Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid

Part 5

Chapter 53,516 wordsPublic domain

Hierop trok Alexander door Syrië en Phoenicië, waar de eene stad na de andere zich overgaf. Alleen Nieuw-Tyrus bood tegenstand en werd daarom aan de verwoesting prijs gegeven. Op zijn verderen tocht kwam Alexander ook naar Jeruzalem. Hier ontvingen hem de voornaamste Joden met den hoogepriester aan het hoofd, en leidden hem ook in den tempel. De Egyptenaren, die de Perzische heerschappij lang gedragen en gehaat hadden (blz. 13), ontvingen Alexander vriendelijk, en kregen daarvoor groote gunstbewijzen. Zoo stichtte hij Alexandrië (blz. 6).

Door nieuwe krijgsvolken versterkt, ging Alexander naar Azië terug, om nogmaals de Perzen te bestrijden. Darius bood eene schikking aan, maar Alexander wilde alleenheerscher zijn. Toen kwam het bij +Gaugamela+ en +Arbela+ tot een geduchten slag, waarin de Perzen volkomen geslagen werden. Darius vluchtte en werd door Alexander vervolgd. Vóór deze hem echter bereikte, was Darius op last van een Perzischen satraap gedood. Deze daad werd door Alexander streng gestraft, terwijl hij het lijk van Darius in de koninklijke groeve te Persepolis plechtig liet bijzetten.

Alexander had zijn doel bereikt: hij was de beheerscher van het groote rijk der Perzen geworden door de inname der verschillende hoofdsteden Babylon, Susa, Persepolis en Ecbatana. De eerstvolgende jaren werden besteed aan het onderwerpen van al de oostelijke deelen van het Perzische rijk, de uitgestrekte landen tusschen het eigenlijke Medo-Perzië en den Indus, en daarop drong men tot +Indië+ door.

4. Dit door de natuur zoo rijk begiftigde land had wel reeds veel van zich doen spreken, maar toch was de kennis er van nog zeer gering. De Indiërs hadden reeds vroeg eene hooge mate van ontwikkeling bereikt, zooals blijkt uit hunne heilige taal, het Sanskriet, de oudste zuster aller Indo-Germaansche talen, tevens de sleutel tot hare studie. Zij hadden vele instellingen gelijk de Egyptenaren, vooral die der kasten. Hunne priesters heetten +Braminen+ of +Brahmanen+. Dezen werd zoo groote eerbied bewezen, dat de koning geen Brahmaan, al had hij de grootste misdaden bedreven, mocht laten ter dood brengen. Hunne heilige boeken, Vedas (d. i. Weten) genaamd, zijn in 't Sanskriet geschreven. Hunne hoofdgodheid was +Brahma+, de schepper, die met +Vishnoe+, den onderhouder, en +Civa+, den verdelger, eene drieëenheid vormde, waarvan echter eerst in den lateren tijd gesproken wordt. Een hoofddenkbeeld hunner leer was de onsterfelijkheid der ziel. De zielsverhuizing was een toestand, waarin de boozen na hun dood tijdelijk verkeerden. Het tegenovergestelde van onsterfelijkheid leerde het +Boeddhisme+, een godsdienst, die omstreeks 600 of 500 v. C. in Vóór-Indië ontstond, en genoemd is naar den stichter. Deze, een koningszoon, had zich, na eenigen tijd van weelderig leven, jaren lang aan de eenzaamheid en het nadenken gewijd en was toen tot de meening gekomen, dat er voor den mensch niets ongelukkiger kon wezen, dan altijd voort te leven. Integendeel, eeuwige rust, gevoelloosheid, +Nirvana+, moest het einddoel van elks wenschen en streven zijn. Die zaligheid kon men verwerven door de beoefening van een aantal deugden. Zijne aanhangers noemden hem den wijzen, +Boeddha+. Hij maakte de grenslijnen tusschen de eerste kaste en de drie andere, die der krijgers, handelaars en werklieden veel minder scherp dan het brahmaïsme. Hierom reeds, en vooral om de tegenovergestelde meening ten aanzien van het al of niet sterfelijke der ziel bestonden de twee godsdiensten volstrekt niet, zooals velen meenen, eendrachtig naast elkander, maar stonden integendeel hevig vijandig tegenover elkander. De onderlinge haat voerde tot hevige oorlogen, van de 3de tot de 7de eeuw onzer jaartelling, ten gevolge waarvan het boeddhisme uit Indië zoo goed als geheel verdrongen werd. Maar het had een uitgebreiden aanhang gevonden in China, Japan e. a. l., en breidde zich voortdurend zoo uit, dat het tegenwoordig 500 millioen belijders telt.

Verder dan den noordwestelijken hoek van Vóór-Indië is Alexander met zijne troepen niet geweest. In dien hoek ontstaat de Indus uit de samenvloeiing van vijf rivieren, waarnaar de landstreek Pendsjab, het vijfstroomenland, heet. Bij een van de oostelijkste dier rivieren, de Hyphasis, sloegen zijne Macedoniërs aan het morren en verklaarden, niettegenstaande alle verzoeken en bedreigingen, niet verder te willen trekken. Zoo was Alexander genoodzaakt, zijne plannen ten aanzien van Indië op te geven en terug te keeren. Een groot deel van het leger zeilde onder den bekwamen Nearchus den Indus af en over de kustenzee naar den mond van Tiger en Eufraat, terwijl Alexander met het andere deel langs den Indus naar het zuiden trok, en vervolgens over Gedrosië enz. terugkeerde naar Babylon.

5. Hier rustend, wilde de beheerscher van het grootste rijk, dat de wereld ooit aanschouwd had, alle onderworpene volken tot één groot geheel samensmelten en uit de oude hoofdstad aan den Eufraat den ganschen staat besturen, waartoe hij de Perzische indeeling in satrapieën had overgenomen. Om de harten zijner nieuwe onderdanen te winnen, leefde hij geheel naar Perzisch gebruik. Daarbij werd hij, als een Perzisch grootmachtig koning, dikwijls overmoedig en wreed. Zijne vleiers verhieven hem ten hemel, zonder dat iemand daartegen iets durfde inbrengen. Toen dit toch eens door den veldheer Clitus, die bij de Granicus Alexanders leven gered had, geschiedde, werd Alexander zoo door toorn overweldigd, dat hij eene lans greep en zijn ouden vriend doorboorde. Hierop ontnuchterd, want het feit was gepleegd op eene partij, waar men te veel aan god Bacchus had geofferd, betreurde de koning zijne daad ten zeerste. Vóórdat hij de beoogde eenheid in het groote wereldrijk had kunnen tot stand brengen, nam een hevige koorts, die hij zich door inspanningen en zwelgerijen op den hals gehaald had, hem weg, 10 jaar na 't feit bij Issus, nauwelijks 33 jaar oud. Nu was het onder de grootwaardigheidsbekleeders een algemeen streven van den een om in Alexanders plaats te treden, van den ander om zich onafhankelijk te maken. Het meest traden de satrapen in 't westen op den voorgrond, als die van Macedonië, Lysimachus van Thracië, Ptolemaeus van Egypte, Seleucus van Syrië, vooral Antigonus van Phrygië, die over de anderen wilde heerschen. Daarom verbonden dezen zich tegen hem en in 301 werd hij bij Ipsus[3] in zijn eigen land geslagen. Hij stierf en zijne landen werden verdeeld tusschen Thracië en Syrië. Twintig jaar later werd Lysimachus eveneens verslagen door Seleucus, die de Aziatische landen van zijn overwonneling annexeerde, terwijl Thracië zelf bij Macedonië kwam. Zoo waren er dus nu van Alexanders wereldrijk in elk der drie werelddeelen hoofdzakelijk even zooveel groote staten overgebleven, want de Grieksche landen stonden in betrekking tot Macedonië, al vormden de deelen van Hellas het Aetolisch, die van den Peloponnesus het Achaeïsch verbond.

[3] Vooral niet te verwarren met Issus blz. 61.

Van het Syrische rijk, dat zich uitstrekte van de Aegaeische zee tot aan den Indus, scheidden zich achtereenvolgens verschillende deelen af, als Pergamus, Parthië en Bactrië. Het laatste werd anderhalve eeuw vóór onze jaartelling met het voorlaatste vereenigd, en machtig werd het rijk der Parthen, tusschen Tiger en Indus. Daar het eerst in 't midden der 7de eeuw onzer jaartelling bezweek voor de Arabische macht, weêrstond het zelfs de machtige heerschappij der Romeinen, in welke overigens alle bovengenoemde staten opgingen, als: het Aetolisch verbond 189, het Achaeisch 146, twee jaar na Macedonië, Pergamus 133, Syrië 64, Egypte 31 v. C.

15. De oude Romeinen.

1. De stad +Rome+ ontstond in Latium, midden in het schoone schiereiland Italië, als noordelijkste stad in dat landschap en misschien ook wel als vesting tegen de naburige Etruriërs. Het tijdstip van de stichting der stad is hoogst onzeker, maar was volgens de legende 753 v. C., met welk jaar hunne tijdrekening aanvangt. Als stichter en eersten koning wordt eveneens door de legende +Romulus+ genoemd, van wien vele sagen in omloop waren. Hij zou evenals Kores door een herder van den dood gered zijn en met zijn broeder Remus een koning verdreven hebben en dergelijke. Van zijne opvolgers wordt +Numa Pompilius+ geroemd, die evenals de Spartaansche Lycurgus wijze wetten gegeven had. De koningen werden gekozen door eene volksvergadering van aanzienlijken, +patriciërs+. Behalve dezen spreekt de overlevering nog van vijf koningen, waarvan de beide laatsten waren +Servius Tullius+ en +Tarquinius Superbus+ d. i. de overmoedige of trotsche. Eerstgenoemde verdeelde het volk in centuriën, waaruit later eene nieuwe volksvergadering ontstond, laatstgenoemde maakte zich wreed en willekeurig van den troon meester, en verbitterde de patriciërs tegen zich. Het gevolg was, dat dezen hem verdreven 509. Daarop werd het koningschap afgeschaft, en een republiek ingesteld. De vergadering der centuriën werd de zetel van 't hoogste gezag; daar werd over oorlog en vrede, evenals over hooge aangelegenheden, beslist; daar werden uit de patriciërs de +consuls+ benoemd. Dit waren de hoogste staatsambtenaren, ten getale van twee, voor één jaar gekozen. Zij werden bijgestaan door eene raadgevende vergadering, de +senaat+, van 300 patricische leden, die ook aandeel aan 't uitvoerend bewind had. Was b. v. door de vergadering der centuriën tot oorlog besloten, dan regelde de senaat het plan voor den veldtocht, benoemde de officieren van hoogeren en lageren rang, en dergelijke. In den eersten tijd had de lagere volksklasse, de +plebejers+, geen aandeel aan 't bewind. Eerst langzamerhand hebben zij zich gelijke rechten als de patriciërs verworven. Het eerste daarvan was verdedigers, volkstribunen, te hebben -- 494, een der belangrijkste, dat een der beide consuls uit hunne klasse moest zijn -- 367, en het meest omvattende, dat de besluiten hunner vergadering kracht van wet hadden, zonder nadere bekrachtiging te behoeven, 287.

De Romeinen waren zeer krijgshaftig gezind en streden van 't begin af met de omwonende volken. In vredestijden dreven zij den veldbouw, die hoog geschat werd. Hun voedsel en kleeding waren zeer eenvoudig. Hunne taal heet de +Latijnsche+, naar het landschap Latium, waar de Latijnen woonden. De Romeinsche opvoeding was zeer streng. De vader had macht over leven en dood zijner kinderen, en kon ze als slaven verkoopen. De slavernij was bij de Romeinen zeer hard en zeer algemeen. Het beroepswezen was veracht. De +Romeinen+ stonden derhalve bij de +Grieken+ zeer ten achter. Ook duurde het lang, eer zich bij hen de dichtkunst en de godsdienst ontwikkelde. Bij de openbare schouwspelen werden dikwijls dierenjachten opgevoerd, die afschuwelijk waren.

2. Van de overige volken van midden-Italië traden vooral de Etruriërs of +Etruscen+ op den voorgrond. Zij onderscheidden zich door kunstvaardigheid, daar zij eigenaardige bouw- en beeldwerken vervaardigden, vooral in leem, die nog heden de bewondering opwekken. De zuidelijkste stad in hun uitgestrekt landschap was Veji, dat aan den rechteroever van den Tiber lag. Daar de Romeinen sedert oude tijden met deze stad in vijandschap leefden, belegerden zij haar omstreeks 400, en rustten niet vóór zij ze veroverden. In dezen strijd, die 10 jaar zou geduurd hebben, onderscheidde zich de veldheer Camillus, die een grooten triomftocht in Rome hield. Maar toen hij belasterd werd en de volksgunst verloor, ging hij vrijwillig in ballingschap, waaruit hij echter spoedig teruggeroepen werd.

De +Galliërs+, uit het tegenwoordige Frankrijk stammend, hadden zich in opper-Italië gevestigd, van waar zij later naar het zuiden voortdrongen en algemeenen schrik verwekten. De Romeinen zonden daarop een gezantschap aan den Gallischen aanvoerder +Brennus+, en lieten hem vragen, met welk recht hij in 't gebied van vrije mannen viel. Toen antwoordde de trotsche man: "Het recht rust op de spits van onze zwaarden; aan de dapperen behoort de wereld." Over zoodanig antwoord verontrust, verhieven de Romeinen zich tot den strijd. Zij werden echter geslagen, 390, en de Galliërs togen naar Rome. Hier vonden zij eene ledige stad, want de Romeinen waren deels in naburige plaatsen, deels op den burg der stad, het kapitool, gevloden. Slechts tachtig oude senatoren waren achtergebleven. Dezen werden door de Galliërs verslagen en de geheele stad verwoest.

Na eene vergeefsche bestorming van het kapitool liet Brennus het insluiten om het uit te hongeren. Gedurende dezen tijd zouden de Galliërs eens bijna den burg bestegen hebben. Maar toen hieven, zoo verhaalt men, de ganzen, die op het kapitool gehouden werden ter eere der godin Juno, zulk een gesnater aan, dat de Romeinen ontwaakten en de vijanden verdreven. Nadat de belegering reeds zeven maanden geduurd had, begon men te onderhandelen. De Galliërs waren daartoe genegen, omdat zij van buiten aangevallen werden, vooral door Camillus, die zijne vaderstad weêr in den nood bijstond. Brennus beloofde, het land te ontruimen, als hij 1000 pond goud kreeg. Het werd bewilligd. Bij het afwegen gebruikten de Galliërs echter valsche gewichten, en toen de Romeinen zich daarover beklaagden, wierp Brennus nog zijn geducht zwaard in de schaal en riep honend: "Wee den overwonnelingen!" In dit oogenblik verscheen echter Camillus met zijn leger, verklaarde echter het verdrag met Brennus voor ongeldig, en begon een strijd, waarbij de Galliërs geslagen werden.

Toen de Romeinen hunne oude stad niet weêr wilden opbouwen, drong Camillus er op aan, dat niemand zou uitwijken, en zoo verrees spoedig een nieuw Rome uit het puin, als een phoenix uit zijn asch. De dankbare Romeinen noemden Camillus den tweeden Romulus, den redder en vader des vaderlands.

16. Pyrrhus en Fabricius.

1. Nog hadden de Romeinen een geduchten nabuur te bestrijden, de +Samnieten+, in Samnium, oostelijk van Etrurië. In den tweeden oorlog tegen hen leden zij eene even geduchte nederlaag als de Galliërs hun 70 jaar vroeger hadden toegebracht; het Romeinsche leger moest de vernedering lijden van onder 't vijandelijk juk door te gaan. Maar weldra herstelde zich Rome en 30 jaar later was Samnium geheel onderworpen, en daarmeê geheel Midden-Italië. Nu richtten zij hunne blikken begeerig naar Beneden-Italië of Groot-Griekenland, waar zich spoedig eene gelegenheid tot strijden aanbood. De machtige stad Tarente had Romeinsche schepen den toegang tot haar haven geweigerd, wat zeer gegrond was. Toen nu de Romeinen, die strijd zochten, den oorlog begonnen, riepen de Tarentijnen +Pyrrhus+, koning van +Epirus+, bij Macedonië, te hulp. Deze vorst had zich Alexander tot voorbeeld gesteld en was een voortreffelijk veldheer met een wel toegerust leger. Hij hielp de bevriende Grieken gaarne en verscheen ras met 25000 man, waarbij nog 20 afgerichte olifanten kwamen, die houten torentjes met soldaten droegen en zelf geducht streden. De Romeinen wisten geen middel om deze dieren te bestrijden, waarop zij volstrekt niet voorbereid waren. Zij werden geslagen 280, maar hadden zoo dapper gestreden, dat Pyrrhus vol bewondering uitriep: "Met zulke soldaten zou ik de geheele wereld veroveren".

2. Om de gevangenen te bevrijden, zonden de Romeinen den ouden, eerwaardigen senator Fabricius naar Pyrrhus. Daar de koning wist, hoe groot het aanzien van den bescheiden, maar niet rijken, man was, zocht hij hem te winnen om door hem den vrede te bewerken, dien hij dringend wenschte. Hij bood hem als teeken zijner hoogachting rijke geschenken aan, maar te vergeefs. Fabricius verklaarde: "Ik behoef geen geld. Mijn geluk bestaat in de achting mijner medeburgers." Den volgenden morgen wilde de koning de onverschrokkenheid van Fabricius op de proef stellen. Hij liet achter het gordijn zijner tent een olifant plaatsen, en zorgde, dat Fabricius vlak daarvóór zat. Toen het gesprek afgeloopen was, vloog het gordijn in de hoogte, en de olifant strekte brullend zijn snuit over Fabricius uit. Deze bleef echter heel rustig en zeide lachend tot Pyrrhus: "Even weinig als gisteren uw geld mij bekoorde, even weinig verschrikt mij heden uw olifant. Wij zullen niet over den vrede onderhandelen, vóór gij Italië ontruimd hebt."

In het volgende jaar kwam het nogmaals tot een treffen, waarbij de Romeinen weêr het onderspit dolven, maar Pyrrhus zooveel man verloor, dat hij zou hebben uitgeroepen: "Nog één zoodanige zegepraal, en ik ben verloren." Nu kreeg Fabricius het opperbevel bij de Romeinen, en betoonde zich op nieuw als een man van eer. Hij kreeg een brief van Pyrrhus' lijfarts, waarin deze aanbood tegen eene belooning zijn koning te vergiftigen en zoo de Romeinen van hun gevaarlijksten vijand te bevrijden. Fabricius zond den brief aan Pyrrhus, opdat deze tegen het verraad van zijn arts op zijne hoede zou kunnen zijn. Toen riep de koning: "Het is lichter de zon uit hare baan, dan Fabricius van het pad van deugd en rechtschapenheid af te brengen." Hij liet daarop den trouweloozen arts straffen en gaf uit dankbaarheid alle gevangene Romeinen zonder losgeld terug, terwijl hij bij herhaling den vrede aanbood. Maar de Romeinen zonden voor de uitgeleverde gevangenen even zoo veel Grieken terug en lieten zich tot geene vredesonderhandeling in.

Daarop trok Pyrrhus naar Sicilië, waar hij met geluk tegen de Karthagers streed. Naar Beneden-Italië teruggekeerd, raakte hij nogmaals met de Romeinen slaags, die hem nu overwonnen. Zij hadden namelijk bedacht, de olifanten van Pyrrhus door pektoortsen en geschreeuw in verwarring te brengen, en dat was voor het leger der Grieken verderfelijk. Pyrrhus ijlde naar Epirus terug, en de Romeinen bezetten Tarente en geheel Groot-Griekenland, dus het gansche schiereiland. Dit feit was voor de Romeinsche ontwikkeling van zeer veel belang. De kostbare kunstwerken, die men uit de veroverde steden naar Rome bracht, dienden tot vormende modellen. De krijgshaftige Romeinen leerden nu Grieksche beschaving en zeden kennen.

17. De Punische oorlogen. -- 264-146.

1. De rijkdom en macht van Karthago (blz. 25 en 26) maakte de ijverzucht der Romeinen gaande, welke spoedig tot den krijg leidde. Daar de Romeinen deze hunne vijanden Puniërs, d. i. Phoeniciërs noemden, worden hunne oorlogen met de Karthagers als de +Punische+ aangeduid. Nog nooit hadden de Romeinen anders dan te land gestreden, maar naar 't model van een gestrand Karthaagsch schip worden schepen gebouwd, door middel van enterbruggen de zeestrijd als in een landoorlog veranderd, 't grootste gedeelte van 't Karthaagsch gebied op Sicilië veroverd, en de eerste overwinning ter zee behaald 260. Nu wil de consul +Regulus+ den vijand in diens eigen gebied bestoken, maar wordt geslagen en gevangen. Sedert blijft de strijd weêr beperkt tot de zee en Sicilië, waar de Karthagers nog een paar onneembare vestingen hadden. Maar de vredespartij in Karthago stond ook deze liever af dan den strijd voort te zetten. In 240 eindigde de eerste Punische oorlog; de Karthagers ontruimden hun gebied op Sicilië, dat het eerste Romeinsche wingewest (provincie) wordt. Weldra verkrijgt Rome nu ook Sardinië, Corsica, Illyrië gedeeltelijk en Cisalpijnsch Gallië. Maar ook Karthago zat niet stil; daar had eene andere partij dan de bovengenoemde doorgezet schadevergoeding te zoeken in Spanje, waar dan ook Hamilcar Barcas veel meer dan de helft van het land veroverde. Zijn zoon +Hannibal+ had hij reeds als knaap meêgenomen naar Spanje en een eeuwigen haat tegen de Romeinen doen zweren. En zeker is nooit eenige eed ter wereld trouwer nagekomen dan deze. Toen de zoon, eenigen tijd na 's vaders dood, het opperbevel kreeg, tastte hij opzettelijk het met de Romeinen bevriende Saguntum (blz. 32) aan, en gelijk enkelen waarschuwden, terwijl de senaat beraadslaagde, ging het verloren.

2. Nu eischte Rome van Karthago de uitlevering van Hannibal, en toen hieraan niet werd voldaan, wilde men hem in Spanje gaan beoorlogen en stak daartoe over zee. Hij wachtte hen echter niet af, maar waagde den stouten tocht over de Pyreneën, door Zuid-oost-Gallië en over de Alpen. Geen wonder dat men den tweeden Punischen krijg naar hem den Hannibalsoorlog (218-201) noemt. De Romeinen konden en wilden niet gelooven, dat een tocht van Hannibal over de Alpen mogelijk geweest was. Zij zagen het echter spoedig en rustten zich toe zoo goed zij konden. Hannibal had zich door een bondgenootschap met de Galliërs in Opper-Italië versterkt en sloeg de Romeinsche legers driemaal achter elkander, steeds dieper in Italië doordringend. Toen vreesde Rome, dat Hannibal voor de poorten zou verschijnen en de stad belegeren. Maar hij trok Rome voorbij naar Apulië, en bracht daar den Romeinen bij Cannae weêr zulk eene hevige nederlaag toe, als zij nog maar tweemaal, laatstelijk ruim een eeuw geleden, ondergaan hadden. Een groot deel van Zuid-Italië, Macedonië en Syracuse werden zijne bondgenooten.

Maar uit Karthago kreeg hij geen troepen en krijgsvoorraad genoeg, dat was te kostbaar voor de vredespartij, en zijne oude troepen verslapten door een te weelderig leven. Rome daarentegen spande zijne beste krachten in en waagde een stouten slag. Terwijl zij Macedonië door de Grieken lieten bezig houden, vermeden zij beslissende slagen in Zuid-Italië, en gingen Syracuse zelf belegeren. Zij besteedden daaraan 3 jaren. In die stad leefde de beroemde wiskundige Archimedes, die de verdediging tegen de Romeinen krachtig ondersteunde, daar hij machines vervaardigde, waardoor steenen en vuurkogels geslingerd werden en dergelijke. Maar de dapperste verdediging hielp de stad niet; zij moest zich eindelijk overgeven. De Romeinsche veldheer had bevolen, bij de bestorming van Syracuse, den wijzen Archimedes te sparen. Deze zat, onbekommerd om hetgeen er om hem voorviel, in zijn huis, en teekende figuren tot nieuwe uitvindingen in het zand. Toen drong een Romeinsch soldaat binnen, die den grooten man niet kende. "O, veeg mijne cirkels niet uit!" riep Archimedes den krijgsman toe. Maar deze versloeg hem.

3. Na den val der stad hadden de Romeinen geheel Sicilië in handen, en konden nu hunne volle kracht tegen Karthago zelf richten. Reeds waren zij het in Spanje gaan bestrijden, en van nu af werd dit door +Scipio+ met zoo goed gevolg voortgezet, dat weldra bijna dat gansche schiereiland tot Romeinsche provincie (wingewest) werd. Hannibals jongere broeder, die daar als bevelhebber was gebleven, had op zijn broeders roepstem diens voetspoor gevolgd om hem in Zuid-Italië te gaan bijstaan, maar was onderweg door de Romeinen geslagen en met zijn leger vernield. Toen Hannibal dit vernam en het doodshoofd van zijn broeder aanschouwde, riep hij weenend uit: "Wee, nu zie ik het lot van Karthago naderen!"