Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw
Part 5
Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, maar ten laatste was hij wel genoodzaakt, een door de maan beschenen vlakte over te steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich als geheimzinnige spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker slechts langzaam loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield hij het evenwel tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed kreunen.
Eindelijk hadden ze het boschje bereikt.
"Zie zoo," zei Alewijn, "ik heb voor u gedaan, wat ik kon; nu moet ik maken, dat ik terugkom."
Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk.
"Wacht," hernam Alewijn, in den zak tastende en daaruit een stuk brood te voorschijn halende, "'t is wel niet veel bijzonders, wat ik u geven kan, maar als ge honger hebt, kan het dienst doen. Vaarwel."
De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn post. Niet lang was hij daar geweest, toen een makker hem kwam aflossen. Had zijn uitstapje dus wat langer geduurd, dan zou zijn afwezigheid ontdekt zijn.
Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde natuurlijk wel, dat hij zijn mond hield.
NEGENDE HOOFDSTUK.
DE OUDE WENA.
Het kasteel hield het langer uit, dan heer Diederik had verwacht. De dikke muren boden weerstand aan de geduchte slagen van den stormram en de edelman begon te vermoeden, dat hij met geweld niets zou uitrichten. "Dan maar een ander middel te baat genomen," dacht hij, "een middel, dat wel langzaam, maar zeker werkt: den honger."
Zoo kwam het, dat op een morgen alle vijandelijkheden gestaakt werden; de heer wilde niet onnoodig pijlen laten verschieten.
Alewijn, Hark, Gerebrandt en eenige anderen hadden niets te doen en zaten op een rustig plekje een stuk brood te deelen.
"'t Wordt een schrale boel, jongens," zei Gerebrandt.
"Hoe zoo?"
"Ik hoor, dat onze voorraad is opgeraakt, en de wagens, die uitgezonden werden, om meel, brood en vleesch te halen, zijn nog niet teruggekeerd."
"Vóór overmorgen kunnen ze hier onmogelijk wezen."
"Dan wordt het vasten. Ik kan niet zeggen, dat ik daar veel mee op heb."
"Ik ook niet. We doen verstandig met ons zelf te helpen en dit stukje voor van avond te bewaren."
"Er zal toch in den omtrek nog wel iets te krijgen zijn."
"Dat zou ik ook denken."
"Als we er maar eens op uit mochten."
"Durf jij het te vragen, Hark?"
"Och, jawel, er is hier toch niets te doen."
"Ja, jongens, waarom zou heer Diederik bevolen hebben, dat alles moest ophouden?"
"Misschien wil hij het kasteel uithongeren."
"Daarom begint hij zeker met zijn eigen volk honger te laten lijden. Ik geloof niet, dat dit de beste manier is."
"Nu," zei Hark, "ik ga eens vragen."
"Je krijgt toch geen verlof. De strijd kan elk oogenblik weer beginnen."
"Dat zullen we zien."
Korten tijd, nadat Hark was heengegaan, kwam hij alweer terug en riep heel blij: "Het mag, jongens, het mag, als we vóór van avond maar weer terug zijn."
Weldra gingen er vier op weg, gewapend met daggen, om den landlieden ontzag in te boezemen.
"Hei jongens, waar gaat dat naar toe?" riep Allert, die bij zijn schietwerktuig op den grond zat.
"Een wandeling doen, voor de gezondheid," antwoordde Hark. "Blijf jij maar rustig bij je springaal zitten en pas op, dat de pijlen niet in je eigen gezicht terecht komen."
"Loop, flauwe rekel, of ik zal je."
Alle vier begonnen hartelijk te lachen, vervolgden rustig hun weg en trokken weldra het veld in.
Ze zochten den geheelen ochtend; daar echter bijna alles in den omtrek al plat geloopen was, vonden ze niets.
Eindelijk kwamen ze bij een dicht boschje, waar zich, bijna onmerkbaar voor het oog, een klein bouwvallig houten huisje bevond. De onderzoekende blik van Gerebrandt had het al spoedig opgemerkt.
"Wel," zei Hark, toen Gerebrandt hem het hutje had gewezen, "veel bijzonders zal het wel niet zijn, maar licht is het de moeite waard."
Dicht bij de hut zat op den grond een oud vrouwtje, met rimpelig, maar vriendelijk gezicht.
"Hoor eens, vrouwtje, je moest ons even een kijkje laten nemen. Wij hebben honger."
"Och, beste jongens, ik ben een doodarme vrouw; bij mij is niets te halen."
"Nu, dat begrijpen wij wel. 't Is ons dan ook maar om een heel klein beetje te doen. Vooruit, laten wij maar eens gaan zien."
Alewijn merkte met deernis op, hoe het arme vrouwtje blijkbaar in de grootste verlegenheid verkeerde. Ze liep onrustig heen en weer en wist niet, wat ze doen moest. Eindelijk zei ze: "Een kruikje melk kan ik missen, maar dat is ook alles; laat mij asjeblieft met rust, mijn dochter is ziek, ze zal zoo schrikken."
"Kom, praatjes! Zieke dochter! Als wij niet te eten hebben, worden we ook ziek."
Alewijn begreep, dat hij tusschenbeiden moest komen; hij had innig medelijden met de smeekende vrouw, die er zeer tegen op scheen te zien, dat de ruwe gasten haar huisje zouden binnentreden.
"Och jongens," zei hij, "zie je niet, dat je dat arme mensch een schrik op het lijf jaagt? Weet je wat, blijven jullie hier, dan zal ik maar eens kijken."
"Zeker om den buit alleen te houden; neen baasje, wij zijn ook slim," zei Hark.
"Nu, ik vind het even goed, dat jij gaat," antwoordde Alewijn, "maar dat weet ik wel, wij kunnen niet met ons vieren bij een ziek mensch in huis komen."
"Goed," zei Hark, maar Gerebrandt wist, dat die jongen zelf niet te vertrouwen was en vond het daarom beter, dat Alewijn in het huisje een kijkje zou nemen. Ten laatste moest Hark wel toegeven, en Alewijn ging, na plechtig verzekerd te hebben, dat hij alles eerlijk met zijn makkers zou deelen.
Hoe de vrouw ook smeekte, hoe ze alle pogingen aanwendde om den indringer buiten te houden, Alewijn trad het huisje binnen. Hij was namelijk nieuwsgierig geworden. Waarom verzette die vrouw zich toch zoo? Was dat alleen, omdat ze vreesde, dat men haar berooven zou? Wie toch weinig bezat, had ook weinig te missen. Neen, daar moest iets anders achter steken.
"Wees maar gerust, moedertje, ik zal je geen kwaad doen."
In het vertrek was het vrij duister. Het zag er natuurlijk zeer kaal en armoedig uit. Op een bankje lag een stuk grijs brood, maar daar wilde Alewijn de arme niet van berooven.
"Toe, beste jongen," zei het vrouwtje, "neem dat maar en ga dan heen."
"Gekheid," antwoordde Alewijn, "berg het liever goed weg: mijn makkers zouden er zich anders nog van meester maken. Maar zeg me eens, hoe komt het toch, dat je zoo gejaagd bent? En waar is je zieke dochter nu?"
"Kom, wat kan je mijn ziek kind schelen? Steek dat brood bij je en ga heen. Plaag een arme vrouw niet langer."
Alewijn had er reeds aan gedacht te vertrekken, maar juist, doordat de vrouw zoo aandrong, werd zijn nieuwsgierigheid nog meer opgewekt. Hij keek goed rond en merkte in een hoek een donkere massa op.
Bedaard trad hij nader, vragende:
"Zoo, zoo, is ze dat? Heb je haar met opzet in het duister gelegd?"
De arme vrouw verkeerde in den hoogsten angst.
"O wee, wat zal me nu gebeuren!" mompelde zij.
Alewijn bekeek het gewaande meisje en ontdekte tot zijn groote verwondering, dat het niemand anders dan de jonker was. Hij herkende den ridder dadelijk.
"Ha, ha, nu, het had maar weinig gescheeld, of uw schuilplaats was verraden. Ik vind het niet heel voorzichtig, hier zoo lang te blijven. Weet ge wel, dat ge hier niet veilig zijt?"
"Vanavond wou ik al verder gaan," bromde de jonker, "maar ik was uitgeput; ik had rust noodig en daarom ben ik een paar dagen bij de oude Wena gebleven."
Deze luisterde met verwondering toe.
"Och," zei ze, "verraad mijn goeden jonker toch niet."
"Wees gerust, moedertje," antwoordde Alewijn glimlachend, "ik zal je niet verklikken. Laat ik nu mijn best doen, mijn makkers hier vandaan te krijgen; die zullen wel ongeduldig worden."
Voor hij wegging, besloot hij het brood mee te nemen, om niet met leege handen bij de anderen te komen. Hij vreesde wel, dat ze niet heel tevreden zouden zijn over den gevonden buit en dat ze daarom zelf eens een kijkje zouden gaan nemen.
Tot zijn groote verwondering echter viel dit zeer mee: hij zag ze met hun drieën op eenigen afstand van de hut druk bezig.
"Wat zouden ze nu hebben?" dacht hij. Het scheen wel, of ze een beest gevonden en geslacht hadden. Een schaap misschien? "Dat arme mensch," mompelde Alewijn, "misschien was het wel 't eenig stuk vee, dat ze bezat."
"Niet veel te halen, jongens; 't is de moeite niet waard."
"'t Hoeft ook niet," riepen de anderen, "we hebben ons zelf al geholpen. Kijk eens, wat een pracht van een beest, hé?"
Naderbij tredende, zag Alewijn met afschuw dat ze een hond geslacht hadden.
"Wat?" zei hij, "een hond? Waar wil je met dit beest naar toe?"
"Ha, ha," lachte Gerebrandt, "vraag je dat nog? Wie een paar jaren in heer Diederiks dienst is geweest, weet maar al te goed, wat honger beteekent en hoe lekker hondevleesch er door wordt. Als onze heer slechte tijden beleeft, laat hij dat het eerst aan zijn onderhoorigen merken."
"Nu," zei Alewijn, "ik wensch je smakelijk eten, maar ik zal mijn maal liever met dit stuk brood doen."
"Zeker niet," merkte Hark op, "alles eerlijk deelen. Jij kunt immers ook van het vleesch krijgen?"
"Maar hoort eens, jongens, dat meisje is wezenlijk heel zwak; zouden we niet liever wat verder weg gaan?"
"Je hebt gelijk," zei Gerebrandt, "in gindsche beek vinden we water; daar kunnen we het vleesch afwasschen. En droog hout staat er in overvloed."
"Hoe komen we nu aan vuur?"
"Daar kan Alewijn wel even voor zorgen. Kom, jongen, je hebt nog niet veel goeds uitgevoerd. Ga bij dat vrouwtje wat halen."
Alewijn had daar natuurlijk niets tegen, en, terwijl zijn makkers een ander plaatsje opzochten, begaf hij zich nog even naar de hut. Daar binnengetreden, merkte hij op, dat de jonker al verdwenen was.
"Zoo, zoo, is de vogel gevlogen?"
"Och, beste jongen, zul je me heusch niet verklappen? De jonker is zoo goed voor me geweest; dikwijls kwam hij hier een poosje praten, en in kwade tijden kon ik altijd op hem rekenen."
"Wees maar gerust, vrouwtje; ik heb zelf reden om te zwijgen; als ik jou verklapte, zou ik ook gevaar loopen. Nu, wees maar voorzichtig...."
Toen het viertal des avonds terugkeerde, zagen ze tot hun groote verwondering, dat het kasteel overgegeven was; de vlag van heer Diederik woei reeds van een torentrans; een groot deel van het leger bevond zich binnen het kasteel; de belegerden waren gevangen genomen en werden op het voorplein bewaakt. Voor het eerst in langen tijd behoefde Alewijn niet meer buiten te overnachten; hij mocht met Hark en Gerebrandt in een der kamers van den burcht zijn leger gereedmaken.
TIENDE HOOFDSTUK.
ALEWIJNS RIJKDOM.
Heer Diederik wenschte nog eenigen tijd in het veroverde kasteel te vertoeven; in dien tijd hadden zijn mannen natuurlijk niet veel te doen; ze konden dus vrij rondloopen en op allerlei wijzen zich vermaken. Alewijn hield veel van visschen, en, daar hij in den omtrek eenige plassen ontdekte, die rijk aan visch waren, had hij op die wijze al spoedig een aangename tijdkorting gevonden. Terwijl hij eens met zijn hengel in de hand, geduldig wachtende, bij een beekje stond, kwam er een vrouw op hem toeloopen. Het was het moedertje, bij wie de jonker een schuilplaats had gezocht.
"Gelukkig, dat ik je zie," sprak ze.
De jongen keek ontsteld om en zei: "Wel, je zou me doen schrikken."
"Zie ik daar nu naar uit?" vroeg het vrouwtje glimlachend.
"Volstrekt niet, maar ik wist niet, dat er iemand bij me stond en toen ik daar opeens je stem hoorde."
"Nu, dat kan ik best begrijpen. Laat ik nu maar gauw mijn boodschap doen, voor iemand ons ziet."
Deze woorden van het oude moedertje verbaasden Alewijn zeer. "Wat zou ze me te vertellen hebben?" dacht hij en hij legde zijn hengel neer, daar de visch den laatsten tijd toch niet meer scheen te bijten.
"Ik moet je de groeten van den jonker doen."
"Zoo, is hij goed terecht gekomen?"
"Ik denk het wel. Eergisteren werd mij bericht, dat hij bij een van zijn vrienden een schuilplaats heeft gevonden. Nu wil hij, voor hij verder reist, je een klein bewijs van zijn dankbaarheid geven. Zie hier!"
"Wat," riep Alewijn verrast, toen hij zag, hoe de vrouw hem een zakje met klinkende schellingen toereikte, "ik behoefde er volstrekt niets voor te hebben; zooveel was me de heele zaak niet waard. Neen, dat neem ik niet aan."
"Waar moet ik er dan mee heen? Ik kan het den jonker niet terugzenden, en het in het water te gooien....."
"Dat is ook niet noodig, maar ik zou denken, dat je het zelf best kunt gebruiken."
"'t Is voor mij niet bestemd; de jonker heeft het alleen gegeven als belooning voor den redder van zijn leven. Ik vind, dat je het niet weigeren kunt."
"Wat toevallig, dat je me gevonden hebt. Wat zou je doen, als ik hier niet aan het visschen was geweest?"
"Dan zou ik heel brutaal het kasteel binnengaan; ik denk, dat ze een arme oude vrouw wel geen kwaad doen, en als ik je daar dan zag, wilde ik je vragen, even buiten te komen."
"Zoo, zoo, dat is wel slim overlegd. Nu, als je er dan volstrekt op staat, wil ik het geld wel aannemen, ofschoon ik eigenlijk niet weet, wat er mee uit te voeren."
"Wees maar gerust; er zal een tijd komen, dat je het best kunt gebruiken; bewaar het goed en zorg vooral, dat niemand er achter komt."
"Dank je wel. Dit zul je toch wel van me willen aannemen." Alewijn bood de oude vrouw een paar geldstukken aan, die zij dankbaar in ontvangst nam, waarop ze Alewijn vaarwel zei en haars weegs ging.
Toen Alewijn alleen was, zette hij zich op een steen neer, haalde het zakje met geld te voorschijn en toen hij zich had overtuigd, dat geen onbescheiden oogen hem beloerden, nam hij de klinkende munten in de hand en bekeek ze met schitterende oogen. Welk een rijkdom. Zooveel geld had hij nog nooit bij elkaar gezien en aanstonds overlegde hij bij zich zelf, wat er al niet mee gedaan kon worden.
't Was een ware schat voor den armen lijfeigene, maar geheel onvermengd bleef zijn genoegen toch niet, want de arme jongen begreep heel goed, dat hij er in den eersten tijd niet veel mee zou kunnen uitvoeren. De vrouw had hem terecht tot voorzichtigheid aangemaand, en Alewijn was verstandig genoeg om dezen goeden raad niet in den wind te slaan. Want wat zouden de lui wel zeggen, als ze zagen, dat de jongen plotseling in het bezit van zooveel geld gekomen was? En de verdenking alleen was al voldoende, om een lijfeigene het bitterste lot op den hals te jagen.
Zoo bij zich zelf overleggende, kwam Alewijn tot het besluit, dat hij het verstandigst zou doen met zijn schat te verbergen, en zorgvuldig eenigen tijd te bewaren, totdat het oogenblik aanbrak, om het op de beste wijze te besteden.
Het kwam er nu maar op aan, een geschikte plaats te vinden, een plaats, waar niemand het vinden zou en waar hij het geld zoo nu en dan kon bewonderen, zonder gevaar voor ontdekking te loopen.
In het geheel niet meer denkende aan den hengel, waar nog wel een ferme zeelt aan zat, die in zijn ijver om los te komen, den stok reeds half in het water had geworpen, verliet hij zijn plaatsje aan de beek, en zocht het veld rond. Geen enkele schuilplaats kon hem eigenlijk voldoen. Eerst borg hij het geld tusschen eenige struiken, doch toen hij eenige dagen later daar twee mannen aan het werk zag, begon hij ongerust te worden. Hij vond dus geen rust, voor het hem gelukte, een nieuwe schuilplaats te ontdekken. Ook nu was hij echter niet tevreden.
Zoo ging het den knaap, totdat eindelijk de heer bevel gaf, op te breken en het oude kasteel weer te betrekken. Pas had Alewijn vernomen, dat hij en zijn makkers binnenkort den veroverden burcht weer zouden moeten verlaten, of hij ijlde naar de plaats, waar zijn schellingen in den grond gestopt waren en borg ze nu onder zijn kleeren op zijn bloote lichaam.
Eenige dagen later waren allen weer op hun vroegere woonplaats teruggekeerd, en, daar de oogsttijd naderde, viel er voor de krijgslieden van eenige weken geleden overvloedige arbeid te vinden: de meesten van hen, waaronder ook Alewijn, moesten boog of speer of kolf wegbergen en ijverig meehelpen aan den veldarbeid.
Maar wat Alewijn ook deed, zijn schat ging hem geen oogenblik uit zijn gedachten. Hoe verheugd hij er ook mee was, hoe goed hij hem ook had verborgen, toch bekroop hem gedurig de vrees, dat het geld bij het werk door een plotselinge sterke beweging voor den dag mocht komen. Deze gedachte plaagde hem onophoudelijk, totdat hij eindelijk besloot, ook nu weer een plaatsje op te zoeken, waar hij zijn rijkdom verbergen kon.
Op een namiddag, toen hij het dagwerk verricht had, begaf hij zich niet zooals anders in den kring van zijn makkers om een praatje te houden, maar hij sloop stil de poort uit.
"Hei, Alewijn, waar ga je naar toe?" riep Hark.
Onwillekeurig werd Alewijn verlegen, en in zijn angst, dat de ander met hem mee zou willen gaan, gaf hij maar het eerste antwoord het beste, dat hem in den zin kwam.
"Ik heb hengels gezet en ga zien, of er een snoek aan zit."
"Jongen, dan moet ik mee."
"Wat een vervelende kerel," dacht Alewijn, die niet weinig verlegen was, daar hij in het geheel geen hengels gezet had, en zijn verlegenheid werd nog grooter, toen Gerebrandt sprak: "Weet je wat, ik wil ook wel eens zien, waar jij altijd die prachtige snoeken vandaan haalt."
Alewijn kon natuurlijk, nu hij eenmaal gelogen had, niet meer met de waarheid aankomen en hij bracht zijn nieuwsgierige makkers naar een sloot, waar, naar hij zei, de hengels zich moesten bevinden. De grootste verwondering veinzende, zei hij: "Wel verbazend, daar hebben ook dikke snoeken aan gezeten; alles is verdwenen."
"Weet je, wat ik geloof?" zei Gerebrandt, terwijl hij aandachtig de oppervlakte van het water onderzocht.
"Nu?" vroeg Hark.
"Dat hij ons leelijk voor den gek gehouden heeft."
Als Hark daar eerst nog niet aan gedacht had, dan kon hij het nu wel gissen, want Alewijn, die de kunst van veinzen slecht verstond, kreeg een kleur als vuur en stamelde enkele woorden, om zijn houding te verklaren.
"Nu," zei Gerebrandt, "ik vind, dat het al een heel flauwe manier van doen is. Wat heb je daar nu aan?"
En Hark zei: "Ik zal je wel weer krijgen, vrind. Je had zeker andere plannen, niet waar Alewijntje, plannen, waarbij je geen dwarskijkers gebruiken kunt."
"O, heelemaal niet," bracht Alewijn met moeite uit, terwijl zijn kleur nog hooger werd.
"Dan moeten wij hem niet storen," zei Gerebrandt spottend. "Kom, Hark, ga je mee?" Plotseling keerden beiden zich om en maakten, dat ze wegkwamen, terwijl Alewijn met een dwaas gezicht bij de sloot bleef staan, niet wetende, wat te doen.
Toen schoot het hem weer te binnen, met welk doel hij eigenlijk uitgegaan was, maar hij durfde zijn plan niet te volvoeren, uit vrees, dat Gerebrandt en Hark uit een boschje hem zouden beloeren. Daarom keerde hij ten laatste naar het kasteel terug. Het spreekt van zelf, dat er de volgende dagen geen denken aan was, het geld te verbergen; daartoe hield de hooioogst hem, evenals de andere knechts van heer Diederik, veel te druk bezig. Een dag of vier later was de gelegenheid gunstig: Hark en Gerebrandt moesten voor den heer een sloot uitdiepen en, toen Alewijn vrij was, vroeg hij aan Eggerik een schop ter leen, begaf zich daarmee naar buiten en maakte op een eenzaam plekje een kuil in den grond. Hier werd het zakje met geld verborgen. Om het plaatsje later te kunnen terugvinden, mat hij, hoeveel passen het verwijderd was van een boom, die daar in de buurt stond, vergewiste zich, dat hij geen fout gemaakt had, en ging weer heen. Gelukkig was hij zoo verstandig, er niet elken dag naar te gaan kijken; anders zou het al spoedig de aandacht getrokken hebben, vooral daar Gerebrandt en Hark op hem letten. Het kostte hem anders moeite genoeg, want voortdurend had hij een groot verlangen om te zien, of zijn geld er nog wel was. Weldra bemerkte hij tot zijn geruststelling, dat Hark en Gerebrandt de geschiedenis vergeten schenen te zijn; op het door hem gekozen plaatsje kwam nooit iemand en zoo had hij alle reden tot tevredenheid.
ELFDE HOOFDSTUK.
HET TIENDMAAL.
Niet ver van den burcht woonde een boer, die tiendplichtig was aan heer Diederik. Ook die landman had het druk met den oogst, zoo druk zelfs, dat nog een groot deel van het koren op het veld stond, toen de meeste werkzaamheden op de landerijen, die tot het kasteel behoorden, reeds afgeloopen waren. Het weer bleef langen tijd gunstig, maar de boer was er natuurlijk niet zeker van, dat het zoo blijven zou en daarom zag hij uit naar rappe handen, die hem behulpzaam konden wezen.
Hierdoor kwam het, dat Alewijn en Hark, terwijl ze op een afgemaaid hooiland stonden te harken, plotseling een stem achter zich hoorden:
"Hei, jongens, hoor eens even."
Beiden keken om en zagen den boer naderen, die dichtbij gekomen, sprak: "Hebben jelui lust, mij met het inhalen van het hooi te helpen?"
Hark en Alewijn keken elkander aan. Hoewel ze nu niet bepaald op overmatigen arbeid gesteld waren, schenen ze in dit geval wel zin te hebben, aan de uitnoodiging van den boer te voldoen. Er was slechts één bezwaar: "Zou heer Diederik het goedkeuren?" Mocht die er niets tegen hebben, dan waren Hark en Alewijn wel tot helpen genegen, want ze kenden den boer als een gul man en ze wisten dus, dat hun bereidwilligheid geen windeieren zou leggen. Daarom gaven ze tot antwoord, dat ze eerst de toestemming van heer Diederik moesten hebben.
"O, als het daarvan afhangt, weet ik al zeker, dat ik op jullie rekenen kan. In zulke gevallen is heer Diederik altijd heel schikkelijk."
"Zou je denken? Dan geloof ik, dat je hem niet goed kent," meende Hark.
"Wees maar gerust. Nu, je zult het zien."
Het kwam uit, zooals de boer voorspeld had. De edelman maakte in het geheel geen bezwaar; integendeel, hij vond het zeer goed, dat zijn lijfeigenen, die op dat oogenblik toch niets te doen hadden, aldus hun tijd nuttig besteedden.
Op den bepaalden dag trokken Alewijn en Hark dan ook naar den boer en werkten ijverig mee, zóó ijverig zelfs, dat de man des avonds herhaaldelijk zijn tevredenheid betuigde en hun een buitengewoon goed loon uitbetaalde. Maar meer nog dan met dit loon, waren de knapen verheugd over de uitnoodiging, om aan het tiendmaal deel te nemen. Zoodra namelijk het oogsten afgeloopen was, moesten aan den heer de tienden betaald worden, maar deze gaf dan aan zijn tiendplichtige boeren een feest, het tiendmaal. Op dezen maaltijd nu waren de mannen zeer gesteld, want de edelman schonk hun door groote mildheid de gelegenheid, zich eens buitengewoon te goed te doen.
"Heb je lust, om aan het tiendmaal mee te doen?" vroeg de boer aan de beide knapen.
Men kan gemakkelijk raden, wat ze antwoordden.
"Goed," zei de man weer, "ik zal mijn best doen, dat je daartoe verlof krijgt; jullie hebt beiden zoo hard gewerkt, dat je wel een pretje toekomt."
Hij hield woord ook, en toen eenige dagen later het feest op de hoeve van een der tiendplichtige boeren gegeven werd, kwamen Alewijn en Hark al tijdig, om mede van de partij te zijn. Reeds den dag te voren was een lange tafel in gereedheid gebracht en dat de heer bij deze gelegenheid niet karig was, bleek, toen hij bevel gaf, eenige koeien te slachten en een paar tonnen bier uit den kelder te halen.
Oppervlakkig gezien, zou men denken, dat er wel te veel eten en drinken was, maar heer Diederik kende de gasten en wist, dat ze, behalve een opgeruimde stemming, ook een gezonde maag meebrachten op het feest.
Weldra ging het er lustig toe: eten, dat er gedaan werd, eten! Men zou het haast een wonder noemen. Het eene stuk gebraden vleesch vóór, het andere na, verdween in een ommezien. Daarbij werd het bier natuurlijk niet vergeten, en toen tegen den middag de heer een kijkje kwam nemen, merkte hij tot zijn genoegen op, dat men van zijn gulheid een dankbaar gebruik wist te maken. Hij moest er hartelijk om lachen, toen hij zag, hoe weer een reusachtig stuk vleesch in ongelooflijk korten tijd verorberd werd. Dadelijk gaf hij bevel, nieuwe spijzen aan te laten brengen; ieder gerecht werd begroet met gejuich, dat luider werd, naarmate de feestvierenden meer bier hadden genoten.