Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid

Part 1

Chapter 13,714 wordsPublic domain

ALGEMEENE Geschiedenis IN VERHALEN.

Een Leesboek BESTEMD TOT ZELFONDERRICHT EN TOT LEIDDRAAD BIJ HET ONDERWIJS.

Vrij naar het Hoogduitsch van H. SOLGER.

OUDHEID.

APELDOORN, N. A. HINGST. 1880.

N.B. Men zoeke den inhoud van dit eerste deeltje achterin; den inhoud van het 2e deeltje (+Middeleeuwen+) op de keerzijde.

ALGEMEENE GESCHIEDENIS IN VERHALEN.

EEN LEESBOEK BESTEMD TOT ZELFONDERRICHT en TEN GEBRUIKE aan INRICHTINGEN van ONDERWIJS.

Vrij naar het Hoogduitsch van H. SOLGER.

OUDHEID.

APELDOORN, N. A. HINGST.

STOOMDRUK VAN J. VAN BOEKHOVEN TE UTRECHT.

I. DE OUDHEID.

1. Inleiding.

1. Het ligt volstrekt niet in onze bedoeling, hier van het ontstaan der wereld en der menschen te spreken. Wat daarover door geleerde mannen geschreven is, laat zich niet zoo licht begrijpelijk maken. Zooveel schijnt echter duidelijk, dat eerstens de aarde reeds sedert duizenden jaren bestaat, dat zij verder merkwaardige veranderingen ondergaan heeft, en dat ook de menschen reeds zeer lang daarop aanwezig zijn en zich eerst langzamerhand ontwikkeld hebben.

Door de opgravingen, die steeds ijverig worden voortgezet, heeft men omtrent de ontwikkeling der aarde zeer belangrijke ervaringen opgedaan. Daarbij heeft men bevonden, dat er in overoude tijden reeds menschen waren, en dat dezen hunne woonplaatsen dikwijls op palen in 't water bouwden, weshalve men van +bewoners van paaldorpen+ spreekt. Dezen hadden aanvankelijk slechts +steenen+ gereedschappen, en er verliepen vrij lange tijdperken, eer men door middel van het vuur de metalen, vooral het +ijzer+, verwerkte. De oudste werktuigen zijn in elk geval de +wapenen+, waaronder hamer en speer den oudsten rang bekleedden. Met pijl en boog werd de grond gelegd tot de jacht; de bijl en het mes dienden ook tot vreedzame doeleinden.

2. Ofschoon de mensch aan lichamelijke kracht bij de dieren achterstaat, overtreft hij hen toch door zijn verstand zoo, dat hij ze aan zich dienstbaar kan maken. Terwijl hij nuttige dieren aan zich gewende en die aankweekte, legde hij den grond tot de +veeteelt+; en door de vruchten der planten te verzamelen en de zaden uit te strooien, leerde hij langzamerhand den +akkerbouw+, die eene bron van den rijksten zegen werd. Want terwijl de herder om den wil der weilanden dikwijls verhuizen moet en weinig vormenden of ontwikkelenden arbeid heeft, is de landman die den oogst afwacht, aan een bepaalde woonplaats gebonden en moet bij zijn doen op het veld en te huis bestendig nadenken en zoodoende ook tot betere inrichtingen geraken. De rondtrekkende herder wil weinig genooten, om aan zijne kudde veel plaats te verzekeren; de gezeten landman ziet gaarne, dat naast zijne woning nog andere bestaan. De akkerbouw bevorderde dus het vreedzame samenleven der menschen, en dit bracht de maatschappelijke ordeningen, +gemeenten+ en +stammen+, +volken+ en +staten+ te voorschijn. Daarmeê ontstonden tevens rechters en aanvoerders, hoofdmannen en vorsten, die gewoonlijk allen gekozen werden. Bij verscheidene volken traden echter ook de sterksten op den voorgrond en verlangden de onderwerping der anderen. Dat waren de +tyrannen+, die men in de geschiedenis zoo veelvuldig vindt, en die tot zooveel +oorlogen+ aanleiding gaven.

3. Door het onderling verkeer der menschen moest zich ook noodzakelijk de +taal+ ontwikkelen. Er is geen menschelijke stam, die zonder taal is, al zou deze dan ook nog zoo beperkt zijn. Gelijk echter de menschen naar kleur, gestalte en levenswijze zeer verscheiden zijn, zoo hebben zij ook zeer verschillende talen.

Zoodra de menschen in verkeer traden, moest ook de +handel+ ontstaan, die waarschijnlijk eerst slechts eene ruiling van voorwerpen was. Deze soort van handel is ook nu nog bij wilde volken te vinden. Daar echter het ruilen niet altijd mogelijk is, zoo moest men zekere dingen als maatstaf van waarde nemen, aanvankelijk wel schelpen, vruchten en dergelijke, later ook metalen stukken, waardoor ten laatste het +geld+ ontstond.

De handel kreeg eerst zijne rechte uitbreiding en verbetering, toen men schepen ging bouwen en zich op de zee wagen. De +scheepvaart+ is over 't algemeen voor de ontwikkeling der wereld van de hoogste beteekenis. Dit blijkt reeds daaruit, dat de volken, die aan de zee wonen, zich sneller ontwikkelen en eerder machtig worden dan de andere, die daarvan verwijderd zijn en geen zeehandel hebben.

Er ligt ten zuiden van ons werelddeel, midden tusschen Europa, Azië en Afrika, eene groote zee, de Middellandsche genoemd. Aan de oevers van deze woonden de oudste en beschaafdste volkeren, die wij kennen. Wij beginnen met de Egyptenaren, wier berichten tot in de hoogste oudheid opklimmen.

2. De Egyptenaren.

1. Egypte ligt in Afrika, grenst aan de Middellandsche en Roode zee, en wordt in zijne geheele lengte door den Nijl doorsneden. Deze machtige stroom is de grootste weldoener van 't land. Hij bevrucht den bodem door zijne overstroomingen en maakt hem tot de eerste voorraadschuur der wereld. Naar den loop van den Nijl werd het oude Egypte in drie deelen verdeeld: in +Opper-Egypte+ met de stad +Thebe+, in +Midden-Egypte+ met +Memphis+ en in +Beneden-Egypte+, waar later +Alexandria+ ontstond. Bijna eene mijl van den oever der zee af lag het eiland +Pharos+, dat door een' dijk met het vaste land verbonden werd. Op dit eiland verhief zich de beroemde lichttoren, +Pharos+ genoemd, naar welken later alle andere dien naam gekregen hebben. Hij diende in donkere nachten als wegwijzer voor de naderende schepen met hooge zee, en werd onder de wonderen der oude wereld gerekend.

2. Geen volk heeft aan de nakomelingschap zulke reusachtige gedenkteekenen zijner bouwkunst nagelaten, als de Egyptenaren. Het eerst van alles moeten de +pyramiden+ vermeld worden, die in Midden-Egypte, aan de westzijde van den Nijl, staan. Het zijn groote, vierhoekige gebouwen, die naar boven altijd smaller worden en inwendig uit veel gangen en kamers bestaan. Gewoonlijk uit kalksteen gebouwd, bereiken zij eene hoogte van 5 tot 140 meters, en zijn niets dan gedenkteekenen van Egyptische koningen.

De Egyptenaren besteedden in 't algemeen veel vlijt aan de graven en lijken. Om het bederf der dooden te verhinderen, overtrokken zij ze met een verhardende, doorzichtige stof, de aardhars +mum+, waarnaar men de gebalsemde lijken +mumiën+ noemt. Deze zijn gedeeltelijk tot aan den huidigen dag in stand gebleven, zien er zwart uit en zijn zoo hard als steen. De rustplaatsen der ontslapenen werden in de westelijk gelegen rotsbodems uitgehouwen, waar zij door den buiten zijne oevers tredenden Nijl niet konden verontrust worden. Onder de graven zijn de +katakomben+ bij Thebe beroemd, die uit eene menigte gangen, vertrekken, zalen en trappen bestaan en met beelden en schriftteekens versierd zijn.

In Opper-Egypte zijn ook de +obelisken+ opmerkelijk, vierhoekige zuilen uit een' enkelen steen, van graniet gewerkt, 15-30 meters hoog en tot 2 meters breed, fijn gepolijst en met beelden voorzien. Zij werden voor tempels, paleizen en tuinen geplaatst en dienden tot sieraad of tot gedenkteekenen van merkwaardige gebeurtenissen, later ook als zonnewijzers. De monsterachtige massa's der obelisken werden ten tijde der overstrooming van den Nijl op vlotten bijeengebracht en dikwijls door bijzondere kanalen vervoerd. In Midden-Egypte bevinden zich de overblijfselen van een reusachtig gebouw, dat uit twaalf paleizen bestond en 3000 kamers bevatte. Ook dit bouwwerk, +labyrinth+ genoemd, was met kunstige beelden getooid.

3. De schriftteekens, die zich op de gedenkteekenen der Egyptische bouwkunst bevinden, zijn van een geheel eigenaardige soort. Zij bestaan namelijk uit beelden, die met groote netheid geteekend zijn en, òf het voorwerp zelf voorstellen, òf, als dit niet mogelijk is, als b.v. bij eigenschappen, bekende zinnebeelden geven, als de bij voor vlijt en dergelijke, of ook zekere klanken aanduiden. Deze teekeningen werden +hieroglyphen+, d. i. heilig schrift, genoemd en lang als geheimenissen met verwondering beschouwd. Sedert men echter bevond, dat zich onder de schriftbeelden ook dezulke bevinden, die vaak wederkeeren, vermoedde men, dat de Egyptenaren dikwijls als wij, bepaalde klanken door bepaalde teekens uitdrukten. Op het eind der vorige eeuw nu deed men eene belangrijke ontdekking. Met Bonaparte, toen generaal der Fransche republiek, vóórdat hij keizer werd, waren een aantal geleerden naar Egypte gegaan. In den Nijlmond bij Rosette vond men een steen met opschriften uit de oudheid. Hij vermeldde het besluit tot huldiging van een vorst omtrent 2 eeuwen vóór onze jaartelling, in hieroglyphen, het toen nog raadselachtige heilige schrift der oude Egyptenaren, en in het Grieksch, in de laatste eeuwen vóór Christus de algemeene taal in de oostelijke landen der Middellandsche zee. Er was bij vermeld, dat de inhoud der verschillende opschriften gelijkluidend was. Maar hiermeê was de sleutel tot de hieroglyphen nog niet gevonden; dit is eerst veel later (± 1821) gelukt aan Champollion, een Fransch geleerde. Na den dood van het overoude Egyptisch toch had er in het Nijldal eeuwen lang eene taal geleefd, die nu ook reeds dood, maar toch nog bekend was, het +Koptisch+. Men kwam op de gedachte der mogelijkheid, dat er verwantschap kon bestaan tusschen deze taal en de vroegere. Als proef vertaalde men het Grieksche opschrift van den steen in het Koptisch, en vond toen eene merkwaardige en verrassende overeenkomst tusschen de letterfiguren van de stammen dier woorden en de hieroglyphen op den steen. Op deze bevinding kon men voortbouwen ter ontcijfering van het schrift, ook van verscheidene andere inscripties, waaraan men eene veel nauwkeuriger kennis van het oude Egypte te danken heeft. Men nam waar, dat de Egyptenaren in den loop des tijds een +klankenschrift+ gevormd hadden, daar zij eerst dezelfde woorden, vervolgens dezelfde lettergrepen en klanken door bepaalde beelden voorstelden en deze steeds meer vereenvoudigden.

Als men zeer duidelijk zien wil, hoe nuttig +de uitvinding der klankteekens of letters+ is, behoeft men slechts aan de +Chineezen+ te denken. Dit volk, dat naast de Egyptenaren en +Indiërs+ tot de oudste volken der wereld behoort, heeft nog heden geen volledig stel van letters, maar voor elk woord eene afzonderlijke figuur. Daar heeft men nu veel duizenden schriftteekens te leeren, wat veel tijd en groote inspanning vereischt, terwijl wij slechts twee dozijn letters hebben te leeren, waarmeê wij alle woorden lezen en schrijven kunnen. Het letterschrift behoort tot de meest grootsche uitvindingen van den mensch. Het geeft gemakkelijkheid om het ervarene en gedachte vast te houden en uit te breiden; het behoedt de gebeurtenissen voor vergetelheid en bevordert de beschaving in hooge mate.

Terwijl men in oude tijden meestal op steenen of metalen schreef, waren de Egyptenaren zoo gelukkig eene plant te hebben, waarvan zij een schrijfmateriaal vervaardigen konden. Zij hadden de +papyrusstruik+, die aan ons papier den naam gaf. Deze heeft eene vezelachtige huid, die men in enkele lange deelen uitleggen kan. Had men de vezels naast elkander gelegd en met warm Nijlwater begoten, dan bracht men eene tweede laag vezelen dwars over de eerste, perste beide samen, liet ze drogen en streek ze glad. Zoo was een papier gereed, dat voor den ouden tijd van de grootste beteekenis was.

4. De Egyptenaren waren in standen verdeeld, die men gewoonlijk +kasten+ noemt. Er waren er vier à zeven. De geëerdste kaste was die der +priesters+. Zij waren opvoeders en raden der koningen, die men hier +pharao's+, d. i. verhevenen, noemde; zij richtten het volk naar eigene wetten; zij namen den loop der sterren waar en regelden den kalender; zij waren de eenige geleerden in het land. Naast de priesters waren de krijgslieden de +aanzienlijkste+ kaste. Dezen vormden geen heir van soldaten, maar waren vrije burgers met grondeigendom en woonden in afgezonderde rechtsgebieden. De overige kasten bestonden uit +landbouwers+, +handwerkslieden+, +schippers+ en +herders+, en hadden minder rechten dan de priesters en krijgslieden. Deze waren veeleer de alleen heerschende klassen, die ook in 't bezit van alle landerijen waren.

De godsdienst der Egyptenaren bestond in de vereering van natuurlichamen. De +zon+ werd als de hoogste kracht beschouwd en als god +Osiris+ vereerd; +Isis+ was de godin der aarde. Eene bijzondere vereering genoten ook de dieren. Er was bijna geen dier, dat zij niet aanbaden, als het zich door nut of schade aan te brengen onderscheidde. De nuttige dieren vereerden zij uit dankbaarheid, de schadelijke daarentegen uit vrees. Zoo was de +ibis+, behoorende tot de orde der moerasvogels of steltloopers, den Egyptenaren heilig, omdat hij de slangen in het slib van den Nijl opat. De +krokodil+ echter werd uit vrees vereerd. Dit groote roofdier, bijna twintig voet lang en met eene zeer harde, schubbige huid gepantserd, behoort tot het geslacht der hagedissen en is voor de menschen zeer gevaarlijk. Eene bijzondere vereering viel den +katten+ ten deel. Hare beenderen werden gebalsemd en plechtig begraven. Wie een kat ombracht, was des doods. Eens had een Romeinsch soldaat in Egypte een kat gedood. Dadelijk ontstond een oploop van 't volk, en noch de smeekingen der priesters, noch de vrees voor de Romeinen konden het tot rust brengen. De ongelukkige moest zijne daad met het leven boeten.

Toch was het niet zeldzaam, dat men in de eene stad zekere dieren vereerde, welke in eene andere zonder aarzelen geslacht werden. Slechts de os, +Apis+ genoemd, schijnt algemeen het meest vereerd te zijn geworden. Hij was voor de Egyptenaren een zinnebeeld van den akkerbouw, die in het hoogste aanzien stond. De geschiedenis van het gouden kalf, dat de Joden eenmaal in de woestijn vereerden, herinnert duidelijk aan den Egyptischen afgodendienst met den stier.

5. Ofschoon Egypte zeer rijk is aan oude gedenkteekenen, kent men toch de oude geschiedenis van dit land zeer weinig. De Egyptenaren leidden een zeer afgezonderd leven en hielden hun land voor vreemdelingen tamelijk gesloten. Onder de vroegste koningen worden +Menes+ en +Chufu+ of +Cheops+ vermeld, de eerste als stichter van Memphis en den Egyptischen staat, de tweede met zijne opvolgers als grondleggers der fraaiste en grootste pyramiden bij genoemde stad. Een latere koning, met name +Amenemha+ III, zou het meer +Moeris+ aangelegd hebben, dat in Midden-Egypte ligt en met het Jozefskanaal in verband staat. Het zou gediend hebben om bij de overstroomingen van den Nijl het overtollige water op te nemen en in drooge tijden dit door kanalen te rechter plaatse te brengen.

Nadat volgens de opgaven reeds verscheidene dynastieën gedurende een aantal eeuwen over het land geregeerd hadden, kwam uit het noordoosten een herdersvolk, Hyksos genaamd, veroverde het grootste gedeelte van Egypte (noord en midden) en werd eerst na vijf eeuwen weer verdrongen. Daarop verhief zich het land tot eene groote macht. De vorsten breidden hunne heerschappij uit over omliggende landen, zoowel in Azië als in Afrika. Van de toenmalige koningen wordt vooral Ramses II of Sesostris genoemd; hij deed krijgstochten naar verre landen en bracht grooten buit huiswaarts. Na hem schijnt Egypte's macht gedaald, en het land tot zijne natuurlijke grenzen beperkt te zijn. Toen, ongeveer zes eeuwen later, de +Ethiopiërs+ van uit het zuiden binnengedrongen waren, en het boven- en middendeel van 't land vermeesterd hadden, verhieven zich de Egyptenaren op nieuw tot omverwerping der vreemde heerschappij. Deze werd verdreven en het land daarop door 12 personen geregeerd (dodekarchie), onder welken Psammetichus op den voorgrond trad. Zoo ontstond er nijd en twist. Toen echter Psammetichus door gelande Grieken ondersteund werd, verdreef hij alle medebestuurders en werd alleenbeheerscher van Egypte, ± 650 vóór Christus. Sedert kreeg het land een nieuw leven. Er ontstond een levendig verkeer met de omliggende volken, vooral met de Grieken. Ten gevolge daarvan werd zelfs eene nieuwe kaste gevormd, die der +tolken+. De zoon van Psammetichus, Necho, heerschte eveneens machtig en wijs. Om den handel te bevorderen, deed hij eene poging, tusschen de Middellandsche en de Roode zee een kanaal aan te leggen. Ook wekte hij zeevaarders op, het werelddeel Afrika om te zeilen. Toen hij echter op veroveringen uitging, geraakte hij in ongeluk en geheel Egypte met hem. Hij werd door +Nebukadnezar+, den krijgshaftigen koning van Babylon, overwonnen bij Circesium, 605 v. Chr., en reeds ¾ eeuw later verloor Egypte zijne onafhankelijkheid. De voorlaatste koning +Amasis+ kwam in oorlog met Cambyses van Perzië (zie blz. 19), en was nauwelijks opgevolgd door zijn zoon, of deze werd in 525 v. Chr. bij Pelusium geslagen, waarop het geheele Egyptische land eene Perzische provincie werd. Herhaaldelijk deed het pogingen om zich te bevrijden, eenmaal met tijdelijk goed gevolg, en verwisselde in 332 v. Chr. de Perzische opperheerschappij met die van Alexander den Grooten van Macedonië (Hoofdstuk 14). Had zoo het land der pyramiden veel te lijden, het behield een onvermengd volk en handhaafde de aloude instellingen.

3. Kores en de Perzen.

1. De Perzen stonden in overouden tijd onder de heerschappij der Meden, en ook dezen waren eens, gelijk ook de Babyloniërs, onderdanen van +Assyrië+. Deze Semietische staat toch had sedert ± 1300 v. Chr. verschillende omliggende landen onderworpen en eeuwen lang beheerscht. De hoofdstad Nineveh was een toonbeeld van pracht en rijkdom. Zij lag aan den Tigris of Tiger, had 12 mijlen in omvang, en werd omringd door muren met 1500 torens. Naar den naam dier stad heeft men zich een stichter gedacht, Ninus, gelijk er ook een Assur als grondlegger van den staat verdicht is. Maar terwijl de een Ninus 9 à 10 eeuwen later plaatst dan de ander, is er geen historisch bewijs voor zijn bestaan. De legende kende hem eene echtgenoote toe, Semiramis, eerst gehuwd met een' zijner generaals, nog vroeger slavin, later heerscheres door schoonheid en geest over vorst en staat. Aan haar werden al de bovengenoemde veroveringen van Armenië, Bactrië, Mesopotamië, enz. enz. toegedicht, even als de hangende tuinen van Babylon. Van deze is echter de historische oorsprong anders, zooals wij beneden zullen zien. Maar hoe mythisch deze tijd ook is, d. w. z. hoezeer waarheid en verdichting vermengd zijn en ofschoon het onmogelijk is deze van elkander te onderscheiden, daarmeê is de machtsuitbreiding en eeuwen lange heerschappij van Assyrië over allerlei aangrenzende en meer verwijderde volken niet geloochend. Eene reeks van vorsten uit verschillende dynastieën worden ons genoemd, o. a. +Salmanassar+, die ± 725 v. Chr. Israël, het rijk der 10 stammen (blz. 21), en Phoenicië onderwierp. Toen echter zijn opvolger Sanherib een ongelukkigen veldtocht naar Egypte ondernomen en ook bij de belegering van Jeruzalem een groot leger verloren had, maakten zich achtereenvolgens verschillende onderworpene landen vrij. Zoo zien wij in het Arische +Medië+ 712 à 710 v. Chr. een koning Dejoces aan 't bewind, en in deze schoone bergstreek de sterke hoofdstad Ecbatana gesticht. Zijn opvolger Phraortes onderwierp 640 v. Chr. de stamverwante Perzen. En, even als Medië, werd ook +Babylonië+ vrij van Assyrië, volgens de overlevering, doordien de stadhouder Nabopolassar zich onafhankelijk maakte. Nu was dus het groote Assyrische rijk opgelost niet alleen, maar zelfs bestemd om op zijn beurt de buit der vroeger onderworpene landen te worden. Nabopolassars zoon en mederegent toch, +Nebukadnezar+ van Babylonië, en de derde koning van Medië, +Cyaxares+, verbonden zich tegen Niniveh, namen en verwoestten die beroemde hoofdstad, waarvan eerst sedert 35 jaren overblijfselen zijn gevonden, en verdeelden het Assyrische rijk, zoodat de Tiger de grens werd. De oostelijke of linkeroever kwam bij Medië, de andere, dus ook de Israëlieten, bij Babylonië. De laatstgenoemde vorst hiervan veroverde ook Juda, het rijk der twee stammen. Maar onder zijne opvolgers ging ook zijn rijk ten gronde, zooals straks blijken zal.

2. De opvolger van Cyaxares was Astyages, onder wiens regeering de Pers +Cyrus+ of +Kores+ geboren werd, over wiens geboorte en opvoeding zeer wonderlijke sagen bestaan. Zijne moeder zou eene dochter van den koning geweest zijn, en deze laatste door een droom verschrikt had hem willen doen ombrengen. Maar de knaap was door een' herder opgevoed en toen toevallig bij den koning gekomen, die nu geen haat meer koesterde. Wat hiervan waar zij, zooveel is zeker, dat Kores zijne landgenooten, de Perzen, bevrijdde van de Meden en Astyages onttroonde, 558. Het lag niet in zijn plan alleen den Perzen de vrijheid te hergeven en de Meden zelfstandig te laten bestaan. Neen, de vroegere heerschers moesten op hunne beurt gehoorzamen, de Perzen het hoofdvolk, hij machtiger monarch dan iemand vóór hem worden. Na zich van de heerschappij en van de Medische onderwerping verzekerd te hebben, besteedde hij eenige jaren aan de ten onder brenging van een aantal oostwaarts gelegen landen, Parthië, Bactrië, Sogdiana, enz. enz. zoodat zijn scepter tot aan den Indus reikte. Daarna onderwierp hij aan de westzijde de Armenische landen tot aan den Kaukasus en den Halys (midden in Klein-Azië, aan de noordzijde). Aan de overzijde van deze rivier lag het +Lydische+ rijk, voortgekomen uit een gedeelte van West-Klein-Azië, Lydië, welks vorsten de omliggende landen onderworpen hadden, namelijk de geheele westelijke helft van Klein-Azië, waar zich zeer veel Grieken hadden nedergezet, als in Ephesus, Smyrna, enz. In dit rijk heerschte nu koning +Croesus+, die met schrik Kores' macht tot aan zijne grenzen zag naderen. Hij waagde het hem weerstand te bieden, maar leed eene geduchte nederlaag en werd gevangen genomen. Daarop wilde Kores den rijken Croesus laten verbranden. Reeds was de brandstapel opgericht en Croesus geboeid daarop gebracht. Toen liet hij plotseling den doordringenden kreet hooren: "O Solon, Solon, Solon!" en Kores was begeerig te weten, wien hij riep. Hij liet daarom Croesus afstijgen van den mutserd, en verlangde van hem te weten, wat die roep beteekende. Eerst wilde Croesus niets bekennen, maar verhaalde daarop het volgende:

"Eens kwam tot mij een wijs man uit Griekenland, met name +Solon+. Ik liet hem al mijne schatten toonen, en hoopte, dat hij mij gelukkig zou noemen. Toen hij echter zweeg, zeide ik tot hem: "Solon, gij hebt zoo ver in de wereld rondgereisd en zooveel menschen gezien; zeg mij, wien houdt gij wel voor den gelukkigsten?" Daarop noemde Solon mij een' burger van Athene, met name Tellus, die veel vreugde aan zijne kinderen beleefde en voor het vaderland stierf, dat hem een eerzuil liet oprichten. Ik vroeg nog verder naar gelukkigen en hoorde van twee Grieksche jongelingen, die hunne moeder innig vereerden; van mij echter zeî Solon niets. Toen kon ik mijn verdriet niet langer verbergen en sprak: "O vreemdeling, acht gij dan mijn geluk zoo gering, dat gij mij niet eens met gemeene burgers in vergelijking stelt?" En Solon antwoordde: "Dikwijls is een arm man veel gelukkiger dan een rijke. En dan bedenk ik altijd, dat er in een menschelijk leven veel veranderen kan. Gij zijt nu zeer rijk en koning over een groot volk; ik kan u echter niet den gelukkigsten mensch noemen, vóór dat ik verneem, dat gij uw leven ook gelukkig ten einde gebracht hebt. Bij alle dingen moet men op het einde letten, en vóór den dood mag men niemand gelukkig roemen."

Zoo sprak de wijze Solon; maar ik verachtte hem en liet hem nooit weêr vóór mij komen. Sedert heb ik reeds veel ongeluk gehad, en heden, in den grootsten nood, is Solon mij in de gedachte gekomen. Nu weet gij, o Kores, waarom ik dezen naam riep."