# Anna Karenina

## Part 18

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/anna-karenina-13214/index.md

Alexei Alexandrowitsch bewoog zich niet, niet eens nam de blik van zijn starre oogen een andere richting. Over zijn geheel gelaat had zich plotseling de plechtige rust eens dooden verbreid, en deze uitdrukking veranderde den geheelen duur van hun gemeenschappelijken rit niet meer.

Toen zij het landhuis naderden, keerde hij, nog steeds met dezelfde uitdrukking, haar het gelaat toe: "Maar ik verlang van u de handhaving van de uiterlijke welvoegelijkheid zoolang, tot...." zijn stem beefde,--"ik de noodige maatregelen om mijn eer te bewaren genomen zal hebben. Deze zal ik u mededeelen."

Hij stapte uit en was haar behulpzaam. In tegenwoordigheid der dienstboden drukte hij haar toen zwijgend de hand, stapte weer in de coupé en reed naar Petersburg terug.

Kort na zijn vertrek kwam een bediende van vorstin Betsy, die Anna een briefje bracht.

"Ik heb naar Wronsky gezonden en naar zijn gezondheid gevraagd. Hij schrijft, dat hij gezond en ongedeerd, maar wanhopig is."

"Derhalve hij komt." dacht Anna. "Wat is het goed, dat ik alles bekend heb." Zij zag op de pendule. "Er blijven nog drie uren over. Nu, Goddank, dat alles met hem is afgedaan!"

DERDE BOEK.

I.

In de kleine Duitsche badplaats, waar vorst Tscherbatzky zich met vrouw en dochter ophield, vormde zich dadelijk in overeenstemming met hun woning, hun naam en hun daar aanwezige kennissen een bepaalde gezelschapskring. In dezelfde Duitsche badplaats vertoefde dit jaar ook een echte Duitsche prinses, tengevolge waarvan het gezelschap zich nog vaster aaneensloot. Vorstin Tscherbatzky wenschte bepaald haar dochter aan die prinses voor te stellen en reeds den eerstvolgenden dag had zij deze ceremonie verricht. Kitty had zich diep en gracieus in haar "zeer eenvoudig," dat is zeer elegant, uit Parijs ontboden zomercostuum gebogen en de prinses had gezegd: "Ik hoop, dat spoedig de rozen op dit bevallig gezichtje zullen terugkeeren." Zoo had hier het dagelijksch leven der Tscherbatzky's een bepaalde richting verkregen, die het niet meer kon verlaten.

Zij werden ook bekend met de familie eener Engelsche lady, met een Duitsche gravin en haar in den laatsten oorlog gewonden zoon, met een Zweedsch geleerde en met monsieur Canut en diens zuster. Voornamelijk verkeerden zij echter met eene dame uit Moskou, Marie Eugenjewna Ritschew en haar dochter, die Kitty niet lijden mocht, omdat ze even als zij uit liefde ziek was geworden, alsmede met een Russischen overste, dien Kitty van kinds af slechts in epauletten en uniform gekend had, maar die haar hier met zijn kleine, grauwe oogen, open borst en bonten halsdoek buitengewoon komiek voorkwam en die haar, daar men niet van hem af kon komen, zeer verveelde.

Nadat alles zoo een bepaalde en vaste regelmaat had aangenomen, begon Kitty zich te vervelen, en nog meer, toen de oude vorst naar Karlsband vertrokken en zij alleen met haar moeder achter gebleven was. Nu werd het spoedig haar aangenaamste bezigheid omtrent de onbekende badgasten waarnemingen te doen en gissingen te maken.

Onder deze persoonlijkheden interresseerde haar vooral een jong Russisch meisje, dat in gezelschap eener Russische dame, zekere madame Stahl, zooals allen haar noemden, in de badplaats was gekomen.

Madame Stahl behoorde tot den besten kring, maar zij was zoo ongesteld, dat zij niet kon gaan, en slechts op bizonder schoone dagen verscheen zij in een rolstoel aan de bron. Vorstin Tscherbatzky zeide, dat niet ongesteldheid, maar trots mevrouw Stahl terughield van den omgang met haar Russische landgenooten. Het jonge meisje daarentegen ging niet slechts madame Stahl ter hand, maar was, zooals Kitty bemerkte, bevriend met alle aanwezige erge zieken, trok zich hun lot liefdevol aan en bewees hun gaarne kleine diensten. Volgens Kitty's waarneming was zij niet met madame Stahl verwant en bekleedde zij evenmin bij haar een dienstbare betrekking. Men noemde haar mademoiselle Warenka, terwijl madame Stahl haar kortweg Warenka noemde. Kitty gevoelde een stille sympathie voor dat meisje, en als zij haar blik ontmoette, meende zij te bespeuren, dat ook zij haar beviel.

Mademoiselle Warenka scheen de eerste jaren der jeugd reeds voorbij, maar men kon haar geen bepaalden ouderdom toekennen, en zij kon evengoed negentien als dertig zijn. Bij nadere beschouwing kon men haar, in weerwil van haar ziekelijke bleekheid, eer schoon dan leelijk noemen. Ook had zij een fraai figuur, behalve dat zij wat mager was, waardoor haar hoofd in evenredigheid van het tengere lichaam wat te groot scheen te zijn. Voor de heeren scheen zij weinig aantrekkelijks te hebben. Zij geleek een schoone bloem, die nog niet haar bladeren, maar reeds haar geur had verloren. Bovendien ontbrak het haar om de mannen te behagen te zeer aan datgeen, wat Kitty te veel had: aan den moeielijk beteugelden levenslust en het bewustzijn van eigen bekoorlijkheid. Zij was altijd bezig, hoewel met dingen, die volkomen van zelf spraken, zoodat men moest denken, dat zij in niets anders belang stelde. Hoe meer Kitty haar gadesloeg, des te meer scheen zij haar een zeldzaam voortreffelijke persoonlijkheid toe en des te sterker werd haar wensch haar te leeren kennen.

De jonge meisjes ontmoetten elkander dagelijks meer dan eens, en telkens vroegen Kitty's oogen: "Wie zijt gij? Wat zijt gij? Zijt gij waarlijk dat bekoorlijk wezen, dat ik mij voorstel? Maar denk niet," voegde haar blik er bij, "dat ik mij aan u wil opdringen. Ik bewonder u slechts en heb u lief." En de blik der onbekende antwoordde: "Ook ik heb u lief; gij zijt een zeer net, innemend meisje. En ik zou u nog meer liefhebben als ik maar tijd had." En inderdaad was zij, zooals Kitty zag, onophoudelijk bezig. Nu geleidde zij de kinderen eener Russische familie van de bron naar huis, dan bracht zij een plaid voor madame Stahl en wikkelde er haar in, straks beijverde zij zich om een prikkelbaren zieke te doen bedaren en te verstrooien of zocht voor dezen of genen koekjes bij de koffie uit.

Kitty drong haar mama haar met mademoiselle Warenka te laten kennis maken. De vorstin, ofschoon het haar onaangenaam was den eersten stap tot kennismaking met madame Stahl te doen, won toch informaties omtrent Warenka in, en daar zij in geen opzicht iets bedenkelijks vernam, naderde zij zelf het meisje om met haar bekend te worden. Zij had daartoe het oogenblik gekozen, dat Kitty naar de bron was gegaan en Warenka bij een bakker inkoopen deed.

"Veroorloof mij met u kennis te maken," zeide zij met haar vriendelijkst lachje. "Mijn dochter is geheel op u gecharmeerd. U kent mij misschien niet. Ik...."

"O, dat is volkomen wederkeerig," antwoordde Warenka snel.

"Ik hoor, dat u ook in Mentone geweest is met madame Stahl--uw tante? Ik ben met haar bellesoeur bekend geweest...."

"Neen, zij is mijn tante niet. Ik noem haar mama, maar ik ben in het geheel niet met haar verwant, ik ben maar door haar opgevoed," antwoordde Warenka licht blozend.

Zij sprak dit alles zoo eenvoudig, en de vrijmoedige en open uitdrukking van haar gelaat was zoo aantrekkelijk, dat de vorstin begreep, waarom Kitty met deze Warenka zoo was ingenomen geworden.

Op dit oogenblik kwam Kitty van de bron terug. Haar gelaat straalde van vreugde, toen zij haar moeder in gesprek zag met de onbekende.

"Nu, Kitty, uw lang gekoesterde wensch met mademoiselle...."

"Warenka," liet deze volgen.

"... bekend te worden, wordt vervuld," zeide de vorstin.

Kitty bloosde van blijdschap en drukte lang en zwijgend de hand harer nieuwe bekende, die ze onbewegelijk in de hare liet liggen en den druk niet beantwoordde. Maar, hoewel de hand niet antwoordde, straalde toch van Warenka's gelaat een stil, blijmoedig, ofschoon ietwat treurig lachje, dat haar groote, maar fraaie tanden deed zien.

"Ik heb het zelf al lang gewenscht," zeide zij.

"Maar gij hebt het altijd zoo druk...."

"Integendeel. Ik heb haast niets te doen...."

Maar schier te gelijk moest zij haar nieuwe kennis verlaten, want op dit oogenblik kwamen twee kleine meisjes naar haar toe loopen.

"Warenka, Warenka, mama zoekt u."

En Warenka moest met haar medegaan.

II.

De bizonderheden, die vorstin Tscherbatzky omtrent madame Stahl en Warenka, alsmede omtrent haar wederzijdsche verhouding vernomen had, waren ongeveer de volgende. Madame Stahl, van wie de een beweerde dat zij haar man, de ander daarentegen dat hij haar bij zijn leven door een onzedelijken levenswandel gekweld had, was immer een ziekelijke opgewonden tot dweperij overhellende vrouw geweest. Haar eerste kind, dat na de scheiding van haar man geboren werd, was terstond na de geboorte gestorven. De bloedverwanten van mevrouw Stahl, die haar prikkelbaarheid kenden en vreesden, dat de smart over het verlies van haar kind haar zou dooden, verruilden het met een in denzelfden nacht geboren kind van een kok, die in hetzelfde huis woonde. En dat kind was Warenka. Toen mevrouw Stahl nu later vernam, dat Warenka haar eigen dochter niet was, beschouwde zij haar toch als zoodanig, te meer daar Warenka's bloedverwanten kort daarna allen stierven.

Nu vertoefde madame Stahl reeds sedert tien jaren bestendig in het buitenland, zonder het bed weer te hebben kunnen verlaten. Sommigen zeiden, dat madame zich in de samenleving kunstmatig de positie eener eerzame, zeer godsdienstige vrouw had weten te verwerven, terwijl anderen beweerden, dat zij ook werkelijk die hoogzedelijke persoon was, die zij scheen en dat zij slechts het welzijn harer medemenschen beoogde. Niemand kon zeggen tot welke kerk zij behoorde, tot de Catholieke, de Protestantsche of de Grieksche; maar het was zonder twijfel, dat zij met de aanzienlijkste hoofden en geestelijken van alle belijdenissen in vriendschappelijke betrekking stond. Warenka had steeds met haar in het buitenland gewoond, en allen, die madame Stahl kenden, kenden en beminden ook mademoiselle Warenka.

Nadat de vorstin dit alles was te weten gekomen, vond zij in de kennismaking harer dochter met Warenka niets bedenkelijks, te meer daar deze de beste opvoeding had ontvangen; zij sprak uitmuntend Fransch en Engelsch, en wat de hoofdzaak was, zij had de vorstin van mevrouw Stahl een compliment overgebracht, met de betuiging, dat deze het betreurde door haar ziekelijkheid verhinderd te zijn met de vorstin nader bekend te worden. Kitty werd met elken dag meer met haar vriendin ingenomen en ontdekte in haar steeds meer deugden.

Toen de vorstin vernam, dat Warenka een fraaie stem had, drong zij haar op een avond haar te bezoeken en iets voor haar te zingen. Warenka kwam en bracht een muziekblad mede. De vorstin had ook den overste en Marie Eugenjewna met haar dochter uitgenoodigd. Het scheen Warenka weinig te hinderen, dat zij hier bijna alleen onbekenden aantrof; zij ging terstond naar de piano. Zij kon zich zelf niet accompagneeren, maar zij zong zeer goed van het blad. Kitty, die zeer goed speelde, moest haar begeleiden.

"Gij hebt een buitengewoon talent," zeide de vorstin, toen Warenka het eerste lied zeer goed had gezongen. Ook Maria Eugenjewna en haar dochter dankten en prezen haar.

"Zie eens," zeide de overste en wees naar het venster, "welk een publiek zich daar heeft verzameld."

"Het doet me pleizier, dat het u genoegen geeft," antwoordde Warenka eenvoudig.

Kitty zag haar vriendin met trotschheid aan. Zij was verrukt over haar voordracht, haar stem, haar gelaat, maar vooral over haar eenvoudige nederigheid, waardoor zij zich niets liet voorstaan op haar gave en volkomen onverschillig scheen voor den toegedeelden lof. Zij scheen slechts te vragen, of zij nog meer zou zingen, of dat het reeds genoeg was.

"Was ik in haar plaats," dacht Kitty, "hoe trotsch zou ik er op zijn, hoe zou ik me over de menigte daar voor de vensters hebben verheugd! En zij wenschte slechts, niet te mishagen en mama genoegen te doen. Welk een geest woont er in haar? Wat geeft haar deze kracht om steeds zoo vrij en rustig te zijn? Dat wilde ik wel eens weten en van haar leeren," dacht Kitty, terwijl zij Warenka's kalm gelaat beschouwde.

De vorstin verzocht Warenka nog iets te zingen, en Warenka hief een ander lied aan; zij deed dit even kalm, juist en schoon, terwijl zij in rechte houding met de magere, ietwat bruine hand de maat aangaf.

Het stuk, dat in het muziekboek volgde, was een Italiaansch lied. Kitty speelde de inleiding en zag toen vragend Warenka aan. Deze bloosde en zeide: "Dit willen we overslaan."

Kitty zag haar verwonderd aan. "Nu dan een ander," zeide zij en sloeg haastig de bladen om. Zij had dadelijk begrepen, dat aan dit lied een bizondere herinnering was verbonden.

"Neen," antwoordde Warenka en legde lachend haar hand op de noten, "laten wij het maar zingen." En zij zong het even rustig vast en goed als de andere.

Toen zij dit lied had gezongen, dankten allen haar nogmaals en toen werd er thee gedronken. Kitty en Warenka echter gingen naar den kleinen tuin bij het huis.

"Aan dit lied is zeker een herinnering verbonden?" vroeg Kitty. "Gij behoeft mij niets te zeggen," haastte zij zich er bij te voegen, "maar zeg mij slechts, of ik juist heb gegist."

"Neen, waarom zou ik het je niet vertellen?" antwoordde Warenka: "Ja, er is een herinnering aan verbonden en die was eenmaal treurig. Ik beminde iemand en heb het dikwijls voor hem gezongen."

Kitty zag haar zwijgend en ontroerd, met groote oogen aan.

"Ik beminde hem en hij mij, maar zijn moeder was er tegen en hij trouwde een ander. Hij woont thans niet ver van ons en ik zie hem somtijds. Gij hadt wel niet gedacht, dat ik ook een roman heb gehad?" vroeg zij, en nauwelijks zichtbaar ontglom in haar schoon gezichtje dat vuur, dat, zooals Kitty besefte, haar vroeger eenmaal geheel moest doorgloeid hebben.

"Waarom zou ik dat niet gedacht hebben? Als ik een man was, zou ik, als ik u eens had leeren kennen, niemand meer kunnen beminnen. Ik begrijp maar niet, hoe hij u om zijn moeder heeft kunnen verlaten en ongelukkig maken. Hij heeft geen hart gehad."

"O, zeg dat niet! Hij is een goed mensch en ik ben niet ongelukkig, in tegendeel, ik ben zeer gelukkig. Maar vandaag willen we niet meer zingen," voegde zij er bij en wendde zich naar het huis toe.

"Hoe goed zijt gij, hoe goed!" riep Kitty uit, hield haar terug en kuste haar. "Als ik toch een beetje op u kon gelijken!"

"Waarom moet gij op iemand gelijken? Zóó als gij zijt, met uw zacht en weemoedig lachje, zijt gij beminnelijk," antwoordde Warenka.

"Neen, ik ben nergens goed voor. Nu, ik smeek u, zeg mij ... Wacht, laat ons gaan zitten," zeide Kitty en zette zich op een bank neder; "zeg mij, vindt ge niets beleedigends in de gedachte, dat een man uw liefde versmaad heeft, dat hij met ..."

"Hij heeft ze in het geheel niet versmaad; ik ben overtuigd, dat hij mij heeft bemind, maar hij was een gehoorzame zoon...."

"Als hij nu evenwel niet uit gehoorzaamheid aan zijn moeder, maar uit eigen aandrift ..." zeide Kitty en besefte te gelijk, dat zij haar geheim had verraden, ten minste, dat haar schaamrood gelaat haar nu verried.

"Dan zeker had hij slecht gehandeld en ik zou in 't geheel niets meer voor hem gevoeld hebben," antwoordde Warenka, die begreep, dat er nu geen sprake meer was van haar, maar van Kitty.

"Maar de beleediging," bracht Kitty in, "de beleediging kan men niet vergeten." De herinnering aan het laatste bal, aan de pauze voor den cotillon kwam haar weer voor oogen.

"Welke beleediging? Gij hebt toch niet slecht gehandeld?"

"O, erger dan slecht,--beschamend."

"Wat noemt gij beschamend?" vroeg zij. "Gij hebt toch niet een man, dien gij onverschillig waart, beleden, dat ge hem bemindet!"

"Zeker niet. Ik heb geen woord daarvan gezegd, maar hij wist het toch. Neen, neen, er zijn blikken ... er bestaat zulk een manier.... En als ik honderd jaren leef, zal ik dat niet vergeten...."

"Hoe zit dat dan in elkander? Ik begrijp dat niet. De hoofdzaak is, of gij hem nog bemint of niet," zeide Warenka, alles rechtuit bij zijn naam noemende.

"Ik haat hem en zal het mij zelf niet vergeven...."

"Wat?"

"Den smaad, de beleediging."

"Ach, als allen eens zoo overgevoelig waren als gij!" zeide Warenka. "Er is bijna geen meisje, dat zoo iets niet ondervonden heeft. En dat alles is van zoo weinig gewicht."

"Wat is dan gewichtig?" vroeg Kitty en zag haar met nieuwsgierige verwondering aan.

"Ach, er is zooveel meer gewichtigs," antwoordde Warenka lachend.

"Ach, zeer veel," hernam Warenka, die niet wist wat zij zeggen zoude.

Op dit oogenblik deed zich uit het venster de stem der gravin hooren: "Kitty, het is koel! Sla een doek om of kom in huis."

"Dat is waar. Het is tijd," zeide Warenka en stond op: "Ik moet ook madame Berthe nog bezoeken. Zij hoeft mij dit verzocht."

Kitty hield haar hand vast en met een blik van hartstochtelijk smeeken en van nieuwsgierigheid vroeg zij: "Wat is het gewichtige, dat ons rust geeft? Gij weet het, zeg het mij!"

Maar Warenka begreep de vraag in Kitty's blik niet. Zij was zich slechts bewust, dat zij nog naar madame Berthe gaan en om twaalf uur bij haar moeder voor de thee zijn moest. Zij keerde derhalve naar de kamer terug, legde haar muziekbladen bijeen en wilde gaan.

"Mag ik u begeleiden?" vroeg de overste.

"Ja, want ge kunt in het donker toch niet alleen gaan," voegde de vorstin er bij: "Of zal ik je de meid medegeven?"

Kitty zag, dat Warenka nauwelijks een lach kon weerhouden, omdat iemand haar zou begeleiden.

"Neen, ik dank u; ik ga altijd alleen, en nimmer overkomt mij iets," antwoordde zij, terwijl zij haar hoed opzette. Toen kuste zij Kitty nog eens, en zonder haar gezegd te hebben wat het gewichtigste is, verdween zij met haar muziek onder den arm in de schemering van den zomeravond.

III.

Kitty werd tengevolge van haar kennismaking ook met madame Stahl nader bekend en deze verhouding zoowel als Warenka's vriendschap oefende een heilzamen invloed op haar uit.

Kitty gevoelde zich ongelukkig, zij zocht troost en vond dien nergens. Nu kwam die troost van zelf tot haar, doordat zich voor haar een geheel nieuwe wereld opende, die niets met baar verleden gemeen had; een schoone, verheven wereld, van welker hoogte af men kalm op het verleden kon terugzien. Datgene "wat gewichtig is" werd haar openbaar; het was datgene, wat zij vermoed had; het gewichtigste was, dat er buiten het instinctive leven, waaraan Kitty zich tot hiertoe uitsluitend had overgegeven, nog een ander, geestelijk, voor Kitty begrijpelijk leven bestond. Dit leven ontsloot de godsdienst, maar een godsdienst, die weinig met den aan Kitty van jongs af bekenden gemeen had en die zich voor Kitty opende door de huiselijke godsdienstoefeningen der weduwe, waarbij zich de nader met haar bevrienden plachten te vereenigen om onder de leiding eens leeraars bijbelplaatsen te verklaren en het toepasselijke daarvan aan te wijzen; dat was een begrijpelijke, met het leven verbonden en van leven doordrongen godsdienst, waaraan men niet slechts geloofde, omdat het gevorderd werd, maar dien men ook kon liefhebben.

Madame Stahl sprak met Kitty als met een lief kind, dat men als de herinnering aan zijn eigen jeugd bewondert. Slechts eenmaal had zij er van gewaagd, dat in alle menschelijke kwellingen slechts het geloof en de liefde troost aanbrengen en dat wij ons van Christus medelijden met ons kleinst en nietigst leed verzekerd kunnen houden; toen had zij terstond het gesprek op een ander onderwerp geleid. Maar uit elke harer bewegingen, uit elk harer woorden, uit ieder harer, zooals Kitty het noemde, "hemelsche" blikken, bovenal echter uit de geschiedenis van haar leven, die zij door Warenka had leeren kennen, uit dat alles vernam Kitty "wat gewichtig was," hetwelk zij tot hiertoe nog niet gekend had. Kitty zag in madame Stahl den Christelijken ootmoed en de zielegrootheid verpersoonlijkt. Maar hoe verheven ook haar karakter was, hoe roerend haar levensgeschiedenis, hoe zacht en treffend haar woorden waren en hoezeer ze Kitty ook in geestdrift brachten, deze zou haar toch niet van harte hebben kunnen lief krijgen, als zij haar niet al dien tijd met Warenka's oogen had aangezien. En voor Warenka was haar mama het toppunt van volkomenheid. Kitty had onwillekeurig in madame Stahl eenige trekken opgemerkt, die haar bevreemden. Zij had, toen deze eens naar haar familie vroeg, een bijna spotachtigen glimlach op haar gelaat bespeurd, die haar verwonderde en krenkte. Nog meer echter was zij ontevreden, toen zij eens bij gelegenheid van een bezoek bij madame Stahl een Catholieken priester aantrof en madame den geheelen tijd haar gelaat in de schaduw van de lampekap trachtte verborgen te houden. Van hoe weinig beteekenis deze kleine opmerkingen ook waren, hadden zij Kitty toch in verwarring gebracht. Daarentegen was Warenka in haar eenzaamheid, zonder vrienden en bloedverwanten, terwijl zij na eene treurige teleurstelling in de liefde toch niets wenschte, zich over niets beklaagde en zich slechts aan haar plichten wijdde,--voor haar een schier volmaakt wezen, waarmede zij dweepte. In Warenka had zij het gezien, dat men slechts zich zelf vergeten en als anderen denken moet om kalm, goed en gelukkig te worden--en dat was Kitty's doel. Nadat Kitty nu duidelijk begrepen had, wat gewichtig was, vergenoegde zij zich er niet mede zich daarover te verheugen, maar zij wijdde zich werkelijk aan dit voor haar nieuw geopend leven. Na Warenka's mededeelingen over madame Stahls doen en laten, vormde zij zich een bepaald levensplan. Waar zij ook mocht wonen, wilde zij even als een nicht van mevrouw Stahl, van wie Warenka haar verhaald had, overal de ongelukkigen opzoeken en helpen, waar zij vermocht; zij wilde goede geschriften uitdeelen, de misdadigen en gevangenen uit den bijbel voorlezen. Vooral het laatste was voor haar een aanlokkelijke gedachte. Maar dit was een geheim, waarvan zij noch met haar moeder noch met Warenka spreken wilde. Zij was overtuigd, dat het goed en schoon was, dat men het doen moest, en toch zeide een inwendige stem haar, dat zij niet in staat was het te doen.

De vorstin bemerkte, dat Kitty zich geheel onder den invloed en op sleeptouw van mevrouw Stahl en nog meer van Warenka bevond. Niet alleen dat zij de laatste in geheel haar bedrijvig streven en doen navolgde, maar zij copiëerde haar onwillekeurig ook in haar manieren, zooals zij ging, sprak en met de oogen pinkte. Maar spoedig bemerkte zij ook, dat in Kitty's innerlijk leven een geheele omkeering had plaats gehad. Zij ontdekte, dat zij nu 's avonds steeds in een Fransch evangelie las, dat madame Stahl haar geschonken had, hetgeen zij vroeger niet had gedaan; dat zij haar gewone kennissen vermeed en met de zieken verkeerde, die onder Warenka's bescherming stonden en voornamelijk met de familie van een armen Russischen schilder. Zij was er blijkbaar trotsch op, in deze familie de plichten eener liefdezuster te vervullen. Dit alles was nu recht mooi en de vorstin had er ook niets tegen in te brengen, te minder daar de vrouw des schilders een zeer fatsoenlijke persoon was en ook de Duitsche prinses Kitty's werkzaamheid met welgevallen opgemerkt en Kitty den "engel der vertroosting" genoemd had; maar zij vreesde, dat Kitty het te ver zou drijven. "Il ne faut jamais rien outrer," had zij haar derhalve gezegd. Maar de dochter antwoordde niets en dacht slechts in haar hart, dat men op godsdienstig gebied van geen overdrijving kon spreken; want hoe kon van overdrijving sprake zijn tegenover een gebod, dat beveelt: als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de linker toe, en als iemand u den rok ontneemt, laat hem ook den mantel?

IV.

