# Aljaska en de Canada-spoorweg De Aarde en haar Volken, 1892

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/aljaska-en-de-canada-spoorweg-de-aarde-en-haar-volken-1892-14830/index.md

Beneden Lytton gaat de spoorweg over de Frasersrivier, moet een serie tunnels door, en komt ten slotte op een hoogvlakte op aanmerkelijke hoogte boven den stroom, die tusschen twee rotsachtige ketenen is ingesloten, met steile, soms loodrechte hellingen. Dat is de beroemde cannon van de Frasersrivier, die 37 kilometer lang is. Ik beken, blij te zijn geweest, toen we dat eind achter den rug hadden; want dikwijls lagen de rails zoo dicht aan den afgrond, dat ik niet zonder onrust was. En toch is aan de overzijde, op den anderen oever, de oude weg der goudzoekers nog wel anders gevaarlijk. Die kolonistenweg, door de regeering van Columbia aangelegd, geleek ons een grijsachtig lint, dat de puntige rotsen als een kroonlijst omgaf, en soms loodrecht naar de rivier afhing met geen andere steunsels dan een eiken leuning. Het scheen mij onmogelijk, dat ooit iemand de stoutmoedigheid kon hebben, zich daar met een rijtuig te wagen. Doch 't is waar, we zijn in Amerika.

De Frasersrivier gaat door voor den vischrijksten stroom der aarde. In den tijd van het kuitschieten komen de zalmen in dichte menigten stroomopwaarts, en hierover heeft men mij op de plaats zelve wonderen verteld. Toch waren we niet aan de oevers der Garonne, en mijn zegsman was een brave Franschman, die er reeds jaren woonde. Zooveel is zeker, dat men er aanzienlijke hoeveelheden zalmen vangt, die, ingemaakt in bussen, de geheele wereld door, de comestibles-winkels overstroomen.

Nu is het echte seizoen al voorbij, maar er zijn nog achterblijvers. Indianen op de punten der rotsen gezeten, snappen de zalmen in 't voorbijzwemmen door middel van een korten draad aan een langen hengelstok, of wel ze doorboren de visch met pijlen en leggen ze in de zon op den oever te drogen.

Te Yale is een gansche kolonie Chineezen bezig goud te zoeken uit het stroombed, door 't goudzand aan den oever uit te wasschen.

Dan volgen Ruby Creek, zoo genoemd naar de robijnen, die in de buurt worden gevonden; Agassiz, op vijf mijlen afstands van het Harrison-meer, aan welks rand zwavelbronnen worden aangetroffen, beroemd om hunne geneeskracht; Nicomen, waar men ter linkerzijde den met ijs bedekten top van den Bakerberg ziet aan de overzijde der grens van Amerika, die nu zeer nabij is; Mission, waar eene school is voor katholieke Indianen; New Westminster, waar eene zijlijn van 13 kilometers heen leidt, eene reeds belangrijke stad, in directe handelsverbinding met China en Australië; Port Moody, het oude aanvangspunt van den spoorweg en eindelijk het laatste en 304_de_ station na Montreal, Vancouver, waar we precies om 2 uur 25 minuten des avonds, op den vastgestelden tijd, het station binnenstoomen.

Tot Mei 1886 was de plaats, waar de stad zich verheft, die het eindpunt is van den langsten spoorweg ter wereld, nog bedekt met maagdelijke bosschen. Zooals altijd bestond de stad in den aanvang uit kleine houten huizen, snel opgetrokken te midden der pas ontgonnen woudstreek. Maar spoedig werd door een brand schoon lei gemaakt, en Vancouver werd van solieder materiaal op nieuw opgebouwd. Toen ik het bezocht, werden de breede straten doorsneden door electrische trammen; er waren groote kerken, monumentale schoolgebouwen, eerste hôtels, reusachtige magazijnen en mooie particuliere huizen. Het aantal der bevolking, toen op 15000 personen geschat, moet nu wel reeds 20000 bedragen.

In minder dan een kwartier heeft de geheele inscheping op een aan de kade liggende stoomboot plaats gehad. Ondanks den goeden indruk, dien deze spoorreis van bijna eene week, zonder merkbare vermoeienis volbracht, bij mij achterlaat, ben ik toch blij, weer op het water te mogen reizen, te meer daar het weer prachtig en de zee volkomen kalm is.

Uit de haven stoomend, gaat men langs Stanley Park, zoo genoemd naar den tegenwoordigen gouverneur, lord Stanley. Het is niet anders dan het nog in wezen gebleven uiteinde van het oude maagdelijke woud, dat vroeger de gansche streek bedekte. Het park is meer dan 400 hectaren groot; mooie wegen en lanen met schelpen bedekt, zijn er in alle richtingen aangelegd.

Dit prachtige park, dat ik bezocht heb, toen ik voor de tweede maal in Vancouver kwam, op den terugweg van Aljaska, is een wonder van schoonheid. Men ziet er boomen van 10 à 16 meter middellijn, die eene hoogte van 100 meter bereiken, en waard zijn met de sequoia's van de Yosemite-vallei of met de reuzeneucalypten van Australië te worden vergeleken. De meest voorkomende soorten zijn coniferen, als ceders, Oregon-dennen en pijnboomen. Men ziet er ook reuzenahornboomen met groote bladeren en door mos omgeven takken. Beneden vormen de varenkruiden en heesters ondoordringbaar dichte plaatsen; de frambozenstruiken worden bijna boomen en bereiken alle eene hoogte van 5 à 6 meter. In 't kort, de plantengroei is er zoo weelderig, dat men zich in de tropen verplaatst waant.

Bij den ingang van het vaarwater ligt een kleine ontredderde stoomboot op zijde, gestrand op een rotspunt. Het vorige jaar is zij meegevoerd door den vloed, die daar een buitengewoon krachtige strooming is. 't Is de _Pioneer_, de eerste stoomboot, die om kaap Hoorn is gegaan, om de kusten van Britsch Columbia te bereiken. Dit was in 1855, een voor Amerika reeds in 't verre verleden liggend tijdstip.

Die schipbreuk is ongetwijfeld een fortuintje voor den eigenaar der boot. Men heeft mij verteld,--en inderdaad is het een echt amerikaansche bijzonderheid--dat er eene compagnie wordt gevormd, om het waardelooze wrak te koopen tegen hoogen prijs, en er wandelstokken, fotografielijstjes, doosjes en andere kleine voorwerpen van te maken, die tegen hun gewicht aan goud zullen worden verkocht als reliquieën uit vervlogen tijden.

Iets verder wijst de gele kleur van het water erop, dat we de monding der Frasersrivier naderen. Kleine visschersschuiten kruisen in de open zee. Twee menschen kunnen, naar het schijnt 800 zalmen per dag vangen, van een gemiddeld gewicht van 5 kilogram.

Na een verrukkelijke vaart van vijf uren door een doolhof van woudrijke eilandjes met mooie, schilderachtige omgeving, gaan we door de George-straat en komen in een heerlijke baai, waarin Victoria ligt, de hoofdstad van het eiland Vancouver en van Britsch Columbia.

Mijn eerste zorg, toen ik in het hotel Driard, dat door een zeer beleefd Franschman, den heer Redon, wordt gehouden, aankwam, was te informeeren, wanneer de boot naar Aljaska vertrok. Ze is er nog niet, maar ze wordt elk oogenblik verwacht. Bij het agentschap, waar ik een hut wilde bespreken, weigert men mijn geld aan te nemen, want er is, zegt men, geen enkele plaats meer over! Ik had het wel verwacht; uit Montreal had ik willen telegrafeeren, maar goed ingelichte personen hadden mij verzekerd, dat het noodelooze moeite zou zijn. En werkelijk zijn in den goeden tijd van het jaar de stoombooten op Aljaska overvol met passagiers. Buitendien had een gezelschap van 96 toeristen uit Boston, Philadelphia en New-York, die onder leiding van een vertegenwoordiger van het agentschap Raymond een rondreis door Amerika maakten, Montreal verlaten juist den dag, vóór ik er aankwam en ze zouden zich inschepen op de boot, die ik wilde nemen.

Gelukkig is de heer Redon op intiemen voet met den kapitein, en deze weet sedert lange jaren de tafel van het hotel Driard, een der beste uit Amerika, te waardeeren. Mijn vriendelijke hotelier, inderdaad eene voorzienigheid voor zijne enkele landgenooten, die zich in die verre streken wagen, belooft mij al het mogelijke te doen, opdat ik zal kunnen vertrekken: zoo er slechts een enkel plaatsje beschikbaar is, zal het voor mij zijn.

Victoria is eene mooie stad van 20000 inwoners, aangenaam gelegen op het zuidoostelijk uiteinde van het groote eiland Vancouver, bij den den ingang van de Juan de Fucastraat, die het eiland van het vasteland scheidt. Men vindt er fraaie openbare gebouwen, een zeer belangwekkend provinciaal museum, een zoölogischen tuin, in een park, waar ik zelfs nog met de herinnering aan de reuzenboomen van Vancouver de prachtige Douglasdennen bewonderde. Een geheele wijk wordt bewoond door eene talrijke chineesche kolonie. De zonen van het Hemelsche Rijk hebben te Victoria hunne chineesche winkels, hunne pagode, hun schouwburg; het eenige verschil is, dat ze hier eene belasting van 50 dollars per hoofd moeten betalen. Die emigranten munten uit in den tuinbouw en in het bleeken van linnen; ze zijn ook goede dienstboden en worden in groot aantal als aardwerkers en sjouwers gebruikt op den Pacific-spoorweg. Men komt ze bij elke schrede in de straten der columbiasche hoofdstad tegen tusschen de blanke bewoners en de enkele leden van het autochthone indiaansche ras.

Vele trammen, meest door electriciteit bewogen, bedienen de uiteenliggende voorsteden langs schaduwrijke lanen, waar te midden van mooie, met zeldzame boomen versierde tuinen de smaakvolle villa's der rijke bewoners zijn te vinden. De streek is eenigszins golvend, met hier en daar kleine heuvels van graniet en getande rotsen, die de aanwezigheid van oude gletscherbeddingen verraden. Van de hooge punten af heeft men een prachtig uitzicht op de zee en de besneeuwde toppen der Olympia-keten; aan de andere zijde van de Juan de Fucastraat in den staat Washington.

Een bekoorlijk uitstapje kan men maken naar Esquimalt Harbour, ververschingsplaats en marinestation der engelsche vloot in de Stille Zuidzee, op 6 kilometer afstands van Victoria. Men vindt er altijd een of meer oorlogsschepen. Aan een prachtige haven, die met grillige bochten diep in het land dringt, heeft men een arsenaal, magazijnen, werkplaatsen en een groot droogdok gebouwd.

Intusschen is de boot van Aljaska 's namiddags aangekomen en zal morgen weer vroeg vertrekken. Nu is het reeds acht uur 's avonds, en mijn lot is nog niet beslist. Ik gaf de hoop al op, toen de heer Redon met een glanzend gezicht bij mij kwam. "U heeft een plaats, maar er is geen tijd te verliezen", zei hij, en duwde mij in een rijtuig, dat mij terstond ver van de stad naar de eigenlijk gezegde haven bracht, speciaal bestemd voor de groote zeeschepen. Nauwelijks aan boord, haast ik mij de 95 dollars te betalen, den prijs van de reis heen en terug, waarvoor ik een kaartje krijg en 't recht op een bed in een hut eerste klasse met drie plaatsen, waarin we met ons tweeën zullen zijn. Ik ben er bepaald verrukt van!

De stoomboot _The Queen_, waarop ik een tiental dagen zou vertoeven, is de beste van de drie booten die op de kusten van Aljaska varen. Ze houdt 3000 ton, is 104 meter lang en heeft plaats voor 250 passagiers eerste klasse. Aan alle eischen en behoeften van den nieuweren tijd is bij de inrichting voldaan. De salon is buitengewoon groot en smaakvol; de hutten zijn ruim en luchtig en bestaan uit drie verdiepingen, waarvan twee rechtstreeks uitkomen op eene buitengalerij; ze hebben electrisch licht en boven de derde verdieping is een groot balkon.

Tweemaal per maand vertrekt dit schoone schip onder commando van kapitein Caroll--een ouden zeerob, die aan zijn honderd-veertiende reis naar Aljaska bezig is--van Tacoma aan de Pugetsont, neemt te Port Townsend, aan de oostzijde van de Juan de Fucastraat, de passagiers op, die over zee van San Francisco zijn gekomen, doet Victoria aan, en vervolgt dan zijne reis naar het Noorden, landt bij de interessantste punten der kust en blijft een of twee dagen te Sitka, om vervolgens naar het punt van uitgang terug te keeren.

Den volgenden morgen, 2 Augustus, waarschuwt bij 't aanbreken van den dag een lichte schommeling van de boot mij, dat we op weg zijn. Voor de laatste maal vergast ik mij aan den prachtigen aanblik der Olympia-keten, welker voet nog in de schaduw staat, terwijl de toppen reeds verlicht zijn door de eerste stralen der opkomende zon, en als roode wolkjes boven den morgennevel schijnen te zweven. Daarna wendt _The Queen_ zich voorwaarts en komt in straat Haro, de meeste der San-Juan-eilanden aan stuurboord voorbijvarend. Het bezit van dien archipel is langen tijd een twistpunt geweest tusschen Engeland en de Vereenigde Staten. De keizer van Duitschland, in 1872 tot scheidsrechter gekozen, liet de grenslijn door de straat gaan en kende dus aan de Vereenigde Staten het grootste gedeelte van den betwisten archipel toe. Om elf uur passeeren wij in open zee het stadje Nanaimo, waar we op den terugweg aan land zullen gaan. Hier zijn we aan de uiterste grens van spoorwegen en telegrafen; we betreden oorden, waar beide totaal ontbreken.

Dien ganschen dag hadden we heerlijk weer, wat ons trouwens op deze geheele reis bijbleef, we kwamen uit de George-straat in de Johnstonstraat tusschen een doolhof van groote en kleine eilanden door, alle geheel en al bedekt met reuzendennen. Van de scheepsbrug gezien, is het uitzicht op de bergen, vooral op die van Columbia, heerlijk; aan den kant van Vancouver zijn ze minder hoog. Een onafgebroken keten van met sneeuw bedekte toppen begrenst den horizon aan de oostzijde; hun hoogte wisselt af tusschen 2000 en 8000 meter. Op sommige plaatsen dringen diepe fjorden wel 100 kilometer ver in het land binnen.

Nu eens omsluiten de insnijdingen der kust groote uitgestrektheden diep water, waar de scheepvaart gemakkelijk en zonder gevaar kan plaats hebben, en dan weer wordt het kanaal nauw, zooals bij de Discovery en Seymour-straat, waardoor de George-straat met de Johnston-baai is verbonden. Dit is het engste punt in den doorgang tusschen Vancouver en het vasteland. De zeestroomingen hebben in deze streken soms eene snelheid van 16 kilometer per uur, wat te gevaarlijker is, omdat er zooveel klippen zijn even onder de wateroppervlakte. Zeilschepen worden onweerstaanbaar meegesleept, en stoombooten zelfs zijn verplicht, hunne vaart te berekenen naar, en in overeenstemming te brengen met het gunstige getij.

Op een eiland in de Johnston-baai ziet men eene groote fabriek van ingemaakte zalm en een uitgestrekt Indianendorp. Op het kerkhof zijn de graven der inboorlingen versierd met grof snijwerk en met lappen van kleurige stoffen.

Bij het aanbreken van den tweeden dag zijn we het groote eiland voorbij, waaraan de beroemde zeevaarder Vancouver zijnen naam heeft gegeven. In de richting van het noordwesten naar het zuidoosten ligt het evenwijdig aan de kust van Columbia, en is 400 kilometer lang en 100 kilometer breed. De naar de Stille Zuidzee gekeerde zijde is doorsneden door diepe fjorden. Het geheele, nog weinig bekende binnenland, is één uitgestrekt woud; de kolonisatie heeft nog slechts het zuidelijk uiteinde van het eiland bereikt.

Nu stoomen we Koningin-Charlotte-straat binnen. Eenige eilanden scheiden ons nog van den oceaan, welks deining zich reeds laat gevoelen, en weer komen we in een serie van golven en straten, gevormd door eenen archipel van woudrijke eilanden. Nu en dan zou men meenen, dat men een groote rivier afvoer tusschen twee zeer steile oevers, die eenige honderden meters hoog met donkere dennen zijn beplant. Verscheiden malen hebben we gelegenheid walvisschen te zien; meestal twee aan twee in groepen bij elkander in vroolijke bewegelijkheid, machtige dampwolken in de lucht slingerend.

Vandaag is het zondag; eene waarschuwing in de rookzaal aangeplakt, zegt ons, dat het dien dag verboden is, kaart te spelen. Tot vergoeding zal de dienst niet rusten: we hebben niet minder dan zeven geestelijke herders aan boord, meest allen leden van het toeristengezelschap, dat ik reeds noemde.

Ik heb met den beminnelijken leider der expeditie kennis gemaakt, den heer Luther Holden, die met behulp van drie adjuncten in alles voorziet en de reis tot in de kleinste bijzonderheden regelt. Die vacantie-uitstapjes hebben in Amerika veel sucees. Tegen eenen vooraf vastgestelden prijs, behoeft men zich verder met niets te bemoeien, en men wordt op den bepaalden tijd weer thuis gebracht. Het programma wordt met veel zorg opgemaakt en stipt gevolgd. Men heeft alle mogelijke comfort op reis en men reist toch veel goedkooper. Zoo konden onze toeristen voor 500 dollars de reis maken van de groote steden aan den Atlantischen Oceaan naar Aljaska, na in een specialen trein de geheele _Dominion_ van Canada in hare gansche uitgestrektheid te hebben gezien. De terugreis zou plaats hebben door de straaten Washington en Oregon, door het Nationale Park aan de Yellowstone en dan per _Northern Pacific_ over St-Paul, Chicago en de Niagara, terwijl hier en daar uitstapjes zouden worden gedaan en interessante punten zouden worden bezocht.

Een maatregel, dien ik zeer toejuich, is dat dagelijks in den salon van _The Queen_ de af te leggen weg werd opgehangen, met vermelding der belangrijkste punten en der tusschenliggende afstanden.

Onder de kosten der reis is de tafel begrepen. Vanwege het groote aantal passagiers moeten er twee tafels worden gehouden met twee uren tusschenruimte en telkens blijft geene plaats onbezet, en daar er niet minder dan vijf maaltijden per dag worden gegeven, drie groote en twee kleine, zijn de ongelukkige kellners maar steeds bezig met dekken en afnemen.

Het oudste lid van ons gezelschap is een grijze heer van 82 jaar, die een plezierreisje doet met zijne waardige gemalin, slechts weinig jonger dan hij. Men reist in Amerika zoo gemakkelijk, dat men die verplaatsing als eene rust is gaan beschouwen. _En famille_ gaat men uit met oude bloedverwanten en zeer jonge kinderen, om eene reis van zes weken te maken; men steekt van den eenen oceaan naar den anderen over met dezelfde zorgeloosheid, als waarmee men een eenvoudig pleziertochtje in de buurt gaat doen. Wat mij intusschen wel verbaast, is het groote aantal oude vrouwen, zeer oude zelfs, (enkele zijn zeker over de 70 jaar) die deel uitmaken van het gezelschap Raymond.

Na Bella-Bella, een Indianendorp op het eiland Campwell, volgt de Lama-passage, zeer nauw en met vele kegelvormige eilandjes er in, alle met dennen begroeid, waardoor ze er uitzien als groote, groene op het water staande mutsen, en dan de Milbank-sont, van waar men voor enkele oogenblikken een kijkje heeft op den oceaan.

De zuidelijkste punt van het groote Koningin-Charlotte-eiland is juist bij den ingang van straat Finlayson, die over eene lengte van 45 kilometer recht naar het Noorden loopt en drie à vier kilometer breed is. Schoone watervallen storten neer van de naburige hoogten, en boven het donkere woud steken de besneeuwde toppen der verder verwijderde bergen uit. De sneeuw daalt hier zeer laag in de diepte der kloven: slechts eenige honderden meters boven het niveau der zee ziet men nog groote massa's, overblijfselen van de lawinen van het voorjaar. Volkomen eenzaamheid, geen spoor van menschelijke woningen te zien, geen boot op zee te bemerken! In de bosschen geen bewijzen meer van branden, maar vele nog rechtop staande stammen zijn de uitgebleekte skeletten van de woudreuzen, die van ouderdom stierven; soms ook zijn jongere boomen verdroogd en staan dicht tegen elkaar aan als de aren in een korenveld.

Na straat Finlayson volgt de Grenville-straat, in eene rechte lijn 90 kilometer voortgaande, tusschen het eiland Pitt en 't vasteland.

In den nacht tusschen den tweeden en den derden dag zijn we, even beneden 55° NB de grens over gegaan, die de britsche van de amerikaansche bezittingen scheidt. Bij het aanbreken van den dag bevinden we ons tusschen Prins-Wales-eiland en de kust. Nu zijn we in Aljaska; het landschap blijft steeds hetzelfde, maar zoo schoon, dat men zijn oogen er niet af kan houden.

Het territorium Aljaska neemt den noordwestelijken uithoek in van het vasteland van Amerika. Door de Behringstraat van Azië gescheiden, ten noorden door de IJszee bespoeld en ten zuiden door den Stillen Oceaan, werd deze streek, die eertijds onder den naam van Russisch Amerika bekend was, in 1867 aan de Vereenigde Staten afgestaan voor eene som van 7200000 dollars.

De aankoop van dat land lokte eerst bittere verwijten uit van de zijde der Amerikanen; maar nu de streek beter bekend is, geeft men terecht toe, dat de som gering is voor een land, dat driemaal zoo groot als Frankrijk en in zijn zuidelijk gedeelte zeer goed bewoonbaar is, terwijl het visch en kostbaar bont levert, en men er bosschen en mijnen vindt. Als men daarbij bedenkt, dat de afstand, buiten de eilanden langs de kust,--waarvan enkele voor aanzienlijke sommen verpacht zijn aan eene maatschappij in bontwerk--ook de gansche rij der Aleoeten omvat bij de aziatische kust, krijgt men de overtuiging, dat de amerikaansche republiek, zoowel uit financieël als uit politiek oogpunt, wat men noemt, zeer goede zaken heeft gemaakt.

Eene der meest verspreide dwalingen over Aljaska, betreft het klimaat. Zeker, de winters zijn er in het noorden en in het binnenland geducht streng, maar daarentegen heeft men geconstateerd, dat de zwarte stroom of Koero-Sivo op de Westkust van Amerika dezelfde weldadige uitwerking heeft als de warme Golfstroom op West-Europa. Zoo daalt de thermometer te Sitka slechts zelden tot 0° Fahrenheit, gelijkstaande met 17° 7' Celsius.

In 1888 bedroeg de bevolking van Aljaska ongeveer 50000 inwoners, waaronder 6500 blanken, 1900 kleurlingen, 2900 Eskimo's der Aleoeten, 3500 beschaafde Indianen en 3500 wilden.

's Morgens om tien uur komen wij te Wrangell aan, en elkeen haast zich aan land te gaan, we zullen om twee uur weer vertrekken. Het dorp is mooi gelegen, maar beteekent niet veel; een honderdtal blanken wonen er en 400 bijna veramerikaanschte Indianen, tot de stammen der Thlinkets en der Haida's behoorend.

Fort Wrangell, een oude russische sterkte, ligt op de noordpunt van het eiland van denzelfden naam bij den mond der rivier Stikeen, die tot vrij ver in het binnenland van Columbia door stoombooten kan worden bevaren. Het is de natuurlijke weg naar de beroemde Cassiar-goudmijnen. Hier en in het geheele zuidoostelijk gedeelte, dat bij den Eliasberg begint, beperkt zich het territorium van Aljaska tot eene smalle landtong. De britsche grens loopt evenwijdig met de kust op eenen afstand van 55 kilometer van de zee.

Ofschoon Wrangell veel van zijne belangrijkheid heeft verloren, is het toch een interessant plaatsje voor een vreemdeling, die er de schoonste _totems_ uit de gansche streek kan waarnemen. Zoo noemt men groote houten, van snijwerk voorziene palen, die de Indianen voor hunne huizen plaatsen. Het zijn zinnebeeldige voorstellingen van de afkomst van het hoofd der familie, en ze dienen, om de groote daden zijner voorvaderen te vereeuwigen. Van 60 tot 150 centimeter breed en van 10 tot 20 meter hoog, stellen die _totems_ monsterachtige dieren voor of grijnzende menschelijke gelaatstrekken. Vroeger werden ze zeer in eere gehouden; nu hecht men er minder gewicht aan. De oude worden nog wel geëerbiedigd, maar men richt geen nieuwe meer op.

De inboorlingen worden in familiën of clans verdeeld, die, volgens de traditie, van vier symbolieke dieren afstammen: van den raaf, den wolf, den walvisch en den arend. De typen van die dieren zijn op verschillende manieren in snijwerk weer gegeven, naar gelang van de verbintenissen en huwelijken, zoodat een soort van stamboom wordt voorgesteld. Indien boven op een _totem_ een leelijke menschelijke gedaante is geplaatst met een hoed op, is dat het bewijs van de woonplaats van een hoofd. Soms staan er twee, één aan elke zijde van het huis; de eene is dan de stamboom van den man, de andere die der vrouw. Een van die _totems_, en niet de minst eigenaardige, heeft geene andere versiering dan het indruksel van eenen berenklauw en het afbeeldsel van het dier zelf er boven op. Ook heb ik een paar graven opgemerkt met reusachtige gesneden beelden, 't zij van wolven, 't zij van andere dieren.

Het inwendige der indiaansche huizen verdient wel een bezoek. Alle zijn van hout gemaakt. De vuurhaard is in 't midden, en de rook moet door het dak ontsnappen. Tegen den wand van het eenige vertrek staan banken, primitieve meubels en veldbedden; dierenvellen en huiden hangen aan de muren, terwijl visch en groote stukken vleesch aan de zoldering hangen te drogen.

