Aljaska en de Canada-spoorweg De Aarde en haar Volken, 1892

Part 4

Chapter 4 3,778 words Public domain Markdown

De Indianen hadden sinds onheugelijke tijden de gewoonte, om houtsnijwerk te maken, niet enkel op hun huisraad, maar ook op hun pagaaien, hunne wapens, en zelfs op de groote vischangels, waarvan ze zich bedienen. Sinds de toevloed van toeristen zoo groot is, leggen ze zich toe op de fabricatie van veel voorwerpen, die enkel voor den verkoop bestemd zijn: bijv. van groote hoornen lepels, vischhoeken, kleine reproducties van _totems_ en ook van korven en kunstig gevlochten mandwerk. Enkelen onder hen zijn handig in het bewerken van zilver en vervaardigen ringen en armbanden, die ze tegen hoogen prijs aan de vreemdelingen verkoopen; ongelukkig bestaat er eene neiging, om de oorspronkelijke teekeningen te laten varen en naar amerikaansche modellen te werken. Op den dag van de aankomst der stoomboot, wordt bijna elk huis in een bazaar herschapen.

We kunnen niet van Wrangell scheiden, zonder de vreemde gewoonte te vermelden, die onder de jonge vrouwen bestaat, om zich namelijk het gezicht zwart te verven, of dwars door de onderlip zich een houten, beenen of metalen versiersel te steken. Quaestie van mode zal men zeggen, maar die zeker niet dient, om de schoonheid te verhoogen.

Daar de commandant onzer boot van den vloed wenschte gebruik te maken, om enkele moeilijke punten te passeeren, vertrokken we precies om twee uur. Eerst gingen we westwaarts, toen plotseling noordwaarts, om de Wrangellstraat te bereiken, een langen doorgang, nauwelijks eenige honderden meters breed, tusschen twee evenwijdig loopende bergketenen. De vloed is hoog; het water bespoelt de struiken aan den oever, en weer kunnen we de illusie hebben van een rivier met snellen stroom tusschen begroeide oevers. We hooren walvisschen snuiven, en vluchten watervogels zweven in de lucht. _The Queen_ vertraagt hare snelheid, die gewoonlijk 26 kilometer per uur bedraagt, en de nauwe doorgang wordt voorzichtig gepeild, zoodat we er zonder beletsel doorgaan.

Verderop schijnt de weg afgesloten door een keten van steile bergen, waarlangs groote gletschers afdalen tot in de donkere wouden. Terzelfder tijd zien we in zee drijvende ijsvelden, glad als een spiegel. Het panorama, met schitterend licht overgoten, waardoor de verscheidenheid der tinten uitkomt, wisselend van het zachtste blauw tot het donkerste groen, al naar afstand en ligging, is onvergetelijk schoon.

Tegen zonsondergang wordt het schouwspel nog treffender. In 't oosten donkere wolken, die storm schijnen te voorspellen, terwijl in 't westen de lucht volkomen helder is, en zich daar als 't ware, een paradijs van goud en zilver voor ons opent. Iedereen is vol bewondering; wat mij aangaat, nooit heb ik zoo iets schoons gezien. Het is doodstil, om half tien is het nog licht en noode verlaat ik mijn observatiepost, om de noodzakelijke rust te nemen.

Den volgenden morgen vroeg kom ik op dek waar mij opnieuw een wonderschoon schouwspel wacht. Tot zoo ver het oog reikt, is de zee met drijfijs bedekt; vóór ons daalt de Takoe-gletscher, 800 meter breed, recht in zee neer en vertoont ons zijnen 80 à 100 meter hoogen loodrechten wand. _The Queen_ neemt hare lading ijs in; vijf mannen in een boot stuwen de blokken voort, die op het dek worden geheschen en dan in het ruim worden neergelaten.

Wij zijn daar twee uur lang gebleven. Drie malen maakten zich enorme sneeuwvallen, geheele bergtoppen, van den gletscher los en storten in zee met een vreeselijk geraas, als van een kanonschot, door een aanhoudend geweervuur gevolgd. Ik heb stukken ijs zien vallen, die een volume moeten hebben gehad als dat onzer stoomboot. Ik heb ze zien neerstorten, geheel verdwijnen, dan weer opspringen, om hunne scherpe punten te vertoonen, en terwijl ze ter hoogte van 20 of 30 meter bruisende watermassa's opwierpen, zag ik ze splijten en wankelen, om hun evenwicht te vinden. Een dier ijsbergen ging ons rakelings voorbij; hij stak wel een tiental meters boven het water uit, wat een totale hoogte van 70 of 80 meter deed veronderstellen. Maar wie zal ooit de ongeloofelijke verscheidenheid der kleuren van het ijs kunnen beschrijven van lichtgroen tot diepblauw, van azuur tot doorschijnend kristal! De meest in 't oog vallende kleur is hemelsblauw, wonderbaar teer van tint.

We verlaten de Takoe-fjord. _The Queen_ baant zich, langzaam manoeuvreerend, een weg tusschen het drijfijs door, en gaat om de grootste ijsbergen heen, waarvan sommige zeer vreemde vormen hebben. In de verte gelijken ze nu eens op reusachtige paddestoelen, dan weer op een beer, een vogel of op een stierenkop met horens. Er zijn er, die schijnbaar zonder aanleiding plotseling in stukken splijten, en waarvan de blokken, groot als huizen, allerlei onderdompelingen maken.

Na dien fjord volgt straat Gastineaux, een nauwe doorgang tusschen woudrijke oevers, en drie uren nadat we den gletscher achter ons hebben gelaten, volgt het Douglaseiland vóór de goudmijn Treadwell. We brachten er een bezoek aan van twee uren. Het erts wordt opgehaald door een breede opening op de helling van een heuvel, 15 minuten van het strand verwijderd. We hadden de bestijging reeds ondernomen, toen plotseling eene ontploffing, gevolgd door een "goudregen", ons van den weg bracht. De smelterij, waar we eene schuilplaats zoeken is dichtbij; het is een groot gebouw, de belangrijkste smelterij der wereld zegt men, en uitstekend ingericht. Nacht en dag maken twee-honderd-veertig stampers er een helsch rumoer en malen het gouderts, dat, als het gestampt is, gewasschen wordt door een zwaren stroom, dan gezeefd wordt en verder met zuren behandeld.

Het erts is niet bijzonder rijk, want het brengt slechts van vier tot negen dollars per ton op, maar er is eene bijna onuitputtelijke hoeveelheid en het wordt zoo zuinig bewerkt, dat de winst nog aanzienlijk is. Men beweert, dat alleen op het Douglaseiland de reeds bekende lagen vijfmaal meer goud bevatten, dan betaald is voor den geheelen aankoop van Aljaska.

Een vaart van tien minuten brengt ons te Juneau, tegenover het Douglaseiland op het vasteland.

Juneau dagteekent nog slechts van 1880, het tijdstip, toen Juneau en Harrisburg, beiden goudzoekers, de rijke lagen in den buurt ontdekten, en hun kamp op het naastbijzijnde strand vestigden. Nu is het een gewichtig middelpunt in Aljaska. De vaste bevolking bestaat intusschen slechts uit 2000 inwoners, maar een zeker aantal winkels, rijk voorzien van koopwaar en curiositeiten, eenige _bars_, en twee of drie hôtels geven aan Juneau het voorkomen van een stad.

Het is nog maar twaalf uur; en we zullen de rest van den dag en een gedeelte van den volgenden te Juneau blijven. Ik weet, dat de omgeving zeer schilderachtig is, en dat een weg naar de goudlagen voert, een tiental kilometers in het binnenland; natuurlijk had ik grooten lust dat uitstapje te maken.

Zoo gauw ik aan land was, ging ik den heer Althoff bezoeken, een katholiek zendeling van hollandsche afkomst, die op de helling der kust op een pas ontgonnen terrein zich een aardig huisje heeft laten bouwen bij zijn kerkje en bij de school, die bestuurd wordt door drie nonnen van de orde der Heilige Anna van Canada. Tot mijn genoegen wilde de brave man, die zeer zuiver onze taal spreekt, mij wel het overige van zijnen dag gunnen.

Daar het eenige rijtuig van de plaats door den kapitein in beslag was genomen, moesten wij den weg te voet afleggen. Eerst is de helling steil en de zon scheen helder, maar nauwelijks waren wij tusschen de bergen gekomen, of we vonden koelte in de weldadige schaduw van het woud. Zeker was het pad, dat zich tegen den berg opslingerde boven eenen stroom, zeer geschikt voor een voetganger, maar de geringe breedte en de afwezigheid van al, wat naar een leuning geleek, zou mij ongerust hebben gemaakt als we per rijtuig waren gegaan. Hoe verder we komen, des te meer afgronden zien wij. Het landschap wordt grootsch, de plantengroei weelderig. Boven ondoordringbaar kreupelhout, meest gevormd door struiken met allerlei bessen, verrijzen reuzenboomen, waarvan de takken, zoowel als de stammen omkleed zijn met mos- en varensoorten. Onder die, welke men heeft moeten kappen, om den weg te banen, zijn er, die, nog ondersteund door de naastbij zijnde boomen, niet op den grond hebben kunnen vallen, andere half omgehakt, hangen boven afgronden. Het geheele land is één onmetelijk woud, grootendeels bestaande uit coniferen; de grootste boomen staan er hier en daar te verrotten en hebben geene andere waarde dan die welke hun de hand des menschen geeft.

Na een uur te hebben geloopen, verlaten wij den weg op eene plaats, waar men met groote werken is begonnen, om door middel van een onderaardsch kanaal beneden in het dal het noodige water te krijgen voor het wasschen van het goudzand. We stijgen nog steeds en, nu eens langs door geiten gemaakte paden, dan weer door het steenachtig bed van een stroompje, bereiken we een der voornaamste goudvelden van de streek. Mijnwerkers richten op de wanden van een diep bekken waterstralen van ongekende kracht, afkomstig van de naburige hoogten en maken aanhoudend groote hoeveelheden zand en aarde los. Het zand loopt over daarvoor vervaardigd vlechtwerk, en de aarde gaat, met water vermengd, door houten goten, waarin men op kleine afstanden met kwik gevulde holten heeft gemaakt, opdat ten gevolge van hun eigen gewicht de gouddeeltjes zich er mee zouden vermengen.

Pater Althoff is de eenige katholieke priester, die op Aljaska woont, waar hij sedert twaalf jaren gevestigd is, zonder Europa te hebben weergezien. Men kan met genoegen naar hem luisteren. Hij vertelt mij eene amusante en bepaald kenschetsende geschiedenis over eenige Chineezen.

Er waren toen in de mijnen van Treadwell blanke arbeiders aan het werk, maar tevens een vijftigtal Chineezen en eenige Indianen; die laatsten werden door de blanken geduld, maar de bewoners van het Hemelsche Rijk vonden geen genade.

De directeur van het werk daarentegen, die door de Chineezen goed en goedkoop gediend werd, weigerde hen te ontslaan. Op een goeden dag scheepten de blanken, die besloten hadden zich, hoe dan ook, van hen te ontdoen, ze met geweld op een boot in. Naar Wrangell vervoerd, werden ze echter door den kapitein van _The Queen_ naar Juneau teruggebracht, waar de vereenigde werklieden zich tegen hunne ontscheping verzetten. Men besloot toen, ze naar Victoria terug te zenden, van waar ze eenige maanden te voren waren vertrokken, maar daar ze van een grondgebied kwamen, dat deel uitmaakte van de amerikaansche republiek, werden weer 50 dollars per hoofd van hen geëischt. In den naburigen staat Washington werden ze ook als nieuw-aangekomenen beschouwd. Niemand wilde hen ontvangen. Zoo heen en weer gestuurd tusschen de Vereenigde Staten en Columbia, bedreigd met terugzending naar China, moesten de arme kerels, die hun laatste spaarduitjes hadden verteerd, wachten tot de som, noodig om ten tweedenmale hun den toegang te openen, bijeengebracht was door hunne landgenooten uit Victoria.

Op den terugweg bezoeken we andere goudlagen en meer of minder belangrijke graafwerken. Overal wordt ijverig gewerkt; men is overtuigd, dat in de naaste toekomst de goudvelden van Juneau en 't eiland Douglas tot de productiefste der wereld zullen behooren. Al is Aljaska nog niet aan het amerikaansche telegraafnet verbonden, toch werkt de telefoon reeds tusschen de stad en de mijnwerken in de bergen, ja tot in de tijdelijke hut van den goudzoeker.

Een impressario uit Juneau heeft des avonds onder een groote tent een soort van tooneelvoorstelling georganiseerd, en tegen een dollar de persoon hebben de passagiers van _The Queen_ een troep Indianen van beiderlei sekse kunnen toejuichen, gekleed in het oude nationale kostuum van hunnen stam, die, zingende, zich met hunne primitieve instrumenten accompagneerend, woeste, vreemde dansen voor ons uitvoerden.

Den volgenden dag, den vijfden der reis, verlieten we Juneau om tien uur des morgens. Daar het kanaal Gastineaux verder onbevaarbaar bleek, moesten wij terugkeeren en om de zuidpunt van Douglaseiland heen gaan. Tegen twaalf uur kwamen we in het Lynnkanaal, dat wel honderd kilometer lang is, en zich dan in twee takken splitst, de fjorden Chilkat en Chilkoot.

Het landschap overtreft in grootschheid al, wat we tot nu toe hebben gezien. De bergen zijn hooger en steiler. Overal stort het water in vallen neer, stuift in de kloven en verspreidt zich in duizend zilveren stralen over de rotsen; overal schitteren heerlijke gletschers in de zon en dalen af tot in de bosschen, bijna tot het niveau der zee. Ik wil slechts een enkelen noemen, den Davidson-gletscher, die, na eerst tusschen twee hooge rotswanden te zijn ingesloten, zich als een waaier uitspreidt tot op het strand ter breedte van 6 kilometer. Zonderlinge tegenstelling! Een dichte plantengroei heeft zijne eindmoraine bereikt als de groene zoom aan een hermelijnen mantel.

Bij Pyramide-haven, het uiterste punt, dat we, noordwaarts gaande, zullen bereiken even beneden 59° N B, zijn indiaansche dorpen, waar men gidsen kan huren, om het dal van den bovenloop der Yukon te gaan zien. De betrekkelijk gemakkelijke weg wordt door de meeste goudzoekers gevolgd, als ze zich naar het binnenland willen begeven. Drie dagen zijn voldoende, om den bergpas ter hoogte van 1250 meter over te trekken, en na tien dagen roeiens over de meren en rivieren kan men de grootste rivier van Aljaska bereiken.

Nu zet _The Queen_ weer zuidwaarts koers. We gaan het Lynnkanaal weer binnen en bewonderen weer de negentien groote gletschers, die er in neerdalen. Ieder vouwt je in het terrein is hier in de maand Augustus nog met sneeuw bedekt, elk dal draagt zijne gletschers. De laatste, dien wij links laten liggen bij den uitgang van de straat, is de Arendgletscher, welks enorme massa plotseling bij een steile diepte van 1000 meter ophoudt, zoodat hij in het ledige zijne ijskanteelen en zijne azuren en zilveren kristallen neerwerpt.

Op het Lynnkanaal volgt de Kruisstraat tusschen het vasteland en het groote eiland Tchitchagoff. Het is prachtig weer. Om negen uur 's avonds wees de thermometer 17 graden, en ik kan nog zien te lezen op het dek. Bij zonsopgang waren we op nieuw te midden van drijfijs, 't was in de Gletscherbaai, eene kabellengte van den Muirgletscher verwijderd, welks front, rechtstreeks zich dompelend in een zee van 150 meter diepte, eene breedte heeft van twee kilometers. Even als bij den Takoe-gletscher wonen we den val van verscheiden lawinen bij en gevoelen de schokken, die te heviger zijn, nu we den gletscher, tot zoo dicht als de voorzichtigheid maar even toeliet, zijn genaderd.

Na allerlei evoluties, bestemd om ons den Muir van alle kanten te doen bewonderen, en na het afvuren van kanonschoten, die met donderend geraas worden weerkaatst door den 80 à 100 meter hooger ijsmuur, legt _The Queen_ een weinig ter zijde aan. De kapitein waarschuwt ons, dat het anker om één uur zal worden gelicht en stelt de booten van het schip te onzer beschikking. Ieder haast zich, om aan land te gaan, en daar intusschen de _Elder_, ook een boot met toeristen, is aangekomen, bewegen zich op het afgelegen strand weldra 350 dames en heeren, allen op weg naar den gletscher. In talrijk gezelschap bestijg ik dus de moraine en kom op den gletscher zelven, die ter hoogte van ongeveer 300 meter zich als een reusachtig plateau vertoont, 40 kilometer breed en door een kring van bergen omgeven; doch wel te verstaan, een plateau, grootendeels gevormd door een chaos van ijsblokken en doorgroefd met gapende spleten van onpeilbare diepte. Twee-en-twintig secondaire gletschers van de omringende hoogten sluiten zich bij hem aan. In Zwitserland komt niets voor, dat een denkbeeld zou kunnen geven van deze ijswoestijnen.

Na eene wandeling van vier uren op den gletscher en op het strand, waar ook enorme ijsblokken liggen, en nadat we beneden aan den gletscher de blauwe grotten in het ijs hadden bewonderd, die het onvoorzichtig zou zijn, binnen te gaan, keeren we naar boord terug en bewijzen aan de amerikaansche keuken eene eer, die ze eigenlijk niet verdient.

De amerikaansche professor Frederick Wright, die in 1880 de gletschers van Aljaska en vooral den Muir heeft bestudeerd, berekent, dat deze laatste in 24 uren gedurende den zomer aan de randen drie meter en in het midden 21 meter voortschuift, 't geen voor de totale massa eene gemiddelde dagelijksche snelheid van 12 meter zou bedragen. Daar hij nu, als men het ondergedompelde gedeelte meerekent, een dikte heeft van 250 meter over de boven aangegeven lengte, zou hij juist 6 millioen kubieke meters ijs per dag leveren. Dit enorme cijfer verklaart dan ook het veelvuldig voorkomen en de verbazende uitgebreidheid der lawinen van den Muir. Bij Takoe had ik er reeds zeer treffende bijgewoond, maar die kwamen met lange tusschenpoozen, terwijl hier de gletscher voortdurend in een toestand van instorting scheen te zijn. Er verliepen geen twee minuten, of men zag weer een ijstop waggelen en daarna in zee neerstorten met een donderend geweld, waarbij golven werden opgeworpen, die zeer ver merkbaar waren.

Zonder bij de grenzenlooze ijsvelden van Groenland te kunnen worden vergeleken, is de Muir een der uitgestrektste gletschers, die er bestaan. Het blijkt echter, dat hij vroeger grooter geweest is dan tegenwoordig. Daarvoor zijn tastbare bewijzen aanwezig. Men weet, dat op de zuidkust van Aljaska ceders, pijnboomen en dennen groeien tot aan de grens der eeuwige sneeuw. Nu vormen de eilanden en kusten van het noordelijke deel der Gletscherbaai daarop eene treffende uitzondering. Tot op eenen afstand van twee kilometer van den gletscher is er geen spoor van plantengroei; overal dragen de rotsen sporen van ijskrassen van nog jongen datum. Dan eerst komen langzamerhand enkele planten, en de eerste boomen verschijnen vier of vijf kilometer verder en worden dan al talrijker, hoe verder men zich van den gletscher verwijdert.

Op den terugweg moet ons schip, dat zijne vaart aanmerkelijk heeft vertraagd, zijnen weg zoeken tusschen de groote ijsbergen en ijsschollen door, die nu eens verpreid zich vertoonen, dan weer in dicht aaneengesloten menigten den fjord bedekken, zoover men kan zien.

Naar het Westen, boven den Pacific-gletscher, die als een waaier zich achter in een golf uitbreidt, verheffen zich de laatste toppen der Eliasketen. Het zijn de bergen Lapérouse, Fairweather en Crillon, met toppen van 4 à 5000 meter onder eeuwige sneeuw bedolven. Wonderlijk schouwspel! De zon is warm; het licht schitterend en een werkelijk italiaansche hemel beschijnt dit ijslandschap!

De _Elder_ volgt ons op eene mijl afstands. Soms verdwijnt hij achter een ijsberg, welks afmetingen we dan beter kunnen waardeeren. Alleen de zwarte rookzuil uit de machine wijst aan, waar het schip is. Kleiner dan _The Queen_ baant de _Elder _ zich moeilijker eenen weg door het ijs. Weldra verliezen we het vaartuig uit het oog.

Toen Vancouver deze streken bezocht, vond hij den ingang der baai zoozeer met ijs bezet, dat hij er zich niet in durfde wagen, en eerst in 1880 kwam de Gletscherbaai voor het eerst op eene kaart voor op de juiste grootte. Nu gaan er elken zomer tallooze amerikaansche toeristen heen, zooals wij, Europeanen, Zwitserland en Noorwegen bezoeken om er natuurschoon te genieten.

Om onze volgende aanlegplaats, Sitka, te bereiken, staan ons twee wegen open, óf rechtstreeks langs den "ijsweg" en de open zee, óf langs den 46 kilometer langeren, maar schilderachtiger en veiliger weg vooral bij slecht weer, door de straten, die het Admiraals-eiland van Tchitchagoff en dit laatste van Baranoff scheiden. We zullen den eersten kiezen, want het is prachtig weer en heden nacht zullen wij den toorn van den Grooten Oceaan niet hebben te duchten. Toch spijt het mij, dat ik nu _Peril Strait_ niet zal zien, de nauwe bochtige straat tuschen twee steile kusten, een der meest bewonderde doorgangen in het onontwarbaar net van waterwegen, waarmee de natuur die streken heeft bedeeld.

We zijn de Spencerkaap voorbij; geen windje op den Stillen Oceaan; de laatste ijsschotsen zijn verdwenen. Een oogenblik heb ik bij 't vallen van den nacht in de verte naar het Noordwesten den top van den Eliasberg meenen te zien, maar het was gezichtsbedrog. Ondanks zijne hoogte van 5822 meter, waardoor hij de hoogste berg van Noord-Amerika is, zijn we er nu te ver van verwijderd, om hem te zien. Het schiereiland, dat in den avondnevel verdwijnt, wordt gevormd door de hooge bergen, die wij reeds van de Gletscherbaai uit hebben waargenomen en stellig heb ik den Crillon, die met zijn 4835 meter den Mont Blanc in hoogte overtreft, boven de wolken zien uitsteken.

Sitka, waar wij op den morgen van den 8_sten_ Augustus, den zevenden dag onzer reis, aankomen, en waar we den ganschen dag zullen blijven, is de hoofdstad van Aljaska; een hoofdstadje, want het heeft slechts 1200 inwoners, waarvan nog de helft Indianen en russische kleurlingen zijn. Het stadje is mooi gelegen op de westkust van het groote eiland Baranoff, aan eene ruime, veilige haven, afgesloten door het eilandje Kruzoff, dat de golf beschermt tegen de hooge zeeën. Een massa rotsachtige, woudrijke eilandjes zijn op eene altijd kalme zee verspreid; hooge bergen staan er omheen en een uitgedoofde vulkaan, de Edgecumbe, vertoont zich aan den horizon en gelijkt met zijne besneeuwde zijden op den beroemden Fusiyama uit Japan. Tegen het midden der vorige eeuw lokte de verovering van Siberië en de ontdekking van Kamschatka de Kussen naar de kusten der Stille Zuidzee. Toen kwamen de Spanjaarden en daarna de groote wetenschappelijke ontdekkers, Cook, Lapérouse en eindelijk Vancouver, die tusschen 1792 en 1794 de gansche kust hydrographisch opnam. Intusschen waren de Russen steeds verder zuidwaarts voortgedrongen. In 1804 werd Sitka onder den naam Nieuw-Archangel gesticht door baron Baranoff, den eersten gouverneur van Russisch Amerika, die tot zijnen dood, in 1818, de opkomende kolonie met ijzeren hand bestuurde. De Sitka-Indianen behooren tot eenen stam, die door zijne woelingen dikwijls bloedige conflicten heeft uitgelokt, zelfs nog in den laatsten tijd, en als men bedenkt, dat de eerste russische kolonisten voor 't grootste gedeelte kleurlingen waren, en een samenraapsel van uit Siberië ontvluchte avonturiers, zal men toestemmen, dat een streng meester voor die streken geschikt was.

Men merkt te Sitka nog tal van overblijfselen van de russische heerschappij. Vooreerst aan den ingang der stad het oude kasteel Baranoff, een stevig houten gebouw op een heuvel met uitzicht op de zee gebouwd. De bescheiden woning van den tegenwoordigen gouverneur van Aljaska is ook oorspronkelijk een russisch huis. De kazernen en het gerechtshof zijn groote gebouwen uit denzelfden tijd. Het eenige belangrijke bouwwerk is een orthodoxe kerk, van hout evenals het kasteel, maar prachtig ingericht van binnen. Men kan er schilderwerk op ivoor bewonderen, ingelegd met kostbare steenen. De zes kerkklokken zijn te Moscou gegoten.

Op eene naburige hoogte staat nog een aardig blokhuis, dat een der hoeken van de russische vesting moest verdedigen. Daar dichtbij ziet men de overblijfselen der barricade, waarachter de inboorlingen zich bij het vallen van den avond terugtrokken.

Te Sitka bloeit de curiositeitenhandel nog meer dan te Wrangell en te Juneau. Dadelijk bij de landingsplaats bieden vrouwen, op de trottoirs langs de huizen gezeten, de ons reeds bekende voorwerpen te koop aan. Iets verder lokken de winkels der Amerikanen de menigte toeristen aan; ik zeg de menigte, want door de bijna gelijktijdige aankomst van _The Queen_ en de _Elder_ is de blanke bevolking van Sitka plotseling verdubbeld. De photographiewinkels worden, als 't ware, bestormd, ik heb geen lust er binnen te dringen.