Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw
Part 6
Ook Alewijn, die zulk een feest nog nooit had bijgewoond, deed flink mee aan de pret, en niet minder Hark, die een reusachtige maag scheen te bezitten, want hij hield letterlijk niet op met eten. Toen het feest gedaan was, begaven beiden zich in een recht genoeglijke stemming naar huis. Alewijn had, om de waarheid te zeggen, meer bier gedronken dan goed voor hem was; wel kon hij nog flink loopen, maar de bedaarde jongen, die anders zoo voorzichtig was, gebruikte nu zijn verstand niet meer en liet zich daardoor licht een woord ontvallen, dat hij beter gedaan had met te verzwijgen. Dit zou zijn ongeluk veroorzaken, en zoo had, zeer tegen verwachting, het tiendmaal voor Alewijn een noodlottigen afloop.
Hark kon men namelijk niet vertrouwen. Alewijn wist dit wel en was dan ook in de nabijheid van Hark zoo voorzichtig mogelijk geweest.
Onder den invloed van het zware bier scheen hij dezelfde kalme Alewijn niet meer te zijn; lustig zingend liep hij naast Hark voort, en deze deed dapper mee. Toen beiden uitgezongen waren, begon Hark:
"Heb je op dien Liebaart gelet; wat kan hij eten, hè? Ik geloof, dat hij wel een halve ton bier opgedronken heeft."
"Dan is het geen wonder, dat hij zoo raar begon te doen. In het laatst werd hij nog kwaad ook. 't Had weinig gescheeld, of er was ruzie gekomen. Er is heel wat bier verdwenen."
"Ik heb mijn deel ook wel gehad."
"Toch mooi van heer Diederik, dat hij zoo gul is. Ik had het niet van hem verwacht."
"Hij krijgt het anders gemakkelijk genoeg; zelf behoeft hij nergens een hand voor uit te steken."
"Ja, je moet het geluk maar hebben. Wij kunnen sloven en hard werken en hij....."
"Dat werken is nog 't ergste niet, maar dat zoo'n man zoo den baas over je kan spelen...."
"O, ik vind dat slavenleven verschrikkelijk."
"Werd er nog maar eens een kruistocht gehouden, dan deed ik ook mee."
"Maar weet je wel, dat je dan veel kans had nooit terug te komen? Wat had je dan aan je vrijheid?"
"Zeker weet ik dat, maar wat moet je anders? Als ik geld had, kon ik me vrij koopen, maar daar is nu eenmaal geen denken aan."
"Wil ik je eens wat zeggen? Maar je moet het niet oververtellen."
"Wat is het dan?" vroeg Hark vrij onverschillig, want hij vermoedde niet, dat er wat bijzonders zou komen.
"Ik heb geld."
"Dat zal wel."
"'t Is heusch waar. Wel zooveel, dat ik mij driemaal vrij zou kunnen koopen."
Nu was de belangstelling van Hark toch opgewekt, hoewel hij nog half geloofde, dat Alewijn hem voor den gek hield.
"Laat mij het dan eens zien."
"Ik heb het natuurlijk niet bij me."
"Waar heb je het dan?" Hark vroeg dit zoo haastig, en zijn oogen keken zoo begeerig, dat Alewijn het antwoord nog bijtijds terug hield. Plotseling zag hij in, welk een dwaasheid hij begaan had en hij haastte zich dus, aan het gesprek een andere wending te geven: "Kom, 't is maar gekheid."
Maar juist hierdoor verklapte hij alles, want Hark merkte zijn verlegenheid op en begreep daardoor, dat er iets van waar was. Dit wekte zijn nieuwsgierigheid en--zijn hebzucht.
"Zoo, zoo, mannetje," dacht hij, "nu weet ik meteen, wat jij laatst moest uitvoeren, toen het heette, dat jij op snoek uit ging."
Zwijgend vervolgden Alewijn en Hark hun weg. De eerste was stil geworden; hij deed zich zelf aldoor de bitterste verwijten, en Hark overlegde, hoe hij op de beste manier Alewijns geheim zou kunnen uitvorschen. Zoo kwamen ze in het kasteel terug. Hark was tot het besluit gekomen, dat Alewijn zijn schat zeker ergens zou verborgen hebben. Om de plaats er van te vinden, behoefde hij slechts zijn makker in het oog te houden en hem ongemerkt te volgen, als hij weer een uitstapje deed.
Intusschen vermoedde Alewijn, wat er in Hark omging en dit spoorde hem aan, voorzichtig te wezen. Hoeveel moeite hem dit ook kostte, hij keek de eerste dagen naar zijn geld niet om, maar Hark was het gesprek niet vergeten en dacht: "Zoo'n oolijkerd, hij meent mij te misleiden, maar dat zal hij anders gewaar worden."
Op een namiddag hield Alewijn het niet langer uit; hij wilde en moest weten, of zijn geld er nog was, en op een oogenblik, dat hij zich onbespied waande, verliet hij het kasteel en sloeg den weg naar de plek in, waar hij den schat had verborgen. Tot zijn genoegen was er op den weg, dien hij volgde, niemand te zien. Gedurig keek hij om, maar alles scheen veilig te zijn. Toch was dit niet zoo. Hark, de brutale, valsche Hark had opgemerkt, dat Alewijn zoo omzichtig de poort uitging en dadelijk ging hem een licht op. Aanstonds liet hij de varkens, die hij bezig was te voeren, in den steek en begaf hij zich niet naar buiten, maar de trap van een der torens op. Door smalle luchtgaten kon hij het heele veld overzien en na eenig zoeken ontdekte hij weldra Alewijn, die, zoo nu en dan omkijkende, het land over ging.
"Nu maar eens goed opgelet, waar dat heengaat," dacht Hark en na eenig wachten zag hij tot zijn groote vreugde, hoe Alewijn zich bukte, toen weer rondkeek en daarna in den grond begon te graven.
"Heel slim is hij toch niet," vond Hark; "wij zullen er wel een beter plaatsje voor uitzoeken." Toen Alewijn eenige minuten later terugkeerde, daalde Hark weltevreden de trap af, maar overtuigde zich eerst, of hij de plek, waar het geld verborgen scheen te zijn, zou kunnen vinden.
De nieuwsgierige Hark had niet veel geduld, en met verlangen zag hij den avond tegemoet; hij was van plan, in de schemering het bewuste plaatsje op te zoeken, vervolgens te wachten, tot het donker was geworden en eindelijk zijn booze daad te volvoeren. Tegen den tijd, dat de zon onderging, spoedde hij zich op zijn beurt het hek uit, terwijl hij den poortwachter op diens vraag naar het doel van den tocht, antwoordde, dat hij voor den heer de kwakende kikkers moest doodslaan. Toen de man echter den geheelen nacht de lieve beestjes in het water vroolijker dan ooit hoorde kwaken, begreep hij, dat Hark iets anders uitvoerde. "Maar wat gaat het mij ook aan?" dacht hij en bekommerde zich om den heelen Hark niet meer, die intusschen op dezelfde wijze als 's middags Alewijn gedaan had zijn weg over de velden nam. Ook hij stond ieder oogenblik stil om rond te kijken, ook hij had een kleine schop onder zijn buis verborgen. Eindelijk ontdekte hij de plaats, waar Alewijn 's middags gegraven had; er kwam een grijns van boosaardige vreugde op zijn gezicht, toen hij zag, hoe op één plekje sporen waren te zien, die aanduidden, dat men er moest hebben gegraven.
"Ha, ha, daar heeft hij den aap verborgen. Nu nog maar even gewacht, tot het donker is."
Met een waar genoegen ging onze Hark in de nabijheid op den grond zitten, en oefende zich in geduld. De duisternis daalde hem lang niet snel genoeg; elk oogenblik hief hij zich half op, om aan het werk te gaan, maar dan ging hij weer zitten, want hij was bang, dat men hem bespieden zou, en hij wilde den buit geheel voor zich alleen hebben. Eindelijk kon hij niet langer wachten; trouwens, de zon was al lang onder en in den geheelen omtrek bevond zich geen levend wezen. Alleen in de struiken achter zich hoorde Hark iets ritselen, maar dat kon wel een wezel of zoo iets zijn. Na voor de zekerheid nog eenige minuten geduld te hebben gehad, nam hij zijn spade ter hand en begon haastig te graven. Daar stootte hij op iets; zijn gezicht gloeide van blijde verwachting, zijn hand greep begeerig toe, maar tot zijn teleurstelling bemerkte de zoekende Hark, dat het maar een steen was, die hem zoo blij had gemaakt. Een weinig knorrig zette de knaap zijn arbeid voort, en zijn stemming werd er niet beter op, toen er bij verder graven niets anders voor den dag kwam dan stokjes en steenen en kluitjes. Van geld geen sprake. De diefachtige Hark was zelf bedrogen.
Want toen Alewijn des namiddags naar den schat was gaan kijken, kreeg hij weer hetzelfde gevoel van onrust, dat hij al zoo vaak had gehad; ook nu kon de plaats hem niet bevredigen en hij nam dus het zakje met geld er weer uit, maakte den kuil met de aarde dicht en verborg zijn rijkdom onder zijn buis. Vervolgens wilde hij een veiliger schuilplaats zoeken, maar juist kwam, toen hij daarmee bezig was, Gerebrandt voorbij, die etgroen had gemaaid. Gerebrandt vroeg aan Alewijn, of hij meeging; deze wilde het niet weigeren, en zoo kwam er van zijn plan niets.
Het spreekt van zelf, dat Hark zijn makker allesbehalve vriendelijk aankeek. Intusschen gaf hij de hoop niet op. Gelukte het hem niet, door list zich van den buit meester te maken, dan moest hij maar brutaal optreden. Den volgenden morgen stapte hij regelrecht op Alewijn toe en zei, hem met zijn gluiperige oogen valsch aankijkend: "Als je mij niet de helft van je geld geeft, zal ik vertellen, waar je het geborgen hebt."
Alewijn, die zoo iets niet verwacht had, werd plotseling bleek en dit gaf Hark de zekerheid, dat zijn vermoeden waar was.
"Geld! Wat praat je toch van geld? Hoe zou ik daaraan komen?" stamelde Alewijn, die eigenlijk niet wist, wat hij zeggen moest.
"Houd je nu maar niet onnoozel; ik heb alles gezien," hernam Hark, die zijn makker hoopte te overbluffen.
"Wat.... wat heb je gezien?"
Hark wilde weer iets antwoorden, maar tot beider ontsteltenis klonk er een stem dicht bij hen: "Zeg er eens, knapen, komt eens hier en vertelt mij, waarover je het hebt."
't Was de meier, die in den koeienstal stond en het gesprek gehoord had en er uit opmaakte, dat er iets bijzonders aan de hand was. Hark vreesde, voor medeplichtige aangezien te worden en daarom achtte hij het verstandiger, als aanklager op te treden. Vóórdat Alewijn nog iets gezegd had, sprak de brutale rakker: "Hij heeft geld gestolen en weggeborgen."
Deze woorden maakten Alewijn woedend. Vuurrood van drift sprong hij op Hark toe en zou hem bij de keel gegrepen hebben, als de meier niet tusschenbeiden gekomen was. Met zijn geduchte vuist greep hij den jongen bij den pols en sprak bedaard: "Heila ventje, dat gaat maar zoo niet. Ik ben er ook nog."
Alewijn poogde vruchteloos zich los te wringen uit de knellende vingers, die hem vasthielden. Toen hij eindelijk wat bedaard was, zei de meier: "Ziezoo, leg mij nu maar eens bedaard uit, wat je te vertellen hebt."
Nu Hark eenmaal a gezegd had, moest hij ook b zeggen, en, terwijl Alewijn hem met kwalijk verbeten woede aanzag, en hem telkens in de rede wilde vallen, deelde Hark alles mee, wat hij wist. Eindelijk zei hij nog, dat Alewijn zijn geld in het land verstopt had, maar het later weer op een andere plaats moest hebben gebracht. We zien hieruit, dat Hark niet alleen een verklikker en een dief, maar ook een leugenaar was, want hij vertelde meer dan hij zelf wist. Alewijn stond versteld: ondanks alle voorzorgen had die valsche Hark hem toch bespied.
Eén ding troostte hem: de verrader wist blijkbaar niet, waar de schat eigenlijk wel verborgen zat; zoolang dit niet ontdekt werd, kon niemand Alewijn met eenig recht van iets kwaads beschuldigen.
Diefstallen kwamen onder de lijfeigenen nog al eens voor, maar werden, bij ontdekking, zwaar gestraft. De meier wist niet beter te doen, dan de beide knapen naar den heer te brengen, en dien te vertellen, wat er gaande was. De edelman liet Alewijn dadelijk in de gevangenis brengen, terwijl hij tevens beval, Hark, dien hij evenmin vertrouwde, goed in het oog te houden.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE GEVANGENIS VAN HET KASTEEL.
Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere, kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan, zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen?
De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid, maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot, dat hij hopeloos zich op een grooten steen liet neervallen en daar langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten.
Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren, die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken.
Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien, maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang, die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen, liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien, niets dan de donkere duisternis om hem heen.
Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deur knarste. De man, die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den armen Alewijn.
Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard dan de meeste zijner tijdgenooten?
Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich aan zijn droefheid overgaf, te bespotten.
Zijn stem was zacht, toen hij beval: "Je moet mij volgen naar den heer."
Maar Alewijn hoorde het niet.
Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel.
De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep hij niet, wat men van hem wilde.
Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde.
Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft.
Buiten gekomen, leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren.
Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor.
't Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer van den edelman doorbracht. Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen, om den schat te behouden.
De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan het licht brengen.
Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden.
Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren.
In den killen kelder bleef hij niet lang alleen.
Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen voorzien.
Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden.
Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de kleeren af.
Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag.
Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen.
Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een pijnlijk verhoor.
Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld vandaan kwam.
Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen.
Bevend wachtte hij zijn vonnis af.
De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan, iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was.
Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer om te zien.
In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij vroeg zich herhaaldelijk af, aan welke oorzaak hij dien gelukkigen afloop van de zaak had toe te schrijven.
Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende op zich zelf het ellendig leven van een slaaf?
Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen.
Zoo verzonk hij in een somber peinzen.
Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste geeselslag deed hem opschrikken.
Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den naakten rug en liet roode streepen achter.
Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker, die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen.
Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid.
Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo verlaten, zoo rampzalig gevoeld.
Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving, alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid.
Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen.
Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijn krachten genoeg waren, om dien te doen wankelen, dan weer beproefde hij aan den rand van het luchtgat de steenen af te brokkelen.
't Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden.
Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart en barstte in woedend snikken uit.
Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken.
Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten, ver van de plaats der ellende.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE VLUCHT.
De gelegenheid tot vluchten deed zich eerder voor dan Alewijn zelf verwachtte.
De jongen toch wist niet beter, of hij zou geruimen tijd, misschien wel zijn geheele leven in den vochtigen kerker moeten zuchten.
Hoe groot was dus zijn verwondering, toen men hem eenige dagen later kwam mededeelen, dat hij de gevangenis verlaten mocht.
't Was niet uit medelijden, dat de edelman hem de vrijheid schonk.
Eigenbelang, anders niet. Vooreerst had heer Diederik overwogen, dat er op zijn kasteel niet gestolen was.
"Misschien," zoo dacht hij, "heeft de kwajongen zich bij de verovering van den vijandelijken burcht van het geld meester gemaakt."
Daar Alewijn overigens een bruikbaar krijgsman was gebleken, wilde de ridder het dezen keer bij een geeseling laten. De toegediende straf zou in allen gevalle wel voldoende zijn, om den lust tot stelen voor immer te doen vergaan.
Alewijn vond de ondervonden behandeling meer dan hard. Nauwelijks was dan ook de kerkerdeur achter hem gesloten, nauwelijks mocht hij zich weer in de frissche lucht en in het lieve, heldere daglicht bewegen, of hij lette op alles, wat een gelegenheid tot vluchten kon bieden.
Eén zaak was er, die hem tot blijven noopte.
Dat was de zucht om zich op Hark te wreken. Die lafaard evenwel vreesde Alewijns sterke vuist en ontweek zijn makker zooveel hij kon.
Ook bezat Alewijn een zacht karakter. Hij vergaf spoedig en daardoor werd die begeerte naar wraak al minder en minder.
Het verlangen naar vrijheid echter wies aan.
Elken dag loerde de jongen rond. Herhaaldelijk stond hij gereed om te ontsnappen. Maar telkens kwam er iets in den weg. Nu eens riep men hem om werk te verrichten, dan weer bevonden zich tal van arbeiders op het veld.
't Was om moedeloos te worden.
Maar Alewijn gaf de hoop niet op. Eindelijk zag hij de kans schoon. Op een herfstmorgen werd hem bevolen, knollen te rapen op een akker, ver van den burcht.
Overal om hem heen was het stil, nergens bevond zich een levend wezen.
Zulk een schoone gelegenheid kwam nooit weer. 't Ware zonde en jammer, er geen gebruik van te maken. En Alewijn liet haar dan ook niet voorbijgaan.
Nog eenmaal keek hij rond, nog eenmaal overwoog hij de bezwaren, aan een vlucht verbonden.
Toen liep hij hard weg.
Nu zijn besluit genomen was, maakte hij zich niet meer bezorgd over de hinderpalen, die hij noodzakelijk moest aantreffen. Toch waren die niet gering. Overal zou men hem dadelijk aan zijn kort geknipte haren als lijfeigene herkennen. En de straf, die een ontvluchten slaaf wachtte, was afschuwelijk.
Maar Alewijn telde geen leven, dat in ellende moest worden doorgebracht. Zonder ophouden liep hij door, zoo hard hij kon. Gelukte het hem, de stad Utrecht te bereiken, dan zou de toekomst zich veel beter laten aanzien.
Elke slaaf toch, die bij haar een toevlucht zocht, was vrij, als hij binnen een jaar niet werd opgeëischt. En het zou Alewijn niet moeilijk vallen, door arbeid in zijn onderhoud te voorzien.
Eindelijk had hij de landerijen van heer Diederik achter den rug. Maar nu deden zijn beenen zich voelen. Geen wonder. Want hij had al maar doorgeloopen, zonder zich een oogenblik rust te gunnen; had een enkele maal de neiging tot zitten hem overvallen, dan was hij door den angst weer sneller voortgedreven.
Nu kon hij niet meer. Hij zocht een beschut plekje op, legde zich neer en sliep dadelijk in.
Lange rust werd hem echter niet gegund.
Nog had hij slechts een paar uur geslapen, toen hij werd opgeschrikt door een vreeselijk koud en nat gevoel.
Het regende en niet zuinig ook; met stralen goot het water uit den hemel.
Op die natte plek kon hij niet blijven liggen. In een wip was hij overeind, om naar een beter plaatsje te zoeken. Helaas, het bleek moeilijk dit te vinden.
De geheele omtrek was dofgrijs en de dichte regen belette het uitzicht. Toch gaf Alewijn den moed niet op. Met rassche schreden ging hij voort, naar alle kanten rondkijkende.
Wel zag hij hier en daar een groepje boomen, maar die gaven al heel weinig bescherming.
Toen echter voor een kort oogenblik het licht doorbrak, schoot den vluchteling een plan door het hoofd. Plotseling snelde hij op een hoogen boom toe. Zonder zich te bedenken, sloeg hij armen en beenen om den stam, moedig werkte hij zich omhoog, hoe lastig het ook ging, den gladden, natten boom te beklimmen.
Gelukkig had Alewijn dit werkje meer gedaan; al moest hij herhaaldelijk rusten, al kwamen er oogenblikken, dat hij evenveel teruggleed, als hij vorderde, toch bleef hij doorklimmen.
Eindelijk had hij de onderste takken bereikt.
Nu was het klauteren niet meer moeilijk. In minder dan geen tijd zat Alewijn boven in den boom, zoo hoog, dat de tak, waarop hij zat, bedenkelijk ging buigen.