# Anna Karenina

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/anna-karenina-13214/index.md

Toen Kitty in tranen badend de kamer verlaten had, zag Dolly's moederlijke natuur terstond, dat een vrouw hier helpen moest. Zij legde haar hoed af, en in zekeren zin zedelijk de mouwen opstroopend, bereidde zij zich tot handelen voor. Gedurende den aanval van haar moeder op haar vader bleef zij in stillen deemoed zitten, gelijk een dochter betaamt; maar zoodra haar vader weggegaan was, maakte zij zich op om Kitty te gaan troosten. "Ik had het u al lang willen zeggen, mama; weet u, dat Lewin, toen hij de laatste maal hier was, bij Kitty een aanzoek wilde doen? Hij heeft het Stiwa gezegd."

"Hoe dan? Ik begrijp niet...."

"Heeft Kitty hem misschien afgewezen? Heeft zij u daar niets van gezegd...?"

"Neen, noch van den een, noch van den ander; zij is te fier; maar ik weet, dat het alles door die...."

"Denk toch eens aan, als zij Lewin afgewezen had! En ik weet stellig, dat zij dat niet gedaan zou hebben, als die ander er niet geweest was.... En die heeft haar nu schandelijk bedrogen...."

Het was voor de vorstin vreeselijk om er aan te denken, hoe schuldig zij tegenover Kitty was, en daardoor werd zij prikkelbaar.

"Ach, ik begrijp er niets meer van! Ieder wil tegenwoordig zijn eigen hoofd volgen; men vertelt de moeder niets en dan komt het zoo...."

"Mama, ik zal naar haar toe gaan?"

"Ga! Of heb ik het je soms verboden?"

III.

Toen Dolly in Kitty's vriendelijke met snijwerk versierde kamer trad, die er even frisch en zonnig als de bewoonster zelf voor twee maanden uitzag, herinnerde zij zich met hoeveel lust en liefde zij dat vertrek het vorige jaar ingericht hadden. Kitty zat op een laag stoeltje dicht bij de deur en had haar oogen strak op een hoek van het tapijt gevestigd, maar sloeg die nu met koelen somberen blik tot haar zuster op.

"Ik wilde nog eens even met je praten," zeide Dolly.

"Waarover?" vroeg Kitty snel, terwijl zij het hoofd verschrikt ophief.

"Waar anders over, als over je kommer?"

"Ik heb geen kommer."

"Spreek zoo niet, Kitty! Denk je werkelijk, dat ik niets weet? Ik weet alles, en geloof mij, het heeft weinig te beduiden. Wij hebben allen iets dergelijks ondervonden."

Kitty zweeg en keek strak voor zich uit.

"Hij is niet waard, je om zijnentwil te kwellen," ging Dolly voort, recht op de zaak afgaande.

"Ja, omdat hij mij versmaad heeft!" zeide Kitty met sidderende stem. "Och, zeg toch niets meer alsjeblieft."

"Wie heeft je dat gezegd? Dat kan niemand zeggen. Ik ben er van overtuigd, dat hij op je verliefd was en het zou gebleven zijn, als...."

"Ach, dat medelijden, en al die betuigingen van deelneming zijn het verschrikkelijkst!" riep Kitty plotseling uit. Zij keerde zich op haar stoel om, werd rood, speelde met de vingers en drukte nu met de eene dan met de andere hand tegen den gesp van haar ceintuur. Dolly kende haar zuster; zij wist, dat zij in drift in staat was zich zelf te vergeten en dingen te zeggen, die haar kort daarna berouwden.

"Wat? Wat wilt ge me doen gevoelen? Wat?" vroeg Kitty gejaagd: "Dat ik verliefd was op iemand, die niets van mij weten wil, en dat ik uit liefde voor hem zal sterven? En dat zegt nu mijn eigen zuster; zij meent dat ... dat ... zij ... in mijn leed deelt! Ik wil zulk een medelijden, zulk een veinzerij niet!"

"Kitty, je zijt onrechtvaardig. Gij meent, dat ge beleedigd zijt, en valt mij nu aan...."

"Ik heb je niet beleedigd, maar gij...!"

"Integendeel, ik...." haastte Dolly zich te zeggen.

Maar Kitty luisterde niet in haar drift.

"Er is volstrekt geen grond om te denken dat ik ongelukkig ben en mij te troosten. Ik ben veel te trotsch om ooit iemand te beminnen, die mij niet bemint."

"Dat zegt immers ook niemand.... Maar toe, zeg mij nu eens oprecht," smeekte Dolly, Kitty's hand grijpend, "heeft Lewin met je gesproken?..."

Het noemen van Lewins naam scheen Kitty alle zelfbeheersching te doen verliezen; zij sprong op, wierp den gesp op den grond en riep met een heftige handbeweging uit: "Wat heeft dat alles met Lewin te maken? Ik begrijp niet, waarom je mij zoo plaagt! Ik heb je al gezegd en herhaal het, dat ik mijn trots heb en dat ik nooit doen zou, wat gij gedaan hebt: tot iemand terugkeeren, die je ontrouw geworden is en een andere bemint. Dat is mij onbegrijpelijk. Gij kunt dat, ik echter niet!"

Na die woorden zag zij haar zuster aan; toen zij bemerkte, dat Dolly zwijgend en treurig het hoofd liet hangen, viel zij lusteloos op den stoel bij de deur neer en bedekte haar gelaat met den zakdoek. Dit zwijgen duurde eenige minuten. Dolly dacht aan haar eigen leed. Haar vernedering, die zij onophoudelijk gevoelde, deed haar nog meer pijn, toen zij door haar zuster daaraan herinnerd werd. "En zij weet het, zij gevoelt het bij instinct!" dacht zij. Plotseling hoort zij een kleed ruischen en zij werd door een paar armen omvat. Kitty lag voor haar geknield. Zij smeekte niet om vergiffenis, zij fluisterde haar slechts toe: "Dolinka, ik ben zoo ongelukkig!" En zij verborg het lieve betraande gelaat in de plooien van Dolly's kleed. De tranen waren als het ware de noodige olie, zonder welke de machine van de wederzijdsche uitstorting des harten niet werkte. Na die tranen spraken de zusters niet meer over wat zij eigenlijk weten wilden. Nu verstonden zij elkander zonder dat volkomen.

"Ik heb geen verdriet," sprak Kitty nu bedaard, "maar ik weet niet, of gij het begrijpen kunt: alles staat mij tegen, ik heb een hekel aan alles, het meest nog aan mij zelf. Gij kunt u niet voorstellen, welke slechte gedachten ik somtijds heb."

"Welke slechte gedachten zoudt gij kunnen hebben?" vroeg Dolly, ongeloovig lachend.

"De slechtste, de laagste, zeg ik je. Dat is geen verlangen, geen verveling, neen, dat is iets veel ergers. 't Is of al het goede, dat in mij was, zich verborgen heeft en het slechte alleen gebleven is. Hoe is dat te verklaren?" voegde zij er bij, toen zij verwondering in de oogen harer zuster las. "Papa sprak zooeven tot mij.... Hij schijnt te denken, dat ik trouwen moet. Mama brengt mij op een bal, en ik denk, dat zij het alleen doet om mij zoo spoedig mogelijk uit te huwelijken en van mij bevrijd te worden. Ik weet, dat het niet waar is, en toch kan ik die gedachten niet van mij zetten. Die zoogenaamde huwelijkscandidaten kan ik niet meer aanzien; het komt mij altijd voor, of zij mij de maat willen nemen. Vroeger trok ik gaarne balkleederen aan, ik was verrukt over mij zelf, nu vind ik het onaangenaam en beschamend. En nu al dat andere.... De dokter.... Nu...." Kitty bleef steken; zij wilde nog meer zeggen; zij wilde zeggen, dat sedert er voor haar zooveel veranderd was, zij Stipan Arkadiewitsch geheel onuitstaanbaar vond en zij hem niet kon aanzien zonder zich de meest stuitende en ongehoorde voorstellingen van hem te maken, "In één woord, alles komt mij grof en laag voor," ging zij voort. "Dat is mijn ziekte.... Misschien zal het wel voorbijgaan...."

"Ge moet er niet zooveel over denken!"

"Hoe kan ik anders! Alleen bij u en de kinderen is het mij wèl."

"Hoe jammer, dat ge nu niet bij me kunt komen, omdat Lili nu juist het roodvonk krijgt."

"Ja, ik kom toch. Ik heb het roodvonk al gehad, en ik zal mama geen rust laten."

En Kitty liet haar ook geen rust; zij ging bij haar zuster logeeren en verpleegde de kinderen in hun ziekte, die werkelijk bleek roodvonk te zijn. De beide zusters brachten er al de zes kleinen gelukkig boven op; maar Kitty's gezondheid was niet beter geworden en in den tijd der groote vasten reisde de familie Tscherbatzky af naar het buitenland.

IV.

Twee maanden na Anna's terugkomst te Petersburg waren voorbijgegaan. Haar leven bewoog zich toen weder in de oude sleur. Maar sedert haar reis naar Moskou zag zij er anders dan vroeger op neer; weleer werd haar geheele tijd aangevuld door dit leven met zijn gezellig verkeer, met zijn uitspanningen en zijn gesprekken over huwelijken, ongelukken, bevorderingen en verplaatsingen; met zijn zorgen voor kleeding en frisuur; met zijn kleine genoegens en eerzuchtige verdrietelijkheden en vooral met haar kalmen tot gewoonte geworden omgang met vader en zoon. Dit leven der conversatiewereld, dat haar vóór de intrede in die wereld was voorgekomen als een sterk bewogen en gevaarlijke maalstroom, had zich voor haar in de werkelijkheid doen kennen als een tamelijk eentonig en rustig leven, dat de hartstochten op den bodem der ziel liet sluimeren. Het raakte slechts de oppervlakte van haar bestaan en in de laatste jaren van haar leven te Petersburg beving haar dikwijls te midden van bals en partijen een gevoel van matheid en verveling als van het gelijkmatig ronddraaien van een wiel. Maar sedert haar reis naar Moskou was dit plotseling anders geworden. Thans was het leven in de groote wereld haar geen rustig tijdverdrijf meer; nu eens ergerde zij zich over zijn verveling, huichelarij en dwaasheid, dan weer gevoelde zij zich te midden daarvan opgewekt en geprikkeld, als toen zij nog als jong meisje de bals bezocht.

De Petersburger élite vormde toen een afgesloten kring, waarin allen elkander kenden en elkander bezochten. Maar in dien kring hadden zich verscheiden kleinere coterieën gevormd. In drie daarvan had Anna vertrouwde vrienden en intiemeren omgang. Een dier coterieën was ontstaan door het officiëel verkeer van haar man en bestond uit collega's en ondergeschikte beambten. Anna herinnerde zich nog het gevoel van heiligen eerbied, dien zij in het begin deze persoonlijkheden had toegedragen. Nu kende zij hen allen zoo goed, als men elkander in een klein provinciestadje kent; zij kende al hun zwakheden, wist waar ieder den schoen wrong, kende hun verhoudingen tot elkander en tot het hoofdcentrum en wist in welke punten zij overeenstemden en in welke zij uiteenliepen; maar deze kring, waaraan haar echtgenoot door zijn belangen verbonden was, had, in weerwil van den invloed der gravin Lydia Iwanowna, haar nooit kunnen aantrekken en zij vermeed hem zooveel zij konde.--Een andere clique, die Anna meer boeide, was die, waardoor haar echtgenoot Alexander Alexandrowitsch zijn carrière gemaakt had; het was een vereeniging van bejaarde, niet schoone, deugdzame en kerkelijk vrome vrouwen en verstandige, geleerde, eerzuchtige mannen. Een dezer geleerde heeren had dezen kring als "het geweten der Petersburger wereld" gekenmerkt. Alexei Alexandrowitsch schatte hem zeer hoog en Anna, die zich zoo gemakkelijk in alles kon schikken, had ook daar spoedig eenige goede vrienden gevonden. Nu echter, na haar terugkomst uit Moskou, was die kring haar onuitstaanbaar geworden. Het kwam haar voor, dat allen huichelden en het werd haar in hun midden spoedig te ongezellig en vervelend, zoodat zij het middelpunt, gravin Lydia Iwanowna, zoo zelden mogelijk bezocht.

De derde clique eindelijk, waarmede Anna in betrekking stond, was de wereld der bals, der diners, der schitterende toiletten, de wereld, die zich met de eene hand aan het hof vastklemt om toch niet tot de demimonde af te dalen; want ofschoon haar leden zich verbeeldden veel hooger te staan, waren zij elkander in smaak, in levensopvatting en in geheel hun innerlijk wezen vrij gelijk. Anna's betrekking op dezen kring werd onderhouden door vorstin Betsy Twerskaja, de vrouw van een harer neven, die een jaarlijksch inkomen van 12000 roebels had en die Anna van haar eerste optreden af zeer genegen was geworden, die haar zocht te bekeeren en geheel in haar sfeer te trekken, terwijl zij Lydia Iwanowna's salon bespotte.

"Als ik eenmaal oud en leelijk ben, zal ik ook zoo worden," zeide Betsy, "maar gij, zulk een jonge, mooie vrouw, zijt nog niet rijp voor dat invalidenhuis."

In het begin had Anna zooveel mogelijk den omgang met vorstin Twerskaja vermeden; want die omgang maakte aanspraak op middelen, waarover zij niet had te beschikken; ook trokken haar neigingen haar meer naar de andere richting. Na haar reis veranderde dit geheel. Zij vermeed haar moraliseerende vrienden en zocht de groote wereld des vermaaks. Daar trof zij Wronsky aan en die ontmoetingen brachten een aangename opgewektheid bij haar teweeg. Bizonder dikwijls trof zij hem bij Betsy aan, die eene geborene Wronsky en zijn nicht was.

Wronsky was overal, waar hij Anna kon ontmoeten, en sprak haar, zoo dikwijls als hij kon, van zijn liefde. Zij moedigde hem niet aan, maar telkens als zij hem aantrof, werd haar ziel doorstroomd van dat levensvuur, dat ontvlamd was, toen zij hem het eerst in den waggon had ontmoet. Zij voelde het zelf, dat bij zijn aanblik blijdschap uit haar oogen blonk, een lach op haar lippen zweefde en dat zij niet in staat was deze teekenen der vreugde te verbergen. Eerst geloofde Anna zelf, dat zij ontstemd was, omdat hij haar durfde vervolgen, maar kort daarna, toen zij hem op een soirée, waar zij stellig gedacht had hem aan te treffen, niet zag, besefte zij door het gevoel van teleurstelling, dat haar aangreep, dat die vervolgingen haar niet slechts niet onaangenaam waren, maar dat zij de quintessens van haar leven uitmaakten.

V.

Vorstin Betsy Twerskaja was juist uit de groote opera thuis gekomen en had nauwelijks tijd gevonden van toilet te verwisselen en haar bleek gelaat met poeder te bestrooien, toen reeds het eene rijtuig na het andere voor het deftige, aan de groote Morskaja gelegen huis kwam aanrijden. De gasten stegen uit en de portier opende zonder gerucht de reusachtige deur om de aangekomenen te laten passeeren. Bijna tegelijkertijd kwam de gastvrouw met haar vernieuwde frisuur en huidkleur door de eene deur en door de andere de eerste gasten het groote salon binnen met zijn donkere wanden, zachte tapijten en helder glanzende tafel, op welker wit servet de zilveren samovar en het doorschijnend porselein van het theeservies schitterden. De gastvrouw nam bij den samovar plaats en trok de handschoenen uit. Het gezelschap, dat met hulp van onmerkbaar sluipende dienaren de stoelen terecht schoof, verdeelde zich in twee groepen, de eene om den samovar en de gastvrouw, de andere in den tegenovergelegen hoek van het salon om de schoone gezantsvrouw in zwarte zijde en met fijne zwarte wenkbrauwen. Het gesprek in beide groepen, dat, zooals altijd in het begin, dikwijls werd gestoord door begroetingen en het aanbieden van thee, sprong van den hak op den tak, alsof het nog naar een onderwerp zocht, waarop het zich kon vestigen.

"Zij is zeldzaam schoon, ik bedoel als actrice; men bespeurt, dat zij Kaulbach bestudeerd heeft," zeide een diplomaat in den kring der gezantsvrouw, "hebt ge haar nedervallen wel opgemerkt?..."

"Ach, ik bid u! spreek toch niet van dezen Nilson; van haar is niets nieuws meer te zeggen!" zoo werd hij in de rede gevallen door een dikke, roodwangige, blondharige dame, zonder wenkbrauwen en zonder chignon, in een oud zijden kleed. Het was vorstin Miagkaja, die door eenvoudigheid en ruwheid van haar wezen beroemd was en het enfant terrible genoemd werd; zij had zich te midden van de beide groepen geplaatst, en naar beide zijden luisterend, richtte zij haar woorden nu naar de eene dan naar de andere zijde. "Al drie menschen hebben mij van daag, alsof zij het afgesproken hadden, deze phrase van Kaulbach doen hooren. En ik weet ook, waarom deze manier van spreken hun zoozeer behaagt...."

Dat thema was derhalve door deze opmerking ter zijde geschoven; er moest een ander worden uitgedacht.

"Vertel ons nu eens iets grappigs, maar 't mag niet boosaardig zijn," zeide de gezantsvrouw, die uitmuntte in dien fijnen conversatietoon, dien de Engelschen small talk noemen.

De diplomaat wist nu niet, waarmede hij zou beginnen.

"Men zegt, dat het moeielijk is grappig en geestig te zijn zonder stekelig te worden," zoo begon hij lachend. "Maar ik wil het toch beproeven. Geef u mij dan een thema. Het thema is de hoofdzaak. Is dit aangegeven, dan gaat het van zelf. Ik geloof, dat zelfs de beroemste causeurs uit de vorige eeuw in onze dagen verlegen zouden zijn om iets schrandere te zeggen. Al het vernuftige is al zoo afgezaagd...."

"Ook dat is al lang gezegd geworden," viel de gezantsvrouw hem lachend in de rede.

Het gesprek ging zeer net binnen de perken voort, maar juist omdat het te net beperkt was, begon het weer spoedig te stokken. Men moest weer zijn toevlucht tot het zekerste, nimmer falende middel nemen, tot--kwaadspreken.

"Vindt ge niet, dat Puschewitz iets van Louis Quinze over zich heeft?" vroeg de diplomaat, terwijl hij met de oogen naar een knap, blond jongeling duidde, die aan een tafeltje stond.

"O ja, hij valt juist in denzelfden stijl als dit salon; daarom is hij ook zoo dikwijls hier."

Dit gesprek had levensvatbaarheid; want men kon op bedekte wijs over datgene spreken, waarover juist in dit salon het minst had mogen gesproken worden, namelijk over Puschewitz' verhouding tot de gastvrouw.

Om den samovar en de vorstin had het gesprek ook een poos heen en weer gewankeld tusschen de drie onvermijdelijke onderwerpen: het laatste nieuws uit de groote wereld, den schouwburg en de beoordeeling van den naaste, en op dit laatste had het zich ook hier blijven hechten.

"Weet ge al, dat Waltischewa, wel te verstaan, niet de dochter, maar de moeder, een costuum diable rose laat maken?"

"Och, dat is immers niet mogelijk! Neen, maar dat is curieus!"

"Dat zij met haar gezond verstand--want zij is lang niet dom--niet inziet, hoe belachelijk zij zich maakt!"

Nu had ieder iets bij te dragen ter beoordeeling en bespotting van de ongelukkige Waltischewa en het gesprek knapperde nu weldra lustig als een in brand gestoken hoop hout.

Vorstin Betsy's gemaal, een goedhartig, dik man, een hartstochtelijk verzamelaar van koperetsen, kwam, nu hij vernam, dat zijn vrouw menschen had, haar salon binnen vóór hij zich naar zijn club begaf. Met onhoorbare schreden was hij over het zacht tapijt vorstin Miagkaja genaderd.

"Nu," vroeg hij, "hoe is Nilson u bevallen?"

"Ach, hoe kan iemand zoo komen binnen sluipen!" antwoordde zij. "Wat hebt ge me verschrikt! Maar doe mij, alsjeblieft, een groot genoegen en spreek niet over die opera; ge hebt toch geen begrip van muziek. Ik wil liever tot u afdalen om met u over uw gravures te spreken. Nu? welk een schat hebt ge onlangs op de tolkuschka [6] opgevischt?"

"Zal ik het u laten zien? Maar ge hebt er toch geen oogen voor."

"O, laat me maar eens zien. Ik heb er ook wel wat van geleerd, bij die menschen, ja, hoe heeten ze ook?--bij dien ... bankier ... die heeft ook prachtige gravures en heeft ze ons onlangs laten zien."

"Wat? Zijt ge bij Schützburgs geweest?" vroeg de huisvrouw over de theetafel heen.

"Ja, ma chère. Zij hadden ons te dineeren gevraagd. Men heeft mij verteld, dat de saus op het diner alleen duizend roebels zou gekost hebben," zeide de vorstin zeer luid, daar zij bemerkte, dat allen naar haar luisterden, "en welk een afschuwelijke saus, zulk een groene poespas! Ik moest hen toen wederkeerig uitnoodigen en maakte een saus klaar van vijf en tachtig kopeken, en ze viel algemeen in den smaak. Ik kan geen duizend-roebel-saus maken."

"Zij is eenig," zeide de gastvrouw.

"Bewonderenswaardig," betuigde een ander.

Het effect, dat vorstin Miagkaja met haar woorden maakte, was altijd hetzelfde en het geheele geheim lag daarin, dat zij, al kwam het ook niet altijd te pas, zeer eenvoudige dingen zeide, die een beteekenis hadden. In den kring, waarin zij verkeerde, vond men haar woorden geestig. Zij wist zelf niet, waarom zij altijd dien indruk maakten, maar zij wist dat het zoo was en trok er partij van.

Daar onder het verhaal van vorstin Miagkaja het gesprek aan de tafel der gezantsvrouw gestaakt was, wenschte gravin Betsy het geheele gezelschap te vereenigen en wendde zich nu tot de vrouw van den gezant: "Wil u dan volstrekt geen thee gebruiken? Kom toch hier bij ons."

"Neen, 't is hier best!" antwoordde de andere lachend en zette het afgebroken gesprek voort. Zij hadden ook een recht bezield onderhoud; zij spraken van de Karenins, zoowel van de vrouw als van den man.

"Anna is sedert de Moskousche reis zeer veranderd. Zij heeft nu zoo iets bizonders aan zich," zeide een harer vriendinnen.

"De verandering bestaat vooral daarin, dat zij Alexei Wronsky's schaduw meegebracht heeft," meende de gezantsvrouw.

"Wat zou dat? Er bestaat een sprookje van Grimm: De man zonder schaduw. Bij hem is 't een straf voor 't een of ander. Ik kon er nooit recht wijs uit worden, waarin die straf eigenlijk bestond. Maar voor eene vrouw kan het wel onaangenaam zijn geen schaduw te hebben...."

"Ja, maar met vrouwen, die een schaduw hebben, loopt het doorgaans slecht af."

"Och, laat Anna Karenina toch met rust!" zeide vorstin Miagkaja; zij is een allerliefste vrouw. Haar man mag ik niet, maar van haar houd ik veel."

"Waarom moogt ge hem niet lijden? Hij is toch zulk een belangwekkend man," zeide de vrouw van den gezant. "Mijn man zegt, dat er in Europa weinig zulke staatslieden zijn als Karenin."

"Dat heeft mijn man mij ook gezegd," antwoordde Miagkaja; "maar ik geloof hem niet. Als onze mannen ons dat niet hadden voorgepraat, zouden wij hem onpartijdig beschouwen, zooals hij werkelijk is, en naar mijn meening is Alexei Alexandrowitsch een tamelijk onbeduidend man. Ik zeg dit natuurlijk onder de roos.... Niet waar? wat kan ons zoo op eenmaal iets duidelijk worden! Toen men mij vroeger gebood hem voor een subliem man te houden, zocht ik steeds naar zijn verheven eigenschappen en daar ik zijn groot verstand niet vinden kon, besloot ik daaruit, dat ik dom moest zijn; sedert ik echter tot mij zelf zeide--natuurlijk heel zacht--dat hij dom is, sedert is mij alles duidelijk.... Heb ik geen gelijk?"

"Wat zijt ge vandaag boosaardig!"

"In het geheel niet. Er blijft mij geen andere uitweg over: Een van ons beiden moet dom zijn; en nu weet ge wel, dat men dit van zich zelf moeielijk kan aannemen."

"Niemand is met zijn eigen rijkdom, ieder met zijn eigen verstand tevreden," citeerde de diplomaat in het Fransch.

"Ja, zoo is het," wendde de vorstin Miagkaja zich snel tot hem; maar de zaak is deze, dat ik Anna niet wil hooren veroordeelen. Zij is zoo goed, zoo lief. Wat moet zij doen, als alle mannen haar het hof maken en haar als haar schaduw naloopen?"

"Ik denk er ook volstrekt niet aan haar daarom te veroordeelen," trachtte Anna's vriendin zich te verontschuldigen.

"Als ons geen schaduw volgt, hebben wij daarom nog geen recht anderen te veroordeelen."

Nadat vorstin Miagkaja Anna's vriendin alzoo behoorlijk de les had gelezen, stond zij dadelijk te gelijk met de gezantsvrouw op en beiden gingen aan de andere tafel zitten, waar een algemeen gesprek over den koning van Pruisen gevoerd werd.

"Waarover hebt ge zoo druk gediscuteerd?" vroeg Betsy.

"Over de Karenins," antwoordde de gezantsvrouw lachend; "de vorstin karakteriseerde Alexei Alexandrowitsch."

"O, hoe jammer, dat wij dat niet gehoord hebben!" zeide de gastvrouw en wierp een blik naar de entreedeur. "Ha, zijt ge daar eindelijk!" richtte zij zich tot den binnentredenden Wronsky.

Daar Wronsky niet slechts allen, die hier bijeen waren, kende, maar hen ook dagelijks ontmoette, kwam hij op die rustige wijze de kamer binnen, waarmede men menschen te gemoet treedt, die men pas verlaten heeft.

"Van waar ik kom?" antwoordde hij op een vraag van de gezantsvrouw; "ik zie wel, dat er niets aan te doen is, dat ik wel zal moeten opbiechten. Ik kom van de bouffes; ik geloof voor de honderdste maal, en altijd met hetzelfde genoegen. Het is bekoorlijk. Ik weet, dat ik mij moet schamen, maar in de groote opera slaap ik in en bij de bouffes blijf ik tot het laatste oogenblik opgewekt en amuseer ik mij. Van daag...." Hij noemde den naam eener Fransche tooneelspeelster en wilde van haar verhalen; maar de gezantsvrouw viel hem met een komieke ontzetting in de rede: "Ik bid u, vertel ons niets van deze horreur!"

"Nu goed, dan doe ik het niet, te meer daar gij allen deze horreur schijnt te kennen."

"En allen," liet vorstin Miagkaja volgen, "zouden er gaarne heenrijden, als het maar even zoo in de mode was als nu naar de groote opera te gaan."

VI.

