Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw

Part 7

Chapter 74,092 wordsPublic domain

Hooger klimmen zou gevaarlijk zijn. 't Was trouwens ook niet noodig: Alewijn was, waar hij wezen wilde.

Wel regende het nog altijd, wel zag de omtrek donker en grijs, maar eenigen tijd later braken de wolken. 't Werd helderder.

Heel in het verschiet ontwaarde Alewijn de torens van een kasteel.

Die plek moest dus zorgvuldig vermeden worden.

De regen werd minder en hield eindelijk geheel op; de kring, die kon overzien worden, breidde zich meer en meer uit. Daar kwam de zon voor den dag. Vriendelijk straalde zij tusschen donkere wolken en bescheen met een helder licht het geheele landschap.

Nergens was een sterveling te zien; overal heerschte de diepste stilte. Maar wat Alewijn ontdekte, gaf hem reden tot groote blijdschap.

Daar zag hij, aan den horizon, een kronkelende, blinkende lijn op het veld.

Dat was de Rijn; daar liep de weg naar Utrecht.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

AAN DEN RIJN.

De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch aan de oevers der rivier uitrustte.

Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij gingen.

Eindelijk stond hij op: 't was te koud om langer te blijven zitten. Het gure weer dwong hem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken.

Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte.

Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand, terwijl twee anderen ijverig in de weer waren.

Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuig te bekijken; nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren.

Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water te spartelen.

De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven.

Te laat.

Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er aan redden niet te denken viel.

De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en worstelde vruchteloos met de krachtige golven.

Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn plan gemaakt.

Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong hij te water.

Dat was nog eens zwemmen!

Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen, herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer liet zich niet afschrikken.

Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij tegen stroom en golven.

Zoo ging hij regelrecht op het doel af.

't Was hoog tijd.

Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed zou zien verdwijnen.

Herhaaldelijk riep hij om hulp.

Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen draaien: nu naderde het den oever.

Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn, hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na spoelden golven over hem heen.

Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij hem was.

Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te moeten bekoopen.

Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus, dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven.

Zoo dreven beiden met den stroom mede.

Maar de hulp was nabij.

Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem te kunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten, aarzelden ze niet.

't Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst den ongelukkige bereiken?

Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde zijn pogingen; hij spande alle krachten in en--smaakte de voldoening, zich boven te houden, tot de redding nabij was.

Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt.

Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch.

De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch.

Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde er zich na het koude bad aangenaam warm in.

Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: "Jongen, ik dank je nog wel."

Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde ook niet, want de schipper praatte door.

"Zonder jou lag ik nu op den bodem van de rivier. Hoe kan ik je een bewijs van mijn dankbaarheid geven?"

Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar kwam niets van in.

"Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar bezwaar tegen?"

Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje, bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen?

Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat blijven mocht.

"Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet van den schrik eens goed bekomen."

Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer op zijn gemak.

Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door.

't Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine, slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen.

Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche kooplui afkomstig, aan boord.

Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man zijn waren met goede winst van de hand te doen.

Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland, Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen te doen.

In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk vertier, maar op zoo'n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte in de straten.

En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon levendig.

Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen.

De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen.

Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen, legde de koopman hem met een vriendelijk gebaar het zwijgen op.

"Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet, den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan, ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt, hoe je hier komt en wat je plan is."

Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: "Als je liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er even goede vrienden om."

Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei, dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend:

"Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in slavernij te zuchten."

Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen. Toen de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte en afscheid wilde nemen, zei de koopman: "Hoe is het? Zou je geen lust hebben, de reis met mij te maken?"

Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer, in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij als een vogel.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

EEN ONAANGENAME ONTMOETING.

Nog eenige dagen bleef het schip op dezelfde plaats liggen; de koopman behoefde geen haast te maken, daar de markt nog lang niet begonnen was. Alewijn stond dikwijls op het dek en keek naar de voorbijgangers op den weg, en naar de vaartuigen op de rivier.

Op een morgen, den dag, voordat het schip vertrekken zou, zei een der opvarenden tot zijn metgezel, die de rol van kok vervulde: "Hoe is het, zou je het ontbijt maar niet gereed maken?

"Ja, maar ik weet niet, of er wel veel meer te ontbijten is."

"Kom, wat praat je nu? Niet veel meer te ontbijten, en dat schaap dan, dat Steven twee dagen geleden gekocht heeft; dat kan nog niet op zijn."

"Jongen, daar zeg je zoo wat; dat kon ik wel gereed maken; alleen...."

"Nu, wat wou je zeggen?"

"Ik heb geen hout meer. Kun jij niet even aan wal gaan, om wat te halen?"

"Neen, onmogelijk, ik moet het zeil wat opknappen, dat een weinig gescheurd is. Maar loop jij zelf even."

"Ik kan geen twee dingen te gelijk doen; ik moet het vleesch afsnijden en schoonmaken en de potten nazien."

"Op zoo'n manier krijgen we niets te eten."

"Ik kan er niets aan doen; als je eten wilt, moet je er ook wat voor over hebben."

Alewijn hoorde het gesprek en was blij, dat hij gelegenheid had, zijn metgezellen van nutte te zijn.

"Wil ik even gaan?"

"Wel ja, als je lust hebt. Wacht, dan zal ik je een mes geven. Kom je gauw terug?"

"Nu, dat weet ik niet. Die taaie twijgen daar aan den oever lijken me niet heel geschikt toe, en ik moet zeggen, dat er dicht in de buurt niet veel bosch te zien is."

"Daar heb je gelijk in: nu, zie dan, dat je zoo gauw mogelijk wat hebt; deze baas hier rammelt van den honger."

Alewijn verliet het schip en ging den oever langs in de richting van een boschje, dat hij in de verte ontdekt had. Tot zijn genoegen zag hij, dat zich hier dun hout in overvloed bevond. Het boschje stond ongeveer honderd schreden van den weg af. Alewijn verliet dus het pad, stak het grasland over en was al spoedig druk aan den arbeid. Toen hij een flinken bundel bijeen had, wilde hij terugkeeren, maar nu keek hij rond, of er geen twijgje te zien was, geschikt om er den takkenbos mee te binden. Toevallig zag hij op den weg twee mannen voorbijgaan.

"Wacht," dacht Alewijn, "die hebben misschien een touwtje of zoo iets bij zich. Ik kan het hun best even vragen." En, zonder zich langer te bedenken, verliet hij het boschje. Toen liep hij naar den weg en riep de mannen aan, in de hoop, dat ze even zouden blijven staan.

Het scheen echter, of ze zoo druk in gesprek waren, dat ze van zijn geroep niets hadden gehoord; daarom versnelde Alewijn zijn schreden, en riep, toen hij hen op korten afstand genaderd was, voor de tweede maal.

Beiden keken om, maar in plaats van hen om een touw te vragen, bleef Alewijn verschrikt eenige oogenblikken staan en staarde met groote oogen voor zich uit.

En de beide mannen waren niet minder verbaasd dan hij: "Daar heb je warempel den gevlogen vogel. Hoe komt hij nu hier?"

Het waren twee mannen van heer Diederik, die Alewijn achtervolgd hadden, maar natuurlijk vruchteloos hadden gezocht.

"Nu mag hij ons toch niet ontsnappen," zei een van beiden, toen hij zag, hoe Alewijn, zonder zich lang te bedenken, rechtsomkeert maakte, en wegliep, zoo hard hij kon, dadelijk door de anderen gevolgd.

Alewijn kon gelukkig hard loopen, en hij was al spoedig een flink eind voor. Eerst was hij van plan, zijwaarts het veld in te vluchten, maar hij begreep, dat dit niet het verstandigste zou zijn, daar hem dan allerlei hindernissen in den weg konden komen. Daarom bleef hij het pad volgen; hierdoor liep hij echter zijn ongeluk tegemoet.

Want de mannen, die hem op de hielen zaten, waren niet alleen: zij werden door een groot gezelschap gevolgd. En bij dit gezelschap behoorde niemand minder dan heer Diederik zelf. De jongen merkte hen, helaas, eerst op, toen hij op een bocht van den weg, waar een boschje de reizigers voor zijn oog verborgen had, eensklaps voor hen stond.

Nu was Alewijn wel gedwongen, het veld in te vluchten en hij deed het ook dadelijk, maar 't was te laat. Hier hielp geen hard loopen aan.

De heer, opmerkzaam geworden door het geschreeuw en Alewijn dadelijk herkennende, beval eenigen van zijn volgelingen, eveneens aan de jacht mee te doen. Zoo was de arme jongen spoedig ingehaald, gegrepen, en, hoe hij zich ook verzette, bij heer Diederik gebracht.

Het zal geen verwondering wekken, dat de edelman niet voor den tweeden keer van plan was, den lastigen lijfeigene genadig te behandelen. Integendeel, hij wilde korte metten maken en vroeg aan zijn bedienden: "Wie heeft er een flink touw bij zich; dan zullen we hem maar aan den eersten den besten boom opknoopen."

Het was Alewijn angstig te moede; het scheen wel, of het ongeluk hem nu altijd moest achtervolgen. Hoe dicht was hij nu niet bij zijn doel geweest, en toch zag hij zich opeens onherroepelijk verloren.

Want ditmaal scheen er voor hem in het geheel geen kans op, dat hij den dans weer zou ontspringen. Reeds kwam een der mannen met een valschen lach op het gezicht aanloopen en liet een stevig stuk touw zien. Het meeste ergerde Alewijn zich nog, omdat die man pleizier scheen te hebben in het ongeluk van iemand, die hem toch nooit wat in den weg had gelegd. Maar de slavernij maakt de menschen ruw en hardvochtig, en Alewijn had al meer dan eens kunnen opmerken, hoe die lieden vaak in kwaad doen hun vermaak vonden. Slechts zelden was hem vriendschap bewezen, bijna nooit had hij een hartelijken toon tusschen de lijfeigenen vernomen.

Zoo zou het dan met zijn leven gedaan zijn en Alewijn, die zag, dat er toch niets aan de zaak te veranderen was, beproefde zich in zijn ongeluk te schikken en zorgde, niets te laten merken van wat er in hem omging.

Toch liep het ook dezen keer nog goed voor hem af, want, toen heer Diederik, rondkijkende, een fermen boom scheen uit te zoeken, die sterk genoeg was, om een weggeloopen lijfeigene aan op te hangen, sprak een ridder, die naast hem reed: "Zeg eens, waarde zwager, zou je daar nog niet wat mee wachten?"

Alewijn voelde een flauwe hoop in zich opleven, maar hij verwaardigde zich niet, den spreker een dankbaren blik toe te werpen, want hij wist heel goed, dat de ridder niet uit medelijden gesproken had. Het zou spoedig blijken, dat hij goed gezien had. Toen heer Diederik vroeg: "Waarom?" antwoordde de edelman: "Neem hem liever mee, dan kan je hem op het kasteel op je gemak een geduchte straf toedienen en zoodoende een waarschuwend voorbeeld stellen aan allen, die soortgelijke kuren in hun hoofd mochten hebben."

Heer Diederik dacht even na. Hoe onverschillig Alewijn ook voor zich zag, toch voelde hij zijn hart kloppen: zoo lang hij nog leefde, had hij hoop, te kunnen ontvluchten, op het oogenblik echter, dat de heer hem zonder complimenten liet ophangen, was het natuurlijk voor goed uit. Lang heerschte er een pijnlijk zwijgen.

Weer wendde de edelman zich tot zijn zwager: "Dat is nu toch al de derde keer dit jaar."

"Zooveel te meer reden, om een flink voorbeeld te stellen."

"En wat het vervelendste is: als ze ontsnapt zijn, zie je ze later soms in Utrecht vrij rondloopen. Dat moest noodig veranderd worden."

"Doe er maar eens wat aan."

"Ik ben toch blij, dat we dezen snuiter te pakken hebben gekregen; hij was zoo vriendelijk, ons recht tegen het lijf te loopen. Het leek mij eerst nog al een kalme jongen toe."

"Dat soort is dus het minst te vertrouwen. Maar om op de straf terug te komen, ik geloof stellig, dat het hoogstnoodzakelijk is, een goed voorbeeld te stellen."

"Het kan zijn, dat je gelijk hebt. Als hij me onderweg maar niet ontsnapt."

"Zoo je hem goed laat bewaken, zal hij dit wel laten."

Alewijn was dus vooreerst van den dood gered, maar dit diende slechts om hem later gruwelijker straf te bezorgen.

Toch was hij blij met dezen afloop, want hij gaf de hoop niet op, dat een gelukkig toeval hem redden zou. Hij nam zich tenminste alvast voor, naar alle kanten goed uit te kijken en van de eerste de beste goede gelegenheid gebruik te maken.

Het gezelschap zette de reis voort. Alewijn liep, geboeid en wel, tusschen twee welgewapende mannen in, die in last hadden, den gevangene goed te bewaken en hem bij de minste poging tot ontvluchten dood te slaan. Deze bedreiging was voldoende, om Alewijn rustig voort te doen stappen. Hij keek bedaard voor zich uit, maar wierp, toen men op de plaats gekomen was, waar het schip lag, tersluiks een blik zijwaarts.

Toen Alewijn zoo lang wegbleef, keken de opvarenden naar hem uit. Maar nergens was een spoor van den jongen te ontdekken.

De koopman had er toch allerminst vermoeden van, dat zijn jonge vriend meeging met den troep reizigers, die daar den weg naar Utrecht volgden.

Eindelijk kon men niet langer wachten. Het schip moest vertrekken en in de hoop, dat men den verloren zwerveling in Utrecht weer zou ontmoeten, zeilde de schipper de rivier verder af.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ONVERWACHTE UITREDDING.

't Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen.

De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af, dat een kooper hem zou naderen.

Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik van het gewoel, maar tegelijk goed uitziende, of Alewijn zich ook onder de menschenmassa mocht bevinden.

De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen.

Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had moeten binnentreden.

Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan, Alewijn onder dat gezelschap te zoeken.

Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling behoorde.

Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen.

Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd.

Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken.

In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel was.

Ook 's ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar beiden waren het er over eens, dat zoo'n kostbaar stuk buitengewoon veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen.

De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan, ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op had doen springen. Daar stond Alewijn!

Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als hij was, even gauw een besluit genomen.

Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk te beloonen.

Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg, antwoordde hij: "Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste, dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook, kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn."

Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden; eindelijk keek hij den koopman vragend aan:

"En de prijs?"

De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon verwachten.

"Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig, om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den uwen noemen."

Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen toon zijn eisch.

Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de echtheid van deze fijne stof te herkennen.

"Maar man," riep de edelman eindelijk uit, "meen je, wat je zegt?"