Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid

Part 7

Chapter 73,591 wordsPublic domain

Terwijl zulke gruwelen in en om Rome voorvielen, stonden Brutus en Cassius, de stadhouders van Macedonië en Syrië, met hunne legers gereed voor de republiek te strijden, d. w. z. voor het behoud der senaatsmacht. Bij Philippi, in Macedonië, kwam het tot beslissing. De aanhangers der oude vrijheid streden zoo dapper, dat hun zeker de overwinning zou ten deel gevallen zijn. Maar toen Cassius, door een valsch bericht misleid, zich in zijn zwaard stortte, bezweek eindelijk ook Brutus en gaf zich, gelijk vele anderen, den dood. Zoo waren de laatste steunen van den vrijstaat gebroken, en Rome had drie heeren, van welken ieder naar de alleenheerschappij streefde. Toen de onbeduidende Lepidus door zijn leger in Afrika verlaten werd, verdeelden Octavianus en Antonius het Romeinsche rijk; de eerste nam de westelijke, de laatste de oostelijke landen.

2. Terwijl Octavianus, in Rome zetelend, er op bedacht was, Antonius spoedig van de heerschappij te verdringen, leefde deze zorgeloos aan het schitterende hof der Egyptische koningin Cleopatra, schonk aan haar en hare familie een groot gedeelte der Romeinsche provincie in Azië weg, en verstiet eindelijk zijne deugdzame echtgenoote Octavia, de zuster van Octavianus. Den slechten indruk, dien zulk eene vermetele handelwijze bij de Romeinen teweeg bracht, maakte Octavianus zich ten nutte. Hij bewerkte een senaatsbesluit, waarbij Antonius van zijne waardigheid ontzet, en aan de Egyptische koningin Cleopatra de oorlog verklaard werd. Toen verbond Antonius zich met Cleopatra, en beiden trokken vereenigd tot den beslissenden strijd naar Griekenland. Toen echter in den zeeslag bij kaap +Actium+ (west. van Hellas) de koningin Cleopatra vluchtte 31, ging Antonius met haar naar Egypte terug en verliet zoo zijn leger, dat na lang dralen tot den verwonderden Octavianus overliep. Deze trok door Syrië naar Egypte en sloeg hier Antonius, die ook door Cleopatra verlaten werd. Zij liet hem zeggen, dat zij gestorven was, en bracht hem daardoor zoo in vertwijfeling, dat hij zich zelven vermoordde. De arglistige koningin had gehoopt, Octavianus voor zich te winnen. Toen dit echter vergeefsch was en zij nog vreesde in triomf naar Rome gevoerd te worden, gaf zij zich zelf den dood, door -- zoo verhaalt men -- eene vergiftige slang aan hare borst te zetten. Egypte werd nu eene Romeinsche provincie.

Octavianus was na den val van Antonius alleenheerscher van het monsterachtige Romeinsche rijk, en werd door den senaat met de hoogste titels beschonken. Men gaf hem den bijnaam +Augustus+, d. i. de verhevene of heilige, en droeg hem alle macht onbeperkt op. Octavianus liet echter in schijn de oude waardigheden voortbestaan en toonde zich, door het lot van Caesar gewaarschuwd, zeer ingetogen. Toch bezat hij koninklijk aanzien, en werd naar zijn oudoom ook Caesar genoemd, in 't Grieksch Kaisar, van waar ons woord keizer komt. Augustus was inderdaad de eerste keizer; de republiek, hoewel hare vormen bleven, was in een keizerrijk veranderd.

3. Onder de regeering van Augustus had Rome het hoogste toppunt zijner macht bereikt. Het hoofdland, Italië, was maar een klein deel van het Romeinsche rijk, dat zich over de drie toen bekende werelddeelen uitstrekte, van de Atlantische zee tot aan den Eufraat, van den Rijn, den Donau en de Zwarte zee tot aan de Afrikaansche en Arabische woestijnen. In dezen wijden omvang lagen de schoonste landen der aarde, o. a. Portugal en Spanje, Gallië (Frankrijk), Italië, Griekenland en Macedonië, Klein-Azië, Syrië, Egypte en het Karthaagsche gebied. Op deze groote vlakteruimte leefden ongeveer 120 millioen menschen, waarvan de helft slaven waren. De grootste steden der toenmalige wereld waren behalve Rome nog Alexandrië en Antiochië. Haar pracht en rijkdom waren grootsch. In Rome waren 400 kostbare tempels, groote marktplaatsen, prachtige schouwburgen en paleizen, zuilenhallen, triomfbogen en dergelijke.

De Romeinen, door de vele burgeroorlogen verschrikt, herademden onder de verstandige regeering van Augustus. Zeer ontwikkelden zich de wetenschappen en kunsten, die vooral door Maecenas, den vriend en raadsman van Augustus, bevorderd werden. De groote rijkdom, die in Rome samenvloeide, veroorloofde een prachtig leven. De weelde van sommige burgers ging boven alle beschrijving. Men richtte de duurste gastmalen aan en tooide de woningen op de schitterendste wijze. Het aantal der slaven was ongehoord. Benevens de groote pracht maakte zich echter ook eene groote zedeloosheid baan. Het ontbrak aan ware beschaving, aan echte menschelijkheid.

4. Te dier tijde werd echter in het Joodsche land, waar Romeinsche stadhouders regeerden, +Jezus, de stichter van 't christendom+, geboren. Met deze gebeurtenis, waarnaar wij den tijd berekenen, opent zich onder de volken een nieuw leven, dat wij nog nauwkeuriger beschouwen zullen. Met den opkomenden bloei van 't christendom valt het optreden der +Duitschers+ of +Germanen+ samen, die van nu af met de Romeinen om de wereldheerschappij strijden. Augustus had zijn stiefzoon +Drusus+ met een groot leger naar Duitschland gezonden en hier tot menige verovering den weg laten banen. Toen de dappere Drusus plotseling gestorven was, volgde zijn broeder +Tiberius+ hem op, die meer door list dan door macht slaagde. Het verst bracht het de Romeinsche stadhouder +Varus+, die zonder schroom de Duitsche instellingen veranderde en geheel naar willekeur te werk ging. Toen dit echter eenige jaren geduurd had, verhief zich de vrijheidlievende geest der Duitschers, en een vorst van hen, +Armin+ of +Herman+, verbrak het Romeinsche juk. Hij overwon Varus in het +Teutoburgerwoud+ -- 9 na Chr. -- en werd zoo de bevrijder van Duitschland. De tijding daarvan bracht in Rome de grootste verwarring te weeg. Augustus riep in vertwijfeling uit: "Varus, Varus, geef mij mijne legioenen terug!" en liep als razend rond. Alle Duitschers moesten Rome verlaten, zelfs de Duitsche lijfwacht des keizers werd over de zee gebracht. De schrik, dien eens de Cimbren en Teutonen verwekt hadden, was weêr gekomen. Maar weldra bleek het, dat de Duitschers in de grootste rust t'huis bleven.

5. Augustus had in zijn huiselijk leven veel ongeluk. Zijne dochter Julia, zijn eenig kind, bezorgde hem door haar teugelloos leven veel kommer. Toen hare beide zonen gestorven waren, leidde Augustus' derde gemalin, de listige Livia, het daarheên, dat haar zoon Tiberius, de bovengenoemde, een slecht mensch, tot keizer bestemd werd. Augustus stierf in 't jaar 14 onzer jaartelling. Kort voor zijn dood zou hij tot de omstaande vrienden gezegd hebben: "Applaudisseert, want ik heb mijne rol goed gespeeld." Deze woorden geven juist het karakter van den koelen man te kennen, die uit berekening eerst wreed, daarna zachtmoedig, maar steeds valsch en huichelachtig was. Desniettemin werd hij onder de goden opgenomen, en zelfs de laatste nakomelingen riepen elken nieuwen keizer bij den aanvang zijner regeering toe: "Regeer gelukkig als Augustus!"

22. Verscheidene keizers van 't Romeinsche rijk.

1. Tiberius, die Augustus opvolgde, was een somber, hardvochtig en wreed mensch. Hij zond +Germanicus+, Drusus' zoon, tot een krijg der wrake naar Duitschland, maar kon hier even weinig bereiken als Augustus. Wantrouwend over het aanzien van den dapperen Germanicus, riep hij dezen uit Duitschland terug en verplaatste hem naar Syrië, waar hij hem waarschijnlijk liet vergiftigen. De argwaan en de wreedheid van den tyran werden door zijne gemalin nog vermeerderd, zoodat hij ontzettend woedde, tot hij eindelijk door den overste zijner lijfwacht vermoord werd. Onder zijne regeering zijn de Friezen opgestaan, die eerst bijna 20 jaar later onder die van +Claudius+ weêr onderdrukt zijn.

Onder de slechte vorsten in de eerste eeuw is +Nero+ wel de vreeselijkste. Hij liet zijn stiefbroeder, zijne vrouw, ja zijne eigene moeder vermoorden. Zijn vroegere leermeester, de beroemde +Seneca+, werd gedwongen zich zelven te dooden. Met de schrikkelijkste wreedheid verbond Nero eene ijdelheid, die aan waanzin grensde. Hij hield zichzelven voor den eersten kunstenaar der wereld, en trok als harpspeler en wagenmenner geheel Italië en Griekenland door om zich te laten huldigen. Een groote brand in Rome zou hem aanleiding hebben gegeven om van de tinne van zijn paleis af den brand van Troje te bezingen. Toen zich daarop de haat van het volk ontwikkelde, schoof hij de schuld van den brand op de christenen, die in Rome slechts weinig in aanzien stonden, en begon de eerste christenvervolging. Vele aanhangers van Jezus werden gekruisigd, andere door dieren verscheurd, nog anderen verbrand. Toen eindelijk de eene stadhouder na den anderen oproerig werd, vluchtte de laffe tyran op een landgoed, waar hij zich, om zijne terechtstelling te ontgaan, door een vrijgelaten slaaf liet vermoorden. Zijne laatste woorden zouden geweest zijn: "Ach, welk een kunstenaar verliest de wereld in mij!"

2. Na Nero volgden in zeer korten tijd drie keizers, waarvan er geen een natuurlijken dood stierf. De soldaten, die nu gewoonlijk den keizer aanwezen, kregen eerst in +Vespasianus+ een geduchten heerscher, onder wien weêr rust en orde heerschte. Van zijne oorlogen is ons met name die met de Joden opmerkenswaardig. Dit volk was reeds dikwijls tegen de Romeinen opgestaan, en was telkens eerst na veel bloedvergieten weêr onderworpen. In Nero's tijd was andermaal een oproer ontstaan, en Vespasianus, die toen nog generaal was, trok tegen Jeruzalem op, om de stad te belegeren. Toen hij intusschen tot keizer werd uitgeroepen, droeg hij de onderwerping der Joden aan zijn zoon +Titus+ op. Deze betoonde zich een menschenvriend, en beproefde lang de Joden door goedheid te winnen. Maar toen dat niets hielp, zette hij de belegering van Jeruzalem met grooten ijver voort en tastte het eene deel der stad na het andere aan. Daar zich hier wegens het paaschfeest eene groote menigte menschen bevond, brak er een ontzettende hongersnood uit, en daarop volgden verwoestende ziekten. Niettegenstaande dezen verschrikkelijken nood waagde niemand in de stad van overgave te spreken. Toen Titus het benedendeel van Jeruzalem stormenderhand genomen had, deed hij nogmaals eene goedwillige poging, die weêr afgewezen werd. Daarop veroverde hij den burg en den tempel, waar de Joden zich het hardnekkigst hadden gehandhaafd. Ofschoon Titus den tempel sparen wilde, werd dit prachtig gebouw toch in de woede van den strijd eene prooi der vlammen. Er bleef geen steen op den anderen. De groote stad Jerusalem zonk in asch. De inwoners werden gedood of tot gevangenen gemaakt. Men schat het aantal der omgekomen en weggesleepte Joden op meer dan een millioen. Het Israelietische volk verstrooide zich over den geheelen aardbodem. Zijne heilige stad bleef onder vreemde heerschers. 70.

3. Titus regeerde maar twee jaren als keizer, en toonde zich gedurende dien tijd zoo edel en wijs, dat men zijne vroegere gewelddadigheden en buitensporigheden geheel vergat. Het Romeinsche volk noemde hem "de vreugd en wellust van het menschelijk geslacht." -- Gedurende de regeering van Titus, in 't jaar 79, had eene groote aardbeving plaats met een hevige uitbraak van den vuurspuwenden berg Vesuvius (bij Napels). Daardoor werden de steden Pompeji, Herculanum en Stabiae bedolven, zoodat men haar spoor niet meer zag. Eerst voor 100 jaren ontdekte men Herculanum en Pompeji weêr en begon men langzamerhand de oude steden weêr op te graven. Toen vond men alles nog zoo als het eenmaal begraven was, slechts was het door de heete asch verdroogd of tot stof geworden. In de goed gebleven woningen vond men het huisraad, de boeken, de spijzen op de tafel. Geraamten van menschen stonden en zaten in de houding, waarin de dood hen overvallen had.

Na de aardbeving ontstond een hongersnood, die van ziekten vergezeld was. Een groot gedeelte van Rome werd door een brand verwoest. Bij deze ongelukken toonde Titus zich van de welwillendste zijde. Den dag, waarop hij niets goeds gedaan had, hield hij voor verloren. Hij wilde ook, dat niemand treurig van zijn troon wegging. Hoe jammer toch, dat zulk eene goede regeering slechts twee jaar duurde! +Domitianus+, de broeder van Titus, heerschte als een monster in alle ondeugden omtrent 15 jaar. Maar op hem volgden gelukkig verscheidene goede keizers.

4. +Trajanus+, een Spanjaard van geboorte, verwierf zich de liefde der Romeinen in zoo groote mate, dat men hem den "besten" noemde, en dat men nog 250 jaar na zijn' dood den nieuwgekozen keizer toeriep: "Heersch gelukkig als Augustus, mild als Trajanus!" Overigens mag niet onopgemerkt blijven, dat ook Trajanus de Christenen vervolgde. Zijn opvolger +Hadrianus+ beminde den vrede, en bevorderde kunsten en wetenschappen, maar toonde bij groote ijdelheid ook wreeden zin. Hij bouwde de stad Hadrianopel (in het tegenwoordige Turkijë) en liet ook Jerusalem weêr verrijzen. Toen hij echter hier aan den Romeinschen god Jupiter liet offeren, werden de Joden oproerig, en er ontstond een driejarige strijd, waarin ongeveer 500,000 man gedood werden. Daarbij werd Jerusalem nogmaals de vernieling ten prooi, werd toen opnieuw opgebouwd en voor elk Israëliet gesloten.

+Antoninus+, genaamd Pius d. i. de vrome, toonde zich gedurende zijne lange regeering (138-161) een der beste keizers. Hij vermeed den oorlog, terwijl hij den schoonen grondregel volgde: "Ik wil liever één burger het leven behouden, dan duizend vijanden dooden." Hij verbreidde overal geluk en zegen, en was zoo geacht, dat de verwijderdste volken hem als hun scheidsrechter kozen. Eeuwen lang bleef zijn aandenken bij het volk in gedachtenis. Verscheidene latere keizers voegden zich zijn naam toe, om zich bemind te maken. Zijn pleegzoon +Marcus Aurelius+, ook Antoninus genaamd, regeerde in denzelfden geest (161-180). Hij kreeg den bijnaam "philosoof" d. i. wijsgeer[6], daar hij door eigene beschouwingen het rechte inzicht over het leven in zijne menigvuldige betrekkingen zocht te verkrijgen en te verbreiden. Ook onder dezen edelen keizer ontstond echter helaas eene christenvervolging. Daarenboven werd de regeering van Marcus Aurelius door den grooten krijg tegen de +Markomannen+, een Duitschen volkenbond in het tegenwoordige Bohemen, zeer verontrust. Veertien jaar lang streden de Romeinen tegen de geduchte vijanden, en aan het einde daarvan zag men den vrede nog niet verzekerd. Marcus Aurelius stierf te Vindobona, het tegenwoordige Weenen.

[6] Na de zeven wijzen van Griekenland (blz. 36), die allen gelijktijdig leefden, 600 v. C., was dit woord ontstaan, beteekenende vriend van, zoeker of strever naar wijsheid. Pythagoras te Croton had het woord _philosophos_ in plaats van _sophos_ (wijze) gesteld.

Op de glorierijke regeering der beide edele Antonijnen, volgde een tijd van verval. +Commodus+, de dwaze zoon van den wijzen Marcus Aurelius, regeerde zoo slecht, dat hij vermoord werd. De meeste Romeinsche keizers van 't jaar 180 af waren boosaardige lieden, die oneindig veel jammer over de menschheid brachten. Van hen heerschten er tot het jaar 300 niet minder dan 36, van welken er 27 vermoord werden en drie in den krijg vielen. Het leger stelde naar welgevallen keizers aan en af en doodde de weinige beteren, die de poging waagden, de vervallen discipline te herstellen. Bij deze soldatenheerschappij ging het rijk met snelle schreden zijn ondergang te gemoet, te meer daar behalve bovengenoemden zich nog verschillende andere bonden onder de Germaansche stammen gevormd hadden ter verdediging tegen en ter bestoking van het Romeinsche rijk. Zoo moest keizer +Aurelianus+ het door Trajanus veroverde Dacië (275) aan de West-Gothen afstaan, een der weinige onder de Germaansche stammen, die toen reeds het christendom aangenomen hadden. Hunne voorouders hadden reeds eeuwen vóór onze jaartelling benoorden de Zwarte zee gewoond en hadden daar een belangrijken stoot van de Grieksche (blz. 32) beschaving ondervonden. Zoo waren zij andere verwante stammen in ontwikkeling ver vooruit, blijkbaar o. a. uit hunne taal, die ons bekend is uit eene bijbeloverzetting van hun bisschop Ulfilas.

23. Constantijn, de eerste Christenkeizer.

1. Door keizer Diocletianus (300), die een energiek man was, had het Romeinsche rijk eene nieuwe inrichting van 't bestuur gekregen. Daar hij inzag, dat één enkel vorst het zoo uitgebreide landgebied niet goed beheerschen kon, benoemde hij mederegenten, van welken er een in Trier woonde en Constantius heette. Deze man was wijs en toonde zich den christenen genegen. Zijn zoon +Constantijn+ was zulks nog meer. Even na den dood van Diocletianus in 't Oosten, volgde Constantijn zijn vader op in Trier, en binnen eenige jaren had deze al zijne mederegenten overwonnen en zich dus tot alleenheerscher in het geheele groote rijk opgewerkt (323). Hij begunstigde het christendom op in 't oog loopende wijze. Inderdaad dacht hij in 't begin slechts daaraan, dat de christenen hem in den strijd tegen de medekeizers krachtig konden ondersteunen. Ook bleef hij nog heiden en was zelf heidensch opperpriester. Daarentegen spreidde zijne moeder Helena een grooten ijver voor de nieuwe leer ten toon. Zij liet in Palestina de plaatsen, die den christenen heilig waren, weêr opzoeken en met prachtige tempels tooien. Het christendom was van een vervolgden godsdienst tot een heerschenden geworden. Hoewel altijd nog heiden, beheerschte Constantijn toch de kerkelijke aangelegenheden der christenen, en schreef ook de eerste algemeene kerkvergadering voor, die in 325 te Nicaea in Klein-Azië plaats vond en aan vele twisten een einde maakte. Eene belangrijke daad van Constantijn was de stichting eener nieuwe hoofdstad. Hij verplaatste zijne residentie naar Byzantium (blz. 32), dat hij Nieuw-Rome noemde, maar later den naam Constantinopolis of +Constantinopel+, d. i. Constantijnsstad, kreeg. De uitstekende ligging dezer nieuwe hoofdstad lokte eene groote bevolking. Toen ook de kunstschatten van Azië, Griekenland en Italië aan Konstantinopel toevloeiden, zonk het oude Rome altijd meer in vergelijking met het nieuwe.

Constantijn had zijn' doop uitgesteld tot tegen zijn naderend levenseinde, daar hij meende, dat deze alle vooraf begane zonden afwiesch. Toen hij, 65 jaren oud, in eene zware ziekte verviel, liet hij zich eindelijk doopen, en stierf toen weinige dagen daarna (337).

2. De wreedheid, die Constantijn tegen zijne naaste verwanten geoefend had, had zich op zijn zoon +Constantius+ overgedragen. Deze liet zijne medeërvende broeders en neven met andere bloedverwanten uit den weg ruimen en wierp zich op als alleenheerscher. Dat hij, de eerste keizer, die christelijk opgevoed was, eene vervolging der heidenen verordende, mag niet onvermeld blijven. Toen hij zich in zijne slechte regeering niet meer alleen handhaven kon, riep hij zijn neef +Julianus+, die in Athene was, tot zich en droeg hem weldra de heerschappij in Gallië over.

Julianus, een beschaafd en dapper man, werkte in Gallië gelijk eenmaal Caesar, herstelde overal rust en orde en verwierf zich de liefde van leger en volk. Daarop ijverzuchtig, verlangde Constantius, dat Julianus hem de beste troepen zou uitleveren. Toen begreep deze, wat hem te wachten stond, en ras besloten, rukte hij met zijne soldaten, die hem in Parijs tot keizer kozen, tegen Constantius op, die echter reeds vóór den strijd stierf. Nu was Julianus alleen keizer en toonde zich gedurende zijne korte regeering, die slechts 20 maanden duurde, zeer werkzaam, spaarzaam en rein van zeden. Daar hij van christelijke leeraars veel geleden en in 't algemeen geen goed begrip van den nieuwen godsdienst gekregen had, keerde hij zich tot het heidendom, tengevolge waarvan hij "de afvallige" genoemd werd. Toch moet opgemerkt worden, dat Julianus geen vervolging der christenen duldde, en dat hij steeds met goedheid en verschooning te werk ging. In een oorlog tegen de Perzen viel hij, door een pijl getroffen, 32 jaar oud. -- 363.

24. De volksverhuizing. -- 375.

1. Onder de opvolgers van keizer Julianus ontstond de groote volksverhuizing, die haar uitgangspunt in 't binnenste van Azië had en zich door Europa, ja zelfs tot Afrika uitstrekte. Reeds sedert langen tijd waren de volken aan de grenzen van het Chineesche rijk in beweging geraakt. De Chineezen zelf hadden zich van de oudheid af zeer afgesloten gehouden, weshalve zij ook tegen hunne noordelijke naburen een monsterachtigen muur oprichtten. Daardoor bleven zij, ofschoon zij in nijverheid en kunsten zeer bekwaam zijn, altijd op een eenzijdig en beperkt standpunt, tot zij eindelijk het verkeer met vreemde volken niet meer uitsluiten konden en zoo voor den algemeenen voortgang der beschaving gewonnen werden.

In het noorden van China leefden de +Hunnen+, een barbaarsch herdersvolk, dat overal vrees teweegbracht. De lieden waren klein en dik, met breede schouders en groot hoofd. Zij kleedden zich in dierenvellen en leefden geheel in de vrije natuur. Huizen meden zij als graven. Dag en nacht zaten zij op hunne leelijke paarden, die echter het loopen zeer lang volhielden. Zij leefden van de wortels van wilde kruiden, of van rauw vleesch, dat zij door rijden zacht maakten. Oorlog was hun grootste lust.

Toen zij in 375 hunne steppenlanden verlieten en in Europa verschenen, stieten zij op Germaansche volken, eerst op de +Alanen+, die tusschen de Wolga en den Don woonden. Daar dezen zich tegen de wilde horden niet verdedigen konden, sloten zij zich bij hen aan en trokken meê tegen de +Gothen+, die de landen tusschen de Zwarte zee en de oevers van den Weichsel tot aan de Oostzee bezaten, en zich in Oost- en West-Gothen onderscheidden. De Oostgothen, eerst opgejaagd, wierpen zich op de Westgothen, en dezen wendden zich tot +Valens+, den bestuurder der oostelijke provinciën van 't Romeinsche rijk, die hun woonplaatsen binnen den Donau toestond. Toen zij echter tijdens een hongersnood door de keizerlijke beambten slecht behandeld werden, verhieven zij zich tot een vreeselijken kamp, waarin ook Valens viel, bij Hadrianopel 378. Reeds stonden de zegevierende Westgothen onder de muren van Constantinopel en dreigden met schrikkelijke verwoesting. Toen kwam de nieuw gekozen keizer +Theodosius+ ijlings aanzetten en bemiddelde den vrede. De Gothen kregen Thracië, in 't oosten van Turkije, en verbonden zich daarvoor, den keizer 40.000 man hulptroepen te leveren. Van nu af dienden altijd Gothen, grootendeels onder eigene bevelhebbers, in het Romeinsche leger, en kregen zelfs de aanzienlijkste plaatsen.

Kort vóór zijn dood, in het jaar 395, deelde Theodosius het Romeinsche rijk tusschen zijne beide zonen +Honorius+ en +Arcadius+, zoodat de eerste de westelijke provinciën met de hoofdstad Rome, de ander de oostelijke met Constantinopel kreeg. Van nu aan was er een +West-Romeinsch+ of +Latijnsch+ en een +Oost-Romeinsch+ of +Grieksch+ of +Byzantijnsch+ keizerrijk. Daar de beide keizers nog zeer jong waren, heerschten in hunne plaats ministers, die elkander echter wederkeerig haatten en bestreden. Daardoor werd de wanorde in het rijk nog grooter. Het kwam eindelijk zoo ver, dat het hof te Constantinopel den krijgshaftigen koning der Westgothen, +Alarik+, tot een inval in Italië aanspoorde. Dat was het begin van het einde der Romeinsche heerlijkheid.