Alewijn, de Lijfeigene: Historisch verhaal uit de 12e eeuw
Part 3
De volgende dagen gingen onder groote drukte voorbij. Hoe ieder zich ook inspande, den edelman ging het niet gauw genoeg. Gedurig kwam hij persoonlijk onder het werkvolk en de krijgslieden en spoorde hij hen tot grooten ijver aan. Eindelijk was alles gereed; en op een mooien morgen trok een groote bende op weg. De stoet leverde een schilderachtig gezicht op: ridders op vurige paarden, gekleed in maliënkolder en met de lans gewapend, boogschutters, den boog in de hand en een koker met pijlen op den rug, slingeraars met hun stokslingers, krijgslieden met speren, anderen met kolven, daartusschen wagens met levensvoorraad, met hout, met stukken van blijden en ander wapentuig. Het was een heele trein, die nog grooter werd, toen zich een bondgenoot met zijn gevolg bij heer Diederik voegde. Daar er tal van voetknechten waren, moesten de ruiters wel stapvoets rijden en konden ze niet zooveel spoed maken. Het zou dan ook wel eenige dagen duren, voor men de plaats der bestemming bereikte.
Als de avond daalde, sloeg men tenten in het veld op; de paarden werden aan boomen of aan pinnen vastgebonden en de vermoeide strijders legden zich te slapen. Vooral de overtocht over den Rijn kostte niet weinig moeite, maar toch werd hij gelukkig volbracht en na een reis van zes dagen had men het kasteel, waar jonker Herico woonde, bereikt. Zooals altijd, liet de ridder eerst den burcht opeischen, maar hij kreeg een weigerend antwoord, wat ook wel te verwachten was geweest, daar het kasteel sterke muren bezat, ruimschoots van levensmiddelen en krijgsvoorraad was voorzien en de talrijke bezetting vol moed besloten was, hun heer en zijn gezin tot het uiterste bij te staan.
Het veiligste en gemakkelijkste zou zijn, de bewoners van het kasteel door den honger tot overgave te dwingen, maar de krijgshaftige edelman was van dit middel niet gediend. Toch zag hij heel goed in, dat aan een bestorming in de eerste dagen niet te denken viel: van achter de hechte muren zouden de aanvallers op zulk een wijze begroet worden, dat ze stellig met groot verlies moesten afdeinzen. Daarom besloot heer Diederik, mede op raad van zijn bondgenooten, den strijdlust wat te bedwingen en alle middelen aan te wenden, om de muren van den burcht te vernielen of te beschadigen.
Weldra was het kasteel aan alle zijden ingesloten; overal in het veld werden tenten opgeslagen; hier en daar stonden wagens; de paarden liet men op de weiden grazen, en dichter bij het kasteel maakten de belegeraars borstweringen en richtten ze blijden en springalen op, om daarmede hun vijanden te bestoken.
Het was voor de eerste maal, dat Alewijn zulk een belegering bijwoonde; hij vergat alles, wat er den laatsten tijd met hem gebeurd was en volgde met groote aandacht de toebereidselen, die er gemaakt werden. Als hij dien grijzen, zwaren steenklomp aanzag, waaruit dreigend zware torens omhoog rezen, verwonderde hij zich zeer, hoe heer Diederik er aan kon denken, dien te vernielen of te veroveren. Intusschen werd hem niet veel tijd tot nadenken gelaten; ook hij moest, evenals Hark en Alwaert en anderen, ijverig meehelpen.
Daar de aanvallers zeer onverwachts waren komen opdagen, hadden de belegerden er nog niet aan gedacht, de boschjes en schuren in den omtrek te vernielen. Dit was zeer in het voordeel van heer Diederik. Zijn volk vond nu volop gelegenheid, een veilige schuilplaats te zoeken, vanwaar men het den belegerden met pijlen en steenen zou kunnen lastig maken. Overigens was men ook op andere middelen bedacht, om goed beschut te zijn: hier richtten eenige mannen van zand en rijshout een borstwering op, daar kwamen anderen met een scherm op wielen aanrijden. Ook Alewijn zat achter zulk een scherm; hij hield een pijl op zijn boog gereed en loerde door de gleuf naar de transen van het kasteel, of zich daar misschien een krijgsman vertoonen zou.
Intusschen kreeg hij niets in het oog; geen vijand kwam van achter de tinnen voor den dag. Dat de bewoners van het kasteel echter wel wakker waren, bleek uit de pijlen en steenen, waarmede ze onophoudelijk hun aanvallers begroetten en die het hun zeer lastig maakten.
Toen Alewijn zoo een half uur vruchteloos uitgekeken had, begon het hem te vervelen; hij legde zijn boog neer en vestigde zijn aandacht op eenige mannen in de buurt, die zeer druk aan den arbeid waren. Eenige oogenblikken te voren hadden ze een grooten, taaien balk aangedragen, die door Eggerik den timmerman in de lengte bijna geheel was gespleten; alleen aan het eene eind had hij de beide helften aan elkaar gelaten, terwijl de smid ze daar met eenige ijzeren banden goed had bevestigd. Die balk nu werd met het einde, dat nog niet gespleten was, in den grond geheid.
"Ha," dacht Alewijn, "daarom was die dikke straks al bezig een kuil te graven." 't Was een werk, dat met spoed moest gebeuren, want men stond hier niet rustig en wel op het voorplein van het kasteel, maar onder bereik van de vijandelijke pijlen. Geen wonder dus, dat Eggerik, die toch al haastig was uitgevallen, en nooit veel zin had, zijn huid te wagen, zich bijzonder gejaagd toonde.
"Vooruit dan toch, luie kwajongen," riep hij tegen Hark, die ook meehelpen moest, maar juist bezig was op een wortel te knabbelen. "Pak aan, of...."
Nu had Hark wel niet veel ontzag voor den timmerman, maar in deze omstandigheden oordeelde hij het toch het verstandigste, niet te talmen; hij nam dus den balk mee op en zette hem overeind. Niet lang daarna stond het werptuig stevig en wel in den grond. 't Was een springaal, een geducht middel, om er zware pijlen mee weg te schieten.
"Nu wou ik het ding ook eens probeeren," zei Eggerik. "Kwam er maar iemand voor den dag."
"Laten we vast een pijl klaar leggen."
"Goed."
Boven aan de eene helft van den gespleten balk zat een haak en door middel van een stevig touw, aan dien haak bevestigd, werd die bovenhelft door Hark en Eggerik met geweld naar beneden getrokken. 't Was een zwaar werkje, want het taaie hout bood geducht weerstand.
"Mooi zoo, nu de pijlen."
Daar had Ulfert al voor gezorgd; hij droeg een arm vol van die scherpgepunte, gevederde dingen.
"Vooruit, Hark, jij naar boven."
Hark durfde niet te weigeren en klom den springaal in, om den pijl daar boven op te leggen. 't Was anders geen baantje, want de belegerden kregen hem in het oog en mikten op hem, zoodat hij wel drie, vier keer gevaar liep, getroffen te worden. Toch bracht hij het er goed af.
"Nu goed uitgekeken!" zei Eggerik, "we moeten nooit in het wild schieten. Zul je goed vasthouden, Hark? Als ik een teeken geef, laat je hem glippen.... Hé, wacht, bewoog daar niet iets?"
"Ik zag niemand."
"Nu, 't is toch voorbij, helpt me eens goed opletten."
Plotseling vertoonde zich een boogschutter op den muur. Wat een waaghals! Zag hij dan het gevaar niet, dat hem bedreigde? Nu.... Hoe jammer, weg was hij.
"Pas op nu! Als hij weer voor den dag durft te komen, krijgt hij hem."
Allen keken in gespannen verwachting toe. Daar zag men weer iets: Hark liet los, de eene helft van den springaal smakte tegen de andere en met een groote snelheid schoot de gevaarlijke pijl weg. Hij trof echter geen doel: men had te hoog aangelegd.
Daarom moest Hark weer naar boven, om den springaal wat lager te stellen en daarna een nieuwen pijl op te leggen.
"'t Was een beetje te hoog, hé?" zei Eggerik handenwrijvend. "Toch jammer, maar we hadden hem anders juist in de goede richting. Ziezoo, nu zal het beter gaan. Ik verzeker je, dat de eerste de beste, die zich durft te vertoonen, op een vreemde manier begroet wordt."
Men wachtte dus weer; maar plotseling stoof het groepje uit elkander: een zware steen kwam met groote vaart aanvliegen, recht op den springaal aan. Eggerik was bij Alewijn achter het schietscherm gekropen en keek nu angstig toe. Wat zou het hem spijten, als dat mooie werptuig, waar hij zooveel moeite aan had gehad, ineens werd vernield.
Pof! Plotseling begon Ulfert vreeselijk te schreeuwen: hij had zich niet haastig genoeg uit de voeten gemaakt en nu was de steen juist tegen hem aangekomen en had hem met verbrijzelden arm doen nederstorten.
"O," zei de timmerman, "'t is Ulfert maar." De man vond blijkbaar het leven van zijn makker niet zooveel waard als een springaal. Ulfert dacht er evenwel anders over; hij lag te schreeuwen van pijn, zoodat men het wijd in het rond kon hooren; eenige mannen op het kasteel kwamen ook eens over de tinnen kijken, wat er gaande was, en als Alewijns gedachten niet bij den armen Ulfert waren geweest, zou hij misschien wel een vijand hebben kunnen raken.
"Schreeuw toch zoo niet, kerel!" bromde Eggerik, "je lijkt wel een varken, dat gekeeld wordt." Maar de arme Ulfert leed ondragelijke pijnen; ten laatste kwamen er een paar mannen aanloopen, die hem opnamen en naar de plaats brachten, waar eenige vrouwen zich bezig hielden met het verplegen der gewonden.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE KAT.
Van alle kanten werd het kasteel bestookt: hier met springalen, daar met blijden, elders schoot men zware pijlen af met een arbaleet, overal zaten boogschutters achter boschjes en schietschermen, maar de belegerden gaven alles met woeker terug. Zoo vorderde heer Diederik nog niet veel en reeds dacht hij er over, een algemeenen stormaanval te bevelen. Zijn vrienden echter rieden hem dit af en gaven hem in overweging, eerst een veiliger en tegelijk zekerder middel aan te wenden: de kat.
Alewijn zat op een morgen weer achter zijn schietscherm en mikte op de vijanden, toen Eggerik hem kwam opzoeken en zei: "Alewijn, leg je boog neer en ga mee. Je hebt sterke armen; we kunnen jou juist gebruiken."
Alewijn deed, wat hem bevolen was en volgde Eggerik, terwijl hij telkens achter schietschermen en aardhoopen en struiken wegschool en dan weer op zij sprong, als er van die verraderlijke pijlen kwamen aanvliegen.
"Komaan, hier zijn we er."
"Ha, is Alewijn daar? Dat is goed! Pak aan, jongen! Help eens mee dat ding voortduwen."
't Was een heel gevaarte: precies een schuur. Aan de voorzijde hadden eenige mannen druk werk; beschut door een afdak, legde men daar een houten vloer. De benoodigde planken werden door anderen onophoudelijk aangedragen. Zoodra de vloer klaar was, duwde en trok men uit alle macht en de kat, die op rollen stond, bewoog zich weer een eind vooruit, in de richting van het kasteel.
De aangevallenen spaarden hun steenen echter niet, en toen er een geweldig blok kwam neerploffen, dat met vreeselijk gekraak niet alleen een deel der kat verbrijzelde, maar tevens een paar mannen doodelijk gewond deed neerstorten, begon de ridder, die het toezicht had, ongerust te worden.
"Laat meer boogschutters aanrukken," riep hij driftig.
Eenige oogenblikken later kwamen van verschillende zijden schietschermen aanrollen. De boogschutters, die er achter verscholen zaten, schoten zóó herhaaldelijk en met zóó vaste hand hun pijlen af, dat de belegerden het op die plaats benauwd kregen en de kat wel wat meer met rust moesten laten.
Thans werd met verdubbelden ijver het werk voortgezet. De ridder spoorde zijn volk voortdurend aan, nu eens met goedkeuringen, dan weer met schelden en dreigen. 't Was een zware arbeid en ook de sterksten moesten al hun krachten inspannen.
"Een, twee, drie!" Plotseling schoot de kat een flink eind vooruit; daarna bleef zij nog een korten afstand doorrollen, om plotseling weer stil te staan. Nu ondervond men opnieuw grooten tegenstand: allen werkten krachtig mee. "Een, twee, drie!"
Zoo arbeidde men voort: Nu eens gelijkmatig verder glijdend, dan weer met horten en stooten, bewoog zich het gevaarte naar den muur van het kasteel. Zonder ophouden namen de werklui van achter de kat de planken weg, om van voren opnieuw een vloer te leggen. Toen de avond viel, was men slechts vijf meter meer van de gracht verwijderd. Allen, die meegeholpen hadden, schenen even vermoeid; toch had elk er schik in, dat het werk zoo goed gevorderd was.
"Morgen vroeg verder," riepen ze elkaar toe; daarna ging men slapen. Doch, hoezeer ieder naar rust verlangde, men verzuimde niet, de waakzaamheid te betrachten. En dit was gelukkig ook, want de belegerden, die tot nu toe vruchteloos hadden beproefd, de gevaarlijke kat te vernielen, hoopten, begunstigd door de nachtelijke duisternis, te bereiken, wat hun overdag niet wilde gelukken.
De werklui waren onder het dak van de kat gaan slapen; ook Alewijn had zich daar op een bos stroo neergelegd. Ieder sliep rustig, toen plotseling een hevig gekraak de strijders deed opschrikken: een geweldig blok was op het dak van de kat terechtgekomen. Een poosje later smeten de belegerden weer een zwaren steenbrok naar omlaag en de aanvallers moesten erkennen, dat hun vijanden goed wisten te mikken.
Alewijn keek naar boven: hij verbeeldde zich, op den muur gedaanten te zien, maar het was te donker om alles goed te onderscheiden. Toch grepen de boogschutters naar de wapenen en schoten hun pijlen af. 't Was wel op goed geluk af gemikt, maar ze schenen doel te treffen. De belegerden, die zeker begrepen, dat hun vijanden waakzaam en bijdehand waren, lieten hen verder wijselijk met rust en zochten ook zelf in den slaap nieuwe krachten te verzamelen voor den volgenden dag. Het schieten werd gestaakt, en overal op den muur keerde de rust terug.
Dadelijk gingen de belegeraars aan den arbeid, om de kat, die aan één zijde duchtig beschadigd was, te herstellen. Toen de morgen aanbrak, stonden de krijgslieden van hun legerstede op en men hervatte het werk van den vorigen dag. Weldra kwamen de belegeraars dicht bij de gracht, maar hoe meer zij hun doel naderden, des te meer deden de bewoners van het kasteel hun best, om het gevaar, dat hen dreigde, af te wenden. Met grooten spoed droegen ze steenen en brandstoffen aan en smeten die naar omlaag. De lieden, die aan de kat werkten, hadden een gevaarlijk baantje; menig onvoorzichtige moest zijn vermetelheid duur betalen. Onverpoosd werkte men voort; wie al te vermoeid was, werd afgelost. Zoo vorderde de arbeid flink en weldra was de kat, ondanks den heftigen tegenstand van den vijand, de gracht genaderd. Maar nu kwam het moeilijkste eerst aan: hoe de kat tegen den muur te krijgen? Er zat niets anders op dan de gracht te dempen.
Terwijl de boogschutters achter de schietschermen tientallen pijlen op den vijand afschoten, terwijl twee arbaleten zonder ophouden werkten en een blijde telkens een zwaren steen omhoog wierp, kwamen de werklui met zakken zand, met steenen en takkenbossen aandragen, ten einde, beschut door het stevige dak van de kat, daarmee een fermen dam in de gracht te maken.
Woedend zagen de belegerden het aan, hoe hun vijanden vorderden; ze stelden alle pogingen in het werk, om het verraderlijk ding te vernielen en den werklui allen arbeid onmogelijk te maken. Vergeefs! Ieder, die zich op den muur vertoonde, verkeerde in doodsgevaar; pijlen deerden het stevige gevaarte niemendal; vuur, ja, tegen vuur zou het houten ding niet bestand zijn. En ijverig togen de belegerden aan het werk; haastig wierpen ze brandende takkenbossen en pekkransen naar omlaag. Rookend en naar alle zijden vonken spattend, kwam een regen van vuur nederdalen, maar ook hierop was men bedacht geweest.
In plaats van de houten kat in brand te steken, zooals de belegerden hadden verwacht, doofde het vuur dadelijk uit, zoodra het op het dak van het gevaarte terecht kwam. Geen wonder: de kat was met natte koeienhuiden gedekt.
Intusschen moesten de belegeraars toch voortdurend op hun hoede blijven.
Een der boogschutters, die dicht bij de kat achter een scherm zat, had al zijn schichten verschoten, en riep Hark toe: "Zeg jongen, raap mij even een paar pijlen op." Maar Hark vond het aangenamer, veilig onder de kat te zitten, dan zich in gevaar te begeven, en antwoordde: "Doe het zelf maar."
"Jij bent er dichter bij."
"Dat zal wel, maar ik heb geen zin, mijn huid te wagen."
"Kom, durf jij dat nog niet?" zei een ander, die ook aan de kat meehielp.
"Jij zeker wel?"
"Waarom niet?"
"Wie zoo dwaas wil zijn, moet het zelf weten, ik bedank er voor."
"Je zult toch wel wijzer wezen," waarschuwde Alewijn. "Laat die kerel het zelf doen."
"Nu, zooveel bijzonders is het niet; ik zal je laten zien, dat ik het wel durf."
Hierop begaf de man zich buiten de kat en raapte ijlings eenige pijlen op; juist wilde hij ze den boogschutter toewerpen, toen plotseling een klomp vuur op hem neerviel en zijn kleeren, die van een grove wollen stof vervaardigd waren, oogenblikkelijk vlam deed vatten.
"Daar heb je 't al," zei Hark, toen hij het ongeluk zag.
De man stond een oogenblik als verbijsterd; hij wist blijkbaar niet, wat te doen.
"In de gracht! Spring in de gracht!" riepen zijn makkers, die bang waren, dat hij de kat zou binnenloopen en daar nog grooter onheil stichten.
Gelukkig had de man zooveel tegenwoordigheid van geest, dat hij dien goeden raad kon opvolgen; zonder aarzelen sprong hij het water in. Dadelijk doofden zijn brandende kleeren uit. Maar de belegerden hadden hem al opgemerkt: onder luid geschreeuw wierpen ze steenen naar omlaag; van alle kanten plaste en plofte het en de man mocht van geluk spreken, dat hij er nog heelhuids afkwam.
Dit voorval had een korten tijd aller aandacht afgeleid, maar nu werd het werk weer met frisschen moed opgevat. Voor en na kwamen mannen en knapen met zakken zand en takkenbossen aandragen.
"Wacht, reik mij dien zak nog even aan," zei Eggerik tot Alewijn, die achter hem stond.
"Hier heb je er nog een!" riep Hark.
"Neen, houd dien zoolang bij je. Nu moet ik nog een takkenbos hebben. Mooi. Ziezoo, nu kunnen we weer beginnen met er planken op te leggen. Wat zeg jij, Gerebrandt?"
"Welzeker."
"Als het van voren maar niet inzakt," merkte een ander op.
"Vooruit Hark, probeer jij den dam even."
"Dank je wel," zei Hark.
"Wat brom je daar?"
"Dat ik er geen zin in heb."
"Wat je zegt! Wil je nu wel eens een, twee, drie, doen, wat ik je gebied? Anders...."
Hark keek even naar de geduchte knuisten van den timmerman, daarop naar diens gezicht en, wijl hij begreep, dat de man in staat zou zijn, hem midden in de gracht te werpen, voldeed hij, hoezeer ook met grooten tegenzin, aan het bevel.
Al stak er een afdak van de kat naar voren, dat gaf Hark niet veel: hij moest zich nog verder wagen en daarin had hij, blijkens zijn tegenstribbelen, heel weinig trek.
"Vooruit maar, kereltje, je zult niet smelten," riep de timmerman, die er schik in had, dat Hark zoo bang was. "Ziezoo, dans nu maar even, dan kan Gerebrandt zien, of de dam wel stevig genoeg is."
"Als hij het mij wou laten doen, bedankte ik er toch voor," dacht Alewijn. Nu, Hark was ook niet van plan, te dansen, maar plotseling schoot er een pijl naar omlaag en raakte hem precies in de hand.
"Au, au!" riep Hark en sprong in het rond van de pijn. Op het gezicht hiervan begonnen allen hartelijk te lachen en de timmerman zei: "Mooi zoo, mijn jongen, dat mag je nog eens weer doen; kom nu maar hier, dan zal ik je even van dat lastige ding bevrijden." Hark was wat blij, dat hij die gevaarlijke plaats mocht verlaten. Intusschen deed de wonde geducht zeer; geen wonder ook: de pijl was hem dwars door de hand gedrongen.
Natuurlijk kon die daar niet blijven zitten; hij moest er uitgetrokken worden.
"Neen, neen," riep Hark verschrikt, "het doet mij al pijn genoeg."
"Wou je er dan zoo mee rond blijven loopen? Dat zou een aardige vertooning zijn. Nu, wat ben je van plan? Mag ik er niets aan doen? 't Is mij goed."
Hoewel aarzelend, kwam Hark toch naar den timmerman toe en stak zijn hand uit.
"Er zit niets anders op, dan den pijl midden door te breken. Pas op. Druk je tanden maar op elkaar, dan voel je er niets van."
De timmerman had mooi praten: Hark schreeuwde het uit, maar de onbarmhartige Eggerik sprak: "Stel je niet zoo kinderachtig aan, we zijn immers al klaar; je zult er heusch niet aan sterven. Ga nu maar gauw heen en laat je verbinden. Komt, jongens, nu wij weer aan het werk."
Toen de avond daalde, had men de gracht halverwege gedempt. Nog werd er niet bevolen, op te houden. De ridder, die het toezicht had, liet in de kat een paar fakkels ontsteken, en bij het flikkerende licht arbeidde men voort. Niemand toonde zich ontevreden, omdat hij niet kon rusten: allen verlangden, het vernielende werktuig aan den gang te zien. Reeds werd de zware balk, dien men aan het dikke einde met ijzer beslagen had, klaar gelegd.
Den volgenden middag eindelijk was men gereed: de kat lag pal tegen den muur. Eerst nu werd den werklui eenigen tijd rust gegund, maar slechts kort, want al spoedig zou de eigenlijke arbeid beginnen. De balk moest in de kat opgehangen worden. 't Was een heele zwaarte; zes sterke kerels hadden er dan ook moeite genoeg mee.
Daar kwamen ze er mee aandragen. "Op zij, op zij," riep de timmerman, die graag het hoogste woord mocht voeren, "Alewijn, geef jij dat touw eens hier."
Alewijn keek om en zag een dik touw op den grond liggen. Hij nam het dadelijk op en bracht het den timmerman, die het om den balk bond; hetzelfde gebeurde op een andere plaats; vervolgens werd het zware ding langzaam naar boven geheschen, en daar bevestigde men de touwen aan het dak van de schuur.
"Ziezoo, nu allen uit den weg, die er niets mee te maken hebben." Men zou het werktuig probeeren.
Alewijn en nog twee anderen trokken den balk door middel van een stevig touw naar achteren en wachtten, tot het teeken werd gegeven om los te laten.
"Eén, twee, drie!"
Met een vreeselijken slag kwam de zware balk tegen den dikken muur. Het ding werkte uitstekend; de timmerman wreef zich vergenoegd de handen en vol ijver hielp hij mee, om den balk weer achteruit te trekken.
Weldra zag ieder duidelijk in, dat men lang zou moeten beuken, vóór de muur bezweek, want deze was blijkbaar buitengewoon dik en sterk. Intusschen gaven de belegeraars zoo gauw den moed niet op; den geheelen dag hield het beuken aan, en, al bleef de muur de eerste dagen nog even onwrikbaar staan, zoo hoopten ze toch, dat hij in het laatst voor de geduchte kracht van den stormram wel bezwijken zou.
De bewoners van het kasteel schenen zich zeer ongerust te maken over de uitwerking, die de kat kon hebben, want ze deden alles, wat ze konden om haar te vernielen. Nog geen enkelen keer was er zulk een vreeselijke regen van pijlen en steenen neergevallen.
"Laat ze maar," zei een der mannen tot Alewijn, toen er weer twee steenen op het dak bonsden; "we zitten hier veilig en wel."
"Maar als er een zwaar blok op de kat neerkwam, zou onze veiligheid niet lang duren."
"Wees daar maar niet bang voor."
"Waarom niet?"
"Zware steenen kunnen ze niet op de kat laten vallen."
"Dat begrijp ik niet."
"Ik wel. Om zoo'n zwaar blok buiten den muur naar beneden te smijten, zouden de lui zich op den muur moeten vertoonen, maar daar passen ze wel voor op. Onze boogschutters schijnen goed te mikken: ieder, dien ze in het oog krijgen, is verloren."
ZESDE HOOFDSTUK.
EEN GEVANGENE.
't Was avond. Alewijn, Hark en eenige anderen zaten achter een zandhoop veilig en wel een praatje te houden.
"Hier Hark," zei Gerebrandt, "snijd daar maar een stuk voor je af." Dit zeggende, reikte hij zijn makker een homp spek toe. Hark greep het aan en poogde met de linkerhand zijn deel er af te snijden.
"Hoe is het," vroeg Gerebrandt, "ben je linksch geworden?"
"'t Lijkt wel zoo, hè? Ik heb een pijl door mijn rechterhand gekregen."
"Laat eens kijken."
"Ja, Hark, hoe gaat het er mee?"
"Och," zei Hark, zijn hand uitstekende, waarop een groot litteeken te zien was, "het gaat nog al. Ik had er in het eerst veel pijn aan, maar nu wordt het wat beter."
"Geef mij het spek ook eens," riep een ander.
"Pak maar aan, maar zuinig wezen, begrepen? Jij bent nog al gulzig uitgevallen."
"Hoe gaat het met Alwaert?"
"Ik denk niet, dat hij er van op zal komen. Hij kreeg een steen precies op zijn hoofd; een gat, dat je er wel een vuist in kunt steken; en daar komt nog bij, dat het leer van zijn kap in de wonde is gedrongen. Hij moet nog altijd buiten kennis zijn."
"Waar ligt hij?"