Albrecht Dürer: Een levensbeeld

Part 8

Chapter 83,917 wordsPublic domain

"Zijn plicht als zoon. Reeds lang is de oude meester Dürer bedlegerig en zeer hulpbehoevend en ellendig. Vrouwe Barbara en Vrouwe Agnes hebben hem tot nu toe liefderijk opgepast, maar een paar dagen geleden is hij zoo erg geworden en het is niet meer alleen zijn oude kwaal, maar nog andere ongesteldheden er bij, die hem kwellen en dubbele verpleging eischen. De beide vrouwen hebben zooveel van haar krachten gevergd, dat zij zich nauwelijks meer op de been kunnen houden en daarom heeft de meester een deel der verzorging op zich genomen en vooral het waken 's nachts; dan kunnen de vermoeiden een weinig rust nemen. Maar daardoor is hij overdag niet alleen te vermoeid om te werken, maar zijn geest is er ook niet toe gestemd, want de zorg en kommer drukken hem ter neer. Gij moet weten, dat er slechts zelden een zoon zal worden gevonden, die zoozeer met hart en ziel aan zijn ouden vader is gehecht als onze meester. Hij heeft dan ook trouw voor hem in zijn ouderdom gezorgd, en in zijn zorgen zich zelf geheel vergeten."

"Ik wist het," viel Löffelholz den gezel in de rede, "het is overbekend hoe goed meester Dürer voor zijn ouders en broeders is. En nu heb ik waarlijk spijt over mijn ongeduld en zal ik kalm afwachten, totdat de meester in staat is, het schilderstuk af te maken." Toen ging hij groetende weg.

Op straat gekomen, drong door het open venster van de kamer uit het benedenhuis een luid steunen en zuchten tot hem door; hij begreep nu welke bittere pijnen en smarten de oude meester had door te staan.

En werkelijk de grijsaard lag in hevig lijden op het ziekbed neer; zijn zoon zat bij hem en trachtte hem het lijden zooveel mogelijk te verzachten door zijn pijnlijk lichaam met zachte kussens te ondersteunen en hem nu en dan een glas kostbaren wijn uit Istria te laten drinken.

Daarna werd de zieke rustiger. Hij keerde het aangezicht naar den muur en sliep in--toen stond zijn zoon zachtjes op en deed de deur open om de frissche lucht naar binnen te laten stroomen.

Intusschen kwam Vrouwe Agnes en even daarna Vrouwe Barbara binnen, die eenige uren hadden geslapen en nu meester Albrecht kwamen aflossen.

Hij weigerde echter en sprak vriendelijk: "Laat mij hier blijven, ik verlaat vader nu liever niet."

En zoo bleven alle drie in de kamer zacht met elkaar fluisteren, om den kranke niet te storen. Er hingen in het zieke vertrek twee geschilderde portretten van den ouden meester Dürer. Beide waren door Albrecht gemaakt, het eene op het eind zijner leerjaren, toen zijn vader betrekkelijk nog in de kracht zijns levens was, en het andere bij zijn terugkomst uit den vreemde, om aan zijn vader te laten zien, wat hij daar had geleerd. Het laatste portret vertoonde het gelaat van een zeventigjarigen grijsaard, waarop de tijd zijn verwoestenden invloed had uitgeoefend, want het was vol rimpels en de oogen hadden een zeer vermoeide uitdrukking.

Vrouwe Barbara had de portretten uit de woonkamer laten nemen, om ze in dit vertrek op te hangen. Nu viel haar oog op de beeltenissen en ze zuchtte diep, toen ze zei: "Ach, hoe broos en vergankelijk is toch het leven van den mensch!"

Albrecht knikte haar toe en sprak na eenige oogenblikken: "Het lichaam vergaat tot stof en asch, maar de rechtvaardige blijft in gedachtenis. Mijn goede vader is steeds een deugdzaam, vroom man geweest, dat is zeker en niemand heeft dat in ruimer mate ondervonden dan ik. O, ik kan God niet genoeg er voor danken, dat Hij mij zulk een vader heeft gegeven, die altijd als een voorbeeld van deugd en vroomheid voor mijn oogen heeft gestaan en mij den goeden weg heeft leeren bewandelen."

Vrouwe Barbara schreide zacht en na eenige oogenblikken begon ook zij haar man te prijzen; dankbaar herdacht zij, hoe goed hij altijd voor haar was geweest in hun lang huwelijksleven.

Een beweging van den zieke trok aller aandacht tot zich; hij was ontwaakt en scheen iets te willen zeggen, want hij wenkte zijn zoon toe om dicht bij hem te komen en zijn hand in de zijne nemende, sprak hij: "Mijn zoon, ik voel dat ik ga sterven, en ik wilde u op het hart drukken, uw vrome, godvreezende moeder in haar ouderdom niet alleen te laten, haar, die altijd zulk een trouwe moeder voor u is geweest!"

Albrecht boog zich over de klamme hand zijns vaders en drukte een kus er op. "Gij behoeft u niet ongerust te maken, lieve vader. Ik ken mijn plicht en zal dien met Gods hulp zoo goed als ik kan vervullen."

Een dankbare blik uit zijns vaders oogen was zijn belooning.

Maar op hetzelfde oogenblik werd de kranke weder onrustig en begon op nieuw te steunen; het moest dus wel een ontzettend pijnlijk lijden zijn, want tot nog toe had de grijsaard zijn smarten met onvergelijkelijk geduld en gelatenheid gedragen. Hij klaagde over brandende pijn in de ingewanden en wilde uit het bed komen, ijlende alsof hij door hersenkoorts werd geteisterd.

Met groote moeite hield men hem in bed en trachtte de pijn te verzachten door warme doeken op zijn lichaam te leggen, maar het hielp niet veel en den geheelen dag hadden alle drie het zoo druk, dat er geen tijd overbleef om iets te nuttigen. Toen de avond viel kwam de zieke pas tot rust, hij begeerde te drinken en sliep daarna in. De beide vrouwen drongen er nu bij Albrecht op aan, dat hij naar zijn eigen kamer zou gaan om een weinig te slapen en nieuwe krachten voor den volgenden dag te verzamelen, en daar ook de natuur haar rechten eischte, gehoorzaamde de vermoeide man.

Tot laat in den avond konden de beide vrouwen rustig bij elkaar blijven zitten, want de kranke verroerde zich niet. Toen richtte hij zich weer met een angstige kreet overeind en wilde het bed verlaten.

Vrouwe Barbara gaf hem zijn zin, wischte het klamme zweet van zijn voorhoofd en toen hij om drinken vraagde, gaf Agnes hem een glas zoeten wijn.

"Dat heeft mij goed gedaan!" zei hij en nu wilde hij weer naar bed worden gebracht. Nauwelijks lag hij weer in de kussens, of zijn gelaat onderging plotseling een groote verandering: zijn gelaatskleur werd geheel anders, zijn oogen zonken in de kassen en schenen reeds gebroken.

De vrouwen schrokken, toen zij het bemerkten en ijlings stak Barbara een licht op, om dat aan het hoofdeinde bij den stervende te plaatsen, zooals toen het gebruik was. Zij wilde daarop de meid naar den kapelaan sturen, om den zieke van de Sacramenten der stervenden te voorzien, doch zij zag wel, dat het te laat was en daarom vervulde zij de plaats van den priester, maakte het teeken des kruises, vouwde de handen en sprak de woorden van St. Bernardus, het gewoone gebed der stervenden.

Ondertusschen snelde de meid op een wenk van Vrouwe Agnes, die den zieltogende in haar armen hield, naar boven om meester Albrecht te roepen.

In aller ijl kleedde hij zich aan en snelde in grooten angst de trap af. Toen hij echter de kamer in kwam, had zijn brave vader reeds den laatsten adem uitgeblazen en drukte Vrouwe Barbara den doode de oogen toe.

Albrechts smart was groot en hij verweet zich bitter, dat hij het laatste uur had geslapen, maar zijn moeder trachtte hem te troosten met de woorden: "Stel u gerust, mijn zoon, want al waart gij hier geweest, dan zoudt gij hem het sterven toch niet gemakkelijker hebben kunnen maken dan het is geweest. Laten wij God danken, die hem zulk een zalig, kalm sterfbed heeft gegeven!"

Daarop ging Albrecht naar het bed van den doode, keek langen tijd met eerbiedig gevouwen handen naar het vriendelijke, rustige gelaat en fluisterde biddend:

"Ave, pia anima. Requiem aeternam da ei, Domine, et lux ei luceat perpetua!" [16]

Het was de avond voor St. Mattheus van het jaar 1502 tegen middernacht dat de oude meester Dürer op vijf-en-zeventig jarigen leeftijd tot zijn vaderen werd verzameld.

Den volgenden dag werd onder klokgelui en onder het geleide van het geheele goudsmidsgilde het lijk op het Sebalduskerkhof ter aarde besteld. Van het hoogaltaar werd de zielmis gelezen en aan de armen der stad werd brood uitgedeeld. Gedurende drie dagen bleef het zwart fluweelen lijkkleed op het graf uitgespreid en brandden daarop twee kaarsen, die door houten kasten tegen den wind werden beschut, terwijl twee geestelijke zusters den geheelen dag bij het graf bleven om lijkzangen te zingen en te bidden voor de ziel des afgestorvenen. Dit alles gebeurde op verlangen van Albrecht, die hiermee zijn vader de laatste eer wilde bewijzen en toen hij en zijn betrekkingen na den lijkdienst waren teruggekeerd, nam hij de zorg voor zijn moeder en zijn jongsten, twaalfjarigen broeder Hans geheel op zich, zooals hij zijn vader had beloofd en zooals zijn eigen hart hem ingaf.

Zijn broeder Andreas evenwel nam ransel en staf op en trok de wijde wereld in.

HOOFDSTUK XV.

TOT GROOTER VOLKOMENHEID.

Meermalen had Keurvorst Frederik de Wijze Neurenberg bezocht en dikwijls had hij meester Dürer met een bezoek vereerd.

Het eerste altaarstuk, dat de keurvorst bij hem had besteld, voldeed zoo goed, dat hij hem eenige jaren later een tweede voor de Allerheiligenkerk opdroeg.

En nu--in het begin van het jaar 1504--kwam voor de derde maal uit Wittenberg de opdracht aan meester Dürer, om een schilderij te leveren ter versiering van dezelfde kerk en hij ging terstond aan het werk. De eene maand na de andere verliep; Dürer schilderde met de uiterste zorgvuldigheid en de grootste toewijding, zoowel de hoofdfiguren als de geringste onderdeelen.

Toen het in Neurenberg bekend werd, dat het groote altaarstuk zijn voltooiing naderde, werd Dürer dikwijls gestoord door nieuwsgierigen, die het wilden zien, want Pirkheimer en de beide gezellen hadden verteld, dat de meester zich zelf had overtroffen en daardoor wederom een schrede tot het volkomene in de kunst was genaderd.

Allen, die het zagen, konden zich overtuigen dat die lofspraak niet overdreven was. Het stuk stelde de aanbidding der Wijzen voor. Links zit de Maagd Maria in een licht blauw gewaad met witten sluier en houdt het kind Jezus op haar schoot. De uitdrukking van haar gelaat is onvergelijkelijk lieftallig, heilig en vredig. Diep bewogen en met velerlei aandoeningen naderen de Wijzen uit het Oosten, gekleed in gewaden, schitterend van goud, en het is alsof met hen de geheele natuur in aanbidding ligt verzonken. Geen aureool omgeeft Maria en het Kind, maar het lichte, zonnige groen op den achtergrond doet beiden nog beter uitkomen dan zulk een krans van licht het zou kunnen doen.

Iedereen was onder de bekoring van dit kunstwerk--men zag, dat het iets heel bijzonders was en dat geen van meester Dürers werken zoo hoog stond. Was 't het schoone coloriet, het gevoelige der teekening, de teedere, fijne penseelbehandeling, de wondere harmonie in de groepeering, de groote eenvoud en verheven rust, die over het geheel lag verspreid, wat zulk een overweldigenden indruk maakte? Neen, niet één dezer kwaliteiten alleen, maar dit alles te zamen was de reden van de groote bekoring, die het uitoefende.

Hoe was meester Dürers kunst nu op eenmaal tot zulk een hoogte gestegen?

Sedert geruimen tijd had zich te Neurenberg een Venetiaansch kunstenaar gevestigd, Jacopo de Barbari geheeten, wiens kunst hoog werd geroemd.

Eerzucht en naijver hadden hem uit de stad der lagunen verdreven. Hij kon niet dulden zijn roem met andere kunstenaars te moeten deelen en hij vond het onverdragelijk door anderen in de schaduw te worden gesteld. Hij hoopte in Duitschland, door de hoogte waarop hij stond, onbetwist een eerste plaats in te nemen.

Toch wilde hij niet gemakkelijk zijn triomfen behalen en daarom koos hij een plaats, waar hij gelegenheid had een reeds gevierd kunstenaar te overschaduwen. Zijn hoop werd dan ook vervuld. Evenals Ceasar kon hij zeggen: Veni, vidi, vici [17], en in een oogwenk waren de Neurenbergers zoozeer onder zijn invloed gekomen, dat zij bijna de Duitsche kunst vergaten om de vreemde te huldigen. Het was waar, dat de fijnheid en gevoeligheid van het coloriet, het liefelijke en sierlijke der teekening en de bekoorlijke uitdrukking, die hij in het gelaat wist te leggen, hem aller bewondering waardig maakte. Daarbij vergeleken scheen de Duitsche kunst hard en ruw, stijf en koud.

Meester Jacopo werd bij de aanzienlijkste families gaarne ontvangen; men betwistte elkaar de eer van zijn gezelschap, men zwaaide hem onmatigen lof toe, en overlaadde hem met geschenken en eerbewijzen. Het aantal bestellingen was overweldigend groot, want alle aanzienlijke jonkvrouwen bestormden zijn atelier om haar portret te laten maken.--

Albrecht Dürer zag welke triomfen de vreemde indringer behaalde, hij hoorde de overdreven loftuigingen en werd voortdurend stiller.

Was gekrenkte eerzucht, of verterende naijver de oorzaak, dat hij zoo stil en in zich zelf gekeerd was? Neen, want zijn edel hart kende dergelijke gewaarwordingen niet. Hij zelf behoorde tot hen, die meester Jacopo bewonderden en prezen in alle oprechtheid en zonder een zweem van huichelarij en na eenigen tijd, nadat hij in stilte had toegezien en nagedacht, ging hij naar den vreemden kunstenaar in allen ootmoed en nederigheid, zonder zich te laten afschrikken door den nederbuigenden toon, waarop deze, door de volksgunst zoo hooggeplaatste en verwende man, tot hem sprak--en de macht van Dürers edele en nederige persoonlijkheid bleef niet zonder invloed op dezen hoogmoedige, wien hij achting afdwong.

Het was de wensch om te leeren, die hem naar meester Jacopo had gedreven. De drie-en-dertigjarige kunstenaar, wiens naam op aller lippen was, achtte zich niet te hoog bij den vreemden meester in de leer te gaan.

Vóór dien tijd had hij nog een andere school doorloopen, die des lijdens. Een zware krankheid had hem bezocht en daardoor had hij gelegenheid gehad zich in ernstige overdenkingen te verdiepen. En evenals dit zelfonderzoek zijn hart gelouterd en geheiligd had, zoo was het ook niet zonder invloed op zijn geest gebleven; zijn genie had nieuwe openbaringen ontvangen en door de grootte van zijn lichamelijk lijden waren zijn scheppende krachten toegenomen. Deze vooruitgang openbaarde zich in de wijze, waarop Dürer nu het menschelijk gelaat opvatte en uitvoerde. Had tot nu toe de Duitsche kunst zich vergenoegd met het eenvoudig weergeven der lijnen en trekken zonder de stemming van het gemoed uit te drukken, nu legde hij in zijn portretten duidelijk en helder de stemming der ziel. Daardoor wordt het geheele gelaat bezield, men kan zien welke gewaarwordingen de mensch ondervindt, wat hem aandoet, wat hij gevoelt en welken strijd hij doorleeft; het is alsof men de haren ziet trillen, alsof de lippen zich bewegen en de oogen schitteren en glinsteren.--Toen hij nog zeer ziek was, had hij een Christuskop geschilderd zooals nooit te voren: het hoofd van den gestorven Heiland met de doornenkroon, met gesloten oogen en geopenden mond en een uitdrukking van onmetelijke smart over het geheele gelaat verspreid. Wat Dürer zelf in zijn bitter lijden had ondervonden, trachtte hij weer te geven met het penseel en daardoor kwam hij tot het schilderen der ziel, een door lijden verkregen talent, dat hij na zijn herstel in een groot aantal werken openbaarde, zonder ze evenwel reeds aan het groote publiek te laten zien. Hiertoe behoorde voornamelijk het lijden van Christus, dat hij met de pen en het penseel op groen getint papier in twaalf afbeeldingen had weergegeven en daarna een serie houtsneden, het leven van Maria voorstellende van haar geboorte tot haar hemelvaart. Deze afbeeldingen hadden een groote bekoorlijkheid voor den beschouwer; de kunstenaar had hierdoor een snaar aangeraakt, die in elk Duitsch hart een weerklank moest vinden, want deze teekeningen waren de verheerlijking van het familieleven, de lof van het huwelijk, als een heilige, door God geordineerde en gezegende staat,--in het kort, het was wederom een predicatie tot het Duitsche volk, zooals vroeger de door hem geïllustreerde Openbaring van Johannes.

Dürer had dus in de school des lijdens veel geleerd; maar hij was er ver van te gelooven, dat hij nu niets meer behoefde te leeren en in den vreemden kunstenaar zag hij juist een leermeester met wiens onderricht hij weder in een ander opzicht zijn voordeel zou kunnen doen.--

Langzamerhand verminderde de koelheid van Jacopo tegenover den Duitschen schilder. Hij werd vriendelijker tegen hem, doch verloor een zekere terughoudendheid niet uit het oog, toen hij bemerkte, dat het Dürer te doen was om van hem te leeren. Hij zag heel goed hoe uitstekend begaafd de Duitscher was en hij vreesde in stilte, dat Dürer hem in zijn kunst zou ter zijde komen of misschien wel overtreffen.

Vooral wilde hij angstvallig het geheim van de wijze, waarop hij het menschelijk figuur wist af te beelden, en waarop hij zich zoo beroemde, voor Dürer verborgen houden. Hij deed het namelijk voorkomen, alsof hij geen modellen noodig had, maar alsof hij door zijn grondige kennis der anatomie en de door hem opgemaakte theorie, die hij uit den canon der verhoudingen van het menschelijke lichaam had geput, dit in zijn grootste schoonheid kon weergeven.

Hoe gaarne had Dürer dit ook gekund! Maar spoedig moest hij de oprechtheid van den vreemdeling wel in twijfel trekken, toen hij bij toeval hoorde, dat hij, bij het weergeven der menschelijke gestalte, nu en dan het levend model had gebruikt en het bleek dus duidelijk, dat zijn scheppingsvermogen en anatomische kennis niet voldoende waren, om hem in staat te stellen het ideaal der menschelijke schoonheid in beeld te brengen.

Niettemin leerde Dürer door zijn omgang met meester Jacopo en door het bestudeeren van zijn werken, de gebreken die hij in zijn eigen werk had ontdekt, overwinnen en daardoor zijn kunst tot grootere volmaking brengen, want hij was er verre van, zich tevreden te stellen met hetgeen hij kon en liet zich door de grootste loftuitingen niet in slaap maken, om op de geplukte lauweren uit te rusten, maar hij streefde voortdurend naar hooger.

Het werd dan ook spoedig openbaar welke nieuwe kunde hij had verkregen. 't Waren slechts kleine stukken, oefeningen en studies, die uit zijn werkplaats kwamen, maar de kenners waren één en al verbazing en bewonderden de vorderingen, die hij had gemaakt vooral in het dierengenre, dat hij tot nu toe bij het landschap had achtergesteld.

Zoo had hij een haas geschilderd, die aller bewondering verdiende. Het vel was zoo natuurgetrouw weergegeven, dat men bijna in verzoeking kwam het eens te bevoelen, om zich te overtuigen, dat het geschilderd was en niet een werkelijk hazevel. Even groot opzien baarde een levensgroote hertekop, door een pijl getroffen en met gebroken oogen, en een ruiker viooltjes, waaraan slechts de geur ontbrak, om voor levende bloemen te kunnen worden gehouden.

Door deze kunstwerken trok Dürer weer aller aandacht tot zich en begrepen de Neurenbergers, dat men niet naar het buitenland behoefde te gaan, om een volmaakt kunstenaar te aanschouwen, maar dat die in de naaste omgeving was te vinden. Ja, het werd zelfs door enkelen luide verkondigd, dat meester Dürer den Italiaan Jacopo overschaduwde en deze fronste het voorhoofd, toen hij moest ondervinden, dat de geestdrift voor hem meer en meer verkoelde.

En nu was Dürer aan het schilderen aan het groote altaarstuk, dat een vorst van hem begeerde: "de aanbidding der Wijzen" en toen daaraan de laatste hand was gelegd, ging er in Neurenberg slechts één kreet op: de Duitsche kunst overtreft die van anderen en Albrecht Dürer is de eerste aller meesters! De zachtheid der lijnen, die bij Jacopo in weekheid ontaardde, was bij Dürer met kracht gepaard en het schitterende coloriet, dat bij den Italiaan niet van overdrijving was vrij te pleiten, behield bij Dürer de juiste maat en deed het oog aangenaam aan inplaats van het te verblinden. --

Meester Dürer ontving uit Wittenberg een ruime belooning niet alleen in klinkende munt, maar op verzoek van den kunstenaar was er een bijzonder mooi gewei bijgevoegd, dat de eereplaats in het staatsievertrek kreeg en door allen werd bewonderd, vooral door Wilibald Pirkheimer, die zijn vriend dit kostbare stuk bijna benijdde.

HOOFDSTUK XVI.

EEN DUBBEL AFSCHEID.

Op een kouden, vochtigen Octoberavond van het jaar 1505 hield voor Dürers huis een logge koets stil, waaruit een jonge man steeg in een reismantel gehuld.

"Schäufelein!" klonk het vroolijk uit een raam van de eerste verdieping van Vrouwe Agnes' lippen, toen zij den bezoeker herkende.

Deze gaf den knecht last om voor zijn koffer te zorgen en trad snel naar binnen. Hij werd hartelijk verwelkomd; vier weken was hij in Frankfort geweest om Dürers schilderijen op de jaarmarkt te koop aan te bieden.

"De lieve heiligen zijn geprezen," riep hij, "dat ik u allen in gezondheid mag terugzien en de doodsengel uw huis is voorbijgegaan. Ik heb heel wat angst om u uitgestaan, want in Frankfort ging de mare, dat de pest hier dagelijks veel offers eischte."

"Ja, God heeft ons genadig gespaard," antwoordde Dürer, "terwijl rondom ons menig huis door den dood is bezocht. Wat ben ik verheugd en dankbaar, dat God u in welstand bij ons heeft teruggebracht."

Hans, meester Albrechts broeder, hielp den gezel zich van zijn reismantel ontdoen; Vrouwe Barbara ging naar den knecht en Vrouwe Agnes liep naar de keuken, om voor het avondeten te zorgen.

Spoedig werd de koffer binnengebracht en hielp Hans von Kulmbach, die uit de werkplaats kwam aangeloopen, Schäufelein om dien leeg te maken. Dit kostte weinig moeite, want al was hij vol geweest, toen Schäufelein vertrok, nu waren er slechts enkele stukken in, die niet waren verkocht. Daardoor was de som gelds, die hij uit den lederen buidel op de tafel schudde, ook zeer belangrijk en Dürer betuigde zijn hartelijken dank aan zijn trouwen zaakwaarnemer, wien hij tegelijkertijd zijn deel van de opbrengst toeschoof.

"Ik zou in nog vroolijker stemming zijn thuis gekomen," sprak Schäufelein, "als ik niet de onaangename ondervinding had moeten opdoen, dat er vele schurken zijn, die hun dievenhanden naar uw eigendom uitsteken. Het zijn geen struikroovers, die ons onderweg hebben aangevallen, maar op de jaarmarkt heb ik een andere soort dieven leeren kennen; gij weet wel, wat ik bedoel."

"De nadrukkers?" vraagde Dürer snel.

"Ja, juist," knikte Schäufelein met gefronste wenkbrauwen. "Wat baat uw monogram, waarmee gij sedert acht jaren uw werken onderteekent? [18] Het beveiligt ze niet voor namaak, want die schelmen maken er geen gemoedsbezwaar van, om ook dat er bij af te drukken en daarmee de koopers te bedriegen."

"Het spijt mij zeer, dat te hooren," sprak Dürer halfluid. "Dieven worden opgehangen, doch zulke schurken, die zich toch ook het eigendom van anderen toeeigenen, laat men ongestoord hun schandelijk bedrijf uitoefenen. Ik zou gaarne eens een hooggeplaatst, invloedrijk man willen vragen om mij daartegen te beschermen; maar het is de vraag of zijn invloed daartoe in staat is."

"Ja, dat is vergeefsche moeite," meende Schäufelein, "al kondt gij u tot den keizer wenden, dan zou het nog niets baten. Zelfs in de Nederlanden haalt men zulke boevenstreken uit; want in Antwerpen woont er een, die kopergravuren heeft gemaakt naar uw houtsneden uit de openbaring van Johannes."

In hevige opgewondenheid liep Dürer met groote schreden het vertrek op en neer:

"Het ontstemt mij erg! Weet gij wie het is?"

"Och, al wist ik het, het zou toch niets baten," klaagde Schäufelein. "Ik heb trouwens getracht hem op te sporen, doch toen hij het bemerkte, heeft hij zich gauw uit de voeten gemaakt." Dürer haalde de schouders op. "Laten we ons verder niet bekommeren om den dief, die toch niet gelukkig met zijn roof kan zijn, want gestolen goed, gedijt niet. Aangenamer is het u te vertellen, hoe het mij in uw afwezigheid is gegaan."