Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid
Part 6
En het naderde inderdaad, snel en zeker. Want de Romeinsche senaat had Scipio, wiens taak in Spanje zoo schitterend voltooid was, tot proconsul van Sicilië benoemd. En deze bestond op nieuw, wat een halve eeuw te voren aan Regulus mislukt was, den oorlog naar Afrika over te brengen, en dat, terwijl Hannibal nog in Zuid-Italië gelegerd was. Te laat zagen de Karthagers hunne tweede groote fout in, die van dezen grooten man niet naar behooren gesteund te hebben. Men zocht hem aan tot de leiding der verdediging van het vaderland, voor welks belang hij 36 jaar buiten af, de laatste 16 in Italië gekampt had, te weinig gesteund. En hij verloochende de liefde voor Karthago, den haat tegen Rome niet. Bij Zama, vijf dagreizen van Karthago, stiet hij op het Romeinsche leger. De groote beteekenis daarvan werd door Hannibal dadelijk begrepen, zoodat hij besloot, met Scipio te onderhandelen. Op een heuvel tusschen de beide legerplaatsen ontmoetten elkaâr de beide grootste veldheeren van hun tijd. Eene wijl stonden zij zwijgend tegenover elkander, Scipio in den bloei des levens en in den zonneglans van het geluk, Hannibal reeds verouderend en door tegenspoed ter neêr gedrukt. Toen ried Hannibal tot den vrede, terwijl hij zijn tegenstander aan de mogelijke wisseling van het geluk herinnerde, en bood hem als prijs van den vrede den afstand van Spanje en alle eilanden in de Middellandsche zee. Scipio echter eischte in het trotsche voorgevoel der zege onvoorwaardelijke onderwerping. Toen brak Hannibal de onderhandeling af en de strijd begon, die het lot van Karthago besliste. De Romeinen overwonnen en stelden harde vredesvoorwaarden: Karthago verloor alle bezittingen buiten Afrika, het moest alle schepen op tien na uitleveren, beloven geen oorlog te voeren zonder toestemming der Romeinen, en eene groote som als vergoeding van oorlogskosten betalen, in 50 termijnen van even zooveel jaren. Hoeveel gemakkelijker dit nu ook is dan eene groote som in eens af te doen, het is voor een staat des te meer vernederend, want door de verplichting dier jaarlijksche bijdrage gedurende een halve eeuw werd Karthago als 't ware cijnsbaar aan Rome, welks wereldheerschappij in 't westen reeds nu gevestigd was. 200.
4. De diepe vernedering van Karthago deed Hannibal niet inslapen. Hij bevorderde door uitmuntende verordeningen de welvaart zijner vaderstad en werkte ook naar buiten, daar hij den Romeinen in den Syrischen (blz. 65 en 66) koning Antiochus III den Grooten een machtigen vijand verwekte. Toen dit den Romeinen bekend werd, eischten zij van de Karthagers de uitlevering van Hannibal, en dezen bleef niets over, dan zijn vaderland te verlaten. Hij begaf zich naar Antiochus, die echter ook door de Romeinen overwonnen werd (190), en Hannibal moest naar Klein-Azië vluchten. Maar ook daar vonden hem zijne onverzoenlijke vijanden. Toen Hannibal zag, dat hij niet meer ontvluchten kon, nam hij vergif, dat hij reeds lang bij zich gedragen had, en stierf in den leeftijd van 64 jaren. Zoo was het uiteinde van een der grootste veldheeren der oudheid. Gelijk de Romeinen op Syrië overwonnen, zoo straften zij ook Macedonië voor zijn verbond met Hannibal na den slag bij Cannae (blz. 74). Herhaaldelijk geslagen, kwam het land eerst onder Romeinschen invloed, en werd vervolgens, evenals Illyrië en Epirus, als wingewest ingelijfd.
5. Even vóórdat dit voltooid was, had men den derden Punischen oorlog aangevangen (149). Want de Romeinen vreesden Karthago, ook na zijn diepen val. Een oud raadsheer, Cato, sloot elke rede die hij in den senaat hield, met de woorden: "Overigens ben ik van meening, dat Karthago moet verwoest worden." Daar de wensch van Cato ook het verlangen der Romeinen was, liet zich een voorwendsel tot den oorlog licht vinden. Men handelde met afschuwelijke arglist. De Karthagers moesten eerst wegens een teruggeslagen aanval van roofzieke naburen 300 voorname jongelingen uitleveren. Daarop verlangde men alle schepen, wapens en krijgsgereedschap. Toen ook dit met weemoed was toegestaan, gaf men den Karthagers bevel, hunne stad te verlaten, deze te verwoesten en zich eenige mijlen van de kust nieuwe hutten te bouwen. Ontzettende eisch! De Karthagers geraakten in woede en vertwijfeling en zwoeren zich liever met hunne stad te laten begraven, dan zelf haar te vernietigen. Zij ontwikkelden een ijver, als nauwelijks ooit gezien was. -- Een klein deel daarvan zou eens Hannibal de overwinning verschaft hebben. -- Maar het was te laat! Nadat de Romeinen Karthago twee jaar lang belegerd hadden, verscheen de kleinzoon[4] van Scipio, die ruim een halve eeuw geleden den tweeden Punischen oorlog ten einde gebracht had, en drong met eene vreeselijke bestorming in de stad. Wat hier het zwaard en het vuur gewoed hebben, dat laat zich niet beschrijven. 17 dagen duurde de brand, en toen er geen ontkomen meer mogelijk was, wierp de bevolking zich liever in de vlammen dan in de handen der vijanden te vallen. En ook tegen de puinhoopen nog woedde de Romeinsche haat. Eene diepe voor werd gegraven en hierin zout gestrooid, als teeken van onvruchtbaarheid, waartoe men de plek doemde, terwijl het geheele gebied onder den naam Afrika Romeinsch wingewest werd 146. In hetzelfde jaar verwoestten de Romeinen ook de fraaie stad Korinthe, en maakten daarmeê Griekenland, waarvan zij het deel Hellas of het Aetolisch verbond (de Peloponnesus vormde het Achaeïsch verbond) reeds ingelijfd hadden, geheel tot Romeinsche provincie. Vele Grieken kwamen toen gedwongen of vrijwillig naar Rome en brachten hun barbaarschen overwinnaars de fijne helleensche beschaving mede, die thans nog meer bewonderd wordt dan alle krijgsdaden der Romeinen.
[4] Eigenlijk in de familie opgenomen, want hij was door een zoon van Scipio, bij ontstentenis van mannelijk oir, volgens Romeinsch gebruik, als zoon aangenomen, waarbij dan ook de naam overging. Zie Bewerkers geslachtstabellen no. 1.
18. De Gracchen.
1. In Rome was langzamerhand het onderscheid tusschen patriciërs en plebejers verdwenen; er had zich echter een nieuwe soort van adel gevormd, die bestond uit de personen, die tot hooge ambten gekomen waren. Deze lieden hadden ook het grootste gedeelte der veroverde landerijen aan zich getrokken, die toch eigenlijk aan het volk behoorden, daar zij door de legers aan de vreemde volken ontnomen waren. Terwijl zoo de voornamen in rijkdom zwelgden, leefden de lagere volksklassen in den grootsten nood. Zulk een treurige toestand maakte de opmerkzaamheid gaande vooral van twee mannen, die tot de voornaamste familiën behoorden. Het waren de beide broeders +Tiberius+ en +Cajus Gracchus+. Hunne moeder +Cornelia+, eene dochter van Scipio, den overwinnaar van Zama, was eene der beste vrouwen die Rome ooit zag. Zij liet hare zonen door de voortreffelijkste leeraars onderwijzen en wendde zorgvuldig alles aan, om ze tot brave mannen op te voeden. Toen eens in een gezelschap door dames de prachtigste tooisels en sieraden getoond werden en men Cornelia naar hare schatten vroeg, riep zij hare beide zonen en zeide: "Hier zijn mijne eenige en grootste schatten!"
De broeders ontwikkelden zich verschillend, maar kwamen eindelijk op ééne zelfde baan. Tiberius trad het eerst in 't openbaar op. Hij werd tot volkstribuun, d. i. tot verdediger der volksrechten (blz. 67) gekozen, en bewerkte, dat het volk zooveel mogelijk aandeel aan de groote staatsgoederen kreeg. In het jaar 133 bracht hij eene meer dan twee eeuwen oude, maar in onbruik geraakte akkerwet in werking, volgens welke geen burger meer dan 500 morgen staatslanderijen bezitten mocht en al het overige aan de arme familiën verdeeld moest worden. Het dankbare volk wilde hem herkiezen, maar de edelen (nobiles) of senaatspartij, ook wel optimaten geheeten, waren zoo verbolgen, dat zij geweld gebruikten en hem met 300 burgers vermoordden. Daar zij den jongeren broeder, Cajus, vreesden, zochten zij hem te verwijderen door hem een ambt in Sardinië te geven. Dit hielp echter niet lang.
2. Cajus was een trotsch man van een heftig gemoed, en besloot het werk zijns broeders te voltooien, hoewel zijne moeder hem gewaarschuwd had. De nood des volks, dien hij diep doorzag, liet hem geen rust. Als hij sprak, waren zijne stem en gebaren zoo machtig, dat hij allen roerde. Als tribuun was hij werkzamer dan iemand vóór hem. Behalve de akkerwet bracht hij nog andere wetten tot stand, waardoor het volk macht en voordeel kreeg. In Italië liet hij groote en prachtige landwegen aanleggen; in de veroverde landen stichtte hij nieuwe plaatsen, opdat de arme burgers zich daar konden vestigen en den grond bebouwen. Terwijl Cajus zich eens op een reis naar Afrika bevond tot stichting eener stad, zetten de rijken al hunne macht in beweging, dat Cajus niet weêr tot tribuun gekozen zou worden. Zij deelden geld uit, deden veel ten gevalle van het volk, en verzekerden daarbij, dat zij het welzijn van het volk betrachtten, maar Cajus zich tot tyran wilde maken en dat niemand zulks mocht toestaan. Toen Cajus naar Rome terugkeerde, zag hij spoedig dat zijne positie zeer moeielijk was. Op den verkiezingsdag kwam het tot een strijd, waarin Cajus zich verloren zag. Om niet in de handen zijner vijanden te vallen, liet hij zich door een slaaf doorsteken. Met hem vielen nog meer dan 3000 burgers -- 121. -- Zoo waren de Gracchen, de edelste volksvrienden, als offers van hun streven gevallen. Zij bereikten de hooge doeleinden niet, die zij voor oogen hadden. Het volk zag echter spoedig in, wat het aan de groote mannen bezeten had. Het richtte hun standbeelden op en hield de plaatsen heilig, waar zij gevallen waren. Ook aan hunne edele moeder werd een gedenkteeken gewijd, waarop het eenvoudige, maar beteekenisvolle opschrift stond: +Cornelia, moeder der Gracchen+.
19. Marius en Sulla.
1. +Marius+, een dagloonerszoon, was zonder eenig onderwijs opgegroeid, sterk gebouwd, forsch van aanzien en ruw van zeden. Door wilde koenheid en dapperheid had hij zich in den oorlog onderscheiden en eindelijk den veldheersrang verworven. Tot volkstribuun gekozen, wist hij zich de gunst der lagere klassen te winnen. Ook wierf hij voor het eerst een leger uit de armste burgers, waardoor de grond gelegd werd tot de heerschappij der soldaten. Nadat hij den Afrikaanschen koning Jugurtha overwonnen had, voerde hij een hevigen strijd tegen de Cimbren en Teutonen. De eerste, een der vorsten van Numidië, had zijne medekoningen laten vermoorden, bij 't veroveren van hun gebied de stad Cirta genomen en de geheele mannelijke bevolking er van omgebracht, waaronder een aantal Romeinen waren. Toen de regeering in Rome zich dit aantrok, wist Jugurtha gezantschappen, tribunen en veldheeren om te koopen, behalve Metellus, die hem versloeg. Maar de volkspartij, sedert der Gracchen dood de onderliggende, had het hoofd opgestoken, en benoemde uit haar midden Marius tot consul en opperbevelhebber tegen Jugurtha. Ook deze overwon (107) en Jugurtha werd gevangen genomen en stierf te Rome.
Reeds even vóórdat de strijd met Jugurtha was begonnen, waren bovengenoemde Germaansche of Duitsche volksstammen uit het noorden in de Romeinsche provinciën gevallen. Zij waren van reusachtige grootte, in dierenvellen gehuld en vreeselijk om aan te zien. Hunne breede zwaarden en zware strijdkolven werkten inderdaad ontzettend; zelfs den ouden soldaten van Marius kwamen de Duitsche barbaren zoo schrikkelijk voor, dat hij ze eerst weken lang aan hun aanblik gewennen moest. Herhaaldelijk hadden zij de Romeinsche legers onder andere hoofden reeds geslagen, waarom de volksklasse de herbenoeming van Marius tot consul had doorgedreven, wat zij nog vier jaren achtereen herhaalde. Het was een geluk voor de Romeinen, dat de Teutonen zich van de Cimbren scheidden en alleen marcheerden. Zij werden geheel verslagen, in 't zuid-oosten van het tegenwoordige Frankrijk 102.
Intusschen waren de Cimbren over de Tiroler Alpen in noord-Italië gevallen. Zij hadden zich op hunne groote schilden van de ijs- en sneeuwhellingen laten afglijden en toen groote rotsbrokken en boomstammen in de Etsch geworpen, om daarover den tegenovergestelden oever te bereiken. Toen ijlde Marius met zijne van roem dronken troepen daarheen. In de nabijheid van Verona kwam het tot een ontzettenden slag, waarin de Cimbren overwonnen werden 101.
Marius werd als redder van den staat, als "den derden stichter der stad", "den tweeden Camillus", begroet.
2. Niet lang daarna brak een inwendige oorlog uit, daar de Italiaansche bondgenooten van Rome zich gelijke rechten als de Romeinen wilden verwerven. In dezen strijd trad Sulla op den voorgrond, een man van zeldzame gaven en uit voornamen stand. Terwijl Marius de ziel der volkspartij was, was Sulla het hoofd van den adel. Toen om dezen tijd de koning +Mithradates+ van Pontus, aan de Zwarte zee, zich tegen de Romeinen verhief en een geweldig leger op de been bracht, koos de Romeinsche senaat Sulla tot opperbevelhebber. Maar het volk nam met die opdracht geen genoegen, het verlangde Marius als aanvoerder tegen den vijand. Zoo begon de eerste burgeroorlog; maar Sulla joeg Marius op de vlucht naar de puinhoopen van Karthago en ging nu den eersten strijd tegen Mithradates voeren. Terwijl hij (Sulla) dezen herhaaldelijk sloeg, werd Marius door zijn wapenbroeder Cinna teruggeroepen en ten zevenden male consul (86). De aanhangers van den senaat werden met ontzettende wreedheid vervolgd en gedood; Marius zelf stierf binnen weinige weken. Sulla liet in Rome zijne tegenpartij razen, en zette in 't oosten zijne taak voort. Toen hij echter deze glorierijk voltooid had, kwam hij naar Italië terug, vast besloten de volkspartij uit te roeien. Hij overwon zijne tegenstanders en woedde nu nog oneindig wreeder dan dezen gedaan hadden. Het aantal der gedooden wordt op 50000 geschat. Nadat hij geheel de macht van den senaat hersteld had, trad hij van het staats-, en weldra ook van het levenstooneel af. Evenals Marius, stierf hij aan de gevolgen van onmatigheid, vooral in het drinken. Eene geduchte ziekte vernietigde zijn leven op smartvolle wijze. Hij had zich gaarne den gelukkigen genoemd, en stierf toch als de ongelukkigste der menschen.
20. Julius Caesar. -- 100-44.
1. Toen de Romeinen benevens de buitenlandsche oorlogen ook den verderfelijken burgerkrijg hadden, ontwikkelde zich een man, die in geest en kracht alle anderen overtrof. Het was +Julius Caesar+, de groote veldheer, staatsman en vriend der wetenschappen. Zijn vader was vroeg gestorven, maar zijne voortreffelijke moeder Aurelia gaf hem eene zeer goede opvoeding. Zij boezemde hem eene vriendelijkheid en liefelijke spraakzaamheid in, die later hoog geroemd werd. Caesar had een doordringend verstand, een zeer sterk geheugen en eene levendige verbeeldingskracht, waarbij nog eene groote volharding kwam. In zijne jeugd had hij een zwak lichaam en leed dikwijls aan ziekten; hij hield zich echter door matigheid in eten en drinken gezond, en versterkte zich weldra door lichamelijke oefeningen zoozeer, dat hij alle bezwaren van den oorlog verdragen kon.
Door ongeëvenaarde eer- en heerschzucht gedreven, verstond hij het toch, de grooten niet tegen zich in 't harnas te jagen, vóór hij geheel de stem des volks gewonnen had. Hij leefde even verkwistend als Alcibiades, maar besteedde wijselijk zijn vermogen ook, om de gunst zijner medeburgers te verwerven. En dit gelukte hem spoedig en zoo, dat hij het waagde, naar het ambt van opperpriester te dingen, dat anders alleen de eerwaardigste en verdienstelijkste raadsheeren kregen. Zijne moeder twijfelde aan den goeden uitslag. Maar Caesar ging naar de stemming en keerde als hoogepriester terug. Het omkoopbare volk was tot alles te bewegen.
2. Eenigen tijd daarna zou Caesar als stadhouder naar de provincie Spanje gaan, maar zijne schuldeischers wilden hem niet uit Rome laten trekken, want hij was hun 23 millioen schuldig. Toen won hij den rijken +Crassus+ voor zich, dat deze borg voor hem bleef, en reisde daarop naar Spanje, waar hij zich in korten tijd een ongehoord vermogen verwierf. Na zijn terugkomst gedroeg Caesar zich reeds veel meer als heerscher, en de grooten van Rome zagen met verwondering, met welke macht hij het volk naar zijnen wil leidde. Het meest ontsteld was +Pompejus+, die tot op dat oogenblik voor den grootsten en beroemdsten burger van zijn tijd gold.
Pompejus had in drie werelddeelen te water en te land de belangrijkste overwinningen behaald. Terwijl Sulla de volkspartij in Rome onderdrukte, had Pompejus hetzelfde in Afrika gedaan, vervolgens in Spanje (72). Op de terugkomst van hier bracht hij den strijd tegen de opgestane +slaven+ en +zwaardvechters+ ten einde, wier kracht reeds door Crassus gebroken was. Daarna bedwong hij de +zeeroovers+, die in Cilicië en Creta woonden, en maakte laatstgenoemd eiland tot wingewest. Van de andere krijgstochten van Pompejus is vooral die naar Azië beroemd in den derden oorlog tegen Mithradates (de tweede had weinig beduid). Nadat Lucullus, de befaamde lekkerbek, dezen vorst op de vlucht had geslagen naar Armenië, welks koning ook over Syrië heerschte, overwon Pompejus hem bij den Eufraat, veroverde Syrië en maakte Palestina afhankelijk van Rome (64). -- Toen echter de senaat draalde met het goedkeuren van Pompejus' beschikkingen, sloot deze een verbond met Caesar en huwde diens dochter Julia. Daar met Caesar reeds de rijke Crassus verbonden was, zoo was er een driemanschap, triumviraat, ontstaan, waarnaar het Romeinsche volk zich gemakkelijk voegde. Weldra kreeg Caesar het bestuur in Gallië, d. w. Noord-Italië en Zuid-Oost-Frankrijk; Pompejus koos Spanje, maar bleef rustig in Rome zitten; Crassus ging naar Azië.
In Gallië betoonde Caesar zich een groot veldheer. Binnen 10 jaren heeft hij van uit het Zuid-Oosten van het tegenwoordig Frankrijk alle Gallische volksstammen onderworpen, de Helvetiërs naar hun land terug, en de Germanen, onder +Ariovistus+ den Gallen te hulp gekomen, tengevolge van den slag bij Vesontio (Besançon) 58 over den Rijn teruggedreven, zelfs het Germaansche land tusschen Gallië en den beneden-Rijn veroverd en in 52 een algemeenen opstand der Galliërs gedempt. Maar hij vermeed de duistere wouden van het oude Duitschland. Zelf heeft hij ons zijne veldtochten zeer omstandig en fraai beschreven, gelijk ook den volgenden burgeroorlog.
3. De overwinningen van Caesar maakten Pompejus ongerust, die sedert den dood van Crassus in den strijd tegen de Parthen nog angstiger was. Met den senaat in Rome beducht, dat de dappere Caesar met zijn volksaanhang voor hunne heerschappij gevaarlijk kon worden, zonden zij dezen het bevel, zijn leger af te danken en zijn proconsulaat neêr te leggen. Deed hij zulks niet, dan zou hij voor een vijand van 't vaderland verklaard worden. Toen Caesar dit bevel ontvangen had, besloot hij, zich te verdedigen. Hij sprak met zijne soldaten en brak toen op naar Italië. Aan de grensrivier van Cisalpijnsch Gallië en eigenlijk Italië gekomen, zeide hij: "De teerling zij geworpen", en marcheerde naar Rome. Pompejus had zich gevleid, dat hij legioenen uit de aarde stampen zou. Hij vluchtte echter met een aantal senaatsleden voor Caesar naar Griekenland. In korten tijd beheerschte Caesar geheel Italië. Hierop sloeg hij het leger van Pompejus in Spanje en ging toen naar Griekenland, waar hij zijn tegenstander bij +Pharsalus+ in Thessalië overwon (48). De geslagene Pompejus vluchtte naar Egypte, maar werd hier, alvorens te landen, door lieden van den Egyptischen koning vermoord. Toen Caesar drie dagen later landde, vernam hij met smart wat er gebeurd was, en strafte de moordenaars van zijn ongelukkigen tegenstander. De heerschappij over Egypte viel aan 's konings zuster +Cleopatra+ ten deel.
4. Na Pompejus' dood had Caesar nog menigen zwaren strijd te bestaan, daar de aanhangers der republiek zich bij die van Pompejus aansloten en zich ook de hulp van buitenlandsche vijanden ten nutte maakten. Hij zegepraalde echter allerwege (in Afrika en Spanje) en kreeg de heerschappij in Rome met steeds hoogere titels. Daar hij het volk groote feesten gaf en zich voor elk vriendelijk betoonde, werd hem op allerlei wijze hulde bewezen. Zijn geboortedag was een volksfeest; zijn beeld stond op munten; zijn naam ter eer werd ook een maand +Julius+ genoemd; ook noemde men den nieuwen kalender, dien Caesar liet vervaardigen, den +Juliaanschen+. De senaat had den machtigen heerscher met een gouden zetel en het purper vereerd. Nu scheen niets meer te ontbreken dan de koninklijke kroon. En ook deze wilde men bewilligen. Maar het geschiedde anders. Een aantal mannen, verbitterd over de verplaatsing der heerschappij van den senaat op één persoon, zwoeren heimelijk samen om Caesar te dooden. Aan het hoofd stonden +Brutus+ en +Cassius+. De 15de Maart 44 werd tot Caesars doodsdag bestemd. Er was eene zitting beraamd, die Caesar niettegenstaande alle waarschuwing bijwoonde. Toen werd hij door de saamgezworenen omringd en neêrgestooten. Door 23 dolksteken getroffen, viel Caesar aan den voet van een standbeeld van Pompejus dood ter aarde.
Caesar was gevallen, maar zijne aanhangers bleven onversaagd. De consul +Antonius+ bewerkte, dat den vermoorden ambtgenoot eene plechtige begrafenis bereid werd. Met de grootste pracht werd de baar getooid, die de raadsheeren droegen. Voorts hield Antonius de lijkrede en stelde de verdiensten van Caesar met zoo groote welsprekendheid in het licht, dat allen tot tranen geroerd werden. Hij toonde den mantel, met dolksteken doorboord, en las een testament van Caesar voor, waarin geschreven stond, dat elk Romeinsch burger een geschenk in geld bekomen zou, en dat alle tuinen van Caesar aan het volk behoorden. Toen werden de smart en de toorn algemeen. Men liep woedend door de straten en stak de huizen der saamgezworenen in brand, die intusschen gevlucht waren. Een nieuwe burgeroorlog was nabij.
21. Octavianus Augustus.
1. Caesar had den kleinzoon zijner zuster[5], +Octavianus+, tot zijn hoofderfgenaam benoemd. Deze jongeling was juist in Klein-Azië, maar liet zich spoedig in Rome vinden en gedroeg zich hier zoo sluw, dat hij in korten tijd de gunsteling van senaat en volk werd. Intusschen gedroeg Antonius zich steeds aanmatigender en overmoediger. Toen trad +Cicero+ op, een man van buitengewone redenaarsgaven, en donderde tegen Antonius, als den gevaarlijksten vijand des vaderlands. Reeds 20 jaar vroeger had hij den senaat de grootste diensten bewezen door 't verijdelen der samenzwering van +Catilina+, die de heerschappij der optimaten wilde breken. Nu rustte hij niet, vóór Antonius beoorloogd werd. Dit geschiedde, en Antonius vluchtte naar Gallië, waar zijn trouwe aanhanger +Lepidus+ hem nieuwe troepen toevoerde. Beiden rukten daarop gemeenschappelijk tegen Octavianus op, die aan de spits van 't Romeinsche leger stond. Bij Bologna zou de strijd beginnen. Maar Octavianus had het anders besloten. Hij verzoende zich met Antonius en Lepidus en vereenigde zich met hen, om de oude vrijheid te vernietigen en het Romeinsche rijk te deelen. Dit verbond wordt het tweede driemanschap genoemd. De drie verbondenen trokken naar Rome en begonnen al hunne vijanden te verdelgen. Zoo keerden de schrikdagen van Marius en Sulla terug. De aanzienlijkste en rijkste mannen werden vermoord, op de hoofden der gevluchten hooge prijzen gesteld, de soldaten, als voltrekkers der moordbevelen, rijk beloond. Onder de tallooze ongelukkigen, die als offers van de heerschzucht der drie mannen vielen, was ook Cicero, die eenmaal de burgerkroon verkregen en den eernaam "Vader des Vaderlands" gedragen had. De wraakzuchtige Antonius liet hem dooden, ofschoon Octavianus het verhinderen wilde.
[5] Genealogische tabellen no. 2.