Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid

Part 3

Chapter 33,749 wordsPublic domain

[2] Noord-Griekenland bestond uit Thessalië (oost) en Epirus, (west);

Midden-Griekenland of Hellas van 't oosten naar 't westen uit: Attica (met Athene), Megaris, Boeotië (met Thebe), Phocis, Locris, Doris, Aetolië en Acarnanië;

Zuid-Griekenland of de Peloponesus uit: Corinthe, Argolis, Arcadië, Achaja, Elis, Messenië, Laconica (met Sparta).

7. Lycurgus en de Spartanen. -- 888 v. Chr.

1. In +Sparta+, een stad in 't zuidoosten van den +Peloponnesus+, leefde een oorlogzuchtig volk, dat zijn wetten van +Lycurgus+ ontving. Deze beroemde man was volgens de overlevering van koninklijke afkomst en had zich op reizen naar +Kreta+, Egypte en Klein-Azië belangrijke kennis verworven. Hij ordende de staatsregeering op de volgende wijze. Naast de twee koningen, die sedert ouden tijd in Sparta regeerden, werd er een raad van 28 leden samengesteld, die minstens 60 jaar oud zijn moesten en door het volk voor het overige van hun leven gekozen werden. Deze raad der ouden maakte met de koningen de wetten en legde ze der volksvergadering voor. Hier mocht elk Spartaan, die 30 jaren oud was, verschijnen en meêstemmen. Behalve dat waren er nog opzieners, die als wachters van de wetten iederen burger en iederen beambte, zelfs de koningen rekenschap konden vragen. Lykurgus deed ook zijn best, het vermogen en de levenswijze der Spartanen gelijk te maken. Hij liet daarom een nieuwe verdeeling der landerijen plaats hebben en beval gemeenschappelijke maaltijden. Opdat het verkeer naar buiten niet te groot zou worden, voerde hij ijzer geld in, tot welks wegbrenging men wagens hield. De stad zou geen muren hebben, opdat de burgers altijd tot den strijd gerust zouden zijn. Zoo werden de Spartanen een beroemd oorlogsvolk. Hun zwaarden waren kort, opdat zij den vijand goed naderen zouden. De bebouwing van het veld werd den +Heloten+ overgelaten, d. i. den ouden inwoners, welke de Spartanen na langen strijd overwonnen en tot slaven gemaakt hadden. Het leven der Heloten was zeer treurig; zij werden als dieren behandeld en dikwijls zonder noodzaak vermoord.

2. De opvoeding der jonge Spartanen was hard. Slechts de krachtige kinderen werden geduld en deze moesten zich op allerlei wijze verharden. Zij liepen half naakt en sliepen op een strooleger. Zij moesten honger en dorst, vorst en hitte, ja de gevoeligste pijnen leeren verdragen. Met hun zevende jaar behoorden de jongens den staat en kwamen onder streng opzicht. Zij moesten flink loopen, klauteren, zwemmen en zich over 't geheel lichamelijk ontwikkelen. Op den ouderdom van 18 jaar trad de jonge Spartaan in den krijgsdienst. De meisjes moesten ook gymnastische oefeningen maken. Eerbied van jonge lieden tegenover de oudere was streng bevolen. Van veel spreken werd niet gehouden, aan korte antwoorden de voorkeur gegeven. Daardoor bekwamen de Spartanen, ook wel +Lakoniërs+ geheeten, zulk een bedrevenheid in het geven van bepaalde, korte antwoorden, dat men die nog heden +lakonisch+ noemt.

3. Nadat Lykurgus zijn wetten ingevoerd had, liet hij de burgers zweren, zijn wetten na te leven, tot hij van een reis in 't buitenland teruggekeerd was. Daarop vertrok Lykurgus en kwam niet terug. Zoo hadden de Spartanen zich met een eed verbonden zijn inrichtingen te laten bestaan. Zij werden daardoor een sterk, dapper volk; maar zij vervreemdden ook van zachtere, menschelijke gevoelens.

8. Solon en de Atheners.

1. De beroemdste stad van Griekenland is +Athene+. Zij zou door den Egyptenaar +Cekrops+, een tijdgenoot van Mozes, gebouwd zijn. Onder haar koningen wordt vooral +Theseus+ herdacht, omdat hij Athene onafhankelijk en machtig maakte. In den tijd, toen Rome gesticht werd, in de 8ste eeuw voor Chr., ontstond er in Athene een republiek, aan welker hoofd een +archont+ of staatsregeerder gesteld werd. Toen zich twisten openbaarden tusschen adel en burgers, zocht +Drako+ met veel strengheid orde te maken. Dat verbitterde echter de gemoederen nog meer en er zou voorzeker een burgeroorlog ontstaan zijn, als de wijze Solon geen nieuwe wetten gegeven had. Solon stamde van de oude Atheensche koningen af, had zich op reizen groote beschaving verworven en was wegens zijn rechtschapenheid algemeen bemind. -- 594 v. Chr.

De eerste wetten, die Solon gaf, verlichtten den schuldenlast der armen, daar zij de interestrekening matigden en de persoonlijke verpanding van den schuldenaar en zijne familie afschaften. Daarop verzachtte Solon de harde straffen van Drako en zorgde voor betere behandeling van slaven en vreemdelingen. Hierop verdeelde hij het geheele volk in 4 klassen en bepaalde daarnaar de plichten en rechten van ieder. De hoogste waardigheden, die der +negen archonten+, kon slechts de eerste klasse bereiken. Naast de archonten stond de +raad van vierhonderd+, die jaarlijks uit de verschillende klassen gekozen werden. Over alle gewichtige vragen van oorlog en vrede moest de +volksvergadering+ gehoord worden, waarin ieder vrij burger, die 20 jaren oud was, stemmen mocht. Daarenboven was er nog een rechtbank van leden, die voor hun leven benoemd waren en het opzicht over het openbare leven der burgers hielden, terwijl zij ook het hoogste gerechtshof vormden. De eigenlijke staatsmacht berustte bij de volksvergadering, wier werkzaamheid alle geesteskrachten opwekte en veel tot de algemeene beschaving bijbracht.

2. De jeugd, die lang in het ouderlijk huis bleef, werd niet zooals in Sparta, enkel lichamelijk, maar ook geestelijk ontwikkeld. Vooral moest zich de jonge Athener daarin oefenen, zijn gedachten schoon en vloeiend uit te drukken. Wie een betrekking in den staat bekomen wilde, moest noodwendig wetenschappelijk gevormd zijn. De schoone kunsten, zooals muziek en schilderen, stonden in hoog aanzien. De geheele stad moest uit vlijtige en beschaafde burgers bestaan. Ledigheid was streng verboden. Als het gevolg dezer wijze verordeningen ontwikkelde zich een schoon volksleven. Handel en nijverheid bloeiden, en in de kunsten en wetenschappen heerschte de grootste wedijver, zoodat Athene de koningin der steden, de leermeesteres der volken werd.

3. Hoewel Solon zijn staatsinstellingen niet voor zonder fout hield, wenschte hij toch, dat zij minstens 10 jaar lang onveranderd nageleefd zouden worden. Toen de Atheners hem dat beloofd hadden, ging hij weder reizen, waarbij hij ook koning Croesus van Lydië bezocht. Het duurde echter niet lang of er braken in Athene onordelijkheden uit en Solon moest zien, dat zijn werk niet duurzaam was. Uit verdriet daarover verliet hij zijn vaderstad en ging naar +Cyprus+, waar hij spoedig daarna overleed.

In Athene ging het als in bijna alle Grieksche staten: gelijk de koninkrijken van den ouden tijd door republieken waren vervangen, zoo wierpen zich in deze personen op, die zich van de alleenheerschappij meester maakten, en daarom +tirannen+ heetten. Zoo ook hunne opvolgers, al was hun bestuur volstrekt niet tiranniek, overeenkomstig de tegenwoordige beteekenis van dat woord. De meest bekenden daarvan zijn: +Periander+ van Korinthe, 600, met Solon en +Thales+ van Milete behoorende tot de zeven wijzen van Griekenland, +Polycrates+ van Samos, zoo bekend om zijn geluk en voorspoed, en +Pisistratus+ in Athene. Na tweemaal verdreven te zijn, nam deze (540) ten derden male de teugels van 't bewind alleen in handen, en werd na eenige jaren opgevolgd door zijn zoon Hippias. Deze liet zooveel invloed toe aan zijn broeder Hipparchus, dat zij gewoonlijk in één adem genoemd worden. Nog eenige jaren verneemt men van geen verzet tegen deze oppermacht van enkelen. Maar in 512 werd Hipparchus om eene persoonlijke reden gedood door Harmodius en Aristogiton, waarop Hippias wantrouwend werd. In 510 werd hij verdreven en de republiek hersteld.

9. De Perzische oorlogen.

1. Hoewel de Grieken ter westkust van Klein-Azië eerst onder Lydische, vervolgens onder Perzische heerschappij gekomen waren (blz. 17), bleven zij echter de vrijheid liefhebben en trachtten door een opstand het juk van Darius af te schudden (blz. 19). Maar te vergeefs, 500. De hulp die de Grieksche Aziaten van Athene genoten hadden, had den Perzischen monarch zoo verbitterd, dat hij zich bij elken maaltijd door een slaaf liet toeroepen: "Heer, gedenk de Atheners." Misschien was het voor hem maar een voorwendsel om den republikeinschen staatsvorm der Grieken te bestrijden, die hem, den almachtigen alleenheerscher, een doorn in 't oog moest zijn. Ook werd hij, zoo verhaalt men althans, in zijn plan versterkt door den wraaklustigen Hippias. Zeker is het, dat hij eene expeditie tegen Griekenland ondernam, waarbij het landleger niet verder dan een eindweegs in Thracië kwam en de vloot bij 't voorgebergte Athos in Macedonië door storm vernield werd. Maar nu rustte hij een tweede onderneming uit, veel grooter en sterker dan de vorige en zond intusschen gezanten naar de verschillende Grieksche staten om als teeken van onderwerping aarde en water te vragen. Bijna overal gaf men sidderend aan dien eisch gehoor. Maar in Athene en Sparta werden de gezanten van Darius in kuilen of putten gesmeten, waar zij aarde en water vonden. Nu kende Darius' woede geen grenzen meer; zijne groote legermacht liet hij door een vloot overbrengen en in Attica landen.

Bij de Spartanen heerschte het bijgeloof, dat zij niet vóór de volle maan strijden mochten en daarom kwamen zij nog niet. Slechts de kleine stad Plataeae in Boeotië zond 1000, de Atheners stelden 9000 man. Toen dit hoopje bij Marathon het groote Perzische leger zag, verloor het den moed. Maar Miltiades, een dapper aanvoerder, bezielde de versaagden en bevocht een glansrijke zege over de Perzen. -- 490.

Deze gebeurtenis schrikte echter Darius nog volstrekt niet af. Hij liet drie jaar lang toebereidselen maken voor een nieuwen veldtocht, aan welks hoofd hijzelf meêtrekken wilde. Hij werd echter door den dood overvallen. Maar Xerxes, zijn opvolger, zette de toebereidselen met den zelfden ijver voort en bracht eindelijk een leger tezamen, zooals de wereld nog geen tweede gezien had. Het bestond uit meer dan een millioen menschen, en de vloot telde meer dan 1000 oorlogschepen, waarbij nog 3000 andere schepen kwamen.

2. In de lente van 480 zette de onmetelijke trein, door Xerxes zelf aangevoerd, zich in beweging en overstroomde als een zondvloed het noordelijke Griekenland. De meeste volksstammen onderwierpen zich; slechts de Atheners en de Spartanen wilden strijden. In dezen algemeenen nood trad +Themistocles+ op, een zeer verstandig en praktisch man, die Griekenland tot redder werd. Reeds als knaap had hij een uitstekend karakter en streefde naar groote dingen. Toen men in later jaren eens met hem spotte, omdat hij de lier niet bespelen kon, antwoordde hij hoogmoedig: "Zingen en spelen kan ik wel niet, maar een kleine stad beroemd en groot maken, +die+ kunst meen ik te verstaan." Themistocles had reeds vroeg ingezien, dat de oorlogen met de Perzen niet spoedig zouden eindigen. Daarom spoorde hij de Atheners aan, voor hunne verdediging te zorgen en vooral eene sterke vloot uit te rusten. Ook rustte hij niet, vóór Sparta en Athene zich nauw vereenigd en ook de overige staten zich daarbij aangesloten hadden. De eer der hoogste leiding in den krijg (hegemonie) tegen de Perzen viel den Spartanen ten deel.

3. In het noorden van Griekenland, waar het steile Oeta-gebergte aan de eene en de zee aan de andere zijde slechts een lang smal pad overlaat, dat naar het hart van 't land voert, daar, bij den engen pas van Thermopylae, sloeg de Spartaansche koning Leonidas zich met 8000 Grieken neêr, om de naderende Perzen te bestrijden. Toen Xerxes dat hoorde, verwonderde hij zich niet weinig en zond boden af, die van de Grieken de wapens opeischten. "Kom ze halen", was het laconische antwoord. En toen den Grieken gezegd werd, dat de vijanden zoo talrijk waren, dat zij met hunne pijlen de zon verduisterden, antwoordde een Spartaan koelbloedig: "Des te beter, dan zullen wij in de schaduw vechten."

Daar Xerxes niet gelooven kon, dat de weinige Grieken zijn monsterachtig leger tegenstand zouden bieden, liet hij hun vier dagen tijd om weg te trekken. Toen dit niets uitwerkte, begon de moorddadige strijd. De Grieken stonden als muren en sloegen elken aanval af. De Perzen waren eindelijk zoo ontmoedigd, dat zij met geesels in de bergengte moesten gedreven worden. Toen kwam er eindelijk eene wending in den strijd -- door verraad. Een Griek, Ephialtes, ontdekte den Perzen een geheim voetpad over het gebergte. Toen rukten 's nachts bijna 20000 Perzen aan en vielen de Grieken in den rug aan. Nu was alle redding voorbij. Leonidas liet het grootste gedeelte der troepen huiswaarts trekken, en sprak met zijne 300 Spartanen af, tot op den laatsten man toe te strijden. De heldenmoedige schaar bracht den Perzen een ontzettend verlies toe; maar eindelijk moest ze voor de overmacht bezwijken.

Op geene zegepraal is zooveel roem gevolgd als op deze nederlaag. Een steenen leeuw toonde later den eenzamen reiziger in de bergkloof de plaats, waar Leonidas, de leeuw van den grooten dag, met zijne dapperen gevallen was, en het gewijde opschrift luidde: "Wandelaar, bericht te Sparta, dat wij, gehoorzaam aan zijne wetten, hier verslagen liggen."

4. Nadat de dappere Leonidas bezweken was, trad de wijze +Themistocles+ weêr op. Toen de Perzen door genoemden pas in Hellas doorgedrongen waren, begreep hij, dat Athene ook den geduchten aanval van dat volk geen weêrstand kon bieden, en overreedde daarom zijne medeburgers, de stad te verlaten en zich op schepen te redden. Toen verhuisden de vrouwen en kinderen naar de naburige kusten en eilanden; maar de geheele manschap, in staat de wapenen te dragen, ging met Themistocles de vijanden op de zee te gemoet. Bij het eiland +Salamis+ moest het tot een zeeslag komen. Toen echter de Grieken de groote vloot der Perzen zagen, verloren zij den moed en wilden ontvluchten. Daarover was Themistocles te leur gesteld, en nu waagde hij eene wanhopige onderneming. Hij zond heimelijk een slaaf tot Xerxes en liet hem zeggen: "Groote koning, ik ben uw vriend en wensch in uwen dienst te treden. In den volgenden nacht willen de Grieken uit deze zeebocht ontvluchten. Sluit ze in, dan is de geheele vloot in uwe handen." Xerxes zeilde daarna zoo snel mogelijk op de Grieken aan en sloot ze in. Toen Themistocles dat zag, juichte hij en sprak tot de andere bevelhebbers: "Nu zult gij toch strijden?"

En de Grieken streden, gelijk Themistocles vooruit gedacht had. Het was een strijd op leven en dood. Ofschoon de Perzische vloot oneindig veel grooter en sterker was dan de Grieksche, zoo had zij toch wegens de grootte harer schepen veel nadeel in de enge bocht. De duisternis van den nacht bracht ook de Perzische schepen onder elkander in de war. De Grieken drongen met hunne lichte vaartuigen overal door en bevochten eene groote overwinning.

Xerxes was aan den oever op een gouden troon gezeten en had zoo den uitslag van den zeestrijd afgewacht. Nu bleef hij niet langer hier. Om hem echter snel uit het land te drijven, gebruikte Themistocles eene nieuwe list. Hij liet aan Xerxes zeggen: "De Grieken zijn van plan, de brug over den Hellespont af te breken." -- Deze brug was voor den overtocht van het Perzische leger over eene smalle zeeëngte (de straat der Dardanellen) geslagen. -- Xerxes verschrikte en vlood in aller ijl. Hij verloor daarbij een belangrijk gedeelte van zijn landleger, dat vooral door gebrek aan levensmiddelen en door ziekte zeer verminderde. Toch bleef altijd nog een leger van 300,000 man onder den veldheer +Mardonius+ in Noord-Griekenland achter, om in het volgende jaar op nieuw te strijden.

Geheel Griekenland erkende, dat het zijne redding aan de Atheners te danken had en onder hen vooral aan Themistocles. De Spartanen voerden hem in triomf naar hunne hoofdstad, gaven hem een olijvenkrans als prijs der wijsheid, schonken hem den schoonsten wagen, die in Sparta te vinden was en lieten hem door 300 jongelingen feestelijk tot aan de grenzen begeleiden. Toen spoedig daarop de Olympische spelen gevierd werden en ook Themistocles daarbij verscheen, verhieven zich bij zijn intrede alle toeschouwers van hun zitplaatsen. Niemand dacht meer aan kampspelen; alle aanwezenden zagen en wezen met blijde bewondering naar Themistocles. Hij werd diep geroerd en sprak: "Nu oogst ik het loon van alle inspanning voor Griekenland."

5. De perzische veldheer Mardonius beproefde de Atheners te bewegen tot een verbond met zijn volk. Toen dit echter vergeefsch bleek, stormde hij weder op Athene los en verwoestte, wat er nog overgebleven was. De inwoners waren ten tweede male gevlucht. Toen vereenigden zich de Atheners onder hun veldheer +Aristides+, met de Spartanen onder +Pausanias+ en sloegen het Perzische leger bij Plataeae, waar Mardonius viel en waar een groote buit behaald werd. -- Op denzelfden dag, zoo verhaalt men, gelukte het den Grieken, de Perzische vloot bij het voorgebergte +Mykale+ aan de kust van klein-Azië geheel te vernietigen. Sedert dien tijd was Griekenland weder vrij. -- 479.

Door het welslagen hunner pogingen aangemoedigd, waagden de Grieken nu, naar Klein-Azië te gaan om hun broeders daar van het Perzische juk te bevrijden. Aan het hoofd van de vloot der bondgenooten stond Pausanias, de Spartaansche koning en veldheer, die spoedig overwinningen behaalde. Men bemerkte echter, dat hij tot Perzische gewoonten overhelde en de Perzen begunstigde. Toen hij ook nog trotsch en uit de hoogte tegen zijne Grieksche bondgenooten zich gedroeg, ontstond er een groote onwil. Hij werd aangeklaagd van verraad en men ontnam hem het opperbevel. Daarentegen werd +Aristides+, die wegens zijne rechtschapenheid in groote achting stond, tot aanvoerder benoemd. Zoo verloor Sparta door den overmoed van Pausanias het steeds gehandhaafde voorrecht der opperste krijgsleiding, en dit ging nu op de Atheners over, die steeds machtiger werden. Pausanias werd voor 't gerecht gesteld. Hij wist zich echter tweemaal te redden. Toen eindelijk zijn verraad wereldkundig was en men hem straffen wilde, vluchtte hij snel in een tempel, waar naar oud gebruik niemand mocht worden lastig gevallen, ook de misdadiger niet. Toen versperden de Spartanen alle uitgangen van het gebouw en leverden hem zoo aan den hongerdood over.

6. Aristides vervulde zijn ambt als opperaanvoerder der Grieken met rechtvaardigheid en wijsheid. Hij leidde het daarheen, dat de gezamenlijke bondgenooten den Atheners jaarlijks eene bepaalde som tot de oorlogskosten betaalden; en zoo groot was het vertrouwen van allen, dat zij aan hem alleen het toezicht op het geld en de verdeeling der bijdragen overlieten. Aristides beantwoordde aan 't vertrouwen, dat men hem schonk, en met recht werd hij de +rechtvaardige+ genoemd. Themistocles had reeds vroeg met nijdigen blik op het aanzien gestaard, dat Aristides bij het volk genoot, en getracht hem van de staatszaken te verwijderen. Nu was in Athene de merkwaardige instelling, dat elk burger den naam van een man, dien hij wilde verbannen hebben, op de scherf of schaal van een zeemossel schreef en zoo tegen hem stemde. Dat was het schervengericht, waardoor ieder, als hij 6000 stemmen tegen zich had, zonder verdere omstandigheden in ballingschap gedreven werd. Het was vooral tegen +die+ mannen gericht, die te machtig werden en voor de vrijheid gevaarlijk schenen. De verbannene verloor echter noch zijne eer noch zijn vermogen. Ook was de verbanning slechts tijdelijk en kon herroepen worden. Themistocles had het werkelijk zoo ver gebracht, dat Aristides voor tien jaren verbannen was. Maar nauwelijks waren eenige jaren verloopen, of de Atheners hadden hun onrecht ingezien en Aristides teruggeroepen. Hij bestuurde de hem toevertrouwde bondkas met de grootste eerlijkheid, en stierf zoo arm, dat hij niet uit eigene middelen kon begraven worden. Toen betoonden zijne medeburgers zich dankbaar en zorgden ook voor de opvoeding van zijne kinderen.

7. Themistocles was er onvermoeid op uit, zijne vaderstad groot en machtig te maken. Hij bracht het ook den Spartanen ten trots daartoe, dat Athene met een muur omringd werd, en dat het door zijne zeemacht de opperheerschappij in Griekenland kreeg. Maar niettegenstaande alle verdiensten moest hij eindelijk als offer van 't schervengerecht vallen. De verbitterde Spartanen klaagden hem aan van verstandhouding met de Perzen, en rustten niet, vóór hij verbannen werd. En toen Themistocles op geene plaats van Griekenland meer veilig was, vluchtte hij naar Perzië. De opvolger van Xerxes nam hem vriendelijk op en hoopte van hem voordelen te erlangen. Toen Themistocles echter zag, dat hij tegen zijn vaderland werken moest, besloot hij liever te sterven en nam vergif. Te Magnesia in Klein-Azië werd hem een kostbaar gedenkteeken opgericht; zijn gebeente zou echter, op zijn eigen verlangen, heimelijk naar Griekenland gebracht zijn.

10. Pericles -- 444 v. Chr.

1. De oorlogen, die tot bevrijding der Grieken in Klein-Azië tegen de Perzen gevoerd werden, waren door +Cimon+, den zoon van Miltiades, tot een gelukkig einde gebracht. Tien jaren na de slagen van Plataeae en Mykale sloeg hij de Perzische zee- en landmacht bij de Eurymedon in Klein-Azië en twintig jaar later op nieuw bij de stad Salamis op Cyprus 449. De vier en veertigjarige Perzische oorlog was geeindigd, en Griekenland stond daar groot en machtig. Omstreeks dezen tijd trad te Athene een man op, die voor geheel Griekenland van de grootste beteekenis werd. Het was +Pericles+, de zoon van den beroemden +Xanthippus+, die bij Mykale de Perzische vloot vernield had. Pericles had eene innemende gestalte en was zeer beschaafd, even zoo uitstekend als veldheer als hij was als staatsman, en een redenaar, zooals Athene er nog geen gehoord had.

Aanvankelijk vond Pericles een geduchten tegenstander in Cimon, die zich aan het volk op alle wijze vriendelijk toonde. Toen echter Cimon eens de Atheensche troepen niet genoegzaam in bescherming nam tegen de plagerijen der Spartanen, verloor hij de gunst der menigte, en werd tot vreugde van Pericles een tijd lang verbannen. Nu trad de welsprekende staatsman op en wist zich het vertrouwen zijner medeburgers zoo te winnen, dat hij als een alleenheerscher regeeren kon, zonder zelfs ooit archont te zijn. Hij bevorderde den handel en de zeemacht, en sloot zulke voordeelige verbintenissen, dat Athene het toppunt van rijkdom en macht bereikte.

2. Pericles was ook een vriend van kunsten en wetenschappen. Van alle kanten riep hij de grootste kunstenaars en geleerden naar Athene en maakte zoo deze stad tot het middelpunt van alle streven van den geest. Men vond daar een glans, gelijk er nergens anders te zien was. De meesterwerken der bouwkunst, beeldhouw- en schilderkunst tooiden Athene op zoo grootsche wijze, dat men de overblijfselen daarvan nog heden bewondert. Geen volk van den ouden tijd heeft voor de schoone kunsten zooveel gedaan als de Grieken.

Onder de prachtige bouwwerken van Athene prijkte vooral de +burg+. Men besteeg dien langs trappen breed als straten, die beneden door een poort van zuilen met vijf bogen van marmer begrensd waren. Op het hoogste punt van den berg des burgs stond het reusachtige standbeeld van Athenes beschermgodin +Pallas+. Een goed oog kon het met zijn met struiken omgeven gouden helm reeds tien uur van Athene zien. Naast de prachtige hallen van den berg stond een tempel van wit marmer, een uitgelezen meesterwerk der oude bouwkunst, dat nog heden verbazing en bewondering opwekt. De voorhoven van dezen tempel waren met kostbare standbeelden versierd, en in het binnenste er van had +Phidias+, de vriend van Pericles, een afgodsbeeld gevestigd, dat van verblindend goud en elpenbeen was en in de hoogste mate beroemd werd.