn zwager zou verteederen: "Haar toestand is ondragelijk en kan slechts door u worden verlicht, en je verliest daarbij niets. En dan heb je het haar ook beloofd."

"Te voren! Dat was een vroegere belofte! Maar mij dunkt de vraag omtrent mijn zoon heeft aan alles een einde gemaakt. Buitendien had ik ook gehoopt, dat Anna Arkadiewna zoo edelmoedig zou zijn...." Alexei Alexandrowitsch was bleek geworden en sprak dit met moeite en met bevende lippen.

"Zij laat ook alles aan uw edelmoedigheid over; zij smeekt en bidt u slechts om dit eene: haar uit dezen ondragelijken toestand te bevrijden. Zij maakt volstrekt geen aanspraak meer op den zoon. Alexei Alexandrowitsch, gij zijt een goed mensch. Stel je een oogenblik in haar plaats. De vraag der scheiding is voor haar een vraag van leven en dood. Had je het haar vroeger niet beloofd, dan zou zij zich met haar toestand verzoend hebben en zou op het land zijn gebleven; maar je hebt het haar beloofd, zij heeft je geschreven en is toen naar Moskou overgekomen; en hier in Moskou, waar elke ontmoeting haar als een dolksteek door het hart gaat, vertoeft zij nu sedert zes maanden, elken dag op de echtscheiding wachtende! Dat is evenzoo als dat men een ter dood veroordeelde maanden lang met den strop om den hals laat rondgaan en hem van daag den dood en morgen gratie in uitzicht geeft. Heb toch mededoogen met haar, en dan wil ik wel op mij nemen al het verdere te regelen. Vos scrupules...."

"Daarvan, daarvan spreek ik niet," viel Karenin hem met onwil in de rede: "Maar ik heb wellicht iets beloofd, wat ik niet beloven mocht."

"Je wilt dus herroepen, wat je beloofd hebt?"

"Ik heb nimmer een belofte verbroken, als het mogelijk was ze te vervullen. Maar ik wensch, dat men mij tijd laat om te overleggen, in hoever het mogelijk is, wat ik beloofd heb...."

"Neen, Alexei Alexandrowitsch," riep Oblonsky uit en sprong op. "Dat kan en wil ik niet gelooven! Zij is zoo ongelukkig als slechts een vrouw zijn kan, en je kunt haar onmogelijk weigeren aan zulk...."

"Men kan slechts beloven wat mogelijk is. Vous professez d'être un libre-penseur--maar ik, als een geloovig mensch, kan in zulk een gewichtige zaak niet tegen de Christelijke geboden handelen."

"Maar in de geheele Christenheid, en ook bij ons zooveel ik weet, is een echtscheiding geoorloofd." antwoordde. Oblonsky en staarde opmerkzaam in het geheimzinnig en donker gelaat van zijn zwager. "Ook onze kerk laat een echtscheiding toe."

"Zij laat ze toe, maar niet in dit geval."

"Alexei Alexandrowitsch, ik herken je niet," zeide Oblonsky na een oogenblik zwijgens. "Waart ge dan niet degene, die alles had vergeven en, slechts geleid door een Christelijk gevoel, bereid waart alles op te offeren?" Je hebt zelf gezegd: "Als men den rok neemt, wil ik ook den mantel geven.... En nu...!"

"Ik bid je," zeide Karenin plotseling verbleekend met bevende en klagende stem, terwijl hij opsprong: "Ik bid je dit gesprek te staken...."

"Ach neen, vergeef mij als ik u leed gedaan heb," zeide Oblonsky en reikte hem met een verlegen lachje de hand. "Maar ik moest als gezant toch aan mijn opdracht voldoen."

Alexei Alexandrowitsch dacht na.

"Wanneer," dacht hij, "zal eindelijk deze smaad en vernedering een einde nemen? Is het mogelijk, dat die eene fout, dat ik deze zedelooze vrouw heb gehuwd, al deze ellende heeft nagesleept? En welke vernederingen zullen nog volgen? En wanneer? Thans, nu ik mij geestelijk zoo verheven, bevrijd van menschelijke dwaasheden en zoo nabij mijn Heiland gevoel! Zal ik mijn belofte breken of--mij vernederen? Ik zelf kan dat niet beslissen. Ik zal mij in Gods hand stellen en Zijne leiding volgen."

"Ik zal het overleggen en op een aanwijzing wachten. Overmorgen zal ik u mijn beslissend antwoord geven," zeide hij peinzend.

Stipan Arkadiewitsch wilde heengaan, toen Karnej binnentrad en "Sergej Alexejewitsch" aandiende.

"Sergej Alexejewitsch?" vroeg Oblonsky, doch zich dadelijk bezinnend, liet hij volgen: O, Serëscha! Ik dacht reeds aan den departements-directeur. Anna heeft mij verzocht ook Serëscha te groeten.

En hij herinnerde zich haar klagende, schuchtere uitdrukking, waarmede zij bij zijn heengaan gezegd had. "Je zult hem toch zien? Tracht ook uitvoerig te vernemen, hoe 't hem gaat en wie bij hem is. En Stiwa ... als het mogelijk ware! Het is misschien mogelijk!" Stiwa had de beteekenis van dit "als het mogelijk ware" verstaan, maar hij zag nu in, dat daaraan--dat bij de scheiding haar de zoon werd toegekend--volstrekt niet was te denken. Nu verheugde hij zich slechts zijn neef te zien.

Alexei Alexandrowitsch herinnerde zijn zwager, dat in tegenwoordigheid des zoons nimmer van de moeder werd gesproken en dat hij derhalve ook hem verzocht met geen woord aan haar te herinneren.

"Na het laatste wederzien zijner moeder is hij zeer ziek geworden," zeide Alexei Alexandrowitsch. "Wij vreesden zelfs voor zijn leven. Maar een verstandige vrouw en de zeebaden hebben zijn gezondheid weer hersteld en nu heb ik hem op raad van den dokter op school gedaan. En de omgang met zijn makkers oefent inderdaad een goeden invloed op hem uit; hij is nu volkomen gezond en leert goed."

"Welk een flinke jongen ben je geworden! Volstrekt geen Serëscha meer, maar al werkelijk een Sergej Alexejewitsch!" zeide Oblonsky lachend, terwijl hij den knappen, frisch opgegroeiden knaap aanzag, die driest en ongedwongen in zijn donker buis en lange pantalon de kamer binnenkwam. Hij groette zijn oom als een vreemde, maar bloosde toen hij hem herkende en wendde zich snel van hem af, alsof hem een of ander geërgerd had. Hij trad voor zijn vader en reikte hem zijn schoolattest over.

"Nu 't is goed, je kunt weer gaan," zeide de vader.

"Hij is slanker en grooter geworden; hij is geen kind meer, maar een jongen," zeide Stipan Arkadiewitsch. "Kun je u mijner nog herinneren?"

De knaap zag haastig zijn vader aan.

"Ja ik herinner mij nog--mon oncle," antwoordde hij en zag hem aan om dadelijk weer den blik neer te slaan.

De oom riep hem bij zich en nam zijn hand. "Nu, hoe gaat het je dan?" vroeg hij, wenschende een gesprek te beginnen, maar wist zelf niet, wat hij zeggen zoude.

De knaap bloosde en trachtte behoedzaam en zwijgend zijn hand terug te trekken. En als een vogel, dien men de vrijheid weder geeft, stond hij, toen zijn oom hem had losgelaten, slechts een oogenblik stil, om weder zijn vader vragend aan te zien, en verliet toen de kamer met snelle schreden.

Er was een jaar verloopen sedert Serëscha zijn moeder het laatst had gezien. Na dien tijd had hij niets meer van haar vernomen. In hetzelfde jaar was hij op school gekomen en leerde hij zijn makkers kennen en liefhebben. De droomen en herinneringen, die met zijn moeder in betrekking stonden, hielden hem na zijn ziekte niet meer bezig en hij beijverde zich zelfs zich er tegen te verzetten, daar hij er zich voor schaamde, dewijl hij ze wel gepast vond voor een meisje, maar niet voor een jongen, die reeds de school bezocht. Hij wist, dat tusschen zijn vader en zijn moeder eene oneenigheid was ontstaan, tengevolge waarvan zij gescheiden waren, en hij trachtte zich aan deze daadzaak te gewennen.

Toen hij zijn oom zag, die op zijn moeder geleek, werd het hem onbehagelijk te moede, want het deed in hem herinneringen ontwaken, waarvoor hij zich schaamde. Het was hem te onaangenamer, omdat hij uit eenige woorden, die hij toen hij aan de deur wachtte gehoord had, en uit de houding van vader en oom kon opmaken, dat juist over zijn moeder was gesproken. En om zijn vader niet te veroordeelen, met wien hij leefde en van wien hij afhing, vooral echter om zich niet aan zijn gevoeligheid over te geven, die hij vernederend achtte, poogde hij dien oom, die gekomen was om zijn rust te verstoren, niet aan te zien en niet aan datgene te denken, waaraan hij hem herinnerde.

Maar toen Stipan Arkadiewitsch, die kort na hem heenging, hem buiten op de trap inhaalde, hem bij zich riep en vroeg, hoe hij in de school de tusschenuren doorbracht, liet zich Serëscha, omdat hem de tegenwoordigheid zijns vaders niet stoorde, met hem in een gesprek in.

"Wij spelen nu altijd spoorweg," antwoordde hij. "Ziet u, dat wordt zoo gedaan: Twee gaan op een bank zitten, dat zijn de passagiers, en een staat op den bank, de anderen spannen zich er voor. of alleen met de handen of met de gordelriemen. En dan gaat het door alle kamers. De deuren zijn al vooraf opengezet. Het moeilijkste is het daarbij conducteur te zijn."

"Dat is zeker degene die staat?" vroeg Stipan lachend.

"Ja, daarbij moet men onbevreesd en vlug zijn, vooral als de anderen plotseling stilhouden of als iemand valt."

"Ja, dat is geen gekheid," zeide Oblonsky en zag treurig in deze levendige oogen, die geheel aan de moeder herinnerden, maar die niet meer geheel kinderlijk onschuldig waren. Deze lieve jongen boezemde hem deernis in, en hoewel hij Karenin beloofd had niet met hem over Anna te spreken, kon hij dit toch niet nalaten.

"Herinner je uw moeder nog?" vroeg hij plotseling.

"Neen, ik herinner mij niet," antwoordde Serëscha snel, werd purperrood en sloeg de oogen neder. Verder vermocht de oom niets uit hem te halen.

Serëscha's gouverneur vond een half uur later zijn kweekeling nog bij de trap en wist niet, of hij weende of ergens over mokte.

"Heb je u gestooten of ben je gevallen?" vroeg hij. "Ik heb altijd gezegd, dat dit een gevaarlijk spel is. Ik zal het den directeur nog moeten zeggen."

"Als ik mij bezeerd had, zou niemand het merken; dat is wel zeker."

"Wat scheelt er dan aan?"

"Ach, laat mij! Of ik mij herinner of niet,--wat gaat hem dat aan? Waarom zou ik mij herinneren? Laat mij met rust!" wendde hij zich niet tot zijn gouverneur, maar tot de geheele wereld.

Dat was de laatste herinnering van den zoon aan zijn moeder.

XIV.

Stipan bracht, zooals altijd wanneer hij in Petersburg was, zijn tijd niet werkeloos door. Buiten het afdoen van zijne ambtsgelegenheden moest hij zich in Petersburg ook, zooals hij zich uitdrukte, herstellen van de dompige Moskousche lucht.

Moskou was in weerwil van zijne cafés chantants en van zijn omnibussen toch gelijk aan een stilstaand water. Dat gevoelde Oblonsky bij elke gelegenheid. Had hij eenigen tijd in Moskou in den schoot zijner familie doorgebracht, dan werd hij gedrukt naar lichaam en geest en hij bespeurde, dat iets als bekrompen ploertachtigheid hem doordrong. Duurde zulk een verblijf geruimen tijd onafgebroken voort, dan kwam hij zelfs zoover, dat hem de ontstemming zijner vrouw verontrustte, dat hij zich over de gezondheid en opvoeding zijner kinderen, over allerlei kleine beuzelingen en zelfs over zijn schulden bekommerde. Maar nauwelijks was hij te Petersburg en verkeerde hij in den kring, waarin hij leefde en niet vegeteerde, dan verdwenen dadelijk al de bedenkingen en bezwaren; zij versmolten als was voor het vuur.

Zijn vrouw ...? Nog heden had hij met vorst Tschatschenky gesproken; deze had ook een vrouw en reeds volwassen kinderen, zoons in het pagecorps, maar hij had daarbij nog een andere, illegitime familie, met verscheiden kinderen; en hij had in deze familie ook zijn oudsten wettigen zoon ingeleid en achtte dat voor de ontwikkeling van zijn zoon zeer geschikt. Wat zou men van iets dergelijks in Moskou zeggen?

Kinderen? In Petersburg hinderden de kinderen hun vaders niet om ongestoord te leven; zij werden op kostschool opgevoed, en de in Moskou algemeen heerschende meening, dat de kinderen alle weelde des levens toekwam, bestond in Petersburg niet. Hier was men van gevoelen, dat ieder mensch verplicht is voor zich zelf te leven en wel zoo als het een beschaafd mensch toekomt. Ook de ambtsdienst was hier niet zulk een onafgebroken, hopeloos zwoegen als in Moskou; hier was het voldoende zich relatie's te scheppen, zijn persoon op den voorgrond te dringen--en men had zijn carrière gemaakt. Vooral echter werkte de Petersburger opvatting van geldelijke aangelegenheden geruststellend op Oblonsky. Bartujansky, die voor zijn levenswijze op grooten voet jaarlijks ten minste vijftigduizend roebel moest verteren, had hem gisteren een behartigenswaardig woord daarover gezegd.

Na het diner waren zij in een gesprek geraakt en Stipan Arkadiewitsch had tot Bartujansky gezegd: "Ik geloof, dat je op goeden voet staat met Mordwinsky; je zoudt mij een grooten dienst bewijzen, als je bij hem voor mij een goed woord wildet doen. Er is namelijk een post, dien ik gaarne bekomen zou; als medelid der agentuur...."

"Daar zou ik toch niet naar staan. Wat zou je u in zulke spoorwegzaken met dien Jood inlaten!? Zooals je wilt, maar het is iets afschuwelijks!"

Oblonsky had hem daarop niet geantwoord, dat het een levensvatbare zaak was, maar hij had geantwoord:

"Ik heb geld noodig, ik heb niet genoeg om te leven."

"Je leeft toch?"

"Ik leef, maar de schulden...."

"Wat zeg je? Schulden? Vele?" had Bartujansky deelnemend gevraagd.

"Zeer veel. Twintig duizend."

Bartujansky had lustig gelachen.

"Ach, gij gelukkig mensch! Ik heb anderhalf millioen schuld, meer niet, en leef toch voort en dat hindert volstrekt niet. De hoofdzaak is slechts er niet aan te denken."

En Stipan Arkadiewitsch was niet slechts door deze woorden, maar ook door daadzaken van de juistheid dezer bewering overtuigd geworden. Schiwalow had driehonderdduizend schuld en geen kopeke in zijn kas en hij leefde toch en nog bovendien, hoe? Graaf Kriwzow was reeds lang opgegeven en hij onderhield twee minnaressen. Petrowsky had een vermogen van vijf millioen doorgebracht en leefde toch voort als vroeger en had een betrekking bij het ministerie van financiën gevonden met twintigduizend roebel tractement.

Dat alles verlichtte en troostte Oblonsky. Maar ook physisch werkte Petersburg weldadig op hem. Het verjongde hem. In Moskou had hij dikwijls bezorgd een blik geworpen op zijn grijzend haar, had na het middagmaal een kort slaapje gedaan en zich uitgerekt, ging langzaam en zwaar ademhalend de trap op, verveelde zich met jonge vrouwen en danste op de bals niet meer mede. In Petersburg gevoelde hij zich zoo opgewekt, alsof hij tien jaren jonger was geworden.

"Oblomowschina, [13] marmottenleven, alles verdwijnt bij de goede dagen in Petersburg," zeide hij tot zich zelf.

Tusschen vorstin Betsy Twerskaja en Stipan Arkadiewitsch bestonden er oude, zonderlinge betrekkingen. Oblonsky had haar altijd schertsend het hof gemaakt en zeide haar schertsend de dubbelzinnigste dingen, daar hij wist, dat dit haar best beviel. Toen hij haar den dag na zijn gesprek met Karenin bezocht, gevoelde hij zich zoo jong, dat hij in zijn hofmakerij en onzinnig gebabbel zonder het te willen reeds zoover was gegaan, dat hij niet wist, hoe hij zich terug zou trekken, want zij beviel hem volstrekt niet en zelfs stond zij hem erg tegen. Maar het gesprek had dien toon aangenomen, omdat hij haar zeer beviel, en hij was zeer blijde over de komst van vorstin Miagkaja, waardoor aan het tête a tête een einde gemaakt werd.

"Ah, is u dat?" zeide deze toen zij hem zag. "Hoe gaat het uw arme zuster? U behoeft mij niet zoo aan te zien. Toen allen haar verguisden, allen die honderdmaal slechter zijn dan zij, vond ik, dat zij zeer goed had gehandeld. Ik kan het Wronsky niet vergeven, dat hij het mij niet heeft laten weten toen zij hier in Petersburg waren. Ik zou haar bepaald hebben bezocht en zou overal met haar zijn rondgereden. Ik bid u, zeg haar, hoeveel ik van haar houd. Maar vertel mij ook iets van haar."

"Haar positie is zeer pijnlijk...." begon Stipan Arkadiewitsch, die haar woorden voor goede munt aannam, maar dadelijk viel de vorstin haar gedachte vervolgend hem in de rede:

"Zij heeft gedaan wat zoovelen doen, maar zij wilde niet bedriegen en heeft zeer goed gehandeld. Zij kon niets verstandigers doen dan uwen half gekken zwager--excuseer me--te verlaten. Allen zeggen, dat hij zulk een eminent man is, maar ik heb steeds gezegd, dat hij bekrompen en vervelend was. Nu echter, nu hij zich met gravin Lydia Iwanowna en met dien Landau heeft ingelaten, zeggen allen, dat hij half waanzinnig is, en ofschoon het mij genoegen gedaan heeft te protesteeren tegen hetgeen allen zeiden, kan ik nu toch toch niet anders dan met hen instemmen."

"Maar verklaar mij eens een raadsel," zeide Stipan Arkadiewitsch: "Gisteren was ik bij hem om over mijn zuster te spreken en verlangde een beslissend antwoord. Dezen morgen ontving ik in plaats van een antwoord eene uitnoodiging van gravin Lydia Iwanowna voor heden avond."

"Dat is duidelijk," antwoordde vorstin Miagkaja vroolijk: "Zij zullen Landau vragen, wat zij doen moeten."

"Landau?" Wie is deze Landau?"

"Wat? U kent Jules Landau den clairvoyant niet? Dat is ook een half waanzinnige, maar van hem hangt het lot uwer zuster af. Dat komt van uw leven in de provincie, daar weet men van niets! Weet u, Landau was in Parijs een winkelbediende en kwam eens bij een dokter. In de wachtkamer sliep hij in en begon in den slaap de zieken de merkwaardigste voorschriften te geven. Kent u Juri Maledinsky, die altijd ziek is? Nu, diens vrouw hoorde van dezen Landau en bracht hem bij haar man. Hij genas hem werkelijk. Het komt mij wel voor, dat hij volstrekt niet hersteld is, want hij is nog even krachteloos als te voren, maar zij zelf gelooven aan hem en voerden hem met zich rond en brachten hem met zich hierheen naar Rusland. Hier werd hij nu door allen bestormd en een ieder kon hij genezen. Zoo heeft hij ook gravin Lessabow genezen en zij heeft hem daarvoor in haar hart opgenomen, zoodat zij hem heeft geadopteerd."

"Wat? Geadopteerd?"

"Zooals ik zeg: _geadopteerd_. Hij is nu geen Landau meer, maar een graaf Lessabow. Maar de zaak is nu deze: Ook gravin Lydia Iwanowna, van wien ik veel houd, ofschoon het in haar hoofd niet richtig is, heeft zich nu geheel aan Landau vastgeklampt, en zonder hem neemt zij geen besluiten, noch in haar, noch in Karenins huis, en daarom ligt het lot uwer zuster thans geheel in handen van dezen Landau, alias graaf Lessabow."

XV.

Na een goed diner en een ruim genot van cognac, die hij bij Bartujansky gedronken had, trad Stipan Arkadiewitsch slechts een weinig na den bepaalden tijd bij gravin Lydia Iwanowna binnen.

"Wie is nog meer bij de gravin? De Franschman?" vroeg hij aan den portier.

"Alexei Alexandrowitsch en graaf Lessabow," antwoordde deze op stuurschen toon.

"Miagkaja heeft toch juist geraden," dacht Oblonsky, terwijl hij de trap opklom. "Zonderling! Maar het was toch goed, wat nader met haar bevriend te worden, want zij heeft een grooten invloed. Als zij een groot woord bij Promorsky voor mij doet, is alles in orde."

Buiten het huis was het nog licht, maar in het kleine salon der gravin, waar de rouleaux waren nedergelaten, brandden de lampen reeds.

Aan een ronde tafel onder een lamp zaten Alexei Alexandrowitsch en de gravin zacht met elkander te spreken. Aan de andere zijde der kamer stond een bleek, mager man, met glanzend schoone oogen, lang haar, dat tot op den kraag van zijn jas afhing, en spichtige beenen. Hij beschouwde de portretten, die aan den wand hingen.

Nadat Oblonsky de huisvrouw en Karenin had gegroet, wendde hij zich onwillekeurig om naar dien zonderlingen persoon.

"Monsieur Landau," zeide de gravin met een opvallend zachte stom en stelde beide heeren aan elkander voor.

Landau zag haastig om en legde in Oblonsky's rechterhand een bewegelooze, vochtige, koude hand; toen trad hij dadelijk weer terug en ging in de beschouwing der portretten voort. De gravin en Alexei Alexandrowitsch zagen elkander beteekenisvol aan.

"Het doet me genoegen u te zien, vooral vandaag," zeide de gravin, Oblonsky een plaats naast Karenin aanwijzende. "Ik heb u hem als Landau voorgesteld," ging zij zacht met een blik op den Franschman en daarna op Karenin voort, "maar hij heet eigenlijk graaf Lessabow, zooals u wellicht weten zal. Maar hij houdt niet van dezen titel."

"Ik heb er van gehoord," antwoordde Oblonsky. "Men zegt, dat hij gravin Lessabow geheel heeft genezen."

"Zij was vandaag bij mij en, ach, zij is zoo te beklagen. Deze scheiding is voor haar verschrikkelijk. Het is zulk een slag voor haar."

"Hij vertrekt dus bepaald?" vroeg Alexei Alexandrowitsch.

"Ja, hij keert naar Parijs terug. Hij heeft gisteren eene stem gehoord," antwoordde gravin Lydia met een blik op Oblonsky.

"O, eene stem!" hernam Oblonsky, beseffende, dat hij in een gezelschap, waar zulke vreemde omstandigheden voorkwamen, voorzichtig moest zijn.

Er volgde een korte pauze, waarin de gravin zich met een fijn lachje tot Oblonsky wendde, alsof zij op het hoofdonderwerp van het gesprek wilde komen.

"Ik ken u al lang, maar het doet mij genoegen u nader te leeren kennen. Les amis de nos amis sont nos amis. Maar om een vriend te zijn moet men zich geheel in den zielstoestand des anderen verplaatsen, en ik vrees, dat u dat ten opzichte van Alexei Alexandrowitsch niet geheel kunt doen. U zal begrepen waarvan ik spreek?" zeide zij en hief haar schoone, dweepende oogen tot hem op.

"Eenigszins, gravin, geloof ik Alexei Alexandrowitsch's toestand te begrijpen...." antwoordde Oblonsky, die niet volkomen begreep wat zij bedoelde en derhalve meende iets algemeens te moeten zeggen.

"Met zijn uitwendige toestand heeft zich veranderd," zeide de gravin terechtwijzend, terwijl zij met een verliefden blik Karenin volgde, die was opgestaan en naar Landau toetrad. "Zijn hart is veranderd, er is hem een nieuw hart gegeven en ik vrees, dat u zich niet genoeg in deze verandering heeft ingedacht."

"Dat is te zeggen, in algemeene trekken kan ik mij deze verandering voorstellen. Wij waren steeds met elkander bevriend en nu...." zeide Oblonsky, terwijl hij met een teederen blik dien der gravin beantwoordde en overlegde, met welken der beide ministers zij in nader betrekking stond, om te weten bij wien hij haar verzoeken moest hem aan te bevelen.

"De verandering, die in hem heeft plaats gehad, heeft bij hem wel niet het gevoel van liefde voor den naaste kunnen verzwakken, maar integendeel ze verhoogd en veredeld; maar ik vrees, dat u nog niet begrijpt. Wil u geen thee?" vroeg zij met een blik op den bediende, die de thee ronddiende.

"Niet geheel, gravin. Zijn ongeluk...."

"Ja, maar een ongeluk, dat voor hem tot het hoogste geluk geworden is, doordat hij een nieuw hart heeft bekomen, dat van _Hem_ is vervuld," zeide zij en zag Oblonsky zoetsappig aan.

"Nu, geloof ik," dacht deze, "dat ik met mijn verzoek, om voor mij bij een van beiden een goed woord te doen, kan voor den dag komen."

"O, zeker, gravin," antwoordde hij, "maar deze innerlijke veranderingen zijn van dien aard, dat geen mensch daar in kan dringen...."

"Integendeel, men moet daarover spreken en elkander helpen."

"Ja, zeker; maar er bestaat zulk een verschil van overtuiging en bovendien...." zeide hij met een zalvend lachje.

"In zake der heilige waarheid kan er zulk een onderscheid niet bestaan."

"U heeft gelijk, hoewel ... maar...." Stipan Arkadiewitsch zweeg verlegen. Hier deed zich een dilemma voor: hij moest rond-borstig zeggen, dat hij een vrijdenker was en dan zou zij niets voor hem doen, of hij moest haar wat voorhuichelen, dat hem even onaangenaam was.

"Ik geloof, dat hij inslaapt," fluisterde Alexei Alexandrowitsch geheimzinnig, terwijl hij weer bij de gravin kwam.

Stipan Arkadiewitsch keerde zich om. Landau zat bij het venster met den arm op de stoelleuning en het hoofd voorovergezonken. Toen hij de op hem gerichte blikken bemerkte, hief hij het hoofd op en zag hen aan, met een kinderlijk naïef lachje.

"Sla er geen acht op,'" zeide de gravin en schoof Karenin een stoel toe. "Ik heb opgemerkt, dat de Moskouers, vooral de mannen, in godsdienstig opzicht zeer onverschillig zijn."

"O neen, gravin," antwoordde Oblonsky; "ik geloof, dat de Moskouers den naam van het tegendeel hebben."

