# Anna Karenina

## Part 14

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/anna-karenina-13214/index.md

"Nu, het verheugt mij, dat het je gelukt is," voegde hij er bij, en toch benijdde hij Oblonsky, die hem voor geweest was.

"Dat uit den rechter loop was een slecht schot," beweerde Stipan, terwijl hij de buks op nieuw laadde.

"St. st. Daar vliegt weer wat!" En werkelijk daar weerklonk weer schel en snel op elkander volgend geschreeuw. Twee spelende houtsnippen, die elkander vervolgden, streken krijschend boven de hoofden der jagers heen. Vier schoten knalden, maar vlug als de wind keerden de vogels om en verdwenen uit het oog....

De jagers hadden een goede plaats gekozen. Stipan Arkadiewitsch velde nog twee stuks, Lewin even zoo, maar kon een er van niet vinden. Het werd donker. De snippen vlogen niet langer rond. Lewin echter vertoefde nog steeds, hij wilde wachten tot Venus, die hem door de twijgen van een berkenboom tegenblonk, boven dien boom gerezen en het sterrebeeld van den Grooten Beer duidelijk te zien zoude zijn. Maar Venus straalde reeds hoog boven den top uit en de Groote Beer schitterde reeds helder aan den donkeren heuvel en nog toefde Lewin.

"Nu is het toch zeker tijd om te gaan?" vroeg Stipan Arkadiewitsch.

"Laat ons nog even wachten."

"Zooals ge wilt."

Zij stonden ongeveer vijftien schreden van elkander.

"Stiwa!" zeide Lewin eensklaps, geheel onverwacht: "Waarom vertel je mij niet eens, of je schoonzuster al getrouwd is of wanneer ze trouwen zal?"

Hij gevoelde zich kalm en sterk genoeg om elk antwoord te kunnen verdragen. Maar Stipans antwoord had hij toch in het geheel niet vermoed.

"Zij denkt en zij dacht volstrekt niet aan trouwen, maar zij is ernstig ziek en de dokters hebben haar naar het buitenland gezonden. Men vreest zelfs voor haar leven...."

"Wat zeg je?" riep Lewin uit: "ernstig ziek? Wat scheelt haar? Hoe is...."

Op dat oogenblik zag Laska, de ooren spitsend, naar den hemel en daarna keek zij haar meester verwijderd aan. "Die hebben ook den rechten tijd tot praten uitgezocht," dacht zij. "Daarboven vliegt ze--daar, daar is ze, waarlijk ze vergeten haar...!"

Maar plotseling weerklonk een schelle schreeuw. De beide vrienden richtten tegelijkertijd hun buksen, twee schoten knalden en de hoogvliegende snip streek terstond de vleugels en viel tusschen de takken van het kreupelhout neder.

"Dat is mooi! Die komt ons allebei toe!" riep Lewin en snelde met Laska de struiken in om de snip te zoeken. "Ja, van welk ongeluk spraken wij daar even?" dacht hij. "Ja, Kitty is ziek.... Maar wat er aan te doen? 't Is treurig, erg treurig.... Aha! Laska heeft ze gevonden! Beste hond!" sprak hij den warmen vogel uit den muil nemend. "Hij heeft ze gevonden, Stiwa," riep hij en legde de snip in zijn bijna geheel gevulde weitasch.

XIV.

Op den terugweg vroeg Lewin naar alle bizonderheden van Kitty's ziekte en de tegenwoordige plannen van de Tscherbatzky's, en al wilde hij het zich zelf niet bekennen, het was toch een groote voldoening voor hem, vooreerst omdat er nu eensklaps weer hoop voor hem was ontstaan, en vervolgens, omdat zij, die hem zoo zeer gekwetst had, nu ook leed. Toen echter Oblonsky over de oorzaak van haar ziekte begon te spreken en Wronsky's naam noemde, viel Lewin hem in de rede: "Ik heb geen recht die familieaangelegenheden te kennen, en oprecht gesproken, ook in het geheel geen belang daarbij." Na een oogenblik zwijgens ging hij voort: "Zijn je onderhandelingen met Rjäbinin over den verkoop van het bosch al afgeloopen?"

"Ja, en ik vind zijn bod zeer billijk. Acht en dertig duizend roebels; acht duizend dadelijk en het andere in zes termijnen te betalen. Ik moest lang met hem handelen, wij wilden geen van beiden toegeven."

"Dus, dat wil zeggen, dat ge hem het bosch zoo goed als geschonken hebt," sprak Lewin somber.

"En waarom dan geschonken, vriendje?" vroeg Stipan Arkadiewitsch met een goedhartig lachje, want hij wist, dat Lewin nu in een stemming was om alles af te keuren.

"Omdat het bosch op zijn minst vijf honderd roebels per desjatine waard is," antwoordde Lewin.

"Oho, jelui landjonkers!" spotte Stipan. "Wat zijn wij stadslui toch dwaze menschen! Maar als er van zaken doen sprake is, dan doen wij toch altijd de beste. Geloof maar vrij, ik heb alles nauwkeurig overwogen, het bosch is zeer voordeelig verkocht, zoo zelfs, dat ik vrees, dat hij zich nog zal terug trekken. Timmerhout levert het in het geheel niet op, alleen brandhout; dit is nu hoogstens honderd zeventig roebel de desjatine waard en hij betaalt er tweehonderd roebels voor."

Lewin lachte ironisch. "Ik ken die manier van doen van die stedelingen," dacht hij, "elke tien jaar komen zij eenmaal buiten, vangen dan twee of drie landelijke uitdrukkingen op, gebruiken die vandaag goed, morgen verkeerd, en meenen dan, dat zij er alles van weten. _Geen timmerhout; is dus hoogstens honderdzeventig roebel waard_! Dat spreekt over zaken, waar hij in 't geheel geen verstand van heeft." Overluid voegde hij er bij: "Ik matig mij geen oordeel aan over dat, wat jelui daar op het gerechtshof uitvoert; is het noodig, dan kom ik tot jelui en vraag om raad. Gij echter zijt overtuigd alles van het boschwezen te weten. Maar geloof mij, dat is zoo eenvoudig niet. Hebt gij de boomen geteld?"

"De boomen? zou ik die tellen?" antwoordde Stipan lachend en hoopte Lewins slechte luim te verdrijven:

"Kan het wel tellen, het grootste verstand De stralen der zon, aan den oever het zand...."

"Nu, Rjäbinins groot verstand kan het. Geen handelaar koopt zonder te tellen, tenzij het hem present gegeven wordt, gelijk gij nu doet. Ik ken uw bosch. Ieder jaar jaag ik daar; vijfhonderd is het waard, kontant uitbetaald, en hij geeft je tweehonderd in termijnen. Gij kunt dus rekenen, dat ge hem dertig duizend geschonken hebt."

"Kom, kom, je overdrijft," zeide Stipan, ietwat terneer geslagen. "Waarom heeft mij dan niemand meer geboden?"

"Omdat hij die anderen omgekocht heeft; die krijgen ieder hun deel er van. Ik heb met allen gehandeld; ik ken ze. Dat zijn geen kooplui, het zijn afzetters, woekeraars. Onder de vijftig procent winst doen ze geen zaken, neen, uit twintig kopeken slaat hij een roebel."

"Ach kom, houd toch op! Ge zijt slecht gehumeurd!"

"Volstrekt niet!" antwoordde Lewin stroef, en de wagen hield voor het huis stil.

Aan den oprit stond reeds een kleine met leder en ijzer overtrokken telega met een vleezig paard. Daarop zat een forsche, breedgeschouderde klerk van Rjäbinin, die tegelijkertijd voor koetsier diende. Rjäbinin zelf was in huis en wachtte de vrienden in de voorkamer af. Hij was een lang, mager man van middelbaren leeftijd, met een snor, een gladgeschoren, vooruitstekende kin en starende, uitpuilende oogen. Hij droeg een langen blauw-lakenschen jas en hooge laarzen, waar hij nog groote overschoenen over heen getrokken had. Toen de vrienden binnen kwamen, wischte hij het gelaat met zijn zakdoek af en trok zijn jas terecht. Na de hand ook met den zakdoek afgewischt te hebben, stak hij die zoo aan Oblonsky toe, alsof hij iets vangen wilde.

"Kom, zijt ge daar al," sprak Stipan. "Dat is goed."

"Ik durfde het niet wagen, de bevelen van Uw Doorluchtigheid ongehoorzaam te zijn, ofschoon de weg zeer slecht is. Ik moest positief den geheelen weg te voet afleggen en ben toch nog op het afgesproken uur gekomen. Constantin Dimitritsch." wendde hij zich tot Lewin en beproefde ook diens hand te vangen, "ik heb de eer...." Maar Lewin deed, alsof hij de uitgestoken hand niet bemerkte en nam de houtsnippen uit de weitasch.

"Heeft het u behaagd u met de jacht te verlustigen! Hoe heet die vogel toch?" vroeg Rjäbinin en zag met verachtelijken blik naar de snippen. "Zullen zeker wel goed smaken?" en daarbij schudde hij afkeurend met het hoofd, als betwijfelde hij het, of het de moeite en kosten waard was zulk gevogelte eetbaar te maken.

"Ga in mijn kabinet," zeide Lewin stroef, "daar kunt gij alles bespreken."

"Zeer goed, zooals u beveelt," antwoordde Rjäbinin.

Bij het binnentreden van het kabinet zag hij om zich heen, alsof hij het kruisbeeld zocht, doch bekruiste zich niet, toen hij het gevonden had. Hij zag met denzelfden minachtenden blik, dien hij op de snippen geworpen had, naar de planken en kasten vol boeken en schudde weer afkeurend het hoofd; nu gaf hij echter reeds in het geheel niet meer toe, dat dit bezit de kosten waard was.

"Welnu? brengt gij het geld?" vroeg Oblonsky. Neem plaats."

"Aan geld ontbreekt het niet. Om u te zien en met u te spreken ben ik gekomen."

"Waarover wilt gij dan spreken?" Neem toch plaats."

"Dat kan ik wel doen," antwoordde Rjäbinin en nam plaats.

"U moet er nog wat af doen, vorst. Het is ongehoord. Het geld ligt al tot de laatste kopeke gereed. Aan het geld ligt het dus niet."

Lewin, die inmiddels zijn buks in de kast gehangen had, wilde de kamer weer verlaten, maar toen hij deze woorden van den handelaar hoorde, bleef hij staan.

"Hij is ongelukkig te laat bij mij gekomen, anders had ik den prijs bepaald," zeide hij.

Rjäbinin stond op en nam Lewin zwijgend en met een spottend lachje van het hoofd tot de voeten op.

"Constantin Dimitritsch is zeer gierig," zeide hij tot Stipan Arkadiewitsch. "Men kan definitief niets van hem koopen. Ik heb tarwe van hem gekocht, maar een prachtig stuk geld er voor moeten betalen."

"Waarom zou ik ze ook voor niets geven? Ik heb ze ook niet op straat gevonden of gestolen."

"God beware ons. In den tegenwoordigen tijd is het stelen positief onmogelijk, er zijn tegenwoordig definitief overal gerechten van gezworenen. Alles is heel voornaam ingericht, van stelen is geen sprake meer. Maar zooals ik gezegd heb, op mijn eerewoord, u vordert te veel. Dat is geen handel. Ik verzoek u dringend er iets af te doen, al is het ook maar een kleinigheid."

"Hebt gij de zaak dan al beklonken of nog niet?" vroeg Lewin aan Oblonsky; "indien gij het al eens zijt, is er niets meer aan te doen, anders koop ik uw bosch."

De lach verdween van Rjäbinins gelaat, dat nu aan een havik, een roofdier deed denken. Vlug knoopte hij met zijn knokkelige vingers den jas los, zoodat de stalen knoopen van zijn vest en zijn horlogeketting zichtbaar werden en haalde een oude, dikke brieventasch te voorschijn.

"Hier is het geld! Het bosch is mijn," sprak hij, terwijl hij snel een kruis maakte en de hand uitstak. "Neem u het geld, het bosch behoort mij. Zoo handelt Rjäbinin, hij kibbelt niet om kopeken," sprak hij stroef en waaide met zijn brieventasch, alsof 't een waaier was.

"Ik zou me in je plaats niet overhaasten," sprak Lewin.

"Maar ik heb mijn woord al gegeven," antwoordde Oblonsky.

Lewin verliet het vertrek en sloeg de deur achter zich toe. Rjäbinin zag hem na en schudde het hoofd. "Zoo is de jeugd! Definitief niets als kinderwerk! Want ik, geloof mij, ik koop alleen om de eer, opdat men zeggen zal, dat Rjäbinin en niemand anders het bosch van vorst Oblonsky koopt. God weet, dat ik er geen voordeel bij heb. Bij God, dat is de waarheid. En nu verzoek ik u beleefd, laat ons schrijven het contract...."

Een uur later besteeg de handelaar met tot aan den hals toegeknoopten jas en het contract in den zak zijn met ijzer en leder beslagen wagentje en reed naar huis.

"Ach, die heeren!" zeide hij tot den klerk, "de een is al even lastig als de ander!"

"Ja, zeker," antwoordde de klerk, terwijl hij zijn heer de teugels overgaf: "Kan ik u met deze zaak geluk wenschen, Michael Ignatjewitsch?"

"Zoo zoo! La la!"

XV.

De zakken wel gevuld met bankbiljetten, begaf Stipan Arkadiewitsch zich naar boven. Hij was in de beste stemming en wilde Lewins slechte luim ook verdrijven. Hij wenschte, dat de dag met het avondeten even prettig eindigde als hij begonnen was.

Lewin was echter slecht gestemd, hoeveel moeite hij zich ook gaf vriendelijk en voorkomend jegens zijn gast te zijn. De tijding, dat Kitty nog niet getrouwd was, verbijsterde en overweldigde hem. De dwaze verkoop van het bosch, het bedrog, waarvan Oblonsky de dupe was geweest, en de gedachte, dat dit juist in zijn huis had moeten gebeuren, verdroten hem.

"Zoo, ben je klaar?" sprak hij den binnentredenden Oblonsky aan: "zoudt ge nu het avondeten niet willen gebruiken?"

"Dat lijkt mij goed toe! 't Is verwonderlijk, welk een eetlust ik hier buiten heb! Waarom heb je Rjäbinin niets gepresenteerd?"

"De duivel hale hem!"

"'t Is erg zooals ge met hem omgaat! ge hebt hem niet eens de hand gereikt. Waarom zou men hem de hand niet geven?"

"Ik steek ze mijn knecht ook niet toe, en die is honderd maal beter dan hij."

"Gij zijt een reactionnair! Waar blijft dan de gelijkstelling van alle standen?"

"Wie dat gaarne wil, mag zich gelijk stellen, wel bekome het hem! Mij stuit het tegen de borst."

"Ik zeg, dat ge een volbloed reactionnair zijt."

"Zoo? waarlijk? Ik heb er nooit over nagedacht, wat ik ben. Ik ben Constantin Lewin, verder niets."

"Constantin Lewin, die slecht geluimd is," antwoordde Oblonsky glimlachend.

"Nu ja, ik ben een beetje korzelig, maar waarom? Neem mij niet kwalijk: om je dommen verkoop...."

Stipan Arkadiewitsch maakte een gebaar, als iemand, die onschuldig beleedigd is geworden.

"Laat dat nu maar rusten!" sprak hij. "Wanneer is dat ooit anders geweest? Heeft men iets verkocht, dan is het altijd: 'Het was veel meer waard geweest,' en toch wilde niemand er meer voor geven.... Nu, ik begrijp het wel, je hebt iets tegen dien armen Rjäbinin."

"Wel mogelijk. Maar waarom? Gij zult mij misschien een reactionnair of iets dergelijks noemen--maar het doet mij pijnlijk aan, als ik de allerwege om zich grijpende verarming van den adel zie, waartoe ook ik behoor, en waartoe te behooren ik mij, ondanks alle gelijkstelling der standen, zeer verheug. En deze verarming is geen gevolg van te groote weelde--dan was het niets, want het is een plicht van den adel voornaam te leven en adellijken alleen kunnen dat. Alom koopen de boeren veel goederen op. Daar zie ik ook niets in. De voorname heer acht zich te hoog iets te doen, de boer werkt en verdringt den luiaard. Dat is juist zooals het behoort. Maar het grieft mij, wanneer ik zie, dat de verarming dikwijls het gevolg is van, nu, ik zal maar zeggen: onnoozelheid. Hier koopt een Poolsche pachter van een dame, die te Nizza leeft, een prachtig landgoed voor den halven prijs; ginds wordt een akker, die tien roebels waard is, voor een roebel verpacht, en gij schenkt vandaag hier, zonder eenigen grond, dertigduizend aan een aartsschelm...."

"Ja nu! moet men dan elken boom rekenen?"

"Zeer zeker moet men rekenen. Gij deedt het niet, maar Rjäbinin heeft het wel gedaan. Zijn kinderen zullen de middelen voor een goede opvoeding en een zorgeloos leven bezitten, terwijl de uwen dat misschien niet zullen hebben...."

"Nu, nu! Neem me niet kwalijk, maar rekenen is een miserabel werk. Wij hebben onze bezigheden, zij de hunne. Zij moeten ook wat verdienen. Maar kom! de zaak is bovendien nu uitgemaakt. Ha! daar zijn spiegeleieren, mijn lievelingskostje! En nu zal Agasija Michailowna ons ook nog wel wat van haar overheerlijken kruidendrank geven...."

Stipan Arkadiewitsch zette zich aan tafel en begon met Agasija te schertsen, terwijl hij haar verzekerde, dat hij zulk een souper in lang niet genoten had.

"U prijst ten minste nog eens iets," sprak Agasija, "maar Constantin Dimitritsch, dien kan men geven, wat men wil, al was het een droge korst brood: hij eet ze op en gaat weer weg."

Hoeveel moeite Lewin zich ook gaf om zich te beheerschen, het gelukte hem niet; hij bleef stroef en stil. Hij wilde Stipan iets vragen, maar kon er niet toe komen; hij vond misschien geen geschikt oogenblik of geen passenden vorm. Stipan Arkadiewitsch was reeds weer naar beneden gegaan, had zich gewasschen, omgekleed en te bed gelegd, terwijl Lewin nog steeds bij hem bleef, het vertrek op en neer liep en over allerlei onverschillige dingen met hem sprak, maar nog altijd niet in staat was hem datgene te vragen, wat hij op het hart had.

"Wat maakt men die zeep tegenwoordig toch mooi!" zeide hij een pakket welriekende zeep loswikkelend; "zie, dat is toch waarlijk een kunstwerk!"

"Ja, tegenwoordig is alles volmaakt!" antwoordde Stipan, sterk en tevreden geeuwend. "Daar heb je bij voorbeeld de schouwburgen en ontspanningslokalen.... Ah, ha, ha!" geeuwde hij:... "Overal electrische verlichting ... ah, ha, ha!"

"Ja, electrisch licht...." zeide Lewin. "Ja.... Maar zeg mij eens, waar is Wronsky tegenwoordig?" vroeg hij plotseling en legde de zeep neder.

"Wronsky?" vroeg Oblonsky, zijn geeuwen inhoudend, "die is te Petersburg. Is spoedig na je vertrek afgereisd en was sinds dien tijd geen enkele maal te Moskou. Weet je, Kostja, ik wil je de waarheid zeggen." voegde hij er bij zich half oprichtend en op het bedtafeltje leunend en Lewin met zijn goedige oogen slaperig aanstarende: "Gij hebt het je zelf te wijten. Ge hadt alle hindernissen het hoofd moeten bieden.... Ik heb je toen al gezegd...." Hij geeuwde zonder den mond te openen, alleen met de kinnebakken.

"Zou hij wat van mijn aanzoek weten of niet?" dacht Lewin hem scherp waarnemend. "Er ligt iets schuws, iets diplomatisch in zijn gezicht!" en gevoelend, dat hij rood werd, zag hij Stipan zwijgend en openhartig in de oogen.

"Als er destijds iets met haar bestond," ging Oblonsky voort "dan was het eigenlijk maar zeer oppervlakkig. Zijn innemende aristocratische persoonlijkheid en zijn toekomstige positie in de wereld werkten niet zoozeer op haar, als wel op moeder...."

Lewins gelaat betrok. De oude wond in zijn hart deed hem weer even veel pijn, als toen hij ze pas had ontvangen. "Wacht eens, wacht eens!" zeide hij, Oblonsky in de rede vallend, "gij zegt zijn aristocratische persoonlijkheid. Met je verlof, waarin vindt gij dat aristocratische van Wronsky of iemand anders, dat hun het recht kon geven mij lager te stellen? Gij houdt Wronsky voor een aristocraat. Een man, wiens vader zich alleen door intrigues in de hoogte gewerkt heeft, en wiens moeder God weet met wie al liaisons gehad heeft.... Neen, neem mij niet kwalijk! Tot de aristocraten reken ik mij zelf en mijns gelijken, die tot drie of vier generaties in hun geslacht kunnen terugzien, die zich nooit voor iemand hebben vernederd, die nooit iemand noodig hadden, menschen, zooals mijn vader en mijn grootvader. Gij acht het beneden je om, zooals ik doe, de boomen in het bosch te tellen en gij schenkt dertigduizend aan Rjäbinin, maar gij zult een vast jaargeld en ik weet niet wat nog al meer ontvangen. Daar heb ik niet op te rekenen en daarom houd ik dat, wat ik geërfd heb en dat, wat ik daarbij verwerf, beide evenzeer in waarde.... Wij zijn de aristocraten, maar niet diegenen, die niet zonder de aalmoezen van de grooten der wereld kunnen bestaan en die men voor twintig kopeken overal kan koopen."

"Van wie spreekt ge toch eigenlijk? Ik ben het immers geheel met je eens!" zeide Stipan vroolijk en oprecht, hoewel hij gevoelde, dat Lewin ook hem onder diegenen telde, die voor twintig kopeken te koop waren, maar Lewins opbruisende natuur maakte werkelijk indruk op hem. "Op wien scheldt ge toch eigenlijk? Al is ook veel, van wat ge van Wronsky zegt, niet waar, zoo spreek ik het tóch in het geheel niet tegen. Ik zeg je echter ronduit, dat ik in je plaats naar Moskou zou gaan en...."

"Neen, neen! Ik weet niet, of gij er iets van weet of niet--dat is mij ook onverschillig; zie, ik heb haar gevraagd en ben afgewezen, en Catharina Alexandrowna is nu niets meer voor mij als een beschamende herinnering."

"Waarom? Onzin!"

"Laat ons daar niet meer over spreken." verzocht Lewin; "vergeef mij, indien ik grof tegen je was. Ge zijt toch niet boos, Stiwa? Kom, wees niet boos op me," zeide hij vriendelijk en drukte hem de hand. Nu hij zijn hart eens lucht had gegeven, was hij weer in dezelfde stemming als des voormiddags.

"Ik ben in het geheel niet boos, in het minst niet; ik heb daar ook geen reden voor. Ik ben blijde, dat we eens vertrouwelijk gesproken hebben. Maar weet je, die plaats in het bosch moet 's morgens vroeg al zeer goed zijn. Zullen we er heen rijden? Dan zou ik vroeg opstaan en van het jachtterrein onmiddellijk naar het station kunnen rijden."

"Dat is best!"

XVI.

In weerwil dat Wronsky's innerlijk leven geheel door zijn hartstocht was ingenomen, rolde zijn ander leven in het gewone spoor der militaire belangen en die van het conversatieleven onveranderd daarheen. Zijn regiment was hem lief en hij was daarin ook bemind; en meer dan dat, men achtte hem en was trotsch op hem, te meer, daar men wist, dat hij, door zijn buitengewonen rijkdom, zijn uitstekende, zorgvuldige opvoeding en beschaving zich den weg tot de hoogste maatschappelijke eereplaatsen zag geopend, maar dat hij dat alles klein achtte en met zijn hart slechts aan zijn regiment en zijn kameraden hing. Wronsky was zich deze goede meening zijner kameraden wel bewust en gevoelde zich daarom te meer verplicht die meening te behouden.

Natuurlijk sprak hij met geen zijner kameraden van zijn liefde en verried ze ook niet bij de vroolijkste feestgelagen, te meer daar hij nimmer zooveel dronk, dat hij de heerschappij over zich zelf verloor, en als eens iemand onbedacht op zijn liefdesbetrekking zinspeelde, wist hij hem spoedig den mond te stoppen. Evenwel was zijn liaison door de geheele stad bekend; allen wisten meer of minder van zijn verhouding tot mevrouw Karenin. De jonge mannen benijdden hem er om, te meer, daar Karenin zulk een hooge maatschappelijke positie innam en derhalve deze liaison in de groote wereld des te meer opzien baarde.

Ook vele jonge vrouwen benijdden Anna; andere, die het al lang niet meer hadden kunnen verdragen, dat men steeds hare strenge ingetogenheid roemde, verheugden zich over haar vermoedens en verbeidden nu den vroeg of laat te wachten omkeer der openbare meening, om zich dan met het geheele gewicht harer verachting op haar te kunnen storten; zij hielden de modderkluiten al gereed, waarmede zij haar, zoodra de tijd gekomen was, wilden werpen. De meeste oudere en hooggeplaatste personen waren daarentegen ontevreden over het in aantocht zijnde schandaal.

Toen Wronsky's moeder de minnarij van haar zoon vernam, was zij aanvankelijk daarmede zeer tevreden; want naar haar meening werd door niets zoozeer de laatste schaaf gelegd aan een jongen man van de wereld, als door een liefdesbetrekking met een vrouw uit de hoogste kringen. Toen zij echter later hoorde, dat haar zoon een voor zijn verdere carrière hoogst gewichtige betrekking had afgewezen, alleen om bij zijn regiment en in de nabijheid van mevrouw Karenin te blijven en vernam, dat zich tengevolge daarvan eenige hooggeplaatste personen ontevreden over hem hadden uitgelaten, toen werd haar oordeel gewijzigd. Ook beviel het haar niet, dat, naar al wat zij vernomen had, het hier geen luchtige, aardige en pikante liefdesaffaire gold, maar een wanhopigen ernstigen, Wertherschen hartstocht, die, zooals men haar zeide, allerlei domme consequentiën tengevolge kon hebben. Zij had hem sedert zijn onverwachte terugkomst uit Moskou nog niet weergezien en had hem derhalve nu door haar oudsten zoon laten verzoeken bij haar te komen. Ook de oudste broeder was over den jongsten niet tevreden. Het was hem volkomen onverschillig, welk een soort van liefde het was, of groot of gering, of hartstochtelijk of kalm, of misdadig of platonisch, want hij zelf onderhield, hoewel hij een familie bezat, een danseres en oordeelde derhalve zeer toegevend; maar hij wist dit eene, dat het een liaison was, die dezulken mishaagde, wier gunst men zoeken moest, en daarom keurde hij het gedrag zijns broeders af.

Behalve zijn dienstplichten en sociale bezigheden had Wronsky nog een hartstocht, namelijk voor schoone paarden. Dit jaar was een wedren met hindernissen onder de officieren vastgesteld. Wronsky had zich laten inschrijven, had een Engelsche volbloedmerrie gekocht en was nu in weerwil van zijn liefdehandel vervuld van hartstochtelijke gedachten aan den ophanden zijnden wedren. Deze beide passiën stonden elkander volstrekt niet in den weg.

