Ali Baba en de veertig roovers (Verhaal uit de Duizend en een Nacht)
Part 3
Daar het voor het welzijn der bende van groot belang was, de schade, welke haar toegebracht was, niet ongewroken te laten, zoo trad een ander roover naar voren, beloofde, dat het hem beter gelukken zou, dan zijn voorganger, en verzocht als een gunst hem deze taak op te dragen. Het werd hem toegestaan; hij ging naar de stad, kocht Baba Moestapha om, zooals zijn voorganger gedaan had, en Baba Moestapha voerde hem geblinddoekt voor Ali Baba's huis. De roover kenmerkte het op een weinig zichtbare plaats met rood krijt, in de hoop, dat hij het op deze wijze steeds van de wit gemerkte huizen zou kunnen onderscheiden.
Maar spoedig daarna ging Morgiane evenals den vorigen dag het huis uit, en toen zij terugkwam, ontging het roode teeken haren scherpzienden oogen niet. Zij kwam weer op dezelfde gedachte, als bij het witte teeken, en maakte terstond aan de deuren der naburige huizen, en wel op dezelfde plaats hetzelfde teeken met rood krijt.
De roover keerde intusschen naar zijn kameraden in het bosch terug, vertelde, welken maatregel hij genomen had, en zeide, dat het thans onmogelijk was het door hem gemerkte huis met andere te verwisselen. De hoofdman en zijn lieden geloofden met hem, dat de zaak thans gelukken moest. Zij begaven zich daarom in dezelfde orde en met dezelfde voorzichtigheid, als de eerste maal. De hoofdman vertrok daarom naar de stad, om het plan uit te voeren, dat zij verzonnen hadden. De hoofdman en de roover gingen terstond naar de straat, waar Ali Baba woonde, ontmoetten echter dezelfde moeilijkheid als de eerste maal. De hoofdman werd daarom vertoornd, en de roover geraakte in dezelfde ontsteltenis als degene, die vóór hem deze opdracht vervuld had. De hoofdman zag zich dus genoodzaakt, evenzoo onvoldaan als den eersten keer, nog denzelfden dag met zijn mannen den terugtocht aan te nemen. De roover, die aan het mislukken van het plan schuld was, onderging de straf, aan welke hij zich vrijwillig onderwierp.
Daar nu de hoofdman zijn bende met twee flinke mannen verminderd zag, vreesde hij, dat zij nog meer zou afnemen, als hij voortging, bij de navorsching van Ali Baba's huis, zich op anderen te verlaten. Hun voorbeeld bewees hem, dat zij meer tot koene wapendaden geschikt waren, dan tot zulke ondernemingen, waarbij men met verstand en list te werk moest gaan. Hij nam daarom de zaak zelf ter hand en ging naar de stad, waar Baba Moestapha hem denzelfden dienst bewees, als den beiden afgezanten zijner bende; hij maakte echter geen teeken aan Ali Baba's huis, maar liep er verscheidene malen voorbij, en nam het nauwkeurig op, om zich niet weer te kunnen vergissen.
Nadat hij zich nu van alles, wat hij wenschte, op de hoogte gesteld had, ging de rooverhoofdman, zeer tevreden over zijn reis, naar het bosch terug, en toen hij in het rotshol aankwam, waar de heele bende hem wachtte, zeide hij tot hen: "Kameraden, thans kan ons niets meer verhinderen, volle wraak te nemen over de boosheid, welke aan ons begaan is. Ik ken het huis van den schurk, dien onze wraak treffen zal, heel precies, en heb onderweg op middelen gezonnen, de zaak zoo sluw aan te pakken, dat niemand noch van onze schuilplaats, noch van onzen schat iets zal vermoeden; want dit is het hoofddoel, dat wij bij onze onderneming voor oogen moeten hebben, anders zou ze ons in het verderf storten. Luistert nu," ging de hoofdman voort, "wat ik bedacht heb, om dit doel te bereiken. Wanneer ik u mijn plan ontvouwd zal hebben, en één van u een beter middel weet, zoo mag hij het ons dan mededeelen." Terstond legde hij hun nu uit, hoe hij de zaak dacht aan te vatten, en toen allen hem hun bijval te kennen gegeven hadden, beval hij hun, zich in de omliggende dorpen en gehuchten, en ook in de stad te verstrooien, en negentien muilezels te koopen, benevens acht en dertig groote lederen oliezakken, één er van vol, de andere echter leeg.
Binnen twee of drie dagen hadden de roovers alles bijeen. Daar de leeren zakken bij de opening voor zijn doel iets te nauw waren, liet de hoofdman ze een beetje verwijden, en nadat hij in elken zak een zijner mannen, van de noodige wapens voorzien, had laten kruipen, waarbij nochtans een losgetornde scheur open bleef, opdat zij vrij konden ademhalen, maakte hij de zakken zoodanig dicht, dat men moest aannemen, dat er olie in was; om de bedrieglijkheid nog grooter te maken, besmeerde hij ze van buiten met olie, die hij uit den vollen zak genomen had.
Nadat dit volvoerd was, en hij de zeven en dertig roovers, ieder in een zak zittend, benevens den met olie gevulden zak op de muilezels geladen had, vertrok de hoofdman op den bepaalden tijd met deze naar de stad, en kwam daar in de avondschemering, ongeveer een uur na zonsondergang, aan. Hij ging de poort door, en regelrecht naar Ali Baba's huis toe, met het doel, bij hem aan te kloppen en van de gastvrijheid des eigenaars, voor zich en zijn muildieren een nachtverblijf te verzoeken. Hij behoefde niet aan te kloppen, want Ali Baba zat voor zijn huisdeur om na het avondeten frissche lucht te scheppen. Hij liet daarom zijn muilezel halt houden, wendde zich tot Ali Baba en zei tegen hem: "Mijnheer, ik breng de olie, welke gij hier ziet, uit verre gewesten mee, om ze morgen op de markt te verkoopen, maar wijl het reeds zoo laat is, weet ik niet, waar ik een onderkomen moet vinden. Wanneer het u niet te lastig is, zou ik u wel willen verzoeken, zoo vriendelijk te zijn, mij voor dezen nacht in uw huis op te nemen; ik zou er u zeer dankbaar voor zijn." Ofschoon Ali Baba den man, die thans tegen hem sprak, reeds in het bosch gezien had, en ook had hooren spreken, kon hij hem toch in zijn oliehandelaarskleeding onmogelijk als den hoofdman der veertig roovers weder herkennen. "Wees welkom," zeide hij tot hem, "en treed binnen." Met deze woorden maakte hij voor hem plaats, zoodat hij, benevens zijn muilezels naar binnen kon gaan.
Ali Baba riep nu zijn slaaf, en beval hem, zoodra de muilezels afgeladen zouden zijn, ze niet alleen in den stal te brengen, maar hen ook van gerst en hooi te voorzien. Ook nam hij de moeite, naar de keuken te gaan en Morgiane op te dragen, voor den pas aangekomen gast snel een goed avondeten te bereiden, en in een kamer een bed voor hem klaar te maken.
Ali Baba deed nog meer, om zijn gast veel eer te bewijzen. Toen hij namelijk zag, dat de rooverhoofdman zijn muilezels afgeladen had, en deze, zooals hij bevolen had, in den stal gebracht waren geworden, nam hij den vreemdeling, die den nacht onder den vrijen hemel scheen te willen doorbrengen, bij de hand, en geleidde hem naar de zaal, waar hij bezoeken placht te ontvangen, en verklaarde, dat hij niet zou toestaan, dat zijn gast in den hof zou overnachten. De rooverhoofdman bedankte voor die eer, terwijl hij zei, dat hij hem volstrekt geen last wilde aandoen; de ware reden was echter, dat hij dan des te beter zijn plan kon uitvoeren. Maar Ali Baba noodigde hem zoo hoffelijk en zoo dringend uit, dat hij niet langer weerstand kon bieden. Ali Baba hield dengene, die hem naar het leven stond, niet alleen zoo lang gezelschap, totdat Morgiane het avondeten opdroeg, maar onderhield zich met hem ook voortdurend nog over allerlei zaken, waarvan hij geloofde, dat zij hem genoegen deden, en verliet hem niet eerder, dan nadat hij met eten klaar was.
"Ik laat u thans alleen," zeide hij toen tot hem, "wanneer gij het een of ander wenscht, moet gij het slechts zeggen; alles, wat in mijn huis is, staat u ten dienste."
De rooverhoofdman stond tegelijk met Ali Baba op en vergezelde hem tot aan de deur. Terwijl Ali Baba nu naar de keuken ging, om met Morgiane te spreken, begaf hij zich naar den hof, onder voorwendsel, dat hij in den stal wilde nazien, of het zijn muilezels aan niets ontbrak.
Nadat Ali Baba Morgiane opnieuw aangemaand had, voor zijn gast zoo goed mogelijk te zorgen en het hem aan niets te laten ontbreken, voegde hij er bij: "Morgiane, ik wil je nu alleen nog zeggen, dat ik morgen vroegtijdig een bad neem; maak mijn badhanddoeken in orde en geef ze Abdallah--zoo heette namelijk zijn slaaf,--bezorg mij vervolgens een goede vleeschsoep, wanneer ik thuis kom." Nadat hij haar deze bevelen gegeven had, ging hij naar bed.
Ondertusschen gaf de rooverhoofdman zijnen mannen in den stal zijn bevelen, wat zij te doen hadden. Van den eersten tot den laatsten zak zeide hij tot ieder: "Wanneer ik van uit mijn slaapkamer kleine steentjes naar beneden werp, snijdt dan met het mes, dat gij bij je draagt, den zak van boven tot beneden open en kruip er uit; ik zal dan spoedig bij u komen."
Het mes, waarvan hij sprak, was voor dit doel opzettelijk gepunt en geslepen. Nadat dit geschied was, keerde hij terug, en zoodra hij zich bij de keukendeur vertoonde, nam Morgiane een licht, bracht hem naar de voor hem ingerichte kamer, en liet hem daar alleen, nadat zij nog eerst gevraagd had, of hij niets meer te wenschen had. Om geen argwaan te wekken, blies hij spoedig daarop het licht uit en legde zich geheel aangekleed neder, opdat hij terstond na den eersten slaap weer zou kunnen opstaan.
Morgiane vergat Ali Baba's bevel niet. Zij bracht zijn baddoeken in orde, gaf ze aan Abdallah, die nog niet was gaan slapen, en plaatste den pot voor de vleeschsoep op het vuur. Terwijl zij nu den pot afschuimde, ging plotseling de lamp uit. In 't heele huis was geen olie meer, en toevallig ook geen enkele kaars voorradig. Wat moest zij nu beginnen? Om haren pot af te schuimen, moest zij er noodzakelijk helder licht bij hebben. Zij deelde hare verlegenheid aan Abdallah mede, die haar ten antwoord gaf: "Ja, daar zit niets anders op, dan dat je uit een van de zakken beneden op den hof wat olie neemt." Morgiane bedankte Abdallah voor dien raad, en terwijl hij zich neerlegde naast Ali Baba's kamer, om hem later naar het bad te vergezellen, nam zij de oliekruik, en ging er mee naar den hof. Toen zij bij den eersten zak kwam, vroeg de roover, die daarin verborgen zat, heel zacht: "Is 't tijd?" Ofschoon de roover zacht gesproken had, zoo schrok Morgiane van deze stem toch des te meer, wijl de rooverhoofdman, nadat hij zijn muilezels afgeladen had, niet alleen dezen zak, maar ook alle overige open gemaakt had, om zijn mannen frissche lucht te verschaffen. Dezen verkeerden bovendien toch in een zeer slechten toestand, ofschoon zij konden adem halen.
Iedere andere slavin dan Morgiane, ofschoon zij inderdaad niet weinig verrast was, inplaats van de gezochte olie, een man in den zak te vinden, had nu waarschijnlijk alarm gemaakt, en wellicht een groot ongeluk veroorzaakt. Morgiane echter was veel verstandiger dan haar lotgenooten. Zij begreep terstond, hoe gewichtig het was, de zaak geheim te houden, in welk groot gevaar Ali Baba met zijne familie en zijzelf zweefde, en dat zij thans noodzakelijk zoo snel mogelijk en zonder eenige drukte haar maatregelen nemen moest. Zij bezat een scherp verstand, zoodat zij spoedig de middelen daarvoor bedacht had. Zij beheerschte zich op hetzelfde oogenblik en zonder den minsten schrik te verraden, antwoordde zij, alsof zij de rooverhoofdman was: "Nog niet, maar spoedig!" Daarop naderde zij den tweeden zak, waar zij dezelfde vraag hoorde, en zoo vervolgens, tot zij bij den laatsten kwam, waarin de olie was; zij gaf op elke vraag steeds hetzelfde antwoord.
Morgiane begreep daaruit nu, dat haar meester Ali Baba niet, zooals hij geloofde, een oliehandelaar, maar zeven en dertig roovers, benevens hun hoofdman, den verkleeden koopman, in zijn huis herbergde. Zij vulde daarom in alle stilte haar kruik met olie, welke zij uit den laatsten zak nam, keerde daarop naar de keuken terug, en nadat zij olie in de lamp gedaan en haar weer aangestoken had, nam zij een grooten ketel, ging weder naar den hof, en vulde hem met olie uit den zak. Daarna ging zij terug naar de keuken, en zette den ketel op een kolossaal vuur, waarop zij voortdurend versch hout schoof, want hoe eerder de olie begon te koken, hoe eerder zij ook het plan kon uitvoeren, dat zij tot gemeenschappelijk welzijn van het huis ontworpen had, en dat geen uitstel toeliet. Toen eindelijk de olie kookte, nam zij den ketel en goot in elken zak, van den eersten tot den laatsten, zooveel kokende olie, als noodig was, om de roovers te doen stikken en te dooden.
Nadat Morgiane deze daad, welke haren moed alle eer aandeed, even stil uitgevoerd als uitgedacht had, keerde zij met den leegen ketel in de keuken terug en deed haar op slot. Toen doofde zij het vuur uit, dat zij eerst aangestoken had, en liet alleen zooveel over, als noodig was om de vleeschsoep voor Ali Baba te koken. Ten slotte blies zij ook de lamp uit, en hield zich doodstil, want zij was besloten, niet eerder naar bed te gaan, dan tot zij door een keukenvenster, dat op den hof uitzag, zooveel als de duisternis van den nacht het veroorloofde, alles had waargenomen, dat soms gebeuren zou. Morgiane had nog geen kwartier gewacht, toen de rooverhoofdman ontwaakte. Hij stond op, opende het venster, keek naar buiten, en daar hij nergens meer licht bespeurde, maar overal in het huis diepe rust en stilte zag heerschen, zoo gaf hij het afgesproken teeken, terwijl hij kleine steentjes naar beneden wierp. Meerdere daarvan vielen, zooals hij zich door het geluid overtuigen kon, op de leeren zakken. Hij luisterde begeerig, maar hoorde of merkte niets, waaruit hij had kunnen opmaken, dat zijn mannen zich in beweging zetten. Dit verontrustte hem, en hij wierp voor de tweede en voor de derde maal kleine steentjes naar beneden. Zij vielen op de zakken, maar geen der roovers gaf meer het minste levensteeken. Daar hij zich dit niet verklaren kon, ging hij in de grootste ontsteltenis en zoo zacht mogelijk naar den hof, en naderde den eersten zak; toen hij echter den daarin zich bevindenden roover wilde vragen, of hij sliep, kwam hem een geur van heete olie en van iets verbrands uit den zak tegen, en hij begreep daaruit, dat zijn plan tegen Ali Baba, hem te vermoorden, uit te plunderen en het aan zijn bende ontnomen goud weer mee te nemen, volkomen mislukt was. Hij ging nu naar den volgenden zak en zoo vervolgens tot aan den laatsten, en vond dat al zijn mannen op dezelfde wijze omgekomen waren. De vermindering der olie in den vollen oliezak bewees hem, van welke middelen men zich bediend had, om zijn plan te verijdelen. Thans, nu hij al zijn hoop vervlogen zag, stormde hij, met de wanhoop in het hart, de deur uit, welke uit den hof in Ali Baba's tuin voerde en vluchtte, waarbij hij over verschillende tuinmuren moest klimmen.
Toen Morgiane geen geruisch meer hoorde, en na geruimen tijd den rooverhoofdman niet meer zag terugkomen, twijfelde zij er niet meer aan, dat hij door den tuin gevlucht was; want door de huisdeur kon hij niet hopen te ontkomen, wijl zij dubbel op slot was. Ten hoogste verheugd, dat het haar zoo goed gelukt was, het heele huis te redden, ging zij eindelijk naar bed en sliep in.
Ali Baba ondertusschen stond voor dag en dauw op en ging, vergezeld van zijn slaaf, naar het bad. Hij had niet het geringste vermoeden van de vreeselijke gebeurtenis, welke, terwijl hij sliep, in zijn huis had plaats gehad, want Morgiane had het niet noodig gevonden, hem te wekken, wijl zij in het oogenblik van het gevaar geen tijd te verliezen had, en na afwending daarvan hem niet in zijn rust storen wilde. Toen Ali Baba uit het bad in zijn kamer terugkwam, en de zon reeds helder aan den hemel schitterde, verwonderde hij zich in hooge mate, de oliezakken nog op hun oude plaats te zien staan, en het was hem onbegrijpelijk, dat de koopman met zijn ezels niet naar de markt zou gegaan zijn. Hij vroeg er daarom Morgiane naar, die hem de deur opende, en alles zoo had laten staan en liggen, opdat hij het zelf mocht zien, en zij het hem heel duidelijk maken kon, wat zij tot zijn redding gedaan had. "Mijn goede meester," antwoordde hem Morgiane, "God en de heilige profeet beschermen u en uw huis. Gij zult u van dat, wat gij verlangt te weten, beter overtuigen, wanneer uw eigen oogen zien zullen, wat ik hun toonen wil. Wil de moeite nemen, om met mij mee te gaan."
Ali Baba volgde zijn dienstmaagd; deze sloot de deur, bracht hem bij den eersten zak, en zeide toen: "Kijk eens in dezen zak, gij zult nog nooit zulke olie gezien hebben."
Ali Baba keek er in, en toen hij in den zak een man zag, schrok hij hevig, schreeuwde luid en sprong achteruit, alsof hij op een slang getrapt had.
"Vrees niets," zeide Morgiane tot hem, "de man, dien gij daar ziet, zal u geen kwaad meer doen. Hij heeft de maat zijner misdaden vol gemeten, maar thans kan hij niemand meer schade toevoegen, want hij is dood."
"Morgiane," riep Ali Baba, "bij den verheven profeet! zeg mij, wat moet dat beteekenen?"
"Ik wil het u verklaren," zei Morgiane, "maar matig de uitbarstingen uwer verbazing en prikkel niet de nieuwsgierigheid der buren, opdat zij niet een zaak vernemen, welke voor uw eigen bestwil geheim moet blijven. Kijk echter eerst nog even naar de andere zakken."
Ali Baba keek op de rij af in alle zakken, van den eersten tot den laatsten, waarin de olie zat, welke zichtbaar verminderd was. Toen hij nu alle had nagezien, bleef hij als vastgeworteld staan, terwijl hij zijn oogen nu eens op de zakken, dan weer op Morgiane richtte, en zoo groot was zijn verbazing, dat hij langen tijd geen woord spreken kon. Eindelijk herstelde hij zich en vroeg toen: "Maar wat is er van den koopman geworden?"
"De koopman," antwoordde Morgiane, "is net zoo min een koopman, als ik een koopmansvrouw ben. Ik wil u zeggen, wat hij is, en waarheen hij gevlucht is. Doch gij zult deze geschiedenis veel gemakkelijker op uw kamer kunnen aanhooren, want uw gezondheid vordert, dat gij thans, nu gij uit het bad gekomen zijt, wat vleeschsoep gebruikt."
Terwijl Ali Baba zich nu naar zijn kamer begaf, haalde Morgiane de vleeschsoep uit de keuken en bracht ze hem; Ali Baba zeide echter, eer hij aanving: "Begin nu dadelijk mijn ongeduld te bevredigen, en vertel mij deze vreemde geschiedenis in alle bijzonderheden."
Morgiane vervulde den wensch van haar meester en begon aldus: "Heer, gisterenavond, toen gij reeds naar bed gegaan waart, bracht ik, gelijk u bevolen had, uw baddoeken in orde en gaf ze aan Abdallah. Toen plaatste ik den pot voor de vleeschsoep op het vuur, en terwijl ik deze afschuimde, ging plotseling de lamp uit, wijl er geen olie meer in was. In de kruik was geen druppel meer te vinden, en evenmin kon ik een stukje kaars bekomen. Abdallah, die mijn verlegenheid bemerkte, herinnerde mij aan de volle oliezakken in den hof, want hij twijfelde er evenmin aan als gij en ik, dat het zulke waren. Ik nam alzoo mijn oliekruik, en liep er mee naar den eersten zak den besten. Toen ik daar dicht bij was, klonk er mij een stem uit tegen, die mij vroeg: "Is 't tijd?" Ik schrok niet, maar begreep terstond de boosheid van den valschen koopman en antwoordde zonder dralen: "Nog niet, maar spoedig." Ik ging naar den tweeden zak, en een andere stem deed mij dezelfde vraag, waarop ik hetzelfde antwoord teruggaf. Zoo ging ik dan van den eenen zak naar den anderen, immer weer dezelfde vraag en hetzelfde antwoord, en eerst in den laatsten zak vond ik olie, waarmee ik mijn kruik vulde. Toen ik nu overlegde, dat zich midden in uw hof zeven en dertig roovers bevonden, die slechts op een teeken of bevel van hun aanvoerder, dien gij voor een koopman hieldt en zoo gastvrij opgenomen hadt, wachtten om het heele huis leeg te plunderen, toen geloofde ik, dat hier geen tijd te verliezen was. Ik bracht daarom mijn kruik terug, stak de lamp aan, nam den grootsten ketel uit de heele keuken en vulde hem met olie. Daarna hing ik hem over het vuur en toen de olie goed kookte, goot ik in elken zak, waarin een roover zat, zooveel olie, als voldoende was, om hun de uitvoering van het verderfelijk plan, dat hen hierheen gevoerd had, te verhinderen. Nadat nu de zaak een zoodanig verloop genomen had, als ik mij had voorgesteld, keerde ik naar de keuken terug, deed de lamp uit, en alvorens naar bed te gaan, begon ik kalm door het venster toe te zien, wat de valsche oliehandelaar thans wel doen zou. Na een poos hoorde ik, dat hij, om zijn mannen te waarschuwen, kleine steentjes uit het venster en juist op de zakken wierp. Hij herhaalde dit eenige keeren, maar toen hij niets zag bewegen, en niets hoorde, ging hij naar beneden, en ik zag hem van den eenen zak naar den anderen gaan, totdat ik hem in de duisternis van den nacht uit het oog verloor. Toch wachtte ik nog eenigen tijd, maar toen ik hem niet meer zag terugkomen, twijfelde ik er niet meer aan, of hij was, uit wanhoop over zijn mislukten aanslag, door den tuin ontvlucht. Nadat ik er mij nu van overtuigd had, dat het huis in veiligheid was, begaf ik mij te bed. Dit is nu," voegde Morgiane er ten slotte aan toe, "de geschiedenis waarnaar gij gevraagd hebt, en ik ben overtuigd, dat zij te zamen hangt met een omstandigheid, welke ik eenige dagen geleden ervoer, maar welke ik toen meende, u nog niet te moeten meedeelen. Toen ik namelijk eens heel vroeg 's morgens van een gang naar de stad terugkeerde, zag ik dat onze huisdeur wit aangestreept was, en den dag daarop ontdekte ik een rood teeken. Daar ik nu echter niet begreep, met welk doel dit geschied was, gaf ik elke maal twee of drie huizen aan beide kanten van het onze, een zelfde teeken, op dezelfde plaats. Wanneer gij dit nu met de geschiedenis van den laatsten nacht in verband brengt, dan zult gij vinden, dat alles door de roovers in het bosch uitgevoerd is, wier bende intusschen, ik weet niet waardoor, met twee koppen verminderd is. Hoe dit ook wezen mag, in 't ergste geval zijn er nu nog slechts drie in leven. Dit bewijst, dat zij uwen ondergang gezworen hebben, en dat gij bijzonder op uw hoede moet zijn, zoolang men weet, dat een er van nog in leven is. Ik voor mijn persoon zal niets nalaten, om volgens mijn plicht voor uw veiligheid te waken."
Toen Morgiane uitgesproken had, zag Ali Baba wel in, welken gewichtigen dienst zij hem bewezen had, en hij zei vol dankbaarheid tot haar: "Ik wil niet sterven alvorens ik je naar verdienste beloond heb. Jou heb ik mijn leven te danken, en om je terstond een bewijs van erkentelijkheid te geven, schenk ik je van dit oogenblik af de vrijheid, behoud me echter voor, nog verder aan je te denken. Ook ik ben overtuigd, dat de veertig roovers mij dezen strik gespannen hebben; God, de almachtige en albarmhartige, heeft me door jou hand bevrijd; ik hoop, dat hij mij ook verder voor hun boosheid beschermen, dat hij ze geheel van mijn hoofd afwenden, en de wereld van de vervolgingen van dit vervloekte adderengebroed bevrijden zal. Doch voor alles moeten wij thans de lijken van deze uitgeworpenen van het menschengeslacht begraven, maar in alle stilte, opdat niemand iets van hun lot vermoeden kan; daar wil ik met Abdallah voor zorgen."
Ali Baba's tuin was zeer lang, en van achteren door hooge boomen begrensd. Zonder te dralen ging hij met zijn slaaf naar deze boomen, om daaronder een langen en breeden kuil te graven, zooals voor de lijken, die er in gelegd moesten worden, noodig was. De grond was gemakkelijk om te woelen, en zij gebruikten ook niet lang tijd voor hun werk. Zij trokken nu de lijken uit de leeren zakken te voorschijn, legden de wapens, waarvan de roovers voorzien waren, ter zijde, sleepten toen de lijken naar het einde van den tuin, legden ze op een rij in den kuil, spreidden de uitgegraven aarde er over uit, en verstrooiden toen de overige aarde in den tuin, zoodat de grond weer zoo gelijk werd als te voren. De oliezakken en de wapens liet Ali Baba zorgvuldig verbergen, de muilezels echter, die hij nergens toe gebruiken kon, zond hij bij gedeelten naar de markt en liet ze door zijn slaaf verkoopen.