Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw
Part 8
"Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me hooge ernst."
"Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je, dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat, ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb."
Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak: "Dank u, ik zoek liever zelf."
Nog eens zeide hij ernstig: "Gij geeft mij immers verlof te kiezen?"
"Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig."
"Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert."
Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet minder zijn ergernis: "Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene."
De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder naar het kleed was, sprak hij bedaard: "We zijn het dus niet eens, welnu, dan gaat de koop niet door."
"Waarom vraag je niet een flinke som geld?"
"Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is," antwoordde de handelaar wel beleefd, maar toch zoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde aan te dringen.
Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen.
Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen.
Wat moest hij doen?
Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk gaf, wond den edelman op.
"Spreek," riep heer Diederik ruw, "wat moet je voor den mantel hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar...."
"Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb," was het eenvoudige antwoord.
Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren.
Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de verzoeking te sterk.
"Vooruit dan maar," riep hij plotseling, tot groote verbazing van de omstanders.
Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving den mantel.
Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen Alewijn zich bukte, om ze te kussen.
Maar de handelaar glimlachte en sprak: "Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu ben je vrij, voor altijd."
De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte, maar dat behoefde ook niet.
Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders op te zoeken.
Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land verkocht was.
Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid.
INHOUD.
Bladz.
HOE HET ALEWIJN BIJ DEN PLUIMVERZORGER GING 5 VERKOCHT 16 NIEUWE KENNISSEN 25 DE BELEGERING 39 DE KAT 48 EEN GEVANGENE 59 DE UITVAL 67 OP WACHT 74 DE OUDE WENA, 81 ALEWIJNS RIJKDOM 89 HET TIENDMAAL 97 DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL 109 DE VLUCHT 116 AAN DEN RIJN 121 EEN ONAANGENAME ONTMOETING 129 ONVERWACHTE UITREDDING 136