Aljaska en de Canada-spoorweg De Aarde en haar Volken, 1892
Part 2
Men ziet het, we zijn in de beschaafde wereld teruggekeerd; de vlakte is overal bebouwd en heeft een kaal en eentonig voorkomen; geen boomen brengen afwisseling en geen tuin omgeeft die kleine houten huisjes, die alle aan elkaar gelijk zijn en verspreid liggen over eene groote oppervlakte. Daarmee in tegenstelling zijn de ruime magazijnen, de dokken, de aanlegplaatsen, de kolendepóts en groote elevators, waarvan één, een reusachtig gevaarte, 1200000 schepel kan bevatten. Alles duidt aan, dat de dag nabij is, waarop zich daar een groote stad zal vertoonen, en waarop paleizen van marmer en graniet de nederige hutjes van heden zullen vervangen. Zoo gaat het in Amerika!
We nemen in Port-Arthur eenige reizigers op. Gelukkig is het niet de dag, die op de boot van Owen Sound correspondeert; want dan zou onze _sleeping-car_ overvol zijn geworden. Een laatste groet aan het Bovenmeer! De streek, die na Port William voor ons ligt, wordt besproeid door de schoone, breede rivier Kaministiquia, welker oevers we eenigen tijd volgen. Langzamerhand wordt het bouwland schaarscher; de natuur herneemt een woest karakter. Tegen het vallen van den avond passeeren we de waterscheiding tusschen het Bovenmeer en het Winnipeg-meer, d.i. tusschen het bekken van de Sint-Laurens en dat van de Hudsonsbaai.
27 Juli.--Van des morgens vijf uur af ben ik op mijn observatiepost op het balkon van den wagen, ik wil het station Rat Portage niet verzuimen, waar ik het beroemde Woudmeer zal kunnen zien. Het landschap is allerliefst: veel mooie meertjes, onderling met elkaar in gemeenschap staande, brengen afwisseling en maken, dat de Indianen en de trappers van vroeger, met kleine draagplaatsen of _portages_ hier en daar er tusschen, in hunne booten van boomschors honderden, ja duizenden mijlen konden afleggen.
In een zoo moerassig oord stuitte de aanleg van spoorwegen natuurlijk op groote moeilijkheden. De grond is niets dan een wiegelende weide, rustend op zware veenlagen. Om den weg te leggen op voldoend vasten bodem, moesten er enorme hoeveelheden aarde en steenen worden aangevoerd, die in de modder verzonken zonder merkbaar gevolg.
Wat het Woudmeer aangaat, het is een vrij groot zoet waterbekken met eenen omtrek van 640 kilometer; men krijgt er echter geen goed overzicht van door de ontelbare eilandjes, die boven het ondiepe water uitkomen.
Nu betreden wij Manitoba. De dennen, die al kleiner worden, verdwijnen ten laatste geheel. Men merkt, dat men de prairie nadert; de grond is donker en veelal bebouwd; groote kudden doen zich te goed aan groene weiden. Daar is de Roode Rivier: we steken die over langs een mooie ijzeren brug en om kwartier over tien, juist den aangegeven tijd, komen we bij 't station Winnipeg, 2292 kilometer van Montreal. De tijdcirkel bepaalt het vertrek op 14.20 uur: dus heb ik nu de vrije beschikking over vier uren.
Winnipeg is, na Ottawa, de volkrijkste stad van de groote lijn tusschen Montreal en de kust der Stille Zuidzee. Ze ligt aan de samenvloeiing van de Roode Rivier en de Assiniboine en is als Fort Garry langen tijd de stapelplaats en zetel geweest van de Hudsonsbaai-compagnie. Nu is het de hoofdstad van Manitoba, en het neemt onder de steden der _Dominion_, met zijne 30000 inwoners, den zevenden rang in. De hoofdstraat, waarop de andere rechtlijnige straten uitkomen, is buitengewoon breed, geplaveid met boomstammen en naar landsgebruik voorzien van houten trottoirs. Er zijn weelderig ingerichte magazijnen en een zeker aantal mooie openbare en bijzondere gebouwen. Het stadhuis is een monumentaal geheel, werkelijk een groote stad waardig; een gedenkzuil staat er voor, opgericht ter eere van de soldaten uit Canada, die in 1885 vielen in den strijd tegen de kleurlingen van het Noordwesten.
Voor het eind dezer eeuw zal waarschijnlijk de bevolking van Winnipeg het cijfer van 100000 inwoners hebben bereikt. De geographische ligging, in het centrum van het land en te midden der vruchtbare prairieën van het Noordwesten, verzekert aan de stad eene groote toekomst. Wie weet, of niet te eeniger tijd Winnipeg voor Canada de plaats zal innemen, die Chicago in de Vereenigde Staten bekleedt? Aan den anderen kant der Roode Rivier ligt, ver uit elkaar gebouwd, de fransche voorstad Saint-Boniface, residentie van monseigneur Taché, het eerwaarde hoofd der katholieke kerk in de noordwestelijke provinciën. Maar al is het fransche element het talrijkst vertegenwoordigd op den rechteroever der Roode Rivier, te Winnipeg en in 't overige Manitoba is dat niet het geval. Kort voor ik er kwam, had het parlement der provincie een wet aangenomen, die het onderwijs van de fransche taal op de scholen verbood. Ik haast mij er bij te voegen, dat die wet, welke tegen den geest der constitutie indruischte, algemeen protest heeft uitgelokt, zoowel bij de Franschen als bij de liberale Engelschen.
Een zondag in een engelsch of amerikaansch land te moeten doorbrengen, is noodlottig voor een reiziger. Te Winnipeg heb ik er weer de ervaring van opgedaan. De trams rijden niet; een havelooze koetsier biedt mij een rijtuig van betwistbare zindelijkheid aan, waarvoor hij mij anderhalven dollar per uur vraagt, wat ik natuurlijk weiger.
Zoo zie ik mij genoodzaakt, bij een temperatuur van 31°, te voet rond te loopen, als ik ten minste getrouw mijnen plicht als toerist wil vervullen. Alle winkels zijn gesloten, maar daar luiken in dit land onbekend zijn, kan men door de vensters de uitstallingen waarnemen. Kooplieden en bedienden, allen ernstig in het zwart gekleed, zitten voor hunne gesloten huisdeuren stil te rooken of te pruimen. Herhaaldelijk vroeg ik, of ik iets kon koopen, dat ik met den vinger aanwees, bijv. een pakje sigaren of tabak, en telkens ontving ik slechts eene melancolieke, maar stellig weigerende hoofdschuddende beweging tot antwoord. De honden zelfs schenen door hunne droevige houding aan te toonen, dat het zondag was, en dat ze niet mochten draven, of gekheid maken, of elkaar beleefdheden bewijzen als op andere dagen.
Daar treft op eens een vroolijke fanfare, een helsche muziek van trommels, cimbalen, fluiten en klaroenen mijn oor. Ik zie een twintigtal mannen en vrouwen, oude vrouwen vooral, in fantastische uniformen, met versnelden pas voorbijtrekken, de vlag voorop. Ze maken deel uit van het Leger des heils. En dan te moeten bekennen, dat die dwaze maskerade, het eenige vroolijke verschijnsel in mijn bezoek aan Winnipeg, niet bij machte was, de stroeve aangezichten van de enkele toeschouwers op straat te ontspannen!
't Is intusschen drukkend warm; de zon brandt op de stoffige en te weinig beschaduwde straten der hoofdstad van Manitoba. Om geen zonnesteek te krijgen, verschuil ik mij dan ook maar in een hôtel bij 't station. Maar om een glas bier machtig te worden, moet ik een krijgslist gebruiken. Van buiten gezien schijnt de _bar_ gesloten, en werkelijk is de straatdeur dan ook hermetisch dicht. Doch er is nog wel iets op te vinden. De ingewijden kennen den weg naar zeker klein deurtje, dat tot het buffet toegang geeft. Daar zult ge verbaasd zijn, in het half-duister een talrijk gezelschap aan te treffen,--wat tot op zekere hoogte de stilte op straat verklaart--en men zal u er alle dranken, die ge verlangt, verschaffen. Dat noemt men hier de zondagsrust eerbiedigen!
Ten westen van Winnipeg gaat de weg, die in volkomen rechte lijn, tot zoo ver het oog reikt, zich voortzet, door eene geheel vlakke streek. We zijn in de zone van die prairieën, die bijna overal hebben plaats gemaakt voor korenvelden, naar alle zijden zich uitstrekkend, zonder een enkelen boom en zonder afsluitingen. Groote boerenhoeven wijzen hier en daar op den rijkdom van dit deel van Manitoba, dat met den staat Dacota, welks noordgrens niet ver is verwijderd, er naar streeft, de korenschuur van Europa te worden. Duizenden mijlen lang zal de streek zoo blijven: aangrijpend beeld voor de toekomst van onzen landbouw!
Portage-la-Prairie, aan de rivier Assiniboine, is het eerste belangrijke station en een der voornaamste marktplaatsen der provincie. Men ziet er groote molens en reusachtige elevators.
Brandon, waar we 's avonds aankomen, bestaat reeds tien jaar; 't is een stad met 6000 inwoners en de grootste korenmarkt van Manitoba. Daar moeten we weer ons horloge een uur achteruit zetten. Men heeft er tien minuten oponthoud. De dames uit de stad komen in groot toilet op het perron van den spoorweg; 't is vandaag Zondag, en er zijn niet veel publieke vermakelijkheden te Brandon!
Er zijn een massa reizigers bijgekomen. In de _parlour_ en den rookwagen gaat het zeer levendig toe; misschen gedeeltelijk tengevolge van de glazen whisky met apollinaris, waarop de heeren elkander tracteeren. Het kleine badkamertje in onzen waggon dat ik nog niet heb vermeld, schijnt nog meer te worden gebruikt voor die soort van plengoffers, dan voor het doel, waartoe het werd bestemd.
28 Juli.--In den afgeloopen nacht zijn we Qu'appelle voorbijgegaan, een groot dorp aan de rivier van dien naam.
Regina, waar we zeer vroeg aankomen, is de voornaamste stad aan de Assiniboine, een der vier districten, waarin voorloopig het groote Territorium van het noordwesten is verdeeld.
Het aantal inwoners van Regina, "de koningin der prairieën", is nog niet meer dan 2200, en toch is het de zetel van de wetgevende macht der staten van het Westen tusschen Manitoba en Columbia en het hoofdbureau der rijdende politie. Dit keurcorps bestaat uit duizend in den krijg geharde ruiters, en moet de grens der Vereenigde Staten bewaken en de orde handhaven onder de blanken en de over groote uitgestrektheden verspreide Indianen; meer nog, ze moet waken voor de naleving der wet, die onder strenge strafbepalingen verbiedt, aan de Indianen alcoholische dranken te verkoopen.
Van nu af zullen we telkens bij de stations Indianen aantreffen. In dekens gewikkeld, zwijgend neergehurkt, zitten die arme menschen langs de spoorweggebouwen en bieden aan de trein-passagiers buffelhorens te koop aan, mooi opgewreven en kunstig aaneengehecht, of borduurwerk van hun hand of andere kleine merkwaardige voorwerpen. Deze Indianen zijn van den stam der Zwartvoeten, wier gereserveerd terrein langs den spoorweg ligt.
Gisteren wees mijn thermometer in den namiddag 33° aan. Heden morgen is de temperatuur zeer koel, maar alles voorspelt, dat we weer een warmen dag zullen krijgen. In dezen tijd van het jaar bedraagt de dagelijksche schommeling in de temperatuur wel 20 à 25 graden. Stellig ga ik mij nooit in dit land vestigen, waar het 's nachts ijzig koud is, en dat den ganschen dag, zonder eenige beschutting, aan een onverbiddelijke bestraling door de zon is blootgesteld. Al voortgaande komen we in eenzamer streken. De flauw golvende bodem brengt minder voort, naarmate we hooger stijgen op het plateau, waarop we ons sedert vier-en-twintig uren bevinden. In de inzinkingen van het terrein ziet men hier en daar kleine meertjes, bedekt met eene zoutkorst, die men in de verte voor ijs zou houden. Geen plantengroei is er te zien dan geel, kort gras, waardoor de streek het voorkomen heeft van een oneindig groot korenveld na den oogst.
Nu en dan vertoonen zich die zonderlinge kleine, dieren, bekend onder den naam van prairiehonden, en eenige niet zeer wilde vogels, waarop mijn reisgezelschap met steenworpen jacht maakt. Een voorraad steenen hadden ze er voor meegenomen.
Nog slechts weinige jaren geleden zwierven buffels in ontelbare menigte door ditzelfde land. Nu is er geen enkele meer; alle zijn door de jagers uitgeroeid. Maar hunne sporen, die altijd in rechte lijnen elkaar kruisen, zijn nog duidelijk zichtbaar. Hunne uitgebleekte beenderen worden van heinde en ver bijeengebracht naar de buurt der stations en op enorme hoopen geworpen, bestemd voor de fabricatie van beenzwart.
Medicine Hat is, op een hoogte van 650 meter, mooi gelegen aan de voor 't grootste gedeelte van haren loop bevaarbare Saskatchewan. De veeteelt en de ontginning der steenkoolmijnen in de buurt beloven veel voor de toekomst dezer stad.
In de prairie is de lucht zoo zuiver en zoo helder, dat de zonsondergangen er bijna altijd wonderlijk schoon zijn. Hedenavond kon ik evenmin als gisteren mij losrukken van het tooverachtig schouwspel, dat de hemel aanbood, toen de laatste stralen der ondergaande zon hem verlichten.
29 Juli.--Vijfde nacht. Bij mijn ontwaken voel ik mij even frisch en wel als op den eersten dag. 't Is dan ook een feit, dat de veeren der rijtuigen uitstekend zijn en de vaart niet zeer snel; dus is de vermoeienis uiterst gering. Een opmerkenswaardig iets is, dat de trein zoo weinig geraas maakt onderweg. Weinig of geen stoomgefluit; men schreeuwt de namen der stations niet af; de trein staat stil, men vertrekt weer, zonder dat iemand gewaarschuwd wordt. De stations, voor 't grootste gedeelte oorspronkelijk in onbewoonde streken gebouwd, staan vrij regelmatig op afstanden van 15 à 20 kilometer van elkander, maar de trein staat slechts stil bij die, waar een signaal is geheschen. Men hoort geen enkel bevel geven; geen stationschef of beambte is te zien; ze zijn er echter wel, maar daar ze geen speciale kleeding dragen, bemerkt men hunne tegenwoordigheid niet.
We hebben in onzen trein twee groote tweede-klassewagens of emigrantenwaggons. Ze zijn gemakkelijk ingericht en het tarief bedraagt ongeveer de helft van dat der eerste klasse. Elke passagier heeft recht op eene legerstede zonder verhooging van den prijs, en de compagnie verhuurt het beddegoed tegen matig tarief.
Van nacht zijn we Calgary voorbij gestoomd, een drukke markt uit die streken en middelpunt van veeteelt. Het is de hoofdstad van het district Alberta; de Cri-Indianen of Zwartvoeten bewonen verscheiden _reservations_ in die streken. Toen het dag was, volgde het station Morley en weldra zagen we de blauwe toppen van het Rotsgebergte aan den horizon verschijnen. We gaan over eene breede rivier met helder water en de trein stoomt een dal binnen, aan beide zijden omgeven door kale, besneeuwde bergtoppen. Dennen verschijnen weer ten tooneele; we hebben de eeuwige, eentonige prairie achter ons gelaten.
Bij het station Gap, 1264 meter hoog gelegen, wordt er een _observation-car_ aan den trein gehecht, een aardige attentie van de C. P. R. voor de beminnaars van natuurschoon. Het is een groot, aan de zijden geheel open rijtuig, waarin men enkel een paar banken vindt, en waar men een wandeling van een twintigtal schreden in kan doen.
Terwijl ik bij Canmore de schoone omtrekken van den Drie-Zusters-berg bewonderde, zag ik twee jonge priesters, die zich in het Fransch met elkaar onderhielden. Op reis maakt men spoedig kennis. Wij stelden ons aan elkander voor. Zij waren dien nacht te Calgary in den trein gekomen; de een, de heer Hyvernat, was professor aan de katholieke hoogeschool te Washington en had met zijn vriend eene groote reis gemaakt naar Aziatisch Turkije. Ze vertellen mij, dat ze plan hebben, een dag te blijven in Banff en weten mij eindelijk over te halen, mij bij hen te voegen, om een vluchtig bezoek te brengen aan het Nationale Park in Canada.
Daar het hoofddoel van mijne reis Aljaska was, had ik regelrecht van Montreal naar Victoria willen gaan. Daarom aarzelde ik eerst en nam niet terstond het mij gedane vriendelijke voorstel aan, maar weldra liet ik mij overreden. De tijd drong, want spoedig zonden we bij het station zijn. Gelukkig, dat ik weinig bagage heb; ik pak alles haastig in; laat een dollar glijden in de hand van den neger, die voor mijn waggon zorgde en verbaasd was, dat ik zoo haastig vertrok, en een paar minuten later, toen de trein zich in beweging zette om zijnen weg te vervolgen, zat ik met mijne nieuwe reisgezellen in den hôtel-omnibus. Ik had in éénen adem 106 uren afgelegd, het traject van Montreal naar Banff, 3774 kilometer.
Het hotel, dat zeer geriefelijk, zelfs weelderig is ingericht, ligt op een hoogte in een allerbekoorlijkste streek. Onze eerste zorg na aankomst was, ons van een rijtuig te verzekeren, dat voor acht dollars den geheelen dag te onzer beschikking bleef.
We hebben onzen tijd goed gebruikt. Eerst een uitstapje van drie uren naar het Minnewasaka-meer, langs hoogten en laagten, door een prachtig bosch, hier en daar door brand vernield, 't geen aan het werkelijk grootsche landschap een melankoliek woest karakter verleende. Een der merkwaardigste uitzichten op dien weg heeft men op de brug over de Boogrivier. Na het lunch togen we naar de zwavelbronnen, die op verschillende hoogte aan de oostzijde van den Stephenberg ontspringen; bezochten de badinrichting en deden een langen rit langs de rivier; namen bij een temperatuur van 33° een verkwikkend bad in een natuurlijken vijver, zoo groot, dat men er kon zwemmen, en brachten ten slotte een bezoek aan eene grot, waarin we ook een vijver aantroffen.
Na het diner gingen we te voet een schilderachtigen waterval in de buurt zien, en besloten den interessanten dag op het terras bij het hotel met een uitzicht, zoo schoon, als men zich nauwelijks kan voorstellen.
Wat de talrijke gasten van het hotel betreft, we zagen hen alleen op de uren der maaltijden. Al den overigen tijd scholen ze weg in hunne verwarmde vertrekken, en ze schenen hierheen te zijn gekomen, enkel om rustig in schommelstoelen te liggen. Bijna allen waren, ik zal het niet behoeven te zeggen, Amerikanen uit de Vereenigde Staten.
30 Juli. Vertrek van Banff om 6.45. De weg langs de Boogrivier gaat regelmatig omhoog door een dicht woud en loopt dan om een hoogen top, den Castle Mountain, heen. Door de groote boomen heeft men prachtige uitzichten op eene rij met sneeuw bedekte toppen.
Wij stijgen nog immer. Twee uren, nadat we Banff hebben verlaten, is het hoogste punt van den overgang over het Rotsgebergte bereikt bij het station Stephen, op eene hoogte van 1614 meter. Naar het Noorden, 2500 meter boven ons hoofd, verheft zich de blinkende top van den Stephenberg, van waar een reusachtige gletscher neerdaalt; vóór ons een minder hooge berg met getande toppen en aan onze voeten ligt een meertje, welks stilstaand water van de pashoogte naar verkiezing kan afvloeien in den Atlantischen en in den Stillen Oceaan.
Wat lager komt een bruisende stroom uit een ander meer te voorschijn; het is de Kicking Horse, die zijne schuimende golven naar de Columbia zal voeren.
De spoorlijn gaat bijna recht naar beneden en volgt steile rotswanden en diepe kloven. Daar verrijzen de kolossale torens van den Kathedraalberg, den spitsen top der Fieldketen en vervolgens komt het station van denzelfden naam, waar de C. P. R. een aardig klein hotel heeft laten bouwen, druk bezocht door liefhebbers der forellenvangst.
Het is tien uur; we houden er op, om te ontbijten, want de restauratiewagens blijven aan den voet der bergen.
Van uit de vlakte naar den top moge de helling zacht glooiend zijn, ze is daarentegen ontzettend steil aan de andere zijde. Het dalen door de Wapta-kloof, waar de Kicking Horse door bruist, is bepaald schrikwekkend. Over eene lengte van 75 kilometer kronkelt de spoorweg, aan de uitstekende gedeelten der bergen gehecht en van den eenen rotswand op den anderen springend, zich langs duizelingwekkende afgronden, waar onstuimige wateren in de diepte bruisen.
Te Golden verlaat men eindelijk die verschrikkelijke, onvergetelijke plaatsen. We zijn in het dal gekomen, dat het Rotsgebergte scheidt van de Selkirk-keten. De hoogte bedraagt nog slechts 775 meter.
Grond- en zilvermijnen worden in de nabijheid ontgonnen. Wij gaan langs den rechteroever van de rivier Columbia, die hier reeds voor kleine stoombooten bevaarbaar is. Kort daarna houden we op te Donald, waar de derde en laatste sectie van den Canada-spoorweg, 3930 kilometer van Montreal verwijderd, begint. Het horloge weer een uur achteruit gezet.
Te Donald wordt een tweede locomotief aangehecht, want aan de overzijde der Columbia, die we spoedig zullen oversteken, verrijst, evenwijdig loopend met de hooge bergen, de lagere Selkirk-keten, niet minder schilderachtig dan het eigenlijke Rotsgebergte.
Weldra begint de stijging. Door een prachtig bosch klimt de spoorweg, zich links wendend, omhoog naar het dal van de Beaver. Daar verrijst met zijne sneeuwvelden en groote gletschers, die naar de naburige dalen afglijden, de Sir Donald, hoogste top der Selkirk-keten, 3244 meter hoog. Hem volgen andere toppen. Diepe kloven gaan we over langs houten bruggen op palen, één, gebouwd boven eenen schuimenden waterval, een andere, de langste van alle, over de Stony Creek, 90 meter boven den stroom. Verderop wordt de kloof zoo nauw, dat de spoorweg zich eenen weg moet banen door de rotsen en twee kilometers ver voortloopt langs onpeilbare afgronden en loodrechte rotsmuren.
Daar komt de Rogerpas links, en rechts een rij besneeuwde bergtoppen. Soms wordt ons het uitzicht belet door lange, houten tunnels, ter bescherming tegen lawinen gebouwd.
De Selkirkketen, als scherm tusschen de stille Zuidzee en het Rotsgebergte geplaatst, ontvangt veel meer regen dan het laatste; daarom zijn de gletschers er grooter en dalen dieper in de vlakte af. De boomgroei ontwikkelt zich hier met verbazende kracht. Dennen, pijnboomen en ceders in dichte menigte trachten elkander te overtreffen, en schijnen zich in den strijd om het bestaan te willen meten met de bergtoppen die hen omringen. Ongelukkig worden die edele bosschen, sinds de mensch hun domein heeft betreden, soms door brand vernield; het vuur waaraan men geen paal en perk kan stellen, verslindt geheele oppervlakten, en breidt zich soms weken aaneen over honderden kilometers uit. De grootste stammen blijven half verkoold staan, maar bijna alle zijn doodelijk getroffen.
Het hoogste punt in den overgang der Selkirkketen is bij 't station Summit, 1415 meter hoog. Naar 't zuiden ziet men op 2500 meter afstands de trappen van een reusachtig circus, waar een vijf- of zestal gletschers in uitkomen, terwijl men de groenachtige spleten in het ijs duidelijk kan onderscheiden.
De trein gaat weer dalen, en houdt na tallooze wendingen op bij het station Glacier House, waar we dineeren in een mooi hotel, als zwitsersch huisje gebouwd, dat door de compagnie is opgericht op twintig minuten afstands van den grooten gletscher, wiens enorme massa, omgeven door zwarte dennen, spiegelt en glanst in den zonneschijn.
Het dalen gaat sneller, en telkens zijn er wonderschoone uitzichten: tallooze watervallen, door reuzenboomen omgeven; vreemde, smalle waterloopen, bijna tot hun punt van uitgang terugkeerend; nauwe, woeste bergengten met uitzichten op een wereld van gletschers en sneeuwvelden. Op een bepaald punt van de helsche vaart is het landschap zoo buitengewoon, zoo verheven in zijne grootschheid, dat de trein eenige minuten ophoudt, om de reizigers in staat te stellen, het kalm in oogenschouw te nemen.
Te Revelstoke komen we weer bij de oevers der Columbia; maar 't is niet meer het riviertje, dat we vijf uren geleden overstaken; na haren noordelijken omweg is de rivier een machtige stroom geworden, en de brug, die ons er over leidt, is niet minder dan 250 meter lang.
De natuur is van aanzien veranderd. We komen nu in eene bekoorlijk vruchtbare streek, afgewisseld door groote meren en doorsneden door breede, rustig voortstroomende rivieren. In dit schoone, reeds gedeeltelijk gekoloniseerde oord, gaan wij ter nachtrust, moe, maar niet verzadigd van 't aanschouwen van zooveel wonderen.
31 Juli.--Bij 't opgaan der zon stoomt de trein langs de rivier de Thomson, die zich bij 't station Lytton met de Frasersrivier vereenigt.
't Is of er na den dag van gisteren al heel weinig te zeggen valt van de 250 kilometer, die mij nog resten, vóór ik de stille Zuidzee bereik. Dat is toch niet waar; dit laatste gedeelte is ook zeer belangwekkend, maar uit vrees, den lezer te vermoeien, wil ik trachten, kort te zijn.