Ali Baba en de veertig roovers (Verhaal uit de Duizend en een Nacht)

Part 4

Chapter 43,912 wordsPublic domain

Terwijl Ali Baba nu al deze maatregelen nam, om de wijze, waarop hij in zoo korten tijd rijk geworden was, niet bekend te doen worden, was de hoofdman der veertig roovers met bitter harteleed in het bosch teruggekeerd. Deze ongelukkige afloop der zaak, welke al zijn verwachtingen den bodem insloeg, trof hem zoodanig, en maakte hem zoo verbijsterd, dat hij er onderweg niet over denken kon, wat hij nu tegen Ali Baba zou ondernemen, maar zonder te weten hoe, in zijn hol terugkwam.

Verschrikkelijk kwam het hem voor, toen hij zich nu in dit sombere verblijf alleen zag. "Gij wakkere mannen," riep hij uit, "deelgenooten mijner doorwaakte nachten, mijner omzwervingen en mijner pogingen, waar zijt gij? Wat kan ik zonder u doen? Heb ik u alleen daarom bijeengebracht en uitverkoren, om u opeens door een zoo ongelukkig noodlot te zien omkomen? Ik zou u minder beklagen, wanneer gij, met de sabel in de vuist, als dappere mannen gestorven waart. Wanneer zal ik ooit weer zulk een schaar van dappere mannen, als gij waart, bijeen kunnen brengen? En wanneer ik het ook al wilde, kan ik het wel beproeven, zonder al dit goud en zilver, al deze schatten dengene als buit te moeten overlaten, die zich reeds met een deel er van verrijkt heeft? Ik kan en mag er niet aan denken, alvorens ik hem het leven benomen heb. Wat ik met uw machtige hulp niet vermocht uit te voeren, moet ik thans heel alleen doen, en wanneer ik nu den schat voor plundering behoed zal hebben, wil ik er ook voor zorgen, dat het hem na mij niet aan een dapperen meester ontbreken zal, opdat hij voortdurend in stand blijven en zich vermeerderen moge." Nadat hij dit besluit genomen had, was hij omtrent de middelen om het uit te voeren, niet verlegen; zijn hart werd weer rustig; hij gaf zich weer aan schoone verwachtingen over, en zonk in een diepen slaap.

Den volgenden morgen stond de rooverhoofdman reeds vroeg op, trok rijke kleeren aan, ging naar de stad en nam zijn intrek in een hotel. Daar hij verwachtte, dat het voorgevallene bij Ali Baba veel opzien gebaard zou hebben, zoo vroeg hij eens den portier in een gesprek, of er niets nieuws in de stad was, en deze deelde hem allerlei zaken mee, maar niet dat, wat hij wenschte te weten. Hij trok daaruit het besluit, dat Ali Baba alleen daarom de zaak geheim hield, wijl hij niet bekend wilde laten worden, dat hij iets van den schat afwist en het geheim kende om hem te vinden; ook vermoedde hij waarschijnlijk wel, dat men hem alleen daarom naar het leven stond. Dit versterkte hem in zijn voornemen, alles te doen, om hem op een even geheimzinnige wijze uit den weg te ruimen. De rooverhoofdman voorzag zich van een paard, waarmee hij meerdere malen een tocht naar het bosch maakte, om verschillende soorten van kostbare zijdenstoffen en fijne sluiers in zijn woning te brengen; daarbij nam hij de noodige maatregelen, om de plaats waar hij ze vandaan haalde, geheim te houden. Toen hij nu zooveel waren, als hij meende noodig te hebben, bijeen had, zocht hij een winkel, om ze te verkoopen; hij vond er ook een, huurde hem, richtte hem in en betrok hem daarna. Tegenover hem bevond zich de winkel, welke vroeger aan Casim behoord had, maar sedert eenigen tijd door Ali Baba's zoon in bezit genomen was.

De rooverhoofdman, die den naam van Chogia Hoesein aangenomen had, verzuimde niet, als nieuweling, naar 's lands gebruik, den kooplieden, die zijn buren waren, een bezoek te brengen. Daar Ali Baba's zoon nog jong, goed ontwikkeld en verstandig was, en hij vaker gelegenheid had met hem te spreken dan met andere kooplieden, sloot hij spoedig vriendschap met hem. Hij zocht zijnen omgang des te ijveriger, als hij drie of vier dagen na opening van zijn winkel, Ali Baba weder herkende, die zijn zoon bezocht, en gelijk hij van tijd tot tijd placht te doen, zich een langen tijd met hem onderhield. Toen hij nu nog van den jongeling vernam, dat Ali Baba zijn vader was, verdubbelde hij zijn vriendelijkheid jegens hem, gaf hem kleine geschenken, en noodigde hem meermalen aan zijn tafel.

Ali Baba's zoon meende deze hoffelijkheid van Chogia Hoesein te moeten beantwoorden; daar hij zelf echter zeer klein gehuisvest was, en niet zoo gemakkelijk ingericht was, om hem gelijk hij wenschte, te onthalen, zoo sprak hij daarover met zijn vader Ali Baba, en zeide hem, dat het wel niet zou passen, als hij nog langer de beleefdheden van Chogia Hoesein onbeantwoord liet. Ali Baba nam met genoegen op zich den vreemdeling te onthalen. "Mijn zoon," zeide hij, "morgen is 't Vrijdag, en daar de groote kooplieden, zooals Chogia Hoesein en gij, op dien dag hun winkels gesloten houden, kunt gij morgen namiddag met hem een wandeling doen, en het dan op den terugweg zoo inrichten, dat gij hem voorbij mijn huis voert, en hem verzoekt, binnen te treden. Het is beter dat het zoo geschiedt, dan dat gij hem vormelijk uitnoodigt. Ik zal Morgiane de opdracht geven, dat zij een avondeten gereed houdt."

Vrijdags namiddag troffen Ali Baba's zoon en Chogia Hoesein elkander werkelijk op de afgesproken plaats, en deden tezamen een wandeling. Op den terugweg bracht Ali Baba's zoon zijn vriend met opzet door de straat, waarin zijn vader woonde, en toen zij voor de huisdeur stonden, bleef hij staan, klopte aan en zeide tot hem: "Dit is het huis mijns vaders; daar ik hem reeds veel verteld heb van de vriendschappelijke wijze, waarop gij steeds met mij omgaat, zoo heeft hij mij opgedragen, hem de eer te verschaffen, met u kennis te maken. Ik verzoek u dus nu, 't aantal uwer oplettendheden jegens mij met deze ééne nog te vermeerderen."

Ofschoon nu Chogia Hoesein het doel bereikt had, waarnaar hij streefde, namelijk toegang tot Ali Baba's huis te verkrijgen en hem zonder eigen gevaar en zonder veel drukte te dooden, uitte hij nochtans allerlei verontschuldigingen, en deed alsof hij van den zoon afscheid wilde nemen; daar echter op dit oogenblik Ali Baba's slaaf de deur opende, zoo nam de zoon hem vriendelijk bij de hand, ging vooraan, en dwong hem als 't ware, met hem mee naar binnen te gaan.

Ali Baba ontving Chogia Hoesein met een vriendelijk gezicht en zoo goed, als deze 't slechts wenschen kon. Hij bedankte hem voor de goedheid, zijn zoon bewezen, en zeide toen: "Wij zijn u beiden daarvoor des te grooteren dank schuldig, daar hij nog een jonge, in de wereld onervaren man is, en gij het niet beneden uwe waardigheid geacht hebt, aan zijn opvoeding mede te werken." Chogia Hoesein beantwoordde Ali Baba's beleefdheden door andere en verzekerde hem tevens, al ontbrak het zijn zoon aan de ervaring van grijsaards, zoo bezat hij toch een gezond verstand, dat zooveel waard was, als de ervaring van duizend anderen.

Nadat zij zich een tijd lang over allerlei onverschillige zaken onderhouden hadden, wilde Chogia Hoesein afscheid nemen; dat gedoogde Ali Baba echter niet. "Mijnheer," zeide hij tot hem, "waarheen wilt gij gaan? Ik bid u, bewijs mij de eer, het avondeten bij mij te gebruiken. Het maal, dat ik u wil geven, is wel niet zoo schitterend, als gij het verdient; maar ik hoop, dat gij het, zooals het is, met een even zoo goed hart wilt aannemen, als ik het u bied."

"Mijnheer," antwoordde Chogia Hoesein, "ik ben van uw goede meening volkomen overtuigd, en wanneer ik u verzoek, het mij niet kwalijk te nemen, dat ik uw hoffelijke uitnoodiging niet aanneem, dan verzoek ik u tevens te gelooven, dat dit noch uit minachting, noch uit onbeleefdheid geschiedt, maar wijl ik er een bijzondere reden voor heb, welke gij zoudt billijken, als gij haar kende."

"En wat kan deze reden wel zijn?" antwoordde Ali Baba, "mag ik die dan van u weten?"

"Ik kan ze u wel zeggen," sprak Chogia Hoesein; "ik eet namelijk vleesch, noch andere gerechten, waarin zout is; gij kunt dus nu begrijpen, welke rol ik aan uw tafel zou spelen."

"Wanneer gij geen andere reden hebt," ging Ali Baba nu dringender voort, "dan zal deze mij gewis niet van de eer berooven, u hedenavond aan mijn tafel te zien zitten, of gij moest wat anders te doen hebben. Ten eerste is er in het brood, dat wij eten, geen zout, en wat het vleesch en de soep betreft, zoo beloof ik u, dat in dat, wat u voorgezet zal worden, eveneens geen zout komen zal. Ik wil terstond de noodige bevelen geven; bewijs mij daarom de eer, bij mij te blijven; ik kom terstond weer terug."

Ali Baba ging naar de keuken, en beval Morgiane het vleesch, dat zij heden zou opdienen, niet te zouten, en behalve de gerechten, die hij reeds vroeger aan haar had opgegeven, snel nog twee of drie andere te bereiden, waarin geen zout was. Morgiane, die juist gereed stond het eten binnen te brengen, kon niet nalaten hare ontevredenheid over dit nieuwe bevel te uiten, en zich daarover tegen Ali Baba uit te spreken: "Wie is dan," zeide zij, "deze eigenzinnige man, die geen zout wil eten? Uw eten zal niet lekker meer zijn, als ik 't later opdien."

"Wordt maar niet boos, Morgiane," antwoordde Ali Baba, "het is een rechtschapen man, doe daarom, wat ik je zeg." Morgiane gehoorzaamde, maar met tegenzin, en de nieuwsgierigheid greep haar aan, om den man te leeren kennen, die geen zout wilde gebruiken. Toen zij het maal bereid en Abdallah de tafel gedekt had, hielp zij hem de spijzen opdragen. Terwijl zij nu Chogia Hoesein aanzag, herkende zij hem terstond, ondanks zijn vermomming, als den rooverhoofdman, en bij langer, opmerkzame beschouwing zag zij, dat hij onder zijn kleeren een dolk verborgen had. "Thans verbaas ik er mij niet meer over," zeide zij in zichzelf, "dat deze heiden met mijn heer geen zout eten wil: [3] hij is zijn verbitterdste vijand en wil hem vermoorden; maar ik zal zijn voornemen wel verijdelen."

Zoodra Morgiane met Abdallah de spijzen opgediend had, gebruikte zij den tijd, dat de heeren aten, om de noodige voorbereiding te treffen tot uitvoering van een plan, dat van meer dan gewonen moed getuigde, en zij was juist daarmee klaar, toen Abdallah haar meldde, dat het tijd was de vruchten te brengen. Zoodra Abdallah de tafel afgeruimd had, diende zij de vruchten op. Daarna plaatste zij naast Ali Baba een klein tafeltje, en zette daarop wijn en drie schalen neer; toen ging zij met Abdallah heen,--als wilde zij met hem het avondmaal gaan gebruiken,--om Ali Baba niet te storen, opdat hij zich met zijn gast aangenaam onderhouden, en hem naar zijn gewoonte aansporen kon, zich den wijn te laten smaken.

Thans geloofde de valsche Chogia Hoesein, of liever de hoofdman der veertig roovers, dat het gunstige oogenblik gekomen was, om Ali Baba het leven te ontnemen. "Ik wil," zoo sprak hij tot zichzelf, "vader en zoon dronken maken, en de zoon, wien ik gaarne het leven schenk, zal mij niet beletten, zijn vader den dolk in 't hart te stooten; dan wil ik, gelijk de eerste maal, door den tuin ontvluchten, terwijl de keukenmeid en de slaaf nog aan hun avondmaal zitten, of in de keuken ingeslapen zijn."

Morgiane echter, had het voornemen van den valschen Chogia Hoesein doorzien, en liet hem geen tijd zijn boosaardig plan uit te voeren. Inplaats van te gaan avondmalen, trok zij een bekoorlijk danscostuum aan, koos er een passenden haartooi bij uit, deed een gordel van verguld zilver om, en bevestigde daaraan een dolk, welks scheede en gevest van hetzelfde metaal waren; voor haar gezicht hing zij een zeer schoon masker. Nadat zij zich aldus verkleed had, zeide zij tot Abdallah: "Abdallah, neem je tamboerijn en laat ons naar binnen gaan, om voor den gast van onzen meester, den vriend van zijn zoon, de vroolijke dansen uit te voeren, die wij menigmaal des avonds voor hem ten beste geven." Abdallah nam de tamboerijn, ging, daarop spelend, voor Morgiane uit en trad zoo in de zaal. Achter hem kwam Morgiane, die op een hoogst ongedwongen en bevallige wijze diep boog, net als had zij de toestemming, hare kunsten te vertoonen. Daar Abdallah zag, dat Ali Baba wilde spreken, hield hij op met trommelen.

"Treed nader, Morgiane," zeide Ali Baba. "Chogia Hoesein mag oordeelen, of gij iets kunt, en ons dan zijn meening daarover zeggen." Vervolgens zeide hij, tot Chogia Hoesein gewend, "gij moet niet gelooven, mijnheer, dat ik groote onkosten gemaakt heb, om u dit genoegen te bereiden. Ik vind het in mijn eigen huis, en gij ziet, dat het niemand anders dan een slaaf en mijn keukenmeid zijn, die mij op deze wijze opvroolijken. Ik hoop, dat het u niet mishagen zal."

Chogia Hoesein had er niet op gerekend, dat Ali Baba op het maal nog dit vermaak zou laten volgen. Hij begon nu te vreezen, dat hij de gelegenheid, welke hij meende gevonden te hebben, toch niet zou kunnen gebruiken. Doch troostte hij zich voor dit geval met de hoop, dat er zich bij den voortgezetten, vriendschappelijken omgang met vader en zoon spoedig een nieuwe zou aanbieden. Ofschoon het hem nu veel aangenamer geweest zou zijn, wanneer Ali Baba hem van dit spel verschoond had, zoo hield hij zich nochtans, als was hij hem er zeer dankbaar voor, en was tevens beleefd genoeg hem te verklaren: "Alles, wat zijn vereerden gastvriend genoegen deed, moest noodwendig ook voor hem een genoegen zijn."

Toen Abdallah zag, dat Chogia Hoesein en Ali Baba ophielden met spreken, begon hij opnieuw op den tamboerijn te slaan en zong er tegelijk een dansliedje bij. Morgiane echter, die voor de geoefendste dansers en danseressen van het vak in vaardigheid niet onderdeed, danste op een wijze, die bij elk ander, dan juist bij 't hier aanwezige gezelschap, bewondering had moeten opwekken; de minste opmerkzaamheid schonk de valsche Chogia Hoesein wel aan haar kunst.

Nadat zij met evenveel kracht als bekoorlijkheid verschillende dansen had uitgevoerd, trok zij eindelijk haar dolk, zwaaide hem in de hand en danste een nieuwen dans, waarbij zij zichzelf overtrof. De menigvuldige figuren, die zij maakte, haar lichte bewegingen, haar koene sprongen en de wonderbare wendingen en houdingen, die zij daarbij aannam, terwijl zij den dolk nu eens tot een stoot uitstrekte, dan weer hield, als boorde zij hem zich zelve in het hart, waren in hooge mate bekoorlijk om aan te zien. Eindelijk scheen zij zich buiten adem gedanst te hebben; zij rukte met de linkerhand Abdallah de tamboerijn uit de hand, en terwijl zij met de rechter den dolk vast had, hield zij de tamboerijn met de holle zijde Ali Baba voor, gelijk dansers en danseressen, die een broodwinning van hun kunst maken, plegen te doen, om de vrijgevigheid hunner toeschouwers in te roepen.

Ali Baba gooide Morgiane een goudstuk op haar tamboerijn toe; hierop wendde zij zich tot Ali Baba's zoon, die het voorbeeld van zijn vader volgde. Chogia Hoesein, die haar naar zich toe zag komen, had reeds zijn geldbeurs te voorschijn gehaald, om haar eveneens een geschenk te geven, en greep er reeds in, toen Morgiane met een moed, die haar vastberadenheid alle eer aandeed, hem den dolk midden in 't hart stootte, zoodat hij levenloos achterover zonk. Ali Baba en zijn zoon stonden verslagen over deze handeling en hieven een luid geschreeuw aan.

"Ongelukkige!" riep Ali Baba, "wat heb je daar gedaan? Wil je volstrekt mij en mijn heele familie in 't verderf storten?"

"Neen, meester," antwoordde Morgiane, "ik heb 't integendeel tot uwe redding gedaan." Hierop maakte zij Chogia Hoesein's kleeren los, toonde Ali Baba den dolk, waarmee hij gewapend was, en zeide toen tot hem: "Zie daar, met welken koenen vijand gij te doen hadt, en zie hem eens goed in 't gezicht: gij zult gewis den valschen oliehandelaar en den hoofdman der veertig roovers herkennen. Is 't u dan niet opgevallen, dat hij geen zout met u eten wilde? Zijn er nog wel andere bewijzen noodig voor zijn verfoeilijk plan? Nog eer ik hem zag, had ik reeds argwaan geput, toen gij mij zeidet, dat gij zulk een gast hadt. Ik zag toen zijn aangezicht, en nu ligt het bewijs voor u, dat mijn verdenking niet ongegrond was."

Ali Baba voelde diep, welken dank hij Morgiane schuldig was, die hem nu voor de tweede maal het leven gered had. Hij omarmde haar en zeide tot haar: "Morgiane, ik heb je de vrijheid geschonken en beloofd, dat ik het daarbij niet zou laten, en ik spoedig nog meer voor je doen wilde. Deze tijd is thans gekomen: ik maak je hiermee tot mijn schoondochter."

Hierop wendde hij zich tot zijn zoon en zeide tot hem: "Mijn zoon, gij zijt een goed zoon, en ik geloof, dat gij het niet onbillijk zult vinden, dat ik je Morgiane tot vrouw geef, zonder je vooraf gevraagd te hebben. Gij zijt haar even veel dank schuldig als ik zelf; want het is duidelijk, dat Chogia Hoesein alleen daarom je vriendschap gezocht heeft, om mij des te gemakkelijker van het leven te berooven; en gij behoeft er niet aan te twijfelen, dat hij, als hem dit gelukt was, ook jou aan zijn wraak had opgeofferd. Bedenk bovendien, dat gij in Morgiane, wanneer gij haar trouwt, een steun mijner familie, zoolang ik in 't leven ben, en een steun der uwe, tot aan 't einde uwer dagen bezitten zult."

De zoon gaf niet den minsten tegenzin te kennen, maar verklaarde integendeel, dat hij gaarne in dit huwelijk toestemde, niet alleen uit gehoorzaamheid jegens zijn vader, maar ook uit eigen neiging. Hierop nam men in Ali Baba's huis maatregelen, om het lijk van den rooverhoofdman naast de lijken der overige roovers te begraven, en dit geschiedde zoo geheim en zoo stil, dat het eerst na vele jaren bekend werd, toen niemand meer leefde, die bij deze merkwaardige geschiedenis persoonlijk betrokken was.

Weinige dagen nadien vierde Ali Baba de bruiloft van zijn zoon en Morgiane met groote pracht en door een schitterenden maaltijd, die met dansen, spelen en de gebruikelijke vermakelijkheden opgeluisterd werd. Ook had hij het genoegen te zien, dat zijn vrienden en buren, die hij uitgenoodigd had, en die wel is waar den waren grond voor dit huwelijk niet konden weten, maar overigens de mooie en goede eigenschappen van Morgiane kenden, hem luid prezen om zijn grootmoedigheid en goedheid.

Ali Baba was niet meer in 't roovershol teruggekeerd, sinds hij het lijk zijns broeders Casim daar gevonden, en op een van zijn drie muilezels benevens veel goud teruggebracht had, want hij vreesde, dat hij daar de roovers mocht aantreffen, en door hen overvallen zou worden. Maar zelfs na den dood van de acht en dertig roovers, den hoofdman inbegrepen, waagde hij het langen tijd niet, daarheen terug te gaan, wijl hij bang was, dat de twee anderen, wier lot hem niet bekend was, nog in leven waren. Eindelijk na verloop van een jaar, toen hij zag dat niets meer tegen hem ondernomen werd, bekroop hem de nieuwsgierigheid, nogmaals een reis daarheen te ondernemen; hij nam daarbij echter de noodige voorzorgsmaatregelen voor zijn veiligheid. Hij steeg te paard, en toen hij bij de grot aankwam, beschouwde hij het als een goed voorteeken, dat hij noch sporen van paarden noch van menschen ontdekte. Hij steeg af, bond zijn paard vast, trad naar de deur en sprak de woorden: "Sesam, open je!", die hij nog niet vergeten had. De deur opende zich; hij ging naar binnen, en uit den toestand, waarin hij alles in de grot aantrof, kon hij opmaken, dat ongeveer sedert den tijd, dat de zoogenaamde Chogia Hoesein een winkel in de stad geopend had, niemand daarin was geweest, en de heele bende der veertig roovers uitgeroeid moest zijn. Ook twijfelde hij er niet meer aan, dat hij de eenige in de wereld was, die het geheim kende, om het hol te openen, en dat de daarin verborgen schatten geheel te zijner beschikking stonden. Hij had een zak meegenomen; dezen vulde hij met zooveel goud als hij meende, dat een paard dragen kon, en keerde daarna naar de stad terug.

Ali Baba had zijn zoon eens meegenomen naar het rotshol, en hem toen het geheim daarvan geopenbaard. Sedert dien tijd leefden zij en hun nakomelingen, die hun geluk met wijze matigheid genoten, in hoog aanzien en bekleedden de hoogste eereposten der stad.

AANTEEKENINGEN

[1] De lezer bedenke, dat in Oostersche landen een man meer dan één vrouw mag hebben.

[2] Mohammedaansch geestelijke, uitlegger van den Koran.

[3] Het zout was bij de oude volken het zinnebeeld van vriendschap en trouw. Zij gebruikten het bij al hun offeranden en verbonden. De Bedoeïnen of Arabieren beschouwen het als het symbool en pand van trouw en onschendbaarheid hunner verdragen. Zij koesteren voor niets zulk een diepen eerbied als voor het brood en het zout. Hebben zij eenmaal met iemand brood en zout gegeten, dan ware het een vloekwaardige misdaad, hem uit te plunderen, of zijn goederen en waren, waarmee hij door de woestijn reist, ook maar aan te raken. Even schandelijk is elke beleediging van den persoon zelven. Een Arabier, die zich aan een dergelijke misdaad schuldig maakte, zou overal voor een laaghartigen schurk aangezien worden, ja, hij zou in eigen oogen verachtelijk zijn en zou die schande nimmer kunnen uitwisschen.

MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR WERELDBIBLIOTHEEK ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.

PER NUMMER:

Ingenaaid 20 Ct. Gecartonneerd 30 Ct. In linnen band 40 Ct.

ABONNEMENT PER JAAR:

20 nummers, in carton f 5,20 20 nummers, in linnen f 7,50 30 nummers, in carton f 7,50 30 nummers, in linnen f 10,--

DE EERSTE NUMMERS VAN DE WERELDBIBLIOTHEEK (TOT 1 JANUARI 1906).

No. 1 en 2. Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart, door E. Bekker en A. Deken. Met portret en gravures. Inleiding en aanteekeningen van Prof. dr. L. Knappert. No. 3. Martelaren van Rusland, door Jules Michelet, vertaling van S. J. Bouberg Wilson. No. 4. Steunpilaren der Maatschappij, door H. Ibsen, vertaling van F. Kapteyn, inleiding van L. Simons. No. 5 en 6. Inleiding tot de Nieuwe Ned. Dichtkunst (1880-1900), door Albert Verwey, met aanhaling uit de voornaamste werken. No. 7. Aladdin en de Wonderlamp (voor jongeren), door J. W. Gerhard, met 24 illustraties van Sidney H. Heath. No. 8. De Geest van Japan, door Okakura-Yoshisaburo, met inleiding van George Meredith, uit het Engelsch door J. K. Rensburg. No. 9. Het Gevloekte Kind (novelle), door Hon. de Balzac, vertaald en met een inleiding voorzien door C. en M. Scharten-Antink. No. 10 en 11. Herinneringen van een Witten Olifant, door Judith Gautier, met platen van Mucha. No. 12. Het Yellowstone Park, geysers en warme bronnen, door Prof. Hugo de Vries, met 4 fototypiën naar foto's van Prof. Hovey van New-York. No. 13. Iwan de Onnoozele, en andere schetsen, door Graaf Leo Tolstoy, uit het Russisch vertaald door J. Brandt. No. 14 en 15. De Waterkindertjes, van Charles Kingsley, bewerkt door M. v. Eeden-van Vloten, met 10 illustraties van G. v. d. Wall-Perné. No. 16. Ali Baba en de veertig Roovers (voor jongeren), door J. W. Gerhard, met 25 illustraties van H. Granville Fell. No. 17. Een Kerstlied, van Charles Dickens uit het Engelsch door J. Kuylman. No. 18. Boven de Kracht, van Bjornstjerne Björnson, vertaald door Marg. Meijboom. No. 19. Het Mierenboek of de Opvoeding van Opvoeders, door Salzmann, met een voorrede en aanteekeningen van Dr. J. H. Gunning.

End of Project Gutenberg's Ali Baba en de veertig roovers, by Anonymous