# Anna Karenina

## Part 34

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/anna-karenina-13214/index.md

Een ontevreden mensch verdedigt zich gemakkelijk met de schuld van zijn ontevredenheid op een ander te werpen. Ook Lewin dacht met droefheid, dat, indien de oorzaak niet lag bij zijn vrouw (en haar kon hij niet beschuldigen), ze gelegen was in haar opvoeding. "Dat mispunt van een Tscharsky, bij voorbeeld, hem had zij zelfs niet in het noodige respect kunnen houden." En buiten haar kleine belangen der keuken (deze bezorgde zij zelf), van haar toilet en van haar borduurwerk, was er niets, dat haar bezig hield. "Geen de minste sympathie voor mijn werkzaamheden, voor de bouwerij of voor de boeren, zelfs geen smaak voor lectuur of muziek, en toch is zij een goede musicienne. Zij doet volstrekt niets en is toch zeer voldaan."

Toen Lewin aldus oordeelde, begreep hij niet, dat zijn vrouw zich voorbereidde voor een tijd van bezigheid, die haar zou verplichten alles te gelijk te zijn: vrouw, moeder, meesteres van het huis, voedster, onderwijzeres; hij begreep niet, dat zij zich deze uren van ledigheid en liefde veroorloofde, omdat een geheim instinct haar wees op de taak, die haar wachtte, terwijl zij langzamerhand haar nest gereed maakte voor de toekomst.

XXXIV.

Sedert Karenin van vorstin Betsy en Oblonsky had vernomen, dat men van hem verlangde, dat hij zijn vrouw met rust zou laten en haar niet meer met zijn tegenwoordigheid zou lastig vallen, zooals zij zelf wenschte, gevoelde hij zich zoo ongelukkig en verlaten, dat hij niet meer wist, hoe hij beslissen en wat hij doen zoude; hij gaf zich dus geheel over in de handen van hen, die zich met zooveel genoegen aan zijn belangen wijdden en gaf tot alles zijn toestemming.

Eerst toen Anna reeds het huis had verlaten en de Engelsche gouvernante hem vroeg, of zij alleen of met hem zou dineeren, werd hem zijn geheele toestand duidelijk en was hij daarover zeer ontsteld. Hij vermocht geen samenhang te vinden tusschen datgene, wat nog zoo even geweest was: zijn berusting, zijn liefde voor de zieke vrouw en voor het vreemd kind, en tusschen datgene wat nu bestond; was dit, dat hij nu verlaten, beschimpt, uitgelachen, als overtollig beschouwd, door ieder veracht was, was dit het loon voor dat andere?

Den eersten dag na het vertrek zijner vrouw nam hij ouder gewoonte de verzoekschriften aan, ontving den chef zijner kanselarij, ging naar de comitévergadering en ging des middags naar de eetzaal. Zonder zich rekenschap te geven, waarom hij het deed, spande hij in deze twee dagen alle krachten in om zich zoo kalm en gelijkmatig mogelijk voor te doen. Terwijl hij de vraag beantwoordde, hoe voortaan met alle voorwerpen en de kamers van Anna te doen, gaf hij zich het voorkomen van een man, dien het gebeurde niet onvoorbereid had getroffen; en bereikte zijn doel: Niemand zag aan hem een teeken van wanhoop.

Evenwel, op den derden dag, toen Karnej hem een rekening van een modemagazijn, die Anna vergeten had te betalen, overgaf, en daarbij meldde, dat de boekhouder zelf daar was, liet Alexei Alexandrowitsch hem binnen komen.

"Excuseer mij, excellentie, dat ik het waag u te storen. Maar als u beveelt, dat ik mij rechtstreeks tot haar excellentie zal wenden, gelief mij dan het adres op te geven."

Alexei Alexandrowitsch dacht er over na, zooals het den boekhouder toescheen, toen wendde hij zich af en ging aan de tafel zitten. Met het hoofd op de handen geleund, zat hij zoo een poos en deed een paar maal een poging om te spreken, maar vermocht het niet. Karnej ried de gewaarwordingen van zijn heer en verzocht den boekhouder een andermaal terug te komen. Zoo miste Karenin de kracht, de rol der kalmte en beradenheid tot het einde vol te houden. Hij liet het voor de deur wachtend rijtuig uitspannen, liet niemand meer bij zich toe en verscheen niet aan het diner.

Hij gevoelde zich niet meer in staat den aandrang van verachting en leedvermaak af te weren, waarvan hij ook duidelijke sporen op de gezichten van Karnej, van den boekhouder en van allen, die hij deze twee dagen ontmoet had, bemerkte. Hij besefte, dat deze minachting niet was ontstaan, omdat hij slecht was, maar omdat hem een onteerend, afschuwelijk ongeluk had getroffen; zij werden onmeedoogend tegen hem, omdat zijn hart was gebroken; de eenige uitkomst was zijn wond te verbergen en instinctief had hij dezer dagen getracht dat te doen. Maar hij gevoelde zich tegen dezen ongelijken strijd niet meer opgewassen.

Zijn verslagenheid werd nog des te grooter, omdat hij geheel alleen stond in zijn leed. Hij was als wees opgegroeid, als een van twee broeders. Zijn vader had hij niet gekend, zijn moeder stierf, toen hij tien jaar was. Het nagelaten vermogen was gering. Zijn oom, een hoog staatsbeambte en voormalig gunsteling des overleden keizers, liet hem opvoeden. Nadat hij het gymnasium en de hoogeschool met onderscheiding had doorloopen, maakte hij door den invloed van zijn oom snel carrière en gaf zich sedert geheel aan de bureaucratische eerzucht over. Noch op de school noch op de universiteit had hij vriendschappelijke betrekkingen aangeknoopt. Zijn broeder was voor hem zijn naaste vriend, maar deze bevond zich, in dienst van het ministerie van buitenlandsche zaken, steeds in het buitenland, waar hij kort na Alexei Alexandrowitsch's bruiloft gestorven was.

Gedurende den tijd, dat Karenin gouverneur eener provincie was, bracht een tante van Anna, een rijke en aanzienlijke dame dezer provincie, haar nicht met den gouverneur, die toen reeds niet jong meer was, te zamen en bracht hem tot zulk een verhouding tot haar, dat hij zich verklaren of de stad verlaten moest. Alexei Alexandrowitsch had destijds lang gewankeld. Er spraken evenveel gronden tegen als voor zulk een stap, als de tante wenschte. Maar deze gaf hem door goede vrienden te kennen, dat hij Anna gecompromitteerd had en dat zijn eer van hem eischte een aanzoek te doen. Hij deed dit en schonk zijn bruid en daarna zijn vrouw al het gevoel, waarvoor hij vatbaar was; deze neiging, die hij Anna toedroeg, vervulde zijn geheele hart en verdrong daaruit de laatste behoefte aan hartelijke betrekkingen met andere menschen. En zoo had hij in den geheelen kring zijner bekenden niemand, die met hem in nauwe betrekking stond.

Het meest was hij nog verbonden met zijn kanselarijchef en met zijn huisdokter Nichaël Wassilitsch; de kanselarijchef was een braaf, verstandig en hoogzedelijk mensch, hij was aan Karenin gehecht, maar een vijfjarige gemeenschappelijke dienstwerkzaamheid had voor alle hartelijke en intieme verklaringen tusschen hem een grens geplaatst.

Ook de dokter was hem persoonlijk genegen, maar zij waren beiden reeds lang tot de stilzwijgende erkentenis gekomen, dat zij beiden te zeer met bezigheden waren overladen om voor iets anders tijd over te hebben.

Aan zijn vriendinnen en zelfs aan de eerste onder haar, gravin Lydia Iwanowna, dacht Alexei Alexandrowitsch in het geheel niet. Alle vrouwen, juist omdat zij vrouwen waren, stieten hem af.

XXXV.

Alexei Alexandrowitsch had gravin Lydia Iwanowna vergeten, maar zij hem niet. In deze moeielijke oogenblikken zijner verlatenheid en vertwijfeling kwam zij tot hem en trad onaangediend zijn kabinet binnen. Zij vond hem nog in dezelfde houding, met het hoofd op de handen geleund.

"J'ai forcé la consigne," zeide zij, door ijver en haastige beweging bijna buiten adem geraakt: "Ik heb alles gehoord. Alexei Alexandrowitsch! Mijn vriend!" ging zij voort en drukte zijn beide handen, terwijl zij met de schoone dwepende oogen in de zijne staarde.

Alexei Alexandrowitsch stond met gefronst voorhoofd op, bevrijdde zijn handen en schoof haar een stoel toe.

"Verplicht, gravin! Overigens, ik ben zeer ongesteld," en zijn lippen beefden.

"Mijn vriend!" hernam zij zonder haar oogen van hem af te wenden; plotseling trok zij haar wenkbrauwen op, zoodat zij op haar voorhoofd een driehoek vormden, haar onbevallig gelaat werd nog onbevalliger, maar Karenin gevoelde, dat men hem beklaagde als een ziek lijdend kind, en dat had hij noodig. Hij greep haar hand en kuste ze.

"Mijn vriend!" zeide zij met van aandoening haperende stem: "Ge moogt u niet zoo aan de droefheid overgeven. Uw leed is groot, maar ge moet troost zoeken."

"Ach, gravin, ik ben verslagen, ik ben als dood, ik ben geen mensch meer!" zeide Karenin, terwijl hij haar hand losliet en haar in de met tranen gevulde oogen zag. "Mijn toestand is daarom zoo verschrikkelijk, omdat ik nergens hulp of steun kan zien."

"O, ge zult dien steun vinden! Zie dien niet in mij, hoewel ik u verzoek aan mijn vriendschap te gelooven," sprak zij met een zucht. "Ons anker en steunpunt is de liefde, die Hij ons heeft nagelaten.--Zijn last is licht!" zeide zij met dat dwepend opwaartszien, dat hij vroeger niet kon verdragen. "Hij zal u steunen. Hij zal u helpen!"

In deze woorden openbaarde zich een ontroering over eigen verheven gevoelens en een mystieke stemming, die zich sedert kort in Petersburg deed gelden en die Karenin anders voor zeer overtollig hield; maar nu was het hem toch aangenaam ze te hooren.

"Ja, u heeft gelijk! Ik ben zwak, ik ben vernietigd! Van alles heb ik niets vermoed en ook nu begrijp ik niets."

"Mijn vriend!" hernam Lydia Iwanowna.

"Niet het verlies van hetgeen ik mis betreur ik, maar ik moet mij over den toestand, waarin ik mij bevind, voor de menschen schamen."

"O, deze hebben niet de vrucht der vergeving in uw hart doen rijpen," zeide Lydia, de oogen weer dweepachtig naar boven slaande, "maar Hij, die in uw harte woont,--en daarom moogt ge u voor hen niet schamen."

"Maar men moet alle bizonderheden kennen," hernam hij. "Des menschen krachten hebben haar grenzen en deze heb ik bereikt. Heden moet ik den geheelen dag hier in huis beschikkingen maken, die de gevolgen mijner nieuwe, eenzame verlatenheid zijn. De dienstboden, de gouvernante, de rekeningen.... Dit kleine vuur heeft mij zoo verbrand, dat ik tot niets meer in staat ben. Des middags.... Gisteren was ik bijna van tafel opgestaan.... Ik kon het niet uithouden, zooals mijn zoon mij aanzag. Hij vroeg mij niet, wat dit alles beteekende, maar hij wilde vragen en ik kon zijn blik niet uithouden...."

Hij wilde ook van de rekening, die men hem voorgelegd had, melding maken, maar zijn stem beefde en hij moest ophouden. Aan deze rekening van haar hoeden en linten, op het blauwe papier, kon hij niet denken zonder schaamte en zonder medelijden met zich zelf.

"Ik begrijp dat, mijn vriend," zeide de gravin. "Ik begrijp u volkomen. Bij mij zal u wel niet veel troost en hulp vinden, maar ik ben ook slechts gekomen om u te helpen, als ik het kan. Als ik u maar van al deze kleine, voor u vernederende zorgen kon bevrijden! Ik zie het reeds: het woord eener vrouw, de beschikkingen eener vrouw zijn hier noodig. Wil u mij dat overlaten?"

Alexei Alexandrowitsch drukte haar zwijgend en dankbaar de hand.

"Wij zullen ons te zamen met Serëscha bezighouden. Ik ben wel in practische dingen niet zeer ervaren, maar ik zal 't mij eigen maken, ik wil uw huishoudster zijn. Dank mij niet, ik doe het om....'

"Ik moet u dankbaar zijn...."

"Maar, mijn vriend, aan dat gevoel, waarvan ge zooeven spraakt, moogt ge u niet overgeven. U mag zich niet schamen voor hetgeen de roem van een Christen zijn moet. Die zich zelf vernedert, zal verhoogd worden. En mij heeft u niets te danken. Hem slechts zijt ge dank verschuldigd, bij Hem moet u troost en hulp zoeken. In Hem alleen is vrede, troost, redding en liefde te vinden!" zeide zij, hief haar oogen hemelwaarts en, zooals Karenin aan haar zwijgen bemerkte, begon zij te bidden.

Alexei Alexandrowitsch was een gematigd geloovig man, voor wien de godsdienst vooral in politiek opzicht belang had, en de nieuwe richting, die zich nieuwe uitleggingen en aanwijzingen veroorloofde, was hem in beginsel onaangenaam, daar zij leidde tot verschillen en onderzoekingen van allerlei aard. Evenwel hoorde hij nu Lydia Iwanowna's woorden met genoegen en sprak ze niet tegen.

"Ik ben u zeer, zeer dankbaar voor uw woorden zoowel als voor uw werken," zeide hij, toen hij zag, dat zij haar gebed geëindigd had.

Zij drukte hem nog eenmaal beide handen.

"Nu wil ik aan het werk gaan," zeide zij lachend en wischte haar tranen af. "Ik ga naar Serëscha en slechts in het uiterste geval zal ik mij tot u wenden."

Gravin Lydia ging naar Serëscha, en terwijl zij de wangen van den verschrikten knaap met haar tranen bevochtigde, zeide zij tot hem, dat zijn vader een heilige en zijn moeder gestorven was.

Gravin Lydia Iwanowna hield haar belofte. Zij nam inderdaad alle zorgen der nieuwe huishoudelijke inrichting op zich. Maar zij had ook niet overdreven, toen zij zeide, dat zij in practische dingen niet zeer ervaren was. Bijna al haar verordeningen moesten veranderd worden, daar zij onuitvoerbaar waren, en zij werden veranderd door Karnej, Karenins kamerdienaar, die onbemerkt het geheele huis regeerde en met kalmte en omzichtigheid, terwijl hij zijn heer aankleedde, dezen alles mededeelde, wat hij noodig achtte. Maar de hulp der gravin was toch van groote beteekenis; zij gaf Alexei Alexandrowitsch door het bewustzijn harer genegenheid en achting een zedelijken steun. Zij zelf vond troost in de gedachte hem tot het Christendom te bekeeren, dat wil zeggen, hem van een onverschillige en traag geloovige tot een warm en getrouw volgeling te maken van de nieuwe _reveil_, die in den laatsten tijd in Petersburg was ontstaan.

XXXVI.

Gravin Lydia Iwanowna was als zeer jong, dweepziek meisje aan een rijk, aanzienlijk, goedhartig, maar zeer losbandig man van de wereld uitgehuwelijkt geworden. Maar reeds na twee maanden werd zij door haar echtgenoot verlaten. De overstroomende en sentimenteele betuigingen harer liefde had hij slechts met spot, zelfs met vijandschap beantwoord, zoodat de menschen, die zijn goed hart kenden en tevens meenden, dat de phantastische Fanny geen gebreken had, zich dat volstrekt niet konden verklaren. Zij hadden zich niet laten scheiden, maar haar man leefde niet met haar en bij elke ontmoeting bejegende hij haar steeds met bitteren spot.

Zij had reeds lang opgehouden op hem verliefd te zijn, maar zij had sedert niet opgehouden op iemand verliefd te wezen, somwijlen op meer te gelijk, op vrouwen en mannen en schier op allen, die zich door iets uitstekends onderscheidden. Zij was verliefd op alle nieuwe prinsen en prinsessen van het keizerlijk huis, zij was verliefd op den metropoliet, op een vicaris en op een anderen geestelijke; zij was verliefd op een journalist, op een minister, op een dokter, op een Engelschen zendeling en eindelijk op Karenin. Maar al deze groote liefde, die nu sterker dan zwakker was, verhinderde haar niet in de uitgestrektste en gecompliceerdste betrekkingen tot het hof en de gezelschapswereld te staan.

Na het ongeluk, dat Karenin had getroffen, nam zij hem onder haar bizondere bescherming en nadat zij zijn geheele huis had ingericht, bemerkte zij, dat al haar vroegere en al haar overige liefde niet de rechte was geweest, maar dat zij slechts en alleen nu werkelijk op Karenin verliefd was. Terwijl zij haar gevoel ontleedde en met het vroegere vergeleek, werd het haar duidelijk, dat zij op Kommissarow volstrekt niet verliefd zou zijn geworden, als hij het leven des keizers niet gered had, en niet op Ristitsch, als het Slavische vraagstuk er niet geweest was, dat zij echter Karenin om zijn zelfs wil lief had uithoofde van zijn verheven door anderen niet gewaardeerde beginselen, uithoofde van den lieven toon zijner stem met de lange klemtonen, uithoofde van zijn matten blik, uithoofde van zijn karakter en van zijn witte handen met gezwollen aderen. Zij was niet slechts verheugd als zij hem ontmoette, maar zij bespiedde ook den indruk, dien zij op hem maakte. Zij trachtte hem niet slechts met haar woorden te bevallen, maar met haar geheele persoonlijkheid. Om zijnentwil maakte zij nu meer werk van haar toilet, dan ooit te voren. Zij bloosde, als hij in de kamer kwam, zij kon ook een lachje van genoegen niet weerhouden als hij haar iets aangenaams zeide. Zij betrapte zich zelfs op de gedachte, hoe het wel zijn zou, als zij niet gehuwd en hij vrij was.

Reeds sedert eenigen tijd verkeerde Lydia Iwanowna in de sterkste spanning. Zij had vernomen, dat Anna en Wronsky naar Petersburg waren teruggekeerd. Alexei Alexandrowitsch moest tegen een ontmoeting met hen beschermd worden, hij moest zelfs van hun nabijheid geen kennis dragen, omdat hem dit slechts kwellen zoude, hij mocht niet weten, dat deze verschrikkelijke vrouw weer in de stad was en hij elk oogenblik tegenover haar staan konde.

Lydia liet door haar kennissen uitvorschen, met welk doel die afschuwelijke menschen (zooals zij Anna en Wronsky noemde) teruggekeerd waren. De jonge adjudant, een vriend van Wronsky, die door haar carrière hoopte te maken en door wien zij haar inlichtingen ontving, bracht haar de geruststellende tijding, dat zij hun bemoeiingen, waarvoor zij waren overgekomen, reeds ten einde gebracht hadden en den volgenden dag weer zouden afreizen. Lydia Iwanowna had zich bijna al gerust gesteld, toen men haar den volgenden morgen een briefje overbracht, in welks schrift zij dadelijk Anna Karenina's hand herkende. Het couvert bestond uit papier, zoo dik als boomschors, op welk geel papier zich een reusachtig monogram bevond en waaruit een aangename geur haar tegenkwam.

"Wie heeft dat gebracht?"

"Een commissionnair uit een hotel."

Gravin Lydia Iwanowna vermocht zich nauwelijks neder te zetten om den brief te lezen. Door de sterke gemoedsbeweging kreeg zij een aanval van kortademigheid, waaraan zij somwijlen leed. Eindelijk, nadat zij wat kalmer was geworden, las zij het volgende:

"Madame la comtesse! De Christelijke gevoelens, die uw hart vervullen, geven mij den moed aan u te schrijven. Ik gevoel mij ongelukkig door de scheiding van mijn zoon. Ik smeek u om de toestemming hem nog eenmaal voor mijn vertrek te zien. Vergeef mij, dat ik u aan mij herinner. Ik wend mij tot u en niet tot Alexei Alexandrowitsch, omdat ik dezen edelmoedigen man niet door de herinnering aan mij mag laten lijden. Daar ik uw vriendschap voor hem ken, zal u mij begrijpen. Zend Serëscha bij mij, of zal ik op een bepaald uur bij u aan huis komen? Anders verzoek ik u mij te doen weten, wanneer en waar ik hem ontmoeten kan. Ik hoop, dat mij dit niet geweigerd zal worden, daar ik de edelmoedigheid ken van hem, van wien dit afhangt. U kan zich niet voorstellen, hoe ik door verlangen word verteerd en daarom kan u zich ook niet voorstellen, hoe dankbaar ik zijn zal voor de hulp, die u mij zal verleenen. Anna."

Alles in dezen brief verstoorde de gravin: de inhoud, het aanroeren van Karenins edelmoedigheid en vooral de, naar haar meening, te vrije toon.

"Zeg, dat er geen antwoord is," zeide zij tot den bediende, opende dadelijk haar schrijfportefeuille en schreef aan Karenin, dat zij bepaald hoopte hem om één uur bij de felicitatie op het slot te ontmoeten.

"Ik moet met u over een gewichtige en treurige zaak spreken; waar? Zullen we daar de plaats bepalen? Het beste zou zijn bij mij aan huis, waar ik de thee voor u zal gereed hebben. Maar het is volstrekt noodig. Hij legt het kruis op, maar Hij geeft ook de kracht om het te dragen," voegde zij er bij om hem een weinig voor te bereiden.

De gravin schreef gewoonlijk elken dag twee of drie briefjes aan Alexei Alexandrowitsch. Zij hield van deze wijze van mededeeling, daar zich hierin iets geheimzinnigs met elegance verbond, wat anders in haar persoonlijke relatien geheel ontbrak.

XXXVII.

De receptie op het slot was voorbij. De vertrekkenden, die elkander ontmoetten, spraken over het nieuws van den dag, over de laatst verleende orden en onderscheidingen en over de verplaatsingen onder de hoogere beambten.

Alexei Alexandrowitsch zag verstrooid onder de menigte rond en ging naar de deur, in welker nabijheid hij de gravin hoopte te ontmoeten.

"Wat zijn zij allen sterk en gezond," dacht hij, terwijl zijn blik viel op een forschen kamerheer met zorgvuldig onderhouden baard en op den rooden hals van een in uniform gepersten vorst, dien hij voorbijging.

Langzaam voorbijgaande groette hij met de hem eigen waardigheid en afgemat uitzicht deze beide heeren, die juist van hem spraken, en zocht met de oogen Lydia Iwanowna.

"Ah, Alexei Alexandrowitsch!" sprak een oud heer in een met goud overladen uniform, terwijl hij boosaardig met de oogen pinkte en een koele buiging maakte. "Ik heb u nog in het geheel niet gefeliciteerd!" en wees daarbij op het nieuwe lint der Alexander-Newsky-orde.

"Ik dank u," antwoordde Karenin.

"Wat is dat vandaag een heerlijke dag," zeide de staatsman, den klemtoon op het woord _heerlijk_ leggend.

Dat allen hem uitlachten, wist Karenin; maar hij had van hen ook niets anders dan vijandschap verwacht en was daaraan gewoon.

Eindelijk zag hij de scherp uitstekende schouders van gravin Lydia, die juist de deur uitkwam en met haar schoone, heldere oogen hem zocht. Hij lachte even en ging haar te gemoet.

Onder de spitsroeden van al de spottende blikken rondom hem gevoelde hij zich natuurlijk door haar verliefden blik aangetrokken, gelijk een plant door de zon.

"Ik feliciteer u," zeide ook zij op het lint wijzend.

Hij trok met de schouders en sloot de oogen, als wilde hij zeggen, dat dit hem geen blijdschap meer kon geven. Maar de gravin wist zeer goed, dat dit een van die dingen was, die hem de grootste blijdschap gaven, hoewel hij dit niet wilde erkennen.

"Hoe gaat het met onzen engel?" vroeg de gravin. Zij bedoelde Serëscha.

"Ik kan helaas niet zeggen, dat ik zeer over hem tevreden ben," antwoordde Karenin met opgetrokken wenkbrauwen. "Ook Sitnikow is over hem ontevreden," (Sitnikow was een paedagoog, wien sedert eenigen tijd Serëscha's wereldsche opvoeding was toevertrouwd.) "Zoo als ik u reeds eenmaal gezegd heb, heeft hij geen begrip van de hoofdvragen, die de ziel van ieder mensch, vooral van een kind toch belang moeten inboezemen...." en Alexei Alexandrowitsch ontwikkelde verder zijn gedachten over kinderopvoeding, het eenige onderwerp, dat hem buiten zijn ambtsbezigheden interesseerde.

Nadat Karenin met behulp van gravin Lydia aan het leven en den arbeid was teruggegeven, had hij het als zijn eersten plicht beschouwd zich met de opvoeding van zijn zoon bezig te houden. Vroeger had hij zich nimmer daarover bekommerd, maar nu wijdde hij een deel van zijn tijd geheel aan de theorie dezer zaak. Eerst nadat hij een geheele rij boeken over anthropologie, paedagogiek en dialectiek had gelezen, vormde hij een opvoedingsplan en, terwijl hij den besten Petersburger paedagoog tot uitvoering van hetzelve uitnoodigde, zette hij zich met hem aan het werk. En deze zaak hield hem nu gedurig bezig.

"Ja, maar het hart! Ik vind in hem het hart zijns vaders weder, en met zulk een hart kan het kind niet verkeerd zijn," antwoordde de gravin met emphase.

"Nu, wij zullen zien.... Ik doe mijn plicht, en dat is alles, wat men doen kan."

"Zult ge bij mij komen?" vroeg de gravin na een oogenblik gezwegen te hebben. "Wij moeten over een voor u treurige zaak spreken. Ik zou alles willen doen om u treurige herinneringen te besparen, maar anderen denken anders. Ik heb namelijk van _haar_ een brief ontvangen, _zij_ is hier in Petersburg."

Bij het noemen zijner vrouw geraakte Karenins gelaat in een starre onbewegelijkheid, het drukte zijn volkomen radeloosheid in deze zaak uit.

"Dat heb ik verwacht," mompelde hij.

Gravin Lydia Iwanowna zag hem met een bewonderende uitdrukking aan, en tranen van verrukking over zooveel zielegrootheid vulden haar oogen.

XXXVIII.

Toen Alexei Alexandrowitsch het kleine, met donkere stof bekleede en met oud porselein versierde boudoir der gravin binnen trad, was de gastvrouw er nog niet. Zij was nog bezig zich te kleeden.

