Albrecht Dürer: Een levensbeeld
Part 7
"Prachtig, Albrecht!" riep hij uit, "gij hebt het voortreffelijk gedaan! O, welk een aangrijpende, machtige prediking, die elk kind, elk eenvoudig boertje kan begrijpen. Met ongeduld wacht ik het oogenblik af, waarop gij hierdoor openlijk zult getuigen tegen hen, die schuldig zijn aan het groote verderf, waarin de menschheid is verzonken." Nu bekeek Pirkheimer de volgende teekeningen. De zesde stelde de vier engelen voor, die de vier winden der aarde vasthouden, en de verzegeling der 144000 dienstknechten Gods; de zevende: de uitdeeling der bazuinen aan de zeven engelen en verschillende plagen, die het bazuingeschal der eerste vijf veroorzaken. De achtste geeft weer de uitwerking der zesde bazuin: de losbinding der vier engelen, die gebonden zijn bij de rivier, den Euphraat, en het derde deel der menschen dooden--deze vooral was zeer schoon en aangrijpend.
De negende stelde den sterken engel voor, die aan Johannes het boek geeft om het op te eten; de tiende: de vrouw bekleed met de zon, wier kind de roode draak met de zeven door koninklijke hoeden bekroonde hoofden, dreigt te verslinden; de elfde: den strijd van den aartsengel Michael en zijne engelen tegen den satan en diens engelen; de twaalfde: de aanbidding der beide monsters, die uit de zee zijn opgekomen en daarboven God op zijn troon met de scherpe sikkel en de engelen, die gereed staan voor den bloedigen oogst. De dertiende teekening beeldde den bruiloft des Lams af; op die kleine ruimte waren niet minder dan vijftig figuren zichtbaar. De veertiende gaf de groote Babylonische ontuchtige vrouw te zien, hetzelfde onderwerp, dat meester Wolgemut met zijn "Pausezel" had weergegeven. Hoe geheel anders had Dürer het opgevat en uitgevoerd! Hij had er geen afzichtelijk dier van gemaakt, doch een menschelijke figuur, een vrouw met weelderige vormen, gekleed in een laag uitgesneden kleed van brocaatzijde, rijk met goud en edelgesteenten versierd, gezeten op een beest met zeven hoofden, en in de hand den gouden drinkbeker vol van gruwelen en onreinheid. Voor haar staan een menigte menschen, die onverschillig en zonder ontzag naar haar kijken; alleen een kunstenaar werpt haar een dreigenden, toornigen blik toe, terwijl een monnik eerbiedig en aanbiddend voor haar knielt. Boven in de wolken komen reeds de twee engelen aanvliegen om haar het oordeel Gods te verkondigen. De laatste teekening vertoont eindelijk den grooten engel der wrake, die op het punt is den duivel en satanas in den afgrond op te sluiten, totdat de duizend jaren zullen zijn geëindigd, terwijl een andere engel den in verrukking geraakten profeet het nieuwe Jeruzalem toont, dat is het heilige, zuivere evangelie, niet verduisterd door menschelijke dwalingen.
Pirkheimer was diep getroffen door deze prediking in beelden van zijn vriend; hij voelde zich er door overweldigd en van gedachten veranderd. In den grond der zaak was hij het wel met meester Wolgemut eens geweest, maar de al te ver gedreven spot had hem mishaagd. Hij zag nu, dat Dürer de juiste maat had weten te houden en meegesleept door den overweldigenden indruk, drukte hij hartstochtelijk 's meester hand: "O, laat mij u danken, laat mij u de hand drukken, de hand, die zoo iets groots heeft kunnen scheppen! Zie, ik ben er diep door getroffen! O, hoe geheel anders is uw prediking dan die van den ouden Wolgemut! Nu begrijp ik, dat men met bijtenden spot en bitteren hoon niet verder komt; uit uw werk spreekt de heilige ernst van een geloovig hart, en dat is het ware. Het hart moet spreken, het hart, dat lijdt onder den druk der tijden en deze predicatie zal haar weg tot aller harten vinden. Ja, predik, mijn vriend en het volk zal naar u luisteren!"
De goedkeuring en aanmoediging van zijn vriend deden den kunstenaar goed en met vernieuwden ijver herzag hij zijn scheppingen in alle deelen, om ze tot meerdere volmaking te brengen.
Er ging nog een jaar voorbij, voordat de profeet zijn prediking tot de wereld richtte: de teekeningen moesten eerst in hout worden gesneden en afgedrukt. Doch toen kwam Pirkheimers voorspelling uit en verwekten Dürers illustraties van de Openbaring van Johannes groot opzien en oefenden een verbazenden invloed. De kunstwereld zag met verwondering, dat meester Dürer ook op dit gebied iets nieuws had gevonden en een ongeëvenaard standpunt innam. Maar niet alleen dat: iedereen begreep, wat hij had willen zeggen met deze zwijgende afbeeldingen en een ieder wilde de exemplaren bemachtigen. Ze werden niet alleen door de rijken gekocht, ook de arme tastte in zijn zak en had geen berouw over zijn uitgave. De geestelijken en kloosterlingen zagen toe met donkere, booze blikken en voelden den steek, dien meester Dürer hen toebracht, maar hun smalen verstomde bij de algemeene opgewondenheid en hun woede gaven zij lucht in heimelijk tandgeknars.
HOOFDSTUK XIII.
VRIENDENTROUW.
Op een helderen, kouden lentedag van het jaar 1499 stroomde een groote menigte volks naar de Hallerweide, om daar te genieten van den aanblik, dien de inspectie van een legerafdeeling aanbood. Keizer Maximiliaan had een oproeping aan het rijk gedaan om hem manschappen te bezorgen tegen de Zwitsers, die hij met het zwaard wilde terugbrengen van hun voornemen om zich aan zijn heerschappij te ontrukken. Terwijl hij zelf in Tyrol troepen uitrustte en de Zwaabsche bond onder Graaf Fürstenberg huurlingen wierf, wilde de rijksstad Neurenberg hierin niet achter blijven. Zij versterkte het keizerlijke leger met vierhonderd man voetvolk, zestig ruiters en zes stukken geschut. Het gevoel van kracht, dat in gelijke verhouding steeg met het toenemende algemeene welzijn, wilde zich nu ook uiten in krijgshaftige verrichtingen en bij den glans des rijkdoms ook dien des heldenroems voegen.
De vierhonderd voetknechten boden reeds een trotschen aanblik, maar zij werden overtroffen door de ruiters, gekleed in een schitterenden, rooden wapenrok. Het volk genoot van dit ongewone schouwspel en keek met trots naar de bende ruiters, in de zekere verwachting met hen eer in te leggen in den strijd, vooral nu zij werden aangevoerd door een man, van wiens moed en veldheerstalent men de hoogste verwachtingen koesterde: namelijk door Wilibald Pirkheimer, den jongen raadsheer.
Hoe trotsch stapte zijn zwart strijdros, schitterend opgetuigd en met een blauw met gele zijde gestikt zadelkleed, alsof het voelde, dat het een eer was den veldoverste te mogen dragen. En hoe schoon zag deze zelf er uit in den scharlaken wapenrok, het harnas van verguld staal en den wapperenden, witten vederbos! Aller harten klopten opgewonden, toen zij hem zagen en hij werd luide toegejuicht, toen hij de troepen in lange, rechte linie had opgesteld.
Een weinig buiten het gedrang van het volk stond onder een alleenstaanden lindeboom een man, wiens oogen met gespannen aandacht het schouwspel volgden. Zoodra de troepen waren opgesteld, nam hij een stuk perkament en een potlood uit zijn borstzak en ging ijverig aan het teekenen. Toen na een half uur alles was afgeloopen, leunde hij nog tegen een boom en teekende nog steeds; daarna stak hij het perkament in zijn zak en ging naar huis. Die man was Albrecht Dürer.
Verscheidene dagen later begaf hij zich naar de Heerenmarkt en liet, bij Pirkheimers huis gekomen, den klopper driemaal op de koperen deurplaat neervallen.
In het voorportaal vond hij de bedienden bezig allerlei toebereidselen te maken voor den afmarsch, die den volgenden dag zou plaats hebben.
Hij vond zijn vriend in de huiskamer bij zijn jonge vrouw, Vrouwe Crescentia, om haar in haar smart over zijn aanstaande afwezigheid moed en troost toe te spreken.
De komst van zijn boezemvriend was Pirkheimer blijkbaar zeer aangenaam en hij heette hem dan ook hartelijk welkom. Daarop sprak hij: "Meester Albrecht, help mij mijn bedroefd en beangst vrouwtje bemoedigen; zij ziet erg op tegen de eenzaamheid, waarin zij moet achterblijven en is in grooten angst over de krijgsgevaren, die haar echtgenoot dreigen."
Ook Vrouwe Crescentia zag meester Dürer gaarne komen: het ernstige, waardige en tegelijkertijd het zachtzinnige van zijn persoonlijkheid en zijn zielenadel hadden zoozeer haar achting en genegenheid verworven, dat zij hem de eereplaats onder de huisvrienden toekende. En zoo misten zijn bemoedigende woorden ook nu hun uitwerking niet; zij werd er stiller en kalmer door, zoodat ze zich reeds spoedig kon mengen in het gesprek, dat de beide mannen over den aanstaanden veldtocht voerden.
In den loop van het gesprek tastte Dürer in zijn zak, zeggende: "De monstering der troepen is niet alleen een genot geweest voor mijn oogen, maar heeft mij ook stof gegeven voor twee kleine, onbelangrijke teekeningen. Ziet, hier zijn ze!"
Daarop reikte hij de eene aan Wilibald toe en de andere aan Vrouwe Crescentia. De eerste stelde een vaandrig voor, op wiens in den wind wapperend vaandel het Andreaskruis [15] van de orde van het heilige Vlies schitterde; op de andere was St. George afgebeeld, den voet op den gedooden draak zettende.
Pirkheimer was aangenaam verrast en sprak: "Gij hebt reeds grooter kunstwerken dan deze geschapen, meester Albrecht; maar toch zie ik ze met bijzonder veel genoegen, want ik begrijp, wat gij er mee wilt zeggen. Die vaandrig met zijn wapperende banier moet onzen moed versterken en Ridder George, met den gedooden draak, predikt ons te vertrouwen op een goeden uitslag. Ik dank u mijn vriend--ook nu heb ik uw bedoeling begrepen; nu is de lust tot den strijd zoowel als de begeerte naar roem nog gestegen." Zij bleven nog langen tijd praten over den aanstaanden veldtocht onder het genot van een beker wijn en door hun gesprek werd Vrouwe Crescentia bemoedigd en vertroost. Den volgenden morgen riep de krijgstrompet de strijders tot den afmarsch.
Zij verzamelden zich wederom op de Hallerweide, spoedig waren de troepen opgesteld, doch de aanvoerder was er nog niet. Eindelijk kwam hij aangereden en werd met luid gejuich ontvangen.
Maar voordat hij de legerafdeeling had bereikt, zag hij meester Dürer in de voorste rij der menigte staan en wenkte hem toe om even bij hem te komen.
Hij zag er zeer opgewonden uit, zijn wangen gloeiden en zijn oogen waren rood.
"Ik heb een moeilijk oogenblik achter den rug," zei hij, "het afscheid viel ons zeer zwaar. Ik dacht, dat Crescentia nu moedig zou zijn geweest, doch, toen het uur van scheiden was gekomen, begaf haar hare kalmte en was zij zoo wanhopig, dat ik mij met groote moeite uit haar omhelzingen moest losmaken. Daarom beveel ik haar in uw vriendschap aan; heb medelijden met haar, die zoo eenzaam achterblijft en wil haar troosten en bemoedigen. Misschien kom ik gauw terug, want wellicht zijn die weerbarstige vlegels spoedig tot rede gebracht; als ik geen bode tot u zend van het slagveld, dan beteekent dit, dat alles goed gaat; maar als mij een ongeluk mocht overkomen zal ik het u laten weten, dan kunt gij het zelf aan Crescentia mededeelen en haar tegelijkertijd vertroosten en moed inspreken, gij hebt zooveel invloed op haar en zij heeft in u nog meer vertrouwen dan in haar eigen vader." "Gaarne beloof ik u alles voor haar te doen, wat ik kan, mijn vriend," verzekerde Dürer, "maar ik geloof vast en zeker, dat gij mij geen bode zult toezenden, maar dat gij zelf zult terugkomen met lauweren bekranst."
"Dat geve God!" riep Wilibald; daarop reikte hij zijn vriend de hand tot afscheid, gaf zijn paard de sporen en stelde zich aan het hoofd der troepen, die spoedig daarop onder vroolijk krijgsgeschal en luide heilwenschen en afscheidsgroeten van de menigte op marsch gingen.
Er waren reeds weken verloopen en nog had men niets van de strijders vernomen. Dit lange stilzwijgen werkte neerdrukkend op aller hart; de hoop op een zegenrijken uitslag verminderde, in de herbergen, op de markt of waar ook de menschen gewoon waren samen te komen, sprak men over niets anders.
Dürer ging dikwijls naar de Heerenmarkt om te zien hoe de vrouw van zijn vriend zich in haar eenzaamheid hield en om met haar over den afwezige te kunnen praten. Het deed haar altijd goed, haar beangst hart te kunnen uitstorten aan iemand, die haar vreugde en kommer deelde en die het zoo uitstekend verstond bedroefden te bemoedigen door zijn vriendelijke woorden en zijn vertrouwen inboezemende kalmte en zielevrede.
Twee maanden waren er bijna verloopen, toen, nadat er reeds allerlei berichten, die met elkaar in tegenspraak waren, in de stad waren verspreid, door een reiziger het gerucht werd verbreid, dat het ongeluk den keizer overal achtervolgde, doordat de hulptroepen op zich hadden laten wachten, waardoor de Zwitsers in de gelegenheid waren geweest, elke legerafdeeling afzonderlijk te verslaan. De man verhaalde dat de Grauwbunderlanders met de Tirolers twee dagen achtereen slaags waren geweest, waarbij de laatsten het onderspit moesten delven. Daarop waren de eedgenooten de afdeeling der Zwaben te gemoet gegaan en was het bij Hardt tot een treffen gekomen. Kort daarop had er een gevecht bij Bazel plaats gehad, waarbij de Zwitsers weer hadden overwonnen en Graaf Thierstein met zijn vijfhonderd man den dood zou hebben gevonden. Ook vertelde hij nog van een derde en vierde gevecht, een bij Constanz, waar veertienhonderd Zwaben sneuvelden en het andere bij Frastenz, een hooggelegen bergpas waar de Duitschers door den moedigen Hendrik Wolleb uit het kanton Uri waren ingesloten en overwonnen.
Deze geruchten brachten een groote ontsteltenis in de stad te weeg. In alle werkplaatsen en winkels werd het werk gestaakt, niemand dacht aan arbeiden en steeds waren de herbergen overvol met mannen, in wier ernstige, sombere blikken men kon lezen, hoezeer zij zich bezorgd maakten over de Neurenberger legerafdeeling.
Driftig werd er op meester Dürers huisdeur geklopt en de meid, die de deur opendeed, schrok hevig, toen zij Vrouwe Crescentia met een bleek gelaat en naar adem hijgende, voor zich zag staan. Angstig vraagde zij om meester Dürer te spreken. Hij kwam haar reeds op de trap tegemoet--want hij had haar stem gehoord en vermoedde waarom zij kwam.
Duidelijk las hij doodelijken angst op haar gelaat en zij zeide hem terstond, wat het was, dat haar zoo had doen ontstellen. "Hebt gij het dan nog niet gehoord, waarvan de heele stad is vervuld?" vraagde zij niet zonder verwondering, toen ze zag hoe rustig en kalm meester Dürer was.
"Ook mij is het bericht van 's keizers ongeluk in den strijd ter oore gekomen," antwoordde Dürer, "en zooals elke Duitscher, betreur ik dat oprecht; maar wat uw echtgenoot betreft, ben ik volkomen gerust: er is hem geen ongeluk overkomen."
Vrouw Crescentia bleef den meester met strakke blikken aanstaren; zij begreep er niets van. "Hebt gij dan de gave der profetie, dat gij weten kunt wat er ver van ons geschiedt?" vraagde ze. "Meester Dürer, hoe is het mogelijk, dat gij zoo kalm zijt? Zie, ik leef in zulk een doodsangst, dat ik niet weet, wat ik denken of doen moet." Dürer nam Vrouwe Crescentia bij de hand en geleidde haar naar een stoel, waarna hij bij haar plaats nam, zeggende: "Men behoeft waarlijk geen profeet te zijn om te weten dat het met uw echtgenoot goed gaat: zijn stilzwijgen alleen is het bewijs daarvan." Vrouw Crescentia zag hem angstig aan; zij begreep er nu nog minder van.
"Hoe moet ik toch uw duistere woorden uitleggen? Heb medelijden met mij en zeg mij duidelijk, wat gij bedoelt."
Dürer, die slechts had willen weten of Pirkheimer bij het afscheid nemen met zijn vrouw dezelfde afspraak had gemaakt als met hem, bemerkte nu, dat dit niet het geval was en hij vraagde zich zelf af, of hij hetgeen zijn vriend hem had toevertrouwd, mocht verraden. Maar toen hij den doodsangst van Vrouwe Crescentia zag en begreep, dat deze mededeeling haar zou kunnen troosten, besloot hij haar de reden, van zijn gerustheid te vertellen. "Gij vraagt mij, edele Vrouwe, waarom het stilzwijgen van uw echtgenoot voor mij het bewijs van zijn welzijn is. Nu dan, toen hij afscheid nam, sprak hij tot mij "alleen als mij een ongeluk overkomt, zal ik een bode sturen en wel aan u, Albrecht, opdat mijn arme vrouw de ongelukstijding niet zoo onvoorbereid zal hooren, en gij haar tegelijkertijd zult kunnen troosten." De reiziger heeft wel verhaald van verloren veldslagen en dat is zeker treurig genoeg, doch de boodschapper van uw echtgenoot is weggebleven. Maak u dus niet ongerust en vrees niet, dat hem iets zou zijn overkomen."
Vrouwe Crescentia had met gespannen aandacht geluisterd; toen greep zij zijn hand en drukte die hartstochtelijk: "o dank, dank voor die woorden, Meester Dürer! Waarlijk, het is mij alsof gij een engel zijt door God gezonden om mijn beangst gemoed tot rust te brengen. Ook dank ik u, Wilibald, voor uw teedere zorg voor uw arme vrouw! Ja, dat was een goed denkbeeld van hem, om zijn boodschapper tot u te zenden in plaats van regelrecht tot mij. De Heilige Maagd geve, dat die bode, die toch slechts een onheilsbode zou kunnen zijn, moge wegblijven, en al de heiligen mogen ons bijstaan, opdat er spoedig een einde aan den strijd kome! -- -- -- Ach, mijn hart begint weer angstig te kloppen, als ik er aan denk, dat het reeds verscheidene dagen is geleden, sinds die reiziger het tooneel van den strijd heeft verlaten, en dat er sedert dien tijd weer veel kan zijn gebeurd." Dürer legde zijn hand op haar schouder: "o wees niet ondankbaar jegens Hem, die tot nu toe uw echtgenoot voor alle gevaar heeft behoed, maar vertrouw op Hem! Alleen een onbeperkt vertrouwen op Gods almacht en barmhartigheid maakt het hart stil en sterk." Zwijgend bleef Vrouwe Crescentia geruimen tijd in gepeinzen; toen hief zij de oogen langzaam op en knikte: "Gij hebt gelijk, lieve Meester, en ik wil naar u luisteren. Bid voor mij opdat mijn hart ook zoo gelaten en sterk moge worden als het uwe is!"
Ondertusschen kwam Vrouwe Agnes binnen, die zich in het gesprek mengde, en toen Crescentia na een uurtje naar huis ging, was haar hart geheel gerustgesteld.
Er verliep wederom eenige tijd, toen kwam er een reizende koopman te Neurenberg, wiens mededeelingen nieuwe onrust teweeg brachten. Hij vertelde van een nieuwe nederlaag van het keizerlijke leger bij Mals in Vienstgau en ook dat de keizer het leger in twee deelen had gesplitst: het grootste gedeelte zou onder bevel van Graaf van Fürstenberg naar Bazel zijn opgerukt en met het andere gedeelte zou de keizer zelf naar de Bodenzee zijn getrokken. Daarop was Fürstenberg bij Dornach met den vijand slaags geraakt, bij welken strijd de graaf het onderspit had gedolven en zelfs het leven verloren.
Nu begon ook meester Dürers hart onrustig te kloppen. Misschien had zijn vriend plotseling den dood gevonden en geen tijd meer gehad om een bode te zenden? Juist wilde hij zijn ongerustheid aan Vrouwe Agnes meedeelen, toen de klopper haastig driemaal op de deur werd neergelaten en even daarna een man, bestoven en verreisd, voor hem stond, bij wiens aanblik meester Dürer doodelijk bleek werd. "Götz, zijt gij het!" riep hij, terwijl hij de handen afwerend uitstrekte, want in den reiziger had hij Pirkheimers knecht herkend.
Maar nog voordat hij iets kon vragen, riep de man snel: "Wees niet ontsteld, ik heb niets kwaads te berichten! Het gevaar is geweken, de wond was niet doodelijk. Mijn meester heeft mij slechts gezonden, omdat hij vreesde, dat gij u zoudt verontrusten over de slechte tijdingen, die misschien in Neurenberg zijn verspreid geworden. Het is waar, dat de ongeschiktheid en de onwil der Duitsche troepen den keizer geen geluk hebben aangebracht, doch mijn meester is geen ander leed wedervaren dan een lichte schram aan het hoofd. Hij wilde gaarne, dat gij dit zelf aan Vrouwe Crescentia zoudt mededeelen en ook dit: dat de oorlog als geëindigd is te beschouwen, want dat de keizer, hoewel niet zonder tegenzin, van plan is vrede te sluiten."
"O wees hartelijk welkom, gij, brenger van zulk een goede boodschap!" riep Dürer innig verblijd en hij drukte den goeden man de hand. "Doe u nu eerst eens te goed na die lange reis, terwijl ik gauw naar Vrouwe Crescentia ga, om haar uw tijding over te brengen."
IJlings greep hij zijn baret en liep haastig naar de Heerengracht.
Vrouwe Crescentia zat juist met haar beide dochtertjes op schoot in de kinderkamer, toen hij binnentrad. Ook haar waren de jobstijdingen omtrent het keizerlijke leger ter oore gekomen, doch zij had aan haar herlevende ongerustheid niet willen toegeven, maar die met alle kracht overwonnen, denkende aan hetgeen meester Dürer haar had gezegd.
Nu stond hij op eens zelf voor haar en haar hart stond stil. Wat zou er gebeurd zijn? Maar één blik op zijn gewoonlijk zoo ernstig gelaat, waarop nu een glans van vreugde lag verspreid, stelde haar gerust.
Dürer boog eerbiedig en sprak: "God zij met u, edele Vrouwe! Uw echtgenoot heeft zich niet aan de afspraak gehouden, want hij heeft iemand gezonden met tijding, doch gelukkig met goede tijding. Wel is waar had de vreemdeling gelijk, die berichtte hoe ongelukkig het keizerlijke leger het er heeft afgebracht, doch uw echtgenoot maakt het, Gode zij dank, goed. Zijn knecht is het mij komen zeggen en versterkt zich op dit oogenblik met spijs en drank thuis bij mijn Agnes." Vrouwe Crescentia zette de beide kinderen van haar schoot en stond op met hooggekleurde wangen, terwijl zij de handen hemelwaarts hief en uitriep:
"O, de heiige Maagd zij geloofd, tot wie ik dagelijks heb gebeden en gesmeekt!--En wat heeft Götz verder gezegd?"
"Iets, dat u eveneens zal verheugen: dat de vrede voor de deur staat," sprak Dürer. Toen barstte Vrouwe Crescentia in tranen uit en in de overmaat van haar geluk viel zij bijna den brenger van deze heerlijke tijdingen om den hals.
Even daarop stond Götz zelf voor haar en moest haar alles van het begin af uitvoerig vertellen. De goede man was het liefst maar weer dadelijk terug gegaan naar zijn meester, maar Vrouwe Crescentia wilde den vermoeiden reiziger niet laten gaan voor den volgenden morgen, voorzien van haar zegenbeden en een ruim reisgeld.
Spoedig bevestigden zich Pirkheimers mededeelingen: de keizer sloot te Bazel vrede met de Zwitsers, en de Neurenberger legerafdeeling trok weldra de stadspoort binnen. Zij had zich uitstekend van haar plicht gekweten en de keizer had haar in het bijzonder zijn tevredenheid betuigd, terwijl hij vooral vol lof was over de ridderlijkheid en onverschrokken moed, die de aanvoerder in den strijd had getoond en hem beloonde met den titel van keizerlijk raadsheer.
Aan den avond van den dag, waarop de krijgslieden de stad waren binnengetrokken, waren de vensters van het huis der familie Pirkheimer helder verlicht en zat een vroolijk gezelschap om den welvoorzienen disch verzameld. Tusschen den gastheer en de gastvrouw was meester Dürer gezeten en die plaats kwam den vriend toe, die de eenzame en angstig gestemde vrouw van den veldheer trouw met troost en raad had bijgestaan.
HOOFDSTUK XIV.
KINDERLIJKE LIEFDE.
Op een Septembermorgen van het jaar 1502 trad een aanzienlijk man, de patriciër Löffelholz Dürers werkplaats binnen.
"Is meester Dürer niet thuis?" vraagde hij aan de gezellen. "Hoe komt het, dat hij, die anders zoo stipt is, zijn woord niet heeft gehouden? Ik wacht reeds drie dagen op de schilderij, die ik bij hem heb besteld."
Schäufelein, die het dichtst bij stond, haalde de schouders op.
"Gij zult nog een weinig geduld moeten hebben, edele heer, wij kunnen er niets aan doen. De meester wil volstrekt niet, dat wij er aan werken, hij wil het geheel zelf afmaken."
"Nu, waarom maakt hij daarmee dan zoo weinig haast?" vraagde Löffelholz.
"Hij is de laatste dagen bijna niet in de werkplaats te zien, omdat hij andere plichten heeft te vervullen."
"Wat voor plichten?"