Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid
Part 2
Kores was diep geroerd. Hij schonk Croesus het leven en hield hem als vriend en raadgever bij zich. Maar de landen, waarover Croesus geheerscht had, kwamen bij Kores' rijk, ± 549. Nu was er van het bekende land van Azië maar één groote staat over, die nog niet tot de Perzische heerschappij behoorde, Babylonië. Reeds had het geheimzinnige schrift aan den wand Belsazar verkondigd, dat zijn rijk _Upharsin_, aan de Perzen, zou komen. Maar de hoofdstad, Babylon, was sterk en groot. Prachtig lag zij aan beide zijden van den beneden-Eufraat en had 9 mijlen in omtrek. De haar omringende muur was als een toren zoo hoog en zoo breed, dat op haar kruin meerdere rijtuigen elkaar passeeren konden. Tot ingang waren er 100 koperen poorten. Ook de oevers van de rivier waren aan beide zijden door een hoogen muur besloten, die zooveel poorten had, als er straten op uitliepen. De brug, die over den Eufraat leidde, was 9 meters breed en aan elke zijde met een groot paleis getooid. Deze paleizen droegen op gewelfde terrassen de fraaiste tuinen, die met hun prachtigen aanleg vrij in de lucht schenen te zweven. Men noemde ze daarom de zwevende of hangende tuinen en telde ze tot de wonderwerken der oude wereld. Kende de legende ze toe aan Semiramis (blz. 14), de geschiedenis leert, dat Nebukadnezar ze had laten vervaardigen, om door den rijzenden en dalenden grond de glooiingen der bergen na te bootsen. Zijne vrouw was eene Medische prinses, dochter van Cyaxares, en verlangde in het vlakke Babylonië terug naar de berggezichten uit haar geboorteland. -- In een deel der stad, dat eene geduchte ruimte insloot, verhief zich een groote toren, die met den tempel aan zijn voet aan den zonnegod +Baal+ of +Bel+ gewijd was. Hij heette daarom toren van Baal, maar later ook Nimrodsburg, en bestond uit 8 verdiepingen, die naar boven altijd nauwer werden en met een trap voorzien waren.
Deze reuzenstad, van welke nog slechts puinhoopen voorhanden zijn, kon Kores niet met geweld veroveren, hij nam ze echter met list. Toen eens in Babylon een groot feest gevierd werd, liet hij in de duisternis van den nacht het water van den Eufraat afleiden. Daarop marcheerden de Perzen in de rivierbedding onder den muur door en overvielen de inwoners, die slechts aan hunne feestelijkheid gedacht hadden. Zoo werd Kores meester van Babylon en het geheele Babylonische rijk, 538, en gaf den Israelieten verlof naar het heilige land terug te gaan, waarmeê hunne 70 jarige Babylonische ballingschap eindigde.
3. Kores' veroveringstochten werden voortgezet door zijn zoon +Cambyses+. Deze, als zeer wreed afgeschilderd, was de onderwerper van Egypte, 525 (blz. 13). Spoedig daarna stierf hij en zou, bij ontstentenis van een zoon, opgevolgd zijn door een' jonger' broeder, hadde hij dien niet reeds vroeger in 't geheim laten vermoorden. Nu nam een Medisch priester de rol van dezen op, en, als hij zich had kunnen handhaven, dan waren de Meden weêr het hoofdvolk geworden. Maar nadat Pseudo-Smerdis, zoo noemt het Grieksche verhaal hem, eenige maanden geregeerd had, werd hij door saamgezworenen van den troon gestooten, en +Darius+, de naaste bloedverwant van Cambyses, werd heerscher. Hij kwam in Europa, trok den Donau over tegen de Scythen, onderwierp op zijn terugtocht Thracie en Macedonië gedeeltelijk (dit werd de 20ste satrapie[1] van zijn groot rijk), bedwong de opgestane Grieken in het westen van Klein-Azië, ± 500, en vond in de hulp, die dezen uit het moederland ontvangen hadden, voorwendsel en aanleiding om ook Griekenland aan te vallen. Dit stiet het Perzische rijk van het toppunt zijner macht af, zooals wij later bij de Grieken zullen zien.
[1] Om opstanden te voorkomen, had hij overal satrapen.
4. De Perzen waren een dapper en vrijheidlievend volk en hadden veel overeenkomst met de oude Duitschers. Zij zorgden voor eene krachtige opvoeding van hunne kinderen, en haatten den leugen als de grootste ondeugd. Het krijgswezen was bij hen ver ontwikkeld. De sterkte van het leger lag in de ruiterij. Met het 20ste jaar werd elk man, in staat de wapenen te dragen, aan eene bepaalde legerafdeeling toegevoegd, en bleef dan tot zijn 50ste jaar in krijgsdienst. De Perzische koningen regeerden geheel onbeperkt; maar toch wisten de priesters, +magi+ genoemd, hun invloed te doen gelden.
De godsdienst der oude Perzen was eene vereering der natuur. Zij hielden hun' godsdienst op de wijs der oude Germanen, zonder tempels of beelden, in de vrije natuur, en aanbaden vooral het +vuur+. Toen zich later veel afgoderij ontwikkeld had, trad een wijs man op, +Zoroaster+, en werd de eigenlijke stichter van het geloof, dat in de heilige boeken +Zendavesta+, d. w. z. tekstverklaring, is ontwikkeld. Volgens deze is er naast den goeden wereldschepper +Ormuzd+ nog een booze geest +Ahriman+, en vele aan hen ondergeschikte wezens, goede en kwade engelen. Ook Ahriman was aanvankelijk goed en werd eerst door nijd omgekeerd. Zijn element is de duisternis, gelijk dat van Ormuzd het licht is. Na langen tijd en zware boete zal hij weêr heilig en goed worden. Als eenmaal de beheerscher van het booze geheel overwonnen is, volgt de opstanding der dooden en de verjonging der wereld.
De belijder van deze leer moet deugdzaam, weldadig en gastvrij zijn; nooit mag hij het streven der boozen onverschillig en zorgeloos aanzien; hij zal zich rein houden ook in zijne gedachten. Dit schoone voorschrift betrekkelijk de innerlijke reinheid werd later geheel uiterlijk opgevat. Er ontstonden zonderlinge manieren van reiniging; eindelijk gold zelfs al het menschelijke voor onrein, terwijl het vuur voor zoo heilig verklaard werd, dat men het niet aanblazen mocht, en dat men het tot geene bezigheid aanwenden moest. Daarbij kwamen nog andere bevreemdende stellingen, die de godsdienstleer van Zoroaster zeer verbijsterden. Desniettemin handhaafde zij zich langen tijd, en de vuurdienst duurt bij een klein gedeelte der Perzen, bij de +Parsen+ of +Gebers+, nog thans voort.
* * * * *
De geschiedenis der +Joden+ mag als bekend verondersteld worden; daarom volgen hier slechts de voornaamste jaartallen: Abraham ± 2000 v. Chr.; Jozef 1800; Mozes 1500; Salomo 1000; verdeeling van het rijk in 10 en 2 stammen 986; verwoesting van het rijk Israël door Salmanasser, koning van Assyrië aan den Tigris, ± 725, (blz. 14); verwoesting van 't rijk van Juda 586 door Nebukadnezar, koning van Babylonië, aan den Eufraat (blz. 15); terugkeering uit de gevangenschap 536, door Kores, koning van Perzië (blz. 19).
4. De Phoeniciërs.
1. Naast de Joden, aan de bergachtige kust der Middellandsche zee, woonden de +Phoeniciërs+, die in den bijbel dikwijls vermeld worden. Hun geheele landje was nauwelijks dertig mijlen lang en hoogstens vijf mijlen breed. Van het overige Azië was het door het hooge gebergte van den Libanon gescheiden, die het in den vorm van een halven cirkel omringt. Daar het land grootendeels onvruchtbaar, de zee daarentegen zeer vischrijk was, zoo moesten de Phoeniciërs reeds vroegtijdig ter zee zich begeven. De prachtvolle cederen van den Libanon gaven hun het noodige hout tot den bouw der schepen. Hun smalle landje had voortreffelijke havens. Zoo kon het niet missen, of de Phoeniciërs moesten spoedig tot scheepvaart geraken. Zij waagden zich stoutweg op de open voor hen liggende Middellandsche zee en dreven belangrijken handel. Daar zij echter de magneetnaald, die steeds naar 't noorden wijst en zoo de hemelstreken aangeeft, nog niet hadden, moesten zij op hunne vaarten vaak landen en zich rustplaatsen kiezen. Daardoor ontstonden nederzettingen of +koloniën+, die voor den handel buitengewoon belangrijk werden.
2. De eerste landingsplaats der Phoeniciërs was wel het nabij liggende eiland +Cyprus+, waar zij zeer vroeg koperbergwerken ontdekten. Voorts voeren zij naar +Creta+, het tegenwoordige +Candia+, dat van hooge krijtrotsen doortrokken is. Van hier zeilden zij naar de eilanden en kusten van Griekenland en Klein-Azië. Toen echter de Grieken zelf een machtig volk werden en scheepvaart dreven, wendden de Phoeniciërs zich naar +Noord-Afrika+. Hier stichtten zij vele steden, onder andere Hippo, Tunis en vooral +Karthago+. Tegenover deze legden zij ook op de eilanden +Sicilië+ en +Sardinië+ koloniën aan.
Het gewichtigst was echter de Phoenicische handel op +Spanje+. Hier was goud, zilver en andere kostbare metalen in groote menigte. De oude inwoners, die de waarde van hunne bezitting niet kenden, ruilden gaarne met de Phoeniciërs, en dezen verzuimden niet hun voordeel op het schoone land te zoeken. De hoofdzetel van hun Spaansche koloniën was in het Zuiden, waar zij veel steden stichtten, b. v. +Gades+ (+Kadix+), +Malaka+, enz. De Phoeniciërs zouden ook door de zeeëngte van +Gibraltar+ naar den Atlantischen Oceaan gevaren zijn en uit de +Engelsche+ eilanden tin, ja zelfs uit de Oostzee het barnsteen gehaald hebben.
Behalve hun scheepvaart dreven zij een grooten handel te land, naar Egypte, Arabië, naar den Euphraat en verder; ook bezaten zij koloniën aan de Roode en Perzische zee en zelfs in Indië.
3. De werkzaamheid der Phoeniciërs was voor de ontwikkeling van verkeer en beschaving zeer zegenrijk. Zij verbreidden veel nuttige wetenschappen en verbeterden de uitvindingen, die zij bij andere volken aantroffen, zooals het +letterschrift+, dat zij van de Egyptenaren leerden. De +glasbereiding+, die het eerst door hen uitgevonden zou zijn, was reeds vroeger bij de Egyptenaren bekend. De Phoeniciërs hebben echter de verdienste, dat zij deze en andere nijverheidstakken vlijtig dreven en in grootere kringen bekend maakten. Zij vervaardigden uit glas verschillende vaatwerken en versierselen, bebouwden de bergen, bewerkten het erts, maakten afbeeldingen en stikwerken en waren vooral bekwaam in weven en verven. Zij hadden de +purperkleur+, die, zooals men vertelt, door een herdershond ontdekt en in den ouden tijd zeer duur betaald werd. Hoe veel andere uitvindingen en ontdekkingen zouden er wel door dat werkzame, nijvere volkje uitgevonden of volmaakt en verbreid zijn! De +rekenkunst+ wordt nog uitdrukkelijk als hun uitvinding aangewezen; de handel moest ook noodwendig tot deze leiden. Zoo is het ook met de vervaardiging van +geldstukken+ of +munten+.
4. De +Phoeniciërs+ waren door hun uitgebreiden handel langzamerhand het rijkste en aanzienlijkste volk geworden. Hun vroeger zoo arm landje scheen een schoone lusthof. Alle 4 uren was een schoone hoofdstad met voortloopende plantsoenen tot aan de volgende. Iedere stad met haar gebied maakte een afzonderlijken staat uit. Zij hielden echter ook gemeenschappelijke beraadslagingen en verbonden zich tot grootere ondernemingen. De hoofden der afzonderlijke staten werden dikwijls koningen genoemd; zij waren echter waarschijnlijk slechts hooge beambten. De oudste stad van het land was +Sidon+. Beroemder dan zij, ja de beroemdste handelstad der oude wereld was +Tyrus+, een kolonie der Sidoniërs, daarom ook dochter van Sidon geheeten. In den tijd van den Joodschen koning +David+ stond Tyrus onder zijn koning +Hiram+ op het toppunt zijner macht. Het verdrag, dat +Hiram+ met +Salomo+ wegens den tempelbouw te Jeruzalem sloot, is om zijne hooge oudheid zeer merkwaardig.
Phoenicië was toen de markt van de geheele bekende wereld. Alles wat men om te leven of tot vermaak noodig had, kwam uit de hand der Phoeniciërs. Welk leven was er in de steden en aan de kusten! Daar waaiden de zeilen, daar snorden de raderen, daar gingen de hamers; alles leefde, bewoog zich en handelde. Steden en oevers wemelden van bezige menschen. Het land was een gelukkig land te noemen. Maar rondom woonden volken, die oorlogzuchtig waren en dikwijls den vrede der Phoeniciërs stoorden. +Salmanassar+, de strijdlustige koning van Assyrië, die het rijk Israël vernietigde, onderwierp de Phoenicische steden en verdrukte ze hard. Later kwam +Nebukadnezar+ van Babylon en bestreed Tyrus zooals Jeruzalem. De inwoners van Tyrus verdedigden zich dapper, zoodat de belegering, zooals men verhaalt, bijna 13 jaren duurde, en toen Nebukadnezar eindelijk de stad veroverd had, vond hij ze zonder menschen. De inwoners hadden ze met al hun have verlaten en waren naar een naburig eiland gevlucht, waar zij spoedig weder een nieuw Tyrus oprichtten met al de pracht van 't oude. Dit werd de hoofdzetel van den wereldhandel en bleef het, tot dat, 300 jaar later, de koning +Alexander van Macedonië+ kwam en de stad na eene belegering van zeven maanden veroverde. Hij liet haar wegens haar wanhopigen tegenstand in puinhoopen verkeeren. De inwoners werden neergesabeld, aan het kruis geslagen of als slaven verkocht. Alexander liet Tyrus wel weder opbouwen, maar de oude heerlijkheid was voorbij, want hij grondde nog in 't zelfde jaar een stad aan den mond van den Nijl, naar hem Alexandrië geheeten, die den handel van Tyrus wegtrok. Sedert dien tijd is het Phoenicische kustenland door voortdurende verzandingen tot een ware zandwoestijn geworden en armelijke visschershutten staan heden daar, waar vroeger de volkrijkste steden bloeiden.
Verreweg de belangrijkste van alle Phoenicische koloniën was Karthago, op de noordkust van Afrika, oorspronkelijk eene Sidonische nederzetting, maar die van Tyrus nieuw bloed en leven kreeg, en na de rampen dezer stad op hare beurt eeuwen lang bloeide. Haar gebied strekte zich rechts en links uit en reikte diep landwaarts in. Naar 't voorbeeld van 't moederland coloniseerende, kwamen Sardinië, Corsica en de grootste westelijke helft van Sicilië in haar bezit. Later zullen we het in den kamp tegen Rome zien ondergaan.
5. De Grieken.
1. Griekenland is aan drie kanten door de zee omringd, en in 't noorden, waar het met het vaste land samenhangt, wordt het door hooge gebergten begrensd. De zee vormt tallooze en groote bochten, waardoor de scheepvaart zeer gemakkelijk wordt gemaakt. De bodem is bergachtig en bevat eene menigte kleine landschappen die meest alle vruchtbaar en bekoorlijk zijn. Het oude Griekenland, een beetje grooter als het nieuwe, was om zijn schoonheid zeer beroemd. Men onderscheidt van het noordelijke deel des lands het schiereiland +Morea+, vroeger +Peloponnesus+ genoemd, waarbij nog vele eilanden behooren. De Grieken hadden ook talrijke nederzettingen aan de kusten van de Middellandsche zee, voornamelijk in klein-Azië en Italië (bladz. 32.) Griekenland werd door veel kleine volksstammen bewoond, die uit Azië afkomstig waren. Onder dezen traden langzamerhand de Hellenen op den voorgrond, wier naam nog heden bestaat en met dien van Grieken één is. Verscheidene sagen wijzen er op, dat ook vreemde volksstammen naar Griekenland kwamen, die reeds een hoogeren graad van beschaving bezaten, namelijk uit Egypte en Phoenicië. Naast deze sagen zijn vooral beroemd die, welke van groote helden vertellen, b.v. van +Hercules+.
2. De Grieken vereerden veel goden en godinnen, die zij zich geheel menschelijk voorstelden, terwijl zij hun een hoogere macht toeschreven. De koning der goden was +Zeus+ of +Jupiter+, die naar de schikkingen van het noodlot alles bestuurde, en met de hemellingen op den +Olympus+, een berg in +Thessalië+, in het noorden van Griekenland, woonde. De bode en middelaar tusschen goden en menschen was +Hermes+ of +Merkurius+, die met een staf en vleugels aan de hielen afgebeeld werd. De +Muzen+ waren de beschermsters der muziek en andere kunsten. Behalve dat dachten de Grieken zich de geheele natuur als bezield en met hoogere wezens vervuld. Elke beweging in de natuur scheen hun een werk van de een of andere godheid te zijn. Ook in het innerlijke der menschen werkten de godheden als rechters van gezindheden en handelingen.
De Grieken geloofden ook, dat de goden soms uit hun hemelsche woningen op de aarde nederdaalden en hier op geheimzinnige wijze van de toekomstige dingen spraken. Als uitverkoren woonsteden der goden en hunner openbaringen golden vooral zulke plaatsen, waar schrik der natuur of heilige herinneringen tot geloovige aandacht stemden. Daarheen deden de Grieken bedevaarten, om bij de priesters raad te halen, als er gewichtige aangelegenheden te beslissen waren. Zulke door de priesters medegedeelde uitspraken werden +orakels+ genoemd en onvoorwaardelijk geloofd. Ook machtige personen eerden de orakels, daar zij zich gunstige antwoorden wisten te verschaffen en zoo hun plannen gemakkelijk uitvoeren konden. Het beroemdste orakel van Griekenland was te +Delphi+, aan den voet van den berg +Parnassus+, in het midden van het land.
3. De Grieken waren een vriendelijk, levenslustig volk en beminden spel en dans, ook bij de heilige feesten. Er waren verscheidene plaatsen, waar regelmatig alle 4 jaren geheel Griekenland tezamenkwam om groote spelen te vieren. Deze bestonden uit wedloopen, wagenrennen, worstelen, vuistgevechten, springen en dergelijke. Naast den lichamelijken wedstrijd was er ook een geestelijke, daar dichters, redenaars en kunstenaars hun werken voordroegen. Dan waren er vroolijke feesten, die meestal 5 dagen duurden. De namen der overwinnaars werden uitgeroepen en met gejuich door de aanwezenden herhaald. De prijs der overwinnaars was slechts een olijventak die het echter aan roem van een koningskroon won en niet slechts hem, die hem behaalde, maar ook zijn familie en vaderstad verheerlijkte. Onder de nationale spelen der Grieken waren de +Olympische+ -- naar Olympia, een vlek op Morea, genoemd -- de beroemdste. Naar deze werd de tijdrekening bepaald en men noemde een tijdruimte van 4 jaren, met 776 v. Chr. beginnend, een +olympiade+.
6. De tocht naar Troje. -- 1200 v. C.
1. De Grieken hadden geen godsdienstboek zooals de Perzen en Joden; zij lazen en leerden in de plaats daarvan de groote gedichten, die men een ouden zanger, +Homerus+ genaamd, toeschrijft en die den tocht der Grieken naar Troje behandelen. De stad +Troje+ lag in Klein-Azië, aan de westkust, en was de schouwplaats van een langen oorlog, waarover wij naar de oude verhalen iets zullen hooren.
De Trojaansche koning +Priamus+ had een zoon, +Paris+ genaamd, die eens +Menelaus+, koning van +Sparta+, in Griekenland, bezocht en daarbij diens vrouw, Helena, roofde. Deze vermetele daad deed gansch Griekenland opstaan en alle vorsten verzamelden zich om naar Troje te trekken en wraak te nemen. Tot aanvoerder van den krijgstocht werd +Agamemnon+, de broeder van Menelaus, gekozen. Onder de overige vorsten van Griekenland zijn vooral de sluwe +Odysseus+ en de dappere +Achilles+ te onderscheiden. Er werden 1200 schepen tot overbrenging van 't leger gebouwd, dat wel 100000 man sterk was, en de strijd om Troje begon.
Deze stad was echter niet zoo licht te veroveren als de Grieken meenden. Zij had hooge muren en torens en werd zeer dapper verdedigd. Aan het hoofd van het trojaansche leger stond +Hector+, een zoon van Priamus, die in moed en kracht met iederen Griek kon wedijveren. De groote vlakte tusschen de stad en de ligplaats der schepen was de kampplaats, waar beide volken de grootste heldendaden uitvoerden. De aanvoerders streden gewoonlijk op strijdwagens, de gemeene krijgers te voet; ruiterij had men nog niet. De wapens bestonden in lansen, zwaarden, werpspiesen, steenen en bogen. Tot dekking dienden hooge kegelvormige helmen, borstharnassen en beenbekleedsels, alles van metaal en groote schilden, die gewoonlijk uit runderhuiden bestonden, maar dikwijls met metaal ingelegd waren. De slagordening was tamelijk ongeregeld. Voor de legers aanvielen, was er gewoonlijk een tweestrijd tusschen de dappersten.
Het was een groot nadeel voor de Grieken, dat hun grootste held Achilles een geruimen tijd zich geheel van den strijd terugtrok uit bitteren haat tegen Agamemnon, met wien hij twist had. Maar toen zijn boezemvriend, Patroclus, door Hector verslagen was, verhief hij zich als een brullende leeuw en rustte niet, vóór hij Hector gedood had. Het lijk van Hector liet hij door paarden sleepen, maar gaf het eindelijk op de beden van Priamus tot een plechtige begrafenis terug. Toen zich later de strijd vernieuwde, viel ook Achilles, getroffen door een pijl van Paris.
2. Nadat de Grieken 10 jaar voor Troje gestreden hadden, werden zij de lange belegering moê en wenschten naar huis te gaan. Toen gaf de sluwe Odysseus den raad, de stad met list te veroveren. Men bouwde een houten paard, zoo groot als een toren en verstak daarin dertig helden, waaronder ook Odysseus was. Dit houtwerk liet men in de legerplaats staan en deed toen alsof men geheel afreisde. De Grieken zeilden echter slechts naar een nabijzijnd eiland en stelden den arglistigen +Sinon+ aan om de Trojanen te bedriegen. Deze kwamen spoedig naar de verlaten legerplaats der Grieken en verwonderden zich niet weinig over het houten paard. Toen zij Sinon zagen, namen zij hem gevangen en ondervroegen hem. Hij verklaarde met veel sluwheid, dat de Grieken het paard op goddelijk bevel gebouwd en daarom zoo groot gemaakt hadden, omdat zij niet wilden dat het in de stad zou komen; als dat gebeurde, zou Troje naar de uitspraak der priesters nooit ondergaan. De Trojanen geloofden deze woorden en gingen dadelijk pogingen doen om het houten paard in de stad te halen. Zij wierpen een deel der muren om en voerden het met een grooten optocht door de lange straten naar den burg en den tempel. Toen alles sliep, opende Sinon het houten paard en liet er de geharnaste mannen uit. Deze liepen naar de poorten, waar de Grieken reeds wachtten en lieten ze binnen. Daar vlogen van alle kanten de vlammen in de hoogte en er begon een verwoesting, die vreeselijk was. De Trojanen streden als razenden, maar het was te vergeefs. De geheele stad werd verwoest en al het volk met Priamus en zijn zoons gedood. Slechts een klein hoopje redde zich, waarbij de vrome +Aeneas+, die eindelijk naar Italië kwam en hier zeer machtig werd. Menelaus bekwam zijn Helena weder, maar het schoone Troje lag in puinhoopen.
De Grieken hadden op hun terugkeer veel ongeluk te verdragen. Geweldige stormen verbrijzelden een deel der schepen, zoodat bijna de helft der manschap verdronk en jaren lang dwaalden de overgeblevenen in verwarring rond. De meeste en wonderbaarste lotgevallen had Odysseus. Hij moest tien jaar in de wereld omdwalen eer hij eindelijk het vaderland bereikte en kort daarvoor zijn zoon Telemachus aantrof, die lang naar hem gezocht had. In de schoone gedichten van Homerus zijn ook Odysseus' omzwervingen bezongen. De legende spreekt verder van de terugkomst der Heracliden, afstammelingen van Heracles, de helden van Troje; de geschiedenis van een vrij algemeene verhuizing der Grieken, waartoe de bewoners van Doris in Midden-Griekenland[2] den stoot gaven. Daarnaar noemt men ze de +Dorische volksverhuizing+, maar, zooals we zoo even zeiden, het was eene algemeene verplaatsing, ten gevolge waarvan de Peloponnesus de hoofdzetel der Doriërs werd, Attica die der Joniërs; dit waren de twee hoofdstammen. Maar men ging ook verder. Vele Grieken van verschillende stammen gingen zich elders vestigen, gelijk wij ook de Phoeniciërs hebben zien doen, en zoo ontstonden een menigte Grieksche volkplantingen, +nederzettingen+, zelfstandige republiekeinsche steden (blz. 26). Links en rechts vond men ze, als:
op Sicilië: +Syracuse+, Agrigentum, Selinus, enz.
in Zuid-Italië zoo vele, dat dit naar de nieuwe bewoners den naam van Groot-Griekenland kreeg, o. a. Neapolis (nu Napels), Maloënton (later Beneventum), Tarente, Sybaris, Croton;
in Spanje Saguntum; in Gallië (Frankrijk) Marseille;
in Macedonië: Olynthus, Thessalonica, e. a.;
in Thracië Byzantium (nu Konstantinopel);
rondom de Propontis en de Zwarte Zee, zelfs eene aan de monding van den Don, even als deze Tanaïs geheeten;
langs en in de Aegaeïsche zee. Vooral de laatste, aan de westzijde van Klein-Azië, waren talrijk en bloeiend. Zoo waren o. a. Smyrna, Ephesus en Miletus Ionisch, gelijk de eilanden Samos, Chios en Euboea; Aeolisch waren de eilanden Lemnos en Lesbos; Dorisch de zuidelijke Cycladen en Sporaden, Rhodus en Creta.