Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw

Part 4

Chapter 44,125 wordsPublic domain

"Ginds in de tent bij dien eikeboom. Je weet, dat heer Diederik hem nogal graag lijden mag. Hij heeft bevolen, dat men Alwaert goed moet verzorgen, en dat hij wijn moet hebben."

"Komaan, daar zou je haast gewond voor willen zijn. Ik heb nog maar eens van mijn leven wijn geproefd."

"Dien had je dan zeker gestolen. Ik zou tenminste niet weten, hoe jij aan wijn moest komen."

"Dat gaat jou ook niemendal aan."

"Nu, maar ik ben duizendmaal liever gezond, dan met een gat in het hoofd te liggen, al zou ik er ook tien flesschen wijn voor krijgen. Ik zeg je, dat Alwaert dood gaat, dat staat vast. Heer Diederik mag dan zoo goed voor hem wezen, als hij wil."

"Ik sta verbaasd over zijn gulheid. Heer Diederik is anders zoo zachtaardig niet."

"Och, hij heeft meer van die grillen."

"Hoor eens, daar zal wel een reden voor bestaan. Misschien...."

"Nu, ik ben liever kwade vrienden met heer Diederik, dan met zoo'n vreeselijke wonde te liggen."

"Dat zeg ik met je. Zoo iets loop je nu met die leeren kappen op; die dingen beschermen je niemendal; je kunt evengoed een wollen muts op je hoofd zetten. Neen, jongen, dan helpt zoo'n ijzeren helm beter. Kijk eens!"

"Ja, dat moest ik je nog eens vragen. Hoe kom je daar toch aan?"

"Dat zal ik je zeggen. Rembrandt de smid moest voor onzen heer een nieuwen helm smeden. Hij ging aan het werk en was er al een heel eind mee klaar, toen de heer er naar kwam kijken en zei, dat het ding hem heelemaal niet naar den zin was. Hij wilde een prachtigen grooten helm met een omgekeerden vogelklauw er op hebben. Zoo bleef Rembrandt met een half afgewerkten helm zitten. Juist kwam ik bij hem, en toen liet hij mij het ding zien. "Wel," zei ik, "dat zou net iets voor mij zijn."

"Wat geef je er voor?" vroeg hij.

"Nu," zei ik, "ik wil eerst weten, of hij past."

"Zet hem dan even op."

"Ik deed dat, en--het leek wel, of hij apart voor mijn hoofd gemaakt was. "Een schaap en vijf vette konijnen," zei ik toen en dadelijk antwoordde hij: "Top."

"Ik bracht hem de beesten en hij gaf mij den helm."

"'t Zou mij te zwaar zijn, zoo'n ijzeren pot op het hoofd. Wat zeg jij, Hark?"

"Mij ook."

"Laat jij je dan maar het hoofd inslaan; ik houd mijn huid liever heel."

"Maar zoo'n ding zit toch hard."

"Daar heb ik al voor gezorgd," antwoordde Roger, keerde den helm om en liet zien, hoe hij hem van binnen met een schapenhuid gevoerd had. "Je merkt er haast niets van, dat je iets op je hoofd hebt. En ik moet je zeggen, die helm heeft me goede diensten bewezen. Vandaag bijvoorbeeld is er al drie keer een pijl tegen getikt; die waren voor mijn hoofd bestemd, maar ik heb er in het geheel geen last van gehad. Zoo iets had jou met je leeren kap eens moeten gebeuren; als je er nu nog een ijzeren riem om had geslagen...."

"Ik heb zulk een helm," riep Gerebrandt en liet zijn kap zien.

"Juist, die zijn steviger, maar ik houd vol, niets beschermt je zoo goed als een ijzeren kap."

"Je lijkt er heer Diederik wel mee," zei Hark spottend.

Roger de valkenier was niet weinig gestreeld over deze opmerking, die hij voor ernst opnam en hij antwoordde: "Ik zou het niet graag willen; hoe hooger je staat, des te eerder heeft de vijand het op je gemunt. Komaan, jongens, het begint donker te worden; ik ga slapen; morgen is het weer vroeg dag."

"Hè, wat flauw; nu je het brood en het spek op hebt, ga je weg."

"Kom, Roger, blijf nog een poosje."

"Jullie hebt mooi praten; morgen moet ik weer onder de kat aan het werk. 't Begint een vervelend werk te worden. Ik wou, dat ik mijn goedendag maar eens gebruiken mocht. Jongens, dat zou me vrij wat beter bevallen."

"Nu, als het zoo doorgaat...."

"Wat dan?"

"Dan komen we nooit binnen het kasteel."

"Zoo denk ik er ook over," zei Roger. "Wat een muur; er is geen verwrikken aan."

"Dat moet je niet zeggen; als je maar volhoudt, zul je het met een kat altijd winnen. Nu, ik ga slapen."

Roger verwijderde zich om zijn leger op te zoeken en Alewijn merkte op: "Het begint al tamelijk donker te worden. Komaan, de aardigheid is er nu toch af; ik ga ook maar weg."

Juist was hij opgestaan, toen hij Roger zag terugkomen.

"Heb je wat vergeten?"

"St, jongen, wees eens stil," fluisterde Roger, "ik verbeeld me, dat ik wat hoorde plassen in de gracht."

"Willen we eens meegaan?"

"Ja, ja!" Allen stonden op, begaven zich in de richting van de gracht en luisterden.

Het kasteel stond daar voor hen, donker en stil, als een zware, zwarte massa.

In het water zaten kikvorschen te kwaken, maar men vernam geen ander geluid en reeds meenden de lui, dat Roger hen voor den gek had gehouden, toen een donker lichaam voor den dag kwam en langzaam op hen toeliep. Zij, die een wapen bij zich hadden, hielden dit gereed, maar ze behoefden het niet te gebruiken, want de vreemde kwam niet met vijandige bedoelingen. Gewillig liet hij zich grijpen.

"Wil ik hem met mijn goedendag niet even....?" vroeg Hark, die vooral dapper was, als zijn tegenpartij zich niet verweren kon.

"Ben je mal, kwajongen; wat mankeert je wel? Laten we eerst hooren, wat het voor een kerel is en of hij ook iets in zijn schild voert."

"Ik wil je heer spreken."

"Pas op, hij neemt je beet. 't Is een spion, wat ik je zeg."

"Dat hindert niet. We kunnen hem met ons allen immers goed bewaken, en onze heer zal zich niet laten verschalken, reken daar maar op. Wat dunkt je, willen wij hem even wegbrengen?"

"Ja, dat is goed. Wij gaan mee."

Met den gevangene in hun midden begaven allen zich naar de tent van den heer. Deze zat met een ander ridder op zijn gemak te schaken. Zijn helm had hij afgezet; het breede zwaard stond tegen een stoel. Een standaardvlam verlichtte met een flikkerend schijnsel de tent.

"Wat hebben jullie daar?"

"Een gevangene."

"Zoo, brengt hem naar ridder Ernhard; die zal wel weg met hem weten, en maakt nu, dat je weg komt."

"Ja, heer, maar hij wenschte u te spreken: hij schijnt iets te willen vertellen."

"Zoo; hoe hebben jullie hem dan gevangen?"

Dadelijk trad Gerebrandt, die graag haantje de voorste mocht zijn, op den heer toe en deelde hem mee, hoe alles in zijn werk was gegaan.

"Komaan," antwoordde de heer, "dan moet ik toch eens vernemen, wat die sinjeur op zijn hart heeft; gaat maar heen."

"Willen we eens luisteren, wat hij vertelt?" vroeg Gerebrandt zacht aan zijn makkers.

"Pas maar op, dat heer Diederik je niet ziet, want dan loopt het ongemakkelijk met je af."

"Ik doe het tenminste niet," zei Alewijn, en ging weg, door de anderen gevolgd. Alleen Gerebrandt kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en zei: "'t Kan mij niet schelen, ik wil toch eens luisteren."

"Laten we hier even wachten," merkte Hark op, "Gerebrandt zal direct terugkomen."

"Och, hij liegt het toch; denk je heusch, dat hij iets verstaan kan?"

"Waarom niet? 't is immers in het geheel geen moeite, eventjes te wachten."

Dit deden ze. Reeds begon hun dit te vervelen, en wilden Alewijn en een paar anderen zich verwijderen, toen Gerebrandt terugkwam:

"Ik weet het al. Ga maar gauw mee, dan zul je het hooren. 't Is een overlooper. Omdat hij gisteren voor een kleine vergissing zware straf kreeg, heeft hij de plaat gepoetst, en nu verklapt hij iets, dat geheim had moeten blijven."

"Wat is dat dan?"

"De belegerden willen een uitval doen."

"Een uitval? En wanneer?"

"Ik denk, deze week al, maar dat kon ik niet goed verstaan."

"Och jongen, laat je nu niets wijsmaken."

"Wijsmaken? Wijsmaken? Wat ik je zeg, is waar. Maar als je het niet gelooven wilt, moet je het laten."

"Neen, neen, vertel maar verder. En wat zei heer Diederik daar wel van?"

"Hij lachte er om en riep: "Och, och, ze meenen, dat wij 's nachts niets anders doen dan slapen. Nu, dat zullen ze gewaar worden." En toen voegde hij er nog bij: "Kerel, ik zal je laten vasthouden. Als het blijkt, dat je gelogen hebt, zit er wat voor je op, maar als je waarheid hebt gesproken, krijg je een flinke belooning."

"Wat heer Diederik verder nog sprak, kan ik niet zeggen, want ik wist er nu genoeg van en maakte, dat ik wegkwam."

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE UITVAL.

Het bleek, dat Gerebrandt waarheid gesproken had.

Nog dienzelfden nacht gaf heer Diederik bevel, de wachten te verdubbelen, en Hark, die al was gaan slapen, kreeg bevel op te staan en mee wakker te blijven. Hoezeer ook met tegenzin, gehoorzaamde hij dadelijk, maar werd door zijn makkers, die konden blijven liggen, hartelijk uitgelachen.

De geheele nacht ging echter voorbij, zonder dat er iets bijzonders gebeurde en ook de twee volgende dagen bleef het rustig.

Reeds begon de verrader, die in een der tenten geboeid lag, te vreezen, dat er van het plan niets zou komen. Herhaaldelijk vroeg een der bewakers hem spottend, of hij wezenlijk meende, dat heer Diederik zich zoo gemakkelijk liet beetnemen.

Ook de heer vermoedde, dat het bedrog was en gaf bevel, om, mocht ook de twee volgende nachten de vijand geen uitval doen, den verklikker eenvoudig op te hangen.

"Hij hoopte zeker stilletjes te ontsnappen en toen hij gepakt werd, zich door zoo'n leugen te redden," meende Hark.

"Wel slim overlegd. Jammer voor hem, dat zijn plannetje zoo mislukt is."

"Ik geloof het nog maar niet, dat hij gelogen heeft," zei Gerebrandt. "Ze zullen zeker nog een paar dagen wachten, omdat nu nog den geheelen nacht de maan schijnt. Morgen is het laatste kwartier; dan komt de maan te middernacht op, overmorgen nog weer later en zoo gaat het door. Ik denk, dat dit eenvoudig de oorzaak is, waardoor we nog niets van een uitval gemerkt hebben."

Dit was heel goed van Gerebrandt gezien. In waarheid, de bewoners van het kasteel achtten den tijd voor een uitval nog niet gekomen, omdat het 's avonds nog niet donker genoeg was. Maar lang wilden ze de zaak toch ook niet uitstellen. Het doel was namelijk, de kat, die hun zooveel zorg baarde, in brand te steken.

Gerebrandts voorspelling kwam uit. Twee dagen na den avond, waarop dit laatste gesprek gehouden was, hoorde de wacht, die het dichtst bij de poort stond, onverwachts een gedruisch.

De poort kraakte, de ketting van de brug piepte, en dadelijk haastte de wacht zich, om zijn krijgsmakkers te waarschuwen. Gelukkig had heer Diederik nog steeds dezelfde voorzichtigheidsmaatregelen doen nemen; daaraan was het te danken, dat in een oogwenk een aanzienlijk gedeelte van het leger gereed stond om den vijand te ontvangen.

Deze had anders zijn tijd wel goed gekozen: er heerschte een volslagen duisternis in den omtrek. Was het plan niet verraden, de uitval zou stellig veel kans van slagen gehad hebben. Maar thans! De belegerden hadden het eens moeten weten, wat hun dreigde. Ze zouden zich stellig nog wel bedenken.

Want daar buiten stond een heele bende gereed. Ridders te paard, met den helm op het hoofd en een maliënkolder aan, verbeidden ongeduldig het uur van den strijd. Tal van voetknechten hadden zich om hen verzameld. Sommigen droegen leeren, anderen ijzeren kappen. Nog anderen, die zich den tijd niet hadden gegund, om iets mee te nemen, liepen blootshoofds. De meesten waren in een leeren kolder gehuld, maar er bevonden zich ook strijders in den troep, die eenvoudig een dierenhuid hadden omgeslagen, ten einde hun lichaam toch eenigszins tegen slagen en steken te beveiligen.

Ook Alewijn bevond zich onder de strijders. Den boog had hij maar met rust gelaten; in een gevecht van man tegen man zou hij met een fermen kolf meer kunnen uitrichten. Zoo'n knuppel, aan het zware einde van scherpe punten voorzien, mocht dan ook een geducht wapen genoemd worden, vooral wanneer het gezwaaid werd door de sterke vuist van Alewijn.

Voor den eersten keer van zijn leven woonde de jongen een gevecht bij. Hoewel het hem eigenlijk weinig kon schelen, of heer Diederik, dan wel de vijand het won, begon hij toch schik in den krijg te krijgen, zeker, omdat hij daarin gelegenheid had, zijn kracht te toonen. En alsof het een veertje was, zoo zwaaide hij zijn kolf in het rond.

"Hei," riep Hark, die dicht bij hem stond, "houd je wat kalm asjeblieft; het lijkt wel, of je mij voor een van de vijanden aanziet. Of wou je tegen de lucht vechten? Dat is gemakkelijk voor je."

De omstanders begonnen te lachen, tot een der ridders, die in de nabijheid zich bevond, fluisterend beval: "Stilte die lui daar; let liever op, of je moet aanvallen."

Dadelijk hielden allen zich rustig. Hoe scherp men ook uitkeek, niemand kon nog iets onderscheiden, zoo donker was het. Enkelen merkten reeds fluisterend op, dat het wel bedriegerij zou zijn, toen er plotseling lichten schemerden.

"Domme lui toch," bromde Gerebrandt, "nog fakkels mee te nemen!"

Ja, dit leek ook wel wat dwaas, maar de belegerden wisten natuurlijk niet, dat er zoo goed wacht werd gehouden. Ze waren in de vaste overtuiging, dat het geheele leger rustig sliep, vermoeid van de groote inspanning der laatste dagen. Zoo hoopten ze, eer nog de verschrikte wachten alarm gemaakt hadden, het kamp te overvallen, en de houten belegeringswerktuigen in brand te steken. En voor dit doel was het vuur meegenomen. Alles: blijden, springalen, arbaleten, tot de kat toe, ja, dit laatste werktuig vooral, hoopten ze in vlammen te doen opgaan.

Ze hadden hun plan wel goed overlegd. Terwijl de voorste krijgers den vijand moesten aanvallen, schrik brengende onder de slapenden, om hen eindelijk in wanorde op de vlucht te jagen, zouden anderen met brandende stoffen, pek en teer, de belegeringswerktuigen in vlammen doen opgaan.

Welk een teleurstelling! Want pas bevond zich de geheele bende buiten de poort, of daar werd ze plotseling van alle zijden aangevallen.

"Er mag niemand ontsnappen," had de edelman bevolen. En in zich zelf lachte hij vergenoegd bij de gedachte, dat de jonker, die zich stellig ook wel bij de bende zou bevinden, levend of dood in zijn handen moest vallen. Ha, zulk een vangst was de moeite waard. De edelman had dan ook ten strengste bevolen, dat men zijn best zou doen, om den jonker te vangen.

Ten einde den uitslag van het gevecht ontwijfelbaar te maken, had de edelman aan de eene zijde een krachtigen troep welgewapende strijders doen plaats nemen, die den vijand in den rug moesten aanvallen.

Nog een oogenblik, en er ontstond een vreeselijk rumoer in den donkeren nacht. Menschen en paarden woelden schreeuwend en hinnekend dooreen. Overal sloeg men met zwaarden en knotsen er wild op in. Weldra hoorde men aan alle zijden het akelig kermen der gekwetsten.

In plaats van hun vijanden te verrassen, waren de belegerden zelf in een val geloopen, een val, zoo vreeselijk, dat er aan uitkomst niet te denken viel. En toen ze, inziende, dat hun plan zoo deerlijk mislukt was, ontsteld op de vlucht sloegen, werden ze ook van de andere zijde aangevallen. Zoo zagen ze zich ingesloten, aan alle kanten door een overmachtigen vijand ingesloten. Hier kon geen strijden helpen, hier liep men onvermijdelijk zijn verderf te gemoet. Weldra was het dan ook geen vechten meer, het was slachten; of de ongelukkigen al jammerend om genade smeekten, daar werd niet naar geluisterd; met een ware moordlust sloegen de belegeraars op hun zwakke tegenpartij in, die dan ook merkbaar verminderde. Slechts enkelen werden gevangen genomen.

Bijna geen der belegerden kon nog de poort bereiken; de weinige vluchtelingen werden op den voet gevolgd door hun juichende vijanden. Dezen meenden reeds, op een gemakkelijke manier binnen het kasteel te geraken, toen de zware deur hun nog juist bijtijds voor den neus werd dichtgesmeten.

Heer Diederik was verrukt over de prachtige overwinning; tal van vijanden lagen dood of gewond neer; alleen speet het hem, dat hij den jonker niet had kunnen vangen. Het scheen dus, dat deze bij het gevecht niet tegenwoordig was geweest. Dit verminderde de vreugde van heer Diederik wel wat; zoolang hij zich niet van den jonker meester gemaakt had, was hij niet tevreden. Intusschen zou dit doel ook wel bereikt worden: de bezetting van het kasteel was door den ongelukkigen uitval zeer verzwakt; ze kon het nu onmogelijk lang meer uithouden.

Toch vergiste de ridder zich, als hij meende, dat de jonker den uitval niet had meegemaakt; deze was wel degelijk onder de strijdenden geweest. Wat er dan met hem was voorgevallen? We zullen het spoedig zien.

Een uur na middernacht heerschte er weer diepe rust om het kasteel. De meeste strijders waren gaan slapen, overtuigd, dat de bezetting vooreerst geen tweeden uitval zou wagen. Alleen hier en daar stonden de wachten en deden moeite om zich den slaap uit de oogen te houden. De regen had opgehouden. De maan kwam op; het werd wat lichter.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

OP WACHT.

"'t Is jouw beurt om de wacht te houden, Alewijn," zei Gerebrandt, "je treft het, het weer klaart op."

"Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig maken."

"Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis gekomen," hernam Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde vijanden wijzende.

Alewijn rilde. "Als al die lichamen toch nog eens levend bleken te zijn," dacht hij. De jongen gevoelde in het geheel geen lust om op wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; het zware kasteel rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik van die doode menschen op den grond deed hem een huivering over den rug gaan.

"Nu," zei Gerebrandt, "ik wensch je veel genoegen; pas maar op, dat je niet in slaap valt."

Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen bijna niet van het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De maan was wat hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en tenten om hem heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe langer Alewijn daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders niet licht bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet terughouden; dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij had meegedaan.

Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa.

"Hoe vreemd toch," dacht Alewijn. "Een paar uur geleden was die daar nog gezond en wel en nu."

Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij staarde strak naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te verroeren. Hij wilde vluchten en kon het niet: 't was, alsof die doode zich bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn angstige gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant uit te kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke punt. Hij beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben bewogen, dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij het zoo duidelijk gezien.

O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al te duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; Alewijn voelde zijn hart bonzen, hij wilde om hulp schreeuwen, maar zijn stem stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, poogde hij zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed beven, te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees te gevoelen, toch sidderde hij.

Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; toen Alewijn wat aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; zijn bedaarde, moedige natuur kreeg weer de overhand.

Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het was, die hem met zijn spookachtige verschijning zoo'n schrik had aangejaagd. Een paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens werd hij nog door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij trad toe, en, wat bleek nu?

Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde ook, want met moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke stem:

"Kom je om mij te dooden?"

"Dat zal er van afhangen, wie je bent."

"Toe, dood mij maar, dadelijk liefst."

"Dat is een dwaze wensch; heb je zoo'n pijn misschien?"

"Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer moeilijk. Heb medelij."

"Je behoort zeker tot de lieden uit het kasteel?"

"Ja."

Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en den half opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest zijn. Opeens ging hem een licht op: als het de jonker eens was! Dat zou een vangst wezen!

"Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen te nemen."

"Och, doe dat niet," smeekte de gewonde met angstige stem. Alewijn moest in zich zelf er om lachen, dat een groot heer, een edelman, jegens een lijfeigene zich als een smeekeling gedroeg. Daar moest wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou een ridder zich zoo niet verlagen.

"Verlang je er dan niet naar, te blijven leven?"

"Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal liever sterven. Jonge man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch in je trilt, verhoor dan mijn bede."

"De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens hun minderen barmhartig te toonen."

"Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; allen houden ze van me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet kunnen zeggen."

"Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft bevolen, den jonker levend gevangen te nemen."

"Wat, hoe weet je....?"

"Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker van."

"Wie durft te beweren, dat je heer Diederik gehoorzaamheid verschuldigd bent? Hij heeft je gekocht misschien; is dat nu zoo'n groote weldaad, waar je altijd dankbaar voor moet blijven?"

Alewijn weifelde: "Waarom zou ik mij ook zoo slaafs gedragen?" dacht hij.

De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van slavernij had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet liever zijn eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden voor Alewijn, om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen veiligheid. Want als Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den jonker te redden, zou zijn leed niet te overzien zijn.

De jonker scheen zijn gedachten te raden. "Jonge man," zei hij, "wat ik je vraag, is voor je zelf niet de minste opoffering; laat mij rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. En, als je dat niet wilt, dood mij dan, maar heb medelijden, neem me niet gevangen; geef me niet levend aan mijn doodsvijand over."

"Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid gekend: ik bezit ook mijn gevoel van eer," zei Alewijn op eenigszins scherpen toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig medelijden met den ongelukkigen gewonde. "Wat heb ik eigenlijk ook met heer Diederik te maken?" mompelde hij. "Heeft hij mij niet als een dier gekocht? Heeft hij me niet van mijn ouders losgescheurd? Worden wij allen niet voortdurend als vee behandeld? Waarom zal ik dan voor zijn belangen opkomen? Is het niet beter, barmhartig te zijn?"

Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak tot den jonker: "Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. Beproef op te staan en op mij te leunen."

Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, en zie, hoe moeilijk het ook ging, de jonker schreed langzaam voort.

"Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is het gevaarlijkste achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, indien ge voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te verdwijnen."

"Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe je heet, en ik zal je goed beloonen."

"Een beloning begeer ik niet," antwoordde Alewijn en hij vervolgde glimlachend: "Ik denk, dat ge ook niet veel zult hebben, om te beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, om in te zien, dat uw kasteel het niet lang meer uithoudt."

"Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. Als ik van nacht het huisje van de oude Wena bereik, ben ik gered."

"Waar woont die?"

"We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch dikwijls bijgestaan; ze zal den jonker niets weigeren, als hij om een schuilplaats smeekt."

Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan bescheen met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en wagens donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een levend wezen. "Dat mag waarlijk een wonder heeten," dacht Alewijn, "hoe dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het kamp ronddwalen. Ik kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt word."