Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid

Part 4

Chapter 43,770 wordsPublic domain

De +schilderkunst+ had in de tijden van Pericles den hoogsten graad van volkomenheid bereikt. Eens organiseerden +Zeuxis+ en +Parrhasius+ een wedstrijd in hunne kunst. Zeuxis schilderde, zoo verhaalt men, druiven zoo natuurlijk, dat de vogels er op toe vlogen en er aan pikten. Nu bracht ook Parrhasius zijn stuk; het was met een gordijn bedekt. Toen zeide Zeuxis: "Neem toch het gordijn weg." Maar Parrhasius lachte: het gordijn was de schilderij zelf. Zoo had de eene kunstenaar slechts vogels, maar de andere menschen en wel een grooten kunstenaar bedrogen.

Nooit was in Athene zoo veel leven als in den tijd van Pericles. Op de markt en in de straten, in den schouwburg en in de scholen, aan de haven en in de hallen: overal zag men eene frissche en grootsche werkzaamheid, en Pericles was de ziel van 't geheel. Het anders zoo heerschzuchtige volk liet zich gaarne door hem leiden. Wat hij aanried, geschiedde; wat hij sprak, dat gold. "Hij draagt den donder en bliksem op zijne tong," zeiden de Atheners, en noemden hem niet anders, dan den +Olympiër+, d. i. den hemelschen.

3. De groote macht, die Athene onder Pericles bereikte, deed bij de andere staten van Griekenland nijd en haat ontstaan. Ook behandelden de Atheners hunne bondgenooten niet altijd zoo, als recht en billijk zou geweest zijn. Bovenal echter waren de Spartanen verbitterd, die niet vergeten konden, dat zij eens de opperheerschappij in Griekenland bezeten hadden. Zij stelden zich daarom aan de spits der ontevredene staten en begonnen een oorlog met Athene. Toen gelukte het Pericles, die den vrede liefhad, den Spartaanschen aanvoerder om te koopen en een wapenstilstand te sluiten, die 30 jaar gelden zou. Hij duurde echter slechts 14 jaar. De oude haat der Spartanen vond een geschikte gelegenheid, zich weer te openbaren, en de vreeselijke oorlog begon, die de +Peloponnesische+ heet, omdat de geheele Peloponnesus zich met de Spartanen vereenigde tegen de Atheners en hun bondgenooten.

Pericles vertrouwde op Athenes zeemacht; toen echter een landleger van 60.000 man naderde, werd Athene door zooveel vluchtelingen bezocht, dat er spoedig ziekten ontstonden, die hoe langer hoe gevaarlijker werden, tot eindelijk de pest uitbrak en algemeenen schrik veroorzaakte. Alle banden van tucht en orde raakten los. De straten boden een ontzettend schouwspel. De vroeger zoo vroolijke stad was een zetel van smart en dood. En al de schuld van dit ongeluk werd op Pericles geworpen; hij was het, die alle verdediging te land afgeraden, en alle rondom-wonende genooten in de stad opgenomen had. Vergeefs beproefde Pericles de openbare orde te herstellen, zijn beste vrienden waren door de ziekte weggenomen. En toen hij zelf met een vloot ten strijde toog, moest hij onverrichter zake terugkeeren, want ook op de schepen woedde de pest.

Toen nam het wankelmoedige volk hem het opperbevel af, en veroordeelde hem tot eene geldboete van 15 talenten (ongeveer 37.500 gld., daar een talent ± 2500 gld. was).

Dit ongeval verdroeg Pericles met gelatenheid. Maar de pest naderde ook zijn familiekring. Eerst bezweken daaraan zijne beide oudste zonen en zijne zuster. Pericles bleef gelaten. Toen hij echter ook zijn jongsten zoon, die eveneens door de vreeselijke ziekte werd aangegrepen, naar Atheensch gebruik den doodenkrans opzette, toen overweldigde hem de bitterste smart, en hij brak in tranen uit, gelijk hij nooit in zijn leven gedaan had.

4. Eindelijk erkende het volk, dat het aan Pericles een onrecht begaan had. Het overtuigde zich van het gewicht van den diep gekrenkten man, en herstelde hem in zijne vorige waardigheid. Toch was het Pericles niet vergund, nog lang aan het hoofd van zijn vaderland te staan; ook hij werd door de vernielende pest aangetast. Toen hij den dood nabij was, roemden de rondom hem zittende burgers de grootheid zijner deugd en de veelvuldigheid zijner zegepralen, zonder dat zij dachten, nog door Pericles gehoord te worden. Toen verhief hij zijn hoofd en zeide: "Het verwondert mij, dat gij slechts dat vermeldt, waaraan het geluk gelijk aandeel met mij heeft, en wat ook anderen gelukt is; het schoonste en beste hebt gij vergeten: geen Athener heeft om mijnentwille een rouwkleed aangetrokken."

Zoo stierf de groote staatsman, die bijna 40 jaar lang in Athene geheerscht had! Er was niemand in staat hem te vervangen. Met hem werden het aanzien, de macht en de glans van Athene ten grave gedragen.

11. Alcibiades.

1. Alcibiades, een neef van Pericles, trad door rijkdom, schoonheid en groote geestesgaven zoo op den voorgrond, dat hij gedurende den Peloponnesischen oorlog een belangrijken invloed kreeg. Hij had een ijdel, eergierig karakter, was moedwillig en stout, maar had ook eene, zelfs in Athene, zeldzame welsprekendheid. Bij zijne geweldige zucht tot onderscheiding en roem was niets hem gewenschter dan oorlog. Toen zich nu eene gelegenheid aanbood op Sicilië eene Ionische stad tegen een Dorische bij te staan, wendde Alcibiades dadelijk al zijne welsprekendheid aan om de Atheners tot een tocht daarheên te bewegen. De veldheer Nicias, die kort te voren een vrede met de Spartanen bewerkt had, ried even als andere mannen den oorlog af. Het volk liet zich echter door Alcibiades medesleepen; het besloot tot den tocht, en koos Alcibiades tot aanvoerder daarvan. Nauwelijks echter had deze het eerste succes op Sicilië behaald, of hij werd weêr teruggeroepen. Hij was namelijk aangeklaagd, in den nacht vóór zijn vertrek de vele standbeelden van den god Hermes of Mercurius verminkt te hebben. Toen verliet hij het eiland Sicilië, ging evenwel niet naar Athene, maar naar Sparta, in de legerplaats der oude vijanden. Toen de Atheners hem daarop ter dood veroordeelden, zeide hij: "Ik zal hun toonen dat ik nog leef," en hij hield schrikkelijk woord.

Te Sparta leefde de vroeger zoo zwelgende jongeling geheel naar de strenge wetten van dat volk en verwierf zich spoedig het vertrouwen daarvan. Uit wraak tegen de Atheners spoorde hij de Spartanen aan, den gesloten vrede te verbreken en de Atheensche onderneming op Sicilië te gaan bestrijden. Toen was het geluk der Atheners uit. Zij werden geslagen en hunne vloot vernield. Het hoog gestegen Athene lag in het stof.

2. Intusschen haalde Alcibiades zich door zijn opbruisenden zin in Sparta veel vijanden op den hals en zag zich genoodzaakt de vlucht te nemen. Hij ging naar Klein-Azië, waar Atheners en Spartanen elkaâr den voorrang betwistten in de van Perzië bevrijde deelen, en dat het tooneel van het derde tijdvak des Peloponesischen oorlogs werd. Toen werd hij door de bemanning der Atheensche vloot zelve met het opperbevel over deze bekleed. Met Alcibiades keerde ook Athenes geluk terug. Zij sloegen de Spartanen te water en te land, en vierden der herwonnen held op alle wijzen.

Maar deze jubeltoon was niet duurzaam. Alcibiades had eenmaal de leiding der vloot aan een onderbevelhebber toevertrouwd, terwijl hij iets met de Perzen te verhandelen had. Dadelijk overviel toen de Spartaansche veldheer Lysander de Atheners en versloeg ze. Ten gevolge dezer nederlaag zetten de Atheners, veranderlijk als het weêr, Alcibiades af, die zich naar Klein-Azië terugtrok. Hier moest hij zien hoe de Atheners, die zijne waarschuwing verachtten, geheel verslagen werden en hoe Athene, die trotsche stad, veroverd en mishandeld werd, 404. -- De overwinnende Spartanen hadden den gevaarlijken Alcibiades niet uit het oog verloren. Zij verlangden van de Perzen, dat hij hun zou uitgeleverd worden. Wijl dezen hem zeer vreesden, zoo waagden zij niet tegen hem op te treden. Zij staken daarom 's nachts zijne woning aan, om hem levend te verbranden. En toen Alcibiades zich met het zwaard in de vuist door de vlammen heên een weg baande, vloden zij verschrikt, tot het hun eindelijk uit de verte gelukte, den geduchten strijder zoo met pijlen te overstelpen, dat hij doorboord ter aarde zonk. Alcibiades bood een trouw beeld van zijne vaderstad. Gelijk hij vallen moest, zoo was ook de ondergang van het vrije Athene niet te stuiten.

12. Socrates.

1. Terwijl Griekenland aan inwendige twisten zijne beste krachten verspilde, werd een man beroemd, wiens wijsheid wij evenzeer bewonderen, als wij zijn einde beklagen moeten. Het was +Socrates+ in Athene. Zijn vader was een beeldhouwer, en als jongeling wijdde Socrates zich ook aan deze kunst; maar deze bezigheid voldeed niet aan den drang zijner ziel. Hij bestudeerde de schriften der wijzen en deed zijn voordeel met het onderwijs der beste leeraars. Hij wilde echter de waarheid niet alleen daarom kennen, dat hij, gelijk de meeste Atheners, er over zou kunnen twisten, maar hij beoefende ze in 't leven en ging overal met een goed voorbeeld voor.

Het eerste streven van Socrates was, zich van de uitwendige goederen zoo onafhankelijk mogelijk te maken, opdat hij geheel voor de wetenschap leven kon. "Niets behoeven", zeide hij, "is goddelijk, en wie het minst behoeft, komt het naast bij de godheid". Hij nam slechts zooveel spijs als tot zijne nooddruft vereischt werd, en dronk nooit meer dan tot lessching van den dorst noodig was. Zijne kleeding was eenvoudig en onaanzienlijk.

Ofschoon Socrates van nature heftig was, had hij toch door gestrengheid tegenover zich zelven eene edele gelijkmoedigheid verkregen, die door niets verstoord kon worden. De meeste oefening van geduld had Socrates in zijn eigen huis, daar zijne vrouw Xanthippe, zeer luimig en twistziek was. Desniettegenstaande zag men hem nooit morrende of ontstemd. Als hij beleedigd werd, bewaarde hij de grootste kalmte en gelatenheid. Zijne burgerplichten vervulde Socrates met grooten ijver. Hij streed dikwijls voor zijn vaderland en was steeds onder de dappersten. Door zijne onverschrokkenheid redde hij in een slag den stouten Alcibiades, die hem zeer genegen was. Deze wankelmoedige jongeling bekende dikwijls: "Door de redeneeringen van Socrates word ik zoo aangegrepen, dat mij het hart klopt en de tranen mij uit de oogen vloeien".

2. Socrates sprak met lieden uit alle standen, en verzamelde langzamerhand een kring van weetgierige leerlingen om zich, die hem met groote belangstelling aanhoorden en meerendeels beroemde mannen werden. Zij verlieten gaarne de vermakelijkheden, om slechts bij hun geliefden leermeester te zijn. +Euclides+ van Megara kwam vier mijlen ver tot Socrates. En toen eens de Atheners tegen de Megarensers oorlog voerden en elk van hen op straffe des doods verboden in de stad te komen, sloop Euclides dikwijls in vrouwenkleêren door de poort, om naar Socrates te hooren. +Xenophon+, een ander leerling, dien Socrates op den openbaren weg voor zijn onderwijs gewonnen had, verzekerde later van zijn meester: "Niets kon nuttiger zijn dan zijn gezelschap en zijn omgang. Zelfs als hij afwezig was, strekte nog zijn aandenken hun, die bij hem geweest waren, tot versterking en kracht in al wat goed is."

Socrates verstond de kunst, op de gemakkelijkste en eenvoudigste manier te onderwijzen. Hij stelde vragen, waardoor hij tot nadenken dwong, en leidde het in gesprekken daarheên, dat men de diepste leeringen opdeed. Zijn onderwijs was gratis en daarom voor allen toegankelijk. Socrates sprak ook tot de volwassenen op de markt en op de straten, en werd daardoor zeer bekend. Zijn roemde verbreidde zich zoo ver, dat de priesters te Delphi hem voor den wijsten der menschen verklaarden.

3. Het was vooruit te zien, dat Socrates zich door zijne uitstekende wijsheid en deugd de haat en den nijd zijner verdorvene medeburgers moest op den hals halen. Zij lasterden hem ook en trachtten hem belachelijk te maken. En toen hun dat niet hielp, klaagden zij hem openlijk aan. Zij beschuldigden hem, dat hij niet geloofde aan de goden van het land, en dat hij ook door zijne leer de jeugd bedierf. Socrates, een grijsaard van 70 jaar geworden, vond het zijner onwaardig, zich tegen zulke aanklachten wijdloopig te verdedigen. Hij wees terug op zijn openbaar leven en bezwoer dat sedert 30 jaar niets hem meer aan het harte gelegen had, dan zijne medeburgers deugdzamer en gelukkiger te maken, en dat hij hiertoe de goddelijke roeping in zich gevoeld had. Eene zoo vrijmoedige verdediging verbitterde de rechters. Zij zonden hem voorloopig weêr naar de gevangenis. Hier bracht een vriend, +Lysias+, hem eene schoone verdedigingsrede (apologie); die moest hij uitspreken. Socrates las ze en vond ze schoon. "Maar, zeide hij, als gij mij zachte en prachtige sokken bracht, zou ik ze niet aantrekken, omdat ik ze voor onmannelijk houd." Daarmeê gaf hij de rede terug. In de eerstvolgende vergadering van 't gerecht werd het lot van Socrates beslist. Eene meerderheid van drie stemmen slechts veroordeelde hem tot den dood. Socrates bleef rustig, maar zijne leerlingen niet. Zij drongen met tranen in de oogen tot de rechters door en smeekten om de vrijheid van hun leeraar; maar zij werden afgewezen. Socrates nam afscheid van de rechters, die te zijnen gunste gestemd hadden, en vergaf diegenen, die hem veroordeeld hadden. Met opgewekt gelaat, vasten tred en edele houding verwijderde hij zich hierop uit het gerechtshuis en ging naar de gevangenis terug. Zijne vrienden geleidden hem en waren van nu af dagelijks om hem.

4. Aangezien wegens een openbaar feest geen doodvonnis mocht voltrokken worden, hadden de leerlingen van Socrates den troost, nog korten tijd, omtrent dertig dagen, met hun leermeester te kunnen spreken. Dat was een kostbare tijd, want Socrates, vrij van vrees voor den dood, werd met elken dag opgewekter en sprak de schoonste woorden van troost en wijsheid. De leerlingen echter konden zich in 't geheel niet gewennen aan het denkbeeld, dat hun raadsman en vriend hun zou ontscheurd worden. Zij spraken met den gevangenbewaarder, die een medelijdend hart had, en richtten alles zoo in, dat Socrates ontvluchten kon. Maar deze weigerde beslist, zulks te doen, en zeide, dat men altijd aan de wetten gehoorzamen moest. Toen snikte een leerling: "Ach, gij sterft toch zoo onschuldig", en Socrates antwoordde lachend: "Wildet gij dan liever, dat ik schuldig stierve?"

Toen op den laatsten avond alle vrienden bijeen waren, nam +Krito+ het woord en zeide: "Zeg ons, welke opdracht laat gij mij en dezen uwen vrienden na? Waarmeê kunnen wij naar uw welgevallen leven?" De grijsaard antwoordde: "Als gij zoo leeft, als ik u sedert lang aanbevolen heb. Ik behoef hier niets meer bij te voegen." Nu kwamen nog zijne vrouw met de drie kinderen, en weenden luid. Toen nam Socrates afscheid, en verzocht, zijne vrouw naar huis te geleiden, opdat het laatste uur hem niet verzwaard zou worden. Hierop sprak hij nog met zijne vrienden over leven en dood en over zijne hoop, dat 's menschen ziel onsterfelijk is.

Intusschen neigde de zon zich tot den ondergang. De gerechtsdienaar verscheen met den gifbeker, en Socrates bereidde zich tot den dood. Hij nam den kelk met opgewekt gelaat, en dronk dien krachtig uit. Terwijl zijne vrienden jammerden, zeide hij: "Ik genees; offert +Aesculaap+ -- den god der geneeskunde -- een haan!" Daarop verscheidde hij -- 400 v. C.

Eerst na den dood van den grooten wijze, zagen de Atheners hun ongelijk in. Zij dreven grooten rouw, veroordeelden den voornaamsten beschuldiger ter dood en joegen de overigen uit het land. Ook richtten zij eene prachtige zuil op, en vereerden hem bijna als een god. Maar zijne leerlingen, vooral +Plato+ en +Xenophon+, verbreidden schriftelijk en mondeling zijne voortreffelijke leeringen, en stichtten zoo hun' grooten meester een gedenkteeken, dat duurzamer is dan metaal en overal bekend is, waar vrienden der wijsheid wonen.

13. Epaminondas en Pelopidas.

1. Sedert den val van Athene kende de overmoed der Spartanen geene grenzen meer. Zij hielpen hunne stamgenooten in het naburige werelddeel tegen de Perzen, en hun koning Agesilaus veroverde de geheele westelijke helft van Klein-Azië. De Perzische koning verwekte toen een oorlog van Korinthe en andere Grieksche staten tegen Sparta (Korinthische oorlog), waarin de zegepraal wisselvallig was. Maar de Spartanen gaven liever hunne overwinningen in Azië op dan hunne overmacht in Griekenland, en sloten daarom in 387 den vrede van Antalcidas, den bewerker, die aan den Grieksch-Perzischen oorlog en aan dien der Grieken onderling een einde maakte. Midden in den vrede overvielen de Spartanen nu Thebe, waar inwendige tweedracht bestond, en stelden er een aristocratisch bestuur in, gelijk 20 jaar vroeger in Athene. Verschrikt vluchtten vele Thebanen uit de stad en wendden zich naar Athene. Hier verzamelden zij zich onder hun hooghartigen medeburger +Pelopidas+, om hun vaderstad weder te bevrijden. Het gelukte hun ook. De tyrannen werden bij een vroolijk gelag door sluipmoordenaars van kant gemaakt, en de Spartaansche bezetting moest zich spoedig overgeven.

Wat Pelopidas koen begonnen was, voltooide zijn vriend +Epaminondas+. De beide mannen waren van hun vroegste kindsheid af door innige vriendschap verbonden geweest, ofschoon hun uiterlijke omstandigheden zeer verschillend waren. Pelopidas was een der rijkste burgers, Epaminondas een der armsten. Dikwijls had Pelopidas zijn rijkdom willen deelen met zijn vriend, maar nooit had deze het geringste willen aannemen. Epaminondas leefde uiterst eenvoudig en bescheiden, was geheel zonder aanmatiging en streefde nooit naar eereposten. Maar toen het vaderland zijn diensten verlangde, was hij dadelijk bereid. Men mocht hem een hoogen of nederigen post aanwijzen: steeds nam hij hem met de grootste nauwkeurigheid waar. Toen een Perzisch gezant met zakken geld tot hem kwam om hem om te koopen, zeide hij: "Als de voornemens van uwen koning voordeelig zijn voor mijn land, heeft het uw geld niet noodig; zijn zij echter schadelijk, dan zal uw goud mij niet tot een verrader maken. Verlaat dadelijk de stad, opdat geen anderen door u verleid worden."

Deze rechtschapen man stond nu aan het hoofd van het Thebaansche leger, om de vijandelijke Spartanen te bestrijden. Zijn vriend Pelopidas had het bevel over een bijzondere afdeeling van Thebaansche jongelingen, die zich door een plechtigen eed verbonden te overwinnen of te sterven. Dat was "+de heilige schaar+", die uit 300 man bestond. Bij +Leuktra+, een stadje niet ver van Thebe, kwam het tot den strijd, waarbij de 5 maal zoo talrijke Spartanen verslagen werden. Nu was Thebe de eerste stad van Griekenland.

2. De koene Epaminondas zocht nu spoedig de Spartanen in hun eigen land op. Toen dezen voor het eerst sedert eeuwen een vijand voor hun stad zagen, waagden zij het uiterste en riepen zelfs de Atheners, hun oude tegenstanders, te hulp. Toen had er een bloedige slag plaats bij +Mantinea+, 362. -- De Thebanen overwonnen, maar Epaminondas viel. Twee jaar vroeger was reeds Pelopidas gevallen. Met deze beide helden zonk ook Thebes grootheid en roem. De rust van Griekenland was weg. Telkens nam de eene stad de wapenen op tegen een andere, tot er eindelijk een vreemde heerschappij kwam, die alles onderwierp.

14. Alexander van Macedonië -- 333 v. Chr.

1. Terwijl de Grieken zich door hun binnenlandsche oorlogen altijd meer verzwakten, kwam er hoog uit het Noorden een zwaar onweder op hen aanzetten. Daar had zich aan de grens van Griekenland uit een zeer kleinen oorsprong het koninkrijk Macedonië gevormd, dat onder Philips II belangrijke macht verkreeg. Deze werkzame en sluwe vorst, die in Thebe bij Epaminondas opgevoed was, kende de Grieksche omstandigheden zoo goed, dat hij zich spoedig de opperheerschappij in Griekenland verwierf. Vergeefs had de beroemde redenaar +Demosthenes+ te Athene op het gevaar gewezen, dat van Macedonië dreigde; de Grieken streden te laat: Philips was overwinnaar; hij behandelde echter de overwonnenen met veel verschooning en liet hun veel vrijheid. Hij bracht het zoover, dat de Grieken hem in een tocht tegen de Perzen wilden vergezellen en reeds dacht hij op te trekken, toen hij plotseling bij het bruiloftsfeest zijner dochter vermoord werd. Voor zijn zoon Alexander was het weggelegd het aangevangen werk te voltooien. Alexander bezat groote bekwaamheden en had het geluk door den beroemdsten geleerde van Griekenland, door +Aristoteles+, opgevoed te worden. Deze wijze behoorde tot de grootste geesten, die ooit op de aarde woonden. Wat hij nagevorscht en onderwezen heeft, is voor de menschheid een groote zegen geweest. Of hij veel van den oorlogzuchtigen zin van zijn kweekeling hield, is zeer te betwijfelen, maar zeker is het, dat de ijver van Alexander om de wetenschap te bevorderen door het verkeer met Aristoteles gewekt werd. Wat echter bij Alexander reeds in zijn vroege jeugd te voorschijn trad, dat was de zucht tot strijden en tot veroveren. Het liefste hoorde hij verhalen van de oude krijgshelden. Hoe klopte zijn hart, als hij de gezangen van Homerus las, waar de slagen van Troja zoo meesterlijk bezongen waren. Zijn hoogste wensch was een held te zijn als Achilles en ook eenmaal bezongen te worden.

2. Toen Alexander op zijn twintigste jaar koning werd, had hij dadelijk gelegenheid zijn strijdlust te bevredigen. Van alle kanten stonden de door Philips onderworpen volken op en dachten, dat de tijd voor hun bevrijding gunstig was. Maar Alexander was spoedig er bij en onderdrukte overal het oproer. De stad Thebe, die weigerde zich te onderwerpen, werd tot den grond verwoest. Slechts het huis van den dichter +Pindarus+ bleef staan, daar hij zoo schoon de overwinnaars der Grieksche kampspelen bezongen had. Het lot van Thebe verbreidde schrik over geheel Griekenland. Allen bogen zich voor den jeugdigen heerscher en beloofden gehoorzaamheid. Alexander ging daarop naar Korinthe, naar de algemeene vergadering der Grieken, om zich, zooals vroeger zijn vader, tot aanvoerder tegen de Perzen te laten benoemen. Bij deze gelegenheid bezocht hij +Diogenes+, die beroemd was om zijn zonderlingheid. Diogenes hield zich aan den grondregel van Socrates, dat de mensch, hoe minder hij noodig heeft, des te gelukkiger is, en leefde daarom zoo streng, dat hij belachelijk werd. Zijn woning was een ton of vat. Als hij daaruit met zijn langen baard en gescheurden mantel te voorschijn kwam, trok hij ieders opmerkzaamheid. Hij bekommerde er zich echter weinig om en verachtte het volk. Eens liep hij op den helderen dag met eene brandende lantaarn op de markt van Athene rond. Toen men hem vroeg wat hij zocht, antwoordde hij: "Ik zoek menschen."

Alexander kwam met zijn gevolg bij Diogenes en onderhield zich langen tijd met hem. Eindelijk vroeg hij hem: "Kan ik u eene gunst bewijzen?" Toen antwoordde Diogenes: "Ja, ga mij slechts een weinig uit de zon!" Daarom lachten de lieden uit Alexanders gevolg; deze echter keerde zich om en zeide: "Als ik niet Alexander was, zou ik wel Diogenes willen zijn."

3. Toen Alexander met een klein, maar wel toegerust leger naar Azië ging, om de Perzen te beoorlogen, zocht hij de plaatsen op, waar hij zoo dikwijls in den geest vertoefd had, als hij de gedichten van Homerus las. Op het slagveld van Troje tooide hij het gedenkteeken van Achilles en wenschte niets meer, dan dat eens een dichter als Homerus ook zijne daden verheerlijken mocht. Toen voerde hij zijn leger oostwaarts naar de nabijzijnde rivier +Granikus+. Daar wachtte hem een machtig Perzisch leger. Zonder toeven leverde Alexander met zijne manschappen een slag, die hem tot heer van Klein-Azië maakte. Spoedig daarop stiet hij op een tweede leger der Perzen, dat door hun koning Darius Kodomannus zelf werd aangevoerd. Deze werd echter zoo geslagen bij Issus 333, dat hij ijlings vluchtte en zijne familie in handen van den overwinnaar liet, die haar echter vriendelijk behandelde.