Albrecht Dürer: Een levensbeeld
Part 9
Hij werd gestoord door Vrouwe Agnes, die hen uitnoodigde om aan het avondeten te komen. Na het gebed, dat door het hoofd des huizes werd uitgesproken, zei Dürer tot Schäufelein: "Gij weet wel, dat verleden winter het Duitsche handelshuis bij de Rialtobrug te Venetië een prooi der vlammen is geworden. Nu heeft in Juni van dit jaar de Signoria [19] op aandringen der Duitsche kooplieden besloten het nieuw te bouwen huis aan een Duitschen meester, Hieronymus van Augsburg, op te dragen. En daar de St. Bartolomeuskapel, bij het handelshuis behoorende, een groot altaarstuk noodig heeft, hebben de Duitsche kooplieden eveneens weten door te zetten, dat dit door een Duitscher zou worden uitgevoerd en ziet ge, daarvoor heeft men den Neurenberger Albrecht Dürer uitgekozen."
Schäufeleins oogen schitterden van voldoening en zijn hand, die juist een stuk rookvleesch naar den mond wilde brengen, kwam niet tot haar bestemming. "O, dat is heerlijk! En wat verheug ik mij in de eer, die u te beurt valt! Geluk er mee, Meester! Hartelijk geluk gewenscht! En gaat gij gauw?"
Eenige oogenblikken bleef Dürer, zonder iets te zeggen, voor zich uit staren; toen sprak hij: "Mijn hart trekt mij naar dat zonnige land en die heerlijke stad, die ik reeds eenmaal mocht aanschouwen, en ook is de verzoeking groot om zooals vele anderen de vreeselijke ziekte, die hier heerscht, te ontloopen, maar de angst om hen, die ik moet achterlaten, doet mijn hart onrustig kloppen en houdt mij tegen. De Heer geve, dat de sterfte spoedig moge verminderen, dan is het mijn plan met de eerste gelegenheid de beste naar Italië te reizen. Maar ik wil niet alleen er op uittrekken zooals toen ik als gezel de wereld in ging, maar ik zal mij aansluiten bij een handelskaravaan. Zulk een jonge gezel zonder één cent op zak lieten de struikroovers en dieven wel ongestoord verder gaan, maar nu kon het wel eens zijn, dat die schelmen lust kregen om hun handen uit te strekken naar de schat, die ik van plan ben mee te nemen; want ik reken er op een groot aantal mijner schilderijen te Venetië in goud om te zetten."
Nu mengde Vrouwe Agnes zich in het gesprek: "Mijn lieve man, is het bezorgdheid voor de uwen, die u verhindert aan de eervolle opdracht gevolg te geven? Maar zijt gij dan de Voorzienigheid, die door uw bijzijn hen voor nood en dood kan bewaren? Het eenige, wat wij in dezen moeilijken tijd kunnen doen, is bidden en ons in 's Heeren bescherming aanbevelen. Nu dat kunt gij te Venetië even goed als hier. Ons leven is in Gods hand en ons hart kan rustig zijn in den Heer."
Dürer keek zijn vrouw aan met een blik waarin dank en ook achting voor haar groot Godsvertrouwen lag opgesloten, maar ook een stille vrees bij de gedachte: indien het eens in Gods raad was besloten een der mijnen tijdens mijn afwezigheid op te eischen dan zou ik zijn laatsten zucht niet kunnen opvangen en zijn oogen niet toedrukken. Hij durfde deze gedachte evenwel niet uitspreken; het was alsof hij zich schamen moest tegenover het onbeperkte Godsvertrouwen zijner vrouw. Schäufelein maakte van zijn stilzwijgen gebruik om, evenals Vrouwe Agnes, er op aan te dringen, dat hij zich tegen de reis naar Venetië niet langer zou verzetten.
Dürer keek den spreker ernstig aan, en er was zelfs eenige verlegenheid in zijn blik, toen hij zei: "Er is nog iets, dat mij tegen de reis doet opzien. Als ik eenmaal weg ben, zal ik zoo spoedig niet terugkeeren, want het groote schilderij, dat men van mij verlangt, zal veel tijd vorderen, en daarbij hoop ik ook van de Italiaansche meesters nog wat te leeren. Daarom zal ik wel verplicht zijn, mijn werkplaats te sluiten en u te ontslaan, mijn goede gezellen, wat mij niet weinig moeilijk valt, want gij hebt mij altijd trouw gediend en ter zijde gestaan."
Het was duidelijk op de gezichten der gezellen te lezen, dat hun dit weinig aanstond; zij zagen elkaar teleurgesteld en vragend aan. Zij waren op zoo iets in het geheel niet voorbereid en het speet Schäufelein, dat hij zoo op de reis had aangedrongen.
Dürer las hun gedachte en vervolgde: "Waarlijk, gij zijt nu lang genoeg bij mij in de werkplaats geweest en het komt mij bijna zeer zelfzuchtig voor, dat ik u zoo lang in mijn dienst heb gehouden, daar het toch wel uw wensch zal zijn ook bij andere meesters te leeren. Daarom wil ik niet aan mij zelf denken en mij om uwentwil verheugen, dat gij nu daartoe de gelegenheid hebt."
Hans von Kulmbach, die gewoonlijk stil en in zich zelf was gekeerd, richtte nu het woord tot Dürer en sprak: "De tijd, dien wij bij u zijn geweest, is ons als een droom voorbijgegaan en het zal lang duren, voordat wij op onze omzwervingen in de wereld een meester vinden, die ons zulk voortreffelijk onderwijs kan geven en wiens vriendelijkheid ons zulke goede dagen zal doen beleven."
Ook Schäufelein sprak in denzelfden geest, hij hield niet op Dürer dank te zeggen voor alles, wat zij in zijn huis hadden ontvangen en kwam eindelijk weer op zijn aandringen terug. Zoo werd het gesprek, dat eenigszins treurig was geworden, langzamerhand weer vroolijker en de dischgenooten zaten na het dankgebed nog lang gezellig samen te praten.--
Vijf weken later stond voor Dürers huis een opgetuigd rijpaard, beladen met een zwaar valies, ongeduldig te trappelen, want het wachten duurde lang bij de felle koude, die den adem uit zijn neusvleugels verstijfde, waardoor zijn kop in een waas werd gehuld.
Daar binnen duurde het afscheid lang. Het kostte meester Dürer reeds moeite te scheiden van zijn gezellen, die ook hun ransel hadden aangegord, maar het was alsof zijn hart zou breken, toen hij voor het laatst zijn lieve vrouw, zijn goede moeder en zijn broertje in de armen sloot.
Met zijn moeder had hij eerst nog een zonderling geschil over Hans gehad. Hij had hem gaarne willen meenemen op reis, omdat hij het voor den zeventienjarigen knaap, die zich ook aan het schilderen wilde wijden, nuttig oordeelde onder zijn toezicht en leiding iets van de wereld te zien en de Italiaansche taal te leeren; maar zijn moeder kon er niet toe besluiten om zich van den laatsten zoon, die haar van haar kinderen overbleef, te scheiden en wist van haar Albrecht te verkrijgen, dat hij alleen zou vertrekken.
Meester Dürer reed de straat "onder de veste" genaamd uit, vandaar naar de Heerenmarkt, waar hij ophield bij het huis van Pirkheimer. Hij moest van zijn vriend nog afscheid nemen en hem dank zeggen voor het voorschot, dat hij den reiziger had gegeven, omdat deze met het oog op zijn vermoedelijk lange afwezigheid een welvoorzienen buidel bij zijn familie moest achterlaten.
Nu gaf hij zijn paard de sporen en reed over de Barrevoetersbrug naar het Lorenzerplein en vandaar naar de Vrouwepoort, waar de vijf wagens met koopwaar en zijn eigen kunstwerken reeds gereed stonden, omgeven door de vijf kooplieden te paard en twaalf gewapende, stevige dienaars, die de karavaan moesten beschermen.
Onder de zegenbeden van hen, die er om verzameld stonden, stelde de stoet zich in beweging en vroolijk hinnikten de paarden op dezen kouden, helderen morgen.
HOOFDSTUK XVII.
NOGMAALS TE VENETIË.
Op een heerlijken, warmen dag in Februari van het jaar 1506 lag op het balkon van haar paleis op het Marcusplein, Signora Bella, de echtgenoot van den Markies Rinaldi, uitgestrekt op een zacht rustbed om met volle teugen de frissche, versterkende voorjaarslucht in te ademen. Zij was herstellende van een maandenlange, ernstige ziekte en verwachtte van den zonneschijn een snellere genezing.
Naast haar stond een vrouwelijke bediende, die haar het nieuws uit de stad moest vertellen, want nadat zij langen tijd in niets belangstelling had getoond, begon de Signora zich nu weer voor de buitenwereld te interesseeren.
Men vernam het geluid van naderende voetstappen en op het balkon verscheen een grijsaard met een langen, witten baard en een edele, indrukwekkende gestalte. Het was de oom der Signora en tevens haar vaderlijke vriend, van wien zij in haar ziekte de hartelijkste deelneming had ondervonden en die bijna dagelijks in dezen lijdenstijd haar tot troost was geweest.
Zijn gelaat helderde op, toen hij zag hoeveel belangstelling de zieke toonde in de mededeelingen van haar ondergeschikte en hij uitte zijn blijdschap op hartelijke wijze. Achter hem stond een lakei met een portefeuille, die hij van hem overnam en bij de Signora bracht. "Ik heb iets voor u meegebracht, dat u eenige oogenblikken aangenaam zal bezig houden, lieve Bella. Het is langen tijd geleden, dat gij u voor de kunst hebt geïnteresseerd."
"O, dank u, beste oom," antwoordde Bella en zij strekte haar kleine, magere, wasbleeke hand uit naar de portefeuille, waarin een reeks kopergravuren geborgen waren, die in volgorde het leven van Maria weergaven.
Reeds bij het eerste blad, dat de weigering van Joachims offer door den hoogepriester voorstelde, begonnen Bella's oogen te schitteren en uitte zij een kreet van verrukking; "O, hoe prachtig, hoe bekoorlijk!" Haar ingenomenheid nam bij elke afbeelding toe en zij kon haar oogen niet afwenden van die gravuren, welke de rust van de heilige familie in Egypte te zien gaven, een afbeelding van het reinste, gelukkigste familieleven, dat de bannelingen de smart over de scheiding van hun geboortegrond scheen te kunnen doen vergeten. Zij genoot van den aanblik van Maria, gezeten met haar spinnewiel bij de wieg van haar beminnelijk kind, van den ouden Jozef, die ijverig zit te arbeiden voor het dagelijksch brood der zijnen, en vooral van de allerliefste engeltjes, die druk bezig zijn om de spaanders in een mand te verzamelen en van wie één ondeugend genoeg is geweest om zich met Jozefs hoed te tooien.
Geheel andere gewaarwordingen werden in Bella gewekt, toen zij kwam aan de afbeelding van Jezus' afscheid van Zijn moeder, voordat Hij Zijn laatste reis naar Jeruzalem ondernam, en waarop de Heer met hemelschen vrede op het gelaat en met heiligen moed om den dood tegemoet te gaan, nog eenmaal Zijn moeder, die aan de deur vol smart ligt neergezonken, zegent.
Bella was diep ontroerd en twee groote tranen blonken in haar oogen. Nog nooit had zij iets aanschouwd, dat zoo aangrijpend schoon was.
"Ik dank u, beste Oom, voor dit genot," zeide zij dankbaar, nadat zij het laatste blad had bekeken. "Van wien zijn deze onvergelijkelijk schoone gravuren?"
"Raimondi Marcantonio heeft ze op koper gegraveerd," antwoordde de grijsaard, die met stille vreugde en voldoening had opgemerkt, dat zij, die hem zoo lief was, weder in iets belangstelling koesterde.
"Gegraveerd?" vraagde Bella. "Ze zijn uitstekend gegraveerd; maar wie heeft de teekeningen ontworpen? De kunstenaar, die dat heeft gedaan, vindt zijn gelijke niet."
Haar oom kwam een weinig dichter bij haar zitten en sprak glimlachend:
"Mijn doel was niet alleen om u deze platen te laten zien, maar ik wilde u ook iets vertellen. Deze gravuren hebben in de stad heel wat opzien gebaard en zijn de oorzaak, dat Marcantonio voor het gerecht is gedaagd."
"Voor het gerecht?" vraagde de Signora met klimmende belangstelling.
"Ja," antwoordde haar oom, "Marcantonio is een dief, die zich het bezit van anderen heeft toegeëigend; hij heeft deze platen, die oorspronkelijk in houtsneden zijn verschenen, in koper nagegraveerd. Zie, hier is het monogram van den ontwerper der houtsneden!"
Bella bekeek de letters zonder iets te zeggen.
Toen vervolgde haar oom: "Weet gij niet wiens naam het is? Maar dat zou ook moeilijk gaan, want het is reeds zoo lang geleden, dat gij den kunstenaar, die zich met A. D. onderteekent, hebt gezien. Gij waart toen nog ongehuwd. Het is de naam van een Duitsch kunstenaar -- -- --."
"Albrecht Dürer!" riep Bella uit en een flauwe blos kleurde haar bleeke wangen. "O, van hem zijn deze heerlijke kunstwerken! -- -- -- Ziet gij wel, Oom, dat ik zeer juist heb gezien, wat er in dien man was; mijn profetie heeft zich bewaarheid! Albrecht Dürer is een ongeëvenaard kunstenaar! Hoeveel heb ik niet reeds gezien op het gebied der kunst, doch nooit heeft iets daarvan mij zulk een genot verschaft, nooit heeft iets mij zoo getroffen als deze heerlijke kunst. Wat zijn onze schilders bij hem vergeleken! Zooveel innig gemoedsleven, als hierin ligt uitgedrukt, zoekt men tevergeefs bij hen. Men zegt van de Duitschers: dat hun hart even warm is als de dampkring, waarin zij leven, koud is. En nu zie ik, dat het waar is."
"Dat ben ik met u eens, mijn lieve Bella," antwoordde haar oom.
"Ook ik ben verrukt van deze platen en het andere werk, dat ik van hem zag, vond ik ook zoo bijzonder mooi."
"Waar woont Meester Dürer tegenwoordig?" vraagde Bella. "In zijn geboorteplaats Neurenberg?"
"Ja," antwoordde haar oom, "daar heeft hij zijn werkplaats, maar op dit oogenblik -- -- -- -- ."
Eensklaps hield hij op en vraagde zich af of het de zieke niet te veel zou opwinden, als hij haar het verdere mededeelde--doch toen hij Bella's dringenden, vragenden blik op zich gevestigd zag, ging hij voort haar te zeggen, dat Meester Dürer op dit oogenblik te Venetië vertoefde, om op verlangen der Signoria voor de vernieuwde St. Bartolomeuskapel een groot altaarstuk te schilderen.
De Signora richtte zich op van haar rustbank en liet zich door haar kamenier een kussen tot steun in den rug geven, alsof zij in die houding beter kon luisteren.
"Is hij te Venetië? In mijn onmiddellijke nabijheid?" zeide zij. "O hoe gaarne zou ik dien heerlijken kunstenaar nog eens terugzien! Hij moet nu een man in de volle kracht zijns levens zijn."
"Hij is vierendertig jaar," zeide haar oom. "Zijn uiterlijk alleen reeds trekt de aandacht. Men voelt eerbiedige bewondering, wanneer men hem ziet. En dan daarbij zijn edel karakter en zielenadel! Men voelt zich geneigd hem met ontbloot hoofd te naderen."
"Maar wat is nu het geval met Marcantonio?" vraagde de Signora. "Gij zeidet, dat hij voor het gerecht staat."
Haar oom knikte bevestigend. "Eindelijk is het meester Dürer gelukt een der vele schurken machtig te worden, die hun handen naar zijn eigendom uitsteken en zijn werken nadrukken of graveeren."
"Zou de Signoria hem tegenover onzen stadgenoot recht doen wedervaren?" vraagde Bella beschroomd.
"Maak u daarover niet ongerust, mijn kind!" verzekerde haar oom. "Dürer is bij de Signoria, evenals bij ieder hier in de stad, in hooge achting. Dagelijks krijgt hij in zijn werkplaats dicht bij het Duitsche handelshuis, zooveel bezoekers alsof het een bedevaart naar een wonderdoend beeld der heilige Maagd gold. Ook beijveren onze kunstenaars zich hem te bezoeken en met lof te overladen, al is dat misschien niet altijd even oprecht gemeend. De besten van hen zijn waarlijk zijn vrienden, doch de kleingeestigen vergaan van jaloerschheid, vitten en trachten gebreken op te sporen, terwijl zij in stilte zijn werken navolgen."
"Die ellendigen!" zei Bella toornig, "en hoe houdt Dürer zich daaronder?"
"Hij let niet op hen," antwoordde haar oom, "en zijn edel hart, waarvan al het lage en gemeene zoo ver is verwijderd, bemerkt ook dikwijls hun kwaadwilligheid niet. Hij stelt er zich tevreden mee door de anderen te worden gewaardeerd. 't Is een wonder, dat hij onder al den lof, dien men hem toezwaait, en de eer, die hem wordt bewezen, zoo kalm en nederig blijft."
"Ja, ja," riep de Signora uit, "Albrecht Dürer is een voortreffelijk man met een nederig gemoed, dat heb ik wel gemerkt. Hoe ver is hij met zijn altaarstuk gevorderd?"
"Hij is nog bezig aan de studies, die vooraf noodig zijn," antwoordde haar oom, "en het zou ook niet anders mogelijk zijn, want elken dag verdringt men zich zoozeer om hem, dat hij nauwelijks tijd tot arbeiden kan vinden. Onlangs nog zeide hij mij, dat hij zich nu en dan eens onzichtbaar moest maken, omdat men hem al te lastig viel en hij niet tot zich zelf kon komen. Ik kan mij begrijpen, dat al die eerbewijzen, waarmee de aristocratie hem overlaadt, hem gaan vervelen. Vooral vindt hij het onaangenaam zoo dikwijls te worden uitgenoodigd op gastmalen en feesten, daar dat zooveel van zijn kostbaren tijd vergt. Het liefst ontvangt hij Giovanni Bellini, van wien hij den eersten keer, dat hij te Venetië was, zooveel heeft geleerd; de eerwaardige grijsaard ziet nu met innige bewondering tot zijn vroegeren leerling op en bewijst hem veel oprechte genegenheid, wat den Duitscher, bij al de gehuichelde vriendschap, die hij ondervindt, bijzonder veel genoegen doet. Ik moet u toch nog vertellen, wat er onlangs is gebeurd. Bellini kwam bij Dürer, toen hij juist met een studiekop voor zijn altaarstuk bezig was; hij schilderde het haar op zijn onnavolgbare wijze. De grijsaard verzocht Dürer, hem een der penseelen, waarmee hij het haar zoo wonderlijk fijn wist te schilderen, als aandenken te geven. Daarop nam Dürer een handvol gewone penseelen, reikte die Bellini toe en gaf hem verlof er zooveel van te nemen, als hij begeerde. Bellini glimlachte, dacht dat Dürer hem niet had begrepen en vraagde om slechts één fijn penseel voor de haren. Nu moest Dürer lachen en zei, dat hij voor de haren geen bijzondere penseelen gebruikte. Toen Bellini daarop zijn hoofd ongeloovig schudde, nam Dürer een gewoon penseel en schilderde voor de oogen van den verwonderden grijsaard de haarlok eener vrouw op zijn wondermooie manier. Dit verhaal is volkomen waar, want ik heb het van Bellini zelf gehoord, die er bijvoegde: het klinkt als een wonder en ik zou het niet hebben geloofd, indien ik het zelf niet had gezien."
Signora Bella was stil geworden; de blos op haar wangen was weder verdwenen en zij zag er bleek en vermoeid uit. Haar oom begreep, dat het tijd werd om heen te gaan en haar nu te laten uitrusten, opdat al die aandoeningen, al waren zij van aangenamen aard, de herstellende geen kwaad zouden doen. En Bella nam afscheid van hem, doch niet zonder het dringende verzoek haar spoedig meer te komen vertellen van den Duitschen meester.
Verscheidene maanden waren voorbijgegaan--het Paaschfeest was nabij.
Albrecht Dürer was reeds 's morgens vroeg in zijn werkplaats, om, zooals hij hoopte, ongestoord van de ochtenduren gebruik te maken om aan zijn altaarstuk te werken, Men was in het begin overeengekomen, dat de schilderij op den eersten Paaschmorgen op het altaar van de Bartolomeuskapel zou prijken, maar daaraan was in de verste verte niet te denken en zij, die het Dürer hadden opgedragen, konden het hem niet wijten, daar zij heel goed wisten, dat het niet de schuld van den Duitscher, maar van de Venetianen zelf was, die hem zijn tijd kwamen ontrooven en hem ook bestellingen deden, die de vriendelijke meester niet wilde weigeren. Toch wilde het vandaag met den arbeid aan het groote schilderij niet vlotten. Zijn oogen dwaalden telkens naar een tweeden schildersezel, waarop een klein, pas begonnen stuk stond, den twaalfjarigen Jezus te midden der schriftgeleerden, voorstellende. Het was om hem eenige afwisseling te geven bij den omvangrijken arbeid van het altaarstuk, dat hem door de groote afmeting soms te zeer vermoeide. Acht dagen geleden was hij er pas mee begonnen en nu was het bijna af--met zooveel toewijding en ijver had hij er aan gewerkt.
Toen hij juist goed op streek was, werd er geklopt en met gefronste wenkbrauwen mompelde Dürer: "men gunt mij zelfs de vroege ochtenduren niet!"
Maar zijn gelaat verhelderde zoodra hij den binnenkomende herkende. Het was een jonge, nauwelijks twintigjarige man, met dichte, zwarte lokken en een edel, bleek gelaat, dat duidelijk den kunstenaar verried.
"Wees welkom, mijn beste Titiaan!" riep Dürer en hij stak hem zijn beide handen toe. Hij wist dat de kunstenaar, die voor hem stond, hem oprechte vereering toedroeg. Titiaan zag met evenveel bewondering tot Dürer op als zijn grijze leermeester Bellini.
"Wat zie ik?" riep hij uit, toen zijn oogen op den tweeden schildersezel vielen. "Ik dacht, dat ik, na u acht dagen met rust te hebben gelaten, het altaarstuk goed gevorderd zou vinden, en zijt gij nu nog met studies daarvoor bezig, of," voegde hij er glimlachend bij, "is dit geen studie voor het groote schilderij?"
Dürer moest eveneens lachen. "Het is een op zich zelf staand schilderij, waartoe uw leermeester Bellini mij heeft opgewekt. Het zal mij evenwel niet lang meer ophouden, want ik denk het morgen af te maken en dan heb ik er slechts vijf dagen voor gebruikt."
"Vijf dagen?" vraagde Titiaan en zag Dürer strak aan. "Hebt gij een verbond met den booze gesloten? Het is tooveren! Zulk een stuk in vijf dagen?"
"Dat is alleen vlugheid, waarde Titiaan," antwoordde Dürer. "Ik wilde mijn geest, die door het groote altaarstuk te veel vermoeid was, een weinig verfrisschen, door iets anders onder handen te nemen. Overigens heb ik ter wille van het groote werk veel andere opdrachten afgewezen, die mij meer geldelijk voordeel zouden hebben aangebracht dan dit groote stuk, waarvoor men mij 85 ducaten heeft beloofd.
"Het is waarlijk niet de zucht naar geld, die mij bezielt; doch denk eens hoeveel mijn onderhoud mij dagelijks kost en dat ik toch ook een deel der opbrengst mee naar huis moet nemen voor hen, die aan mijn zorgen zijn toevertrouwd. Indien ik alles op mij had kunnen nemen, wat men van mij verlangde, zou ik wel tweehonderd ducaten hebben verdiend. En niettegenstaande al de vriendschap, die men mij bewijst, zou ik hier aan lager wal geraken, als mijn houtsneden en de andere werken, die ik uit Neurenberg heb meegenomen, mij geen voldoende som hadden opgebracht. Maar nu heb ik plan om, zoodra het kleine schilderij klaar is, met alle kracht aan het groote te gaan werken."
"Om het met Pinksteren klaar te kunnen hebben?" vraagde Titiaan.
Dürer haalde de schouders op. "Dat is onmogelijk; er zijn daarvoor veel te veel figuren op het stuk."
Titiaan nam nu uit een portefeuille een teekening te voorschijn. "Ik wilde u dit laten zien, om van u te hooren of gij vindt, dat ik vorderingen heb gemaakt door uw voorbeeld."
Het was een landschap met bergen en een kasteel in het dal. Titiaan was inderdaad in dit genre een leerling van Dürer geworden en deze kon niet nalaten hem om dit stukje zeer te prijzen.
Titiaan wist, dat deze lof welgemeend was en voelde zich, toen hij naar huis ging, innig dankbaar en gelukkig gestemd.
De eene maand na de andere verliep; de geheele zomer ging voorbij en nog steeds was het schilderij niet af. Hoe meer de meester er mee vorderde, hoe meer hij ook den grooten omvang besefte van hetgeen hij op zich had genomen. Daarbij kwamen er op nieuw allerlei opdrachten, die hij niet kon weigeren en die tegelijkertijd winst afwierpen.
Eindelijk, op den 29sten September werd het in de stad verbreid, dat meester Dürer de laatste hand aan het altaarstuk, dat men sedert korten tijd het "Rozenkransfeest" noemde, had gelegd.
Daarop begaf iedereen zich naar de werkplaats bij de Rialtobrug--een ieder, wien liefde tot de kunst bezielde, maakte zich op om van het kunstwerk te genieten. De geheele kunstwereld was verzameld, ook de adel, ja zelfs het wereldlijke en 't geestelijke opperhoofd van Venetië, de Doge en de Patriarch, beide uitstekende kunstkenners, kwamen kijken.
Eerst heerschte er onder de verzamelden een eerbiedige stilte, men voelde zich overweldigd door den grootschen indruk, maar daarna brak er zulk een storm van loftuitingen los, dat Dürer hooren en zien verging.
Zijn werk verdiende trouwens volkomen zulk een lof: het was een meesterstuk. [20]