Albrecht Dürer: Een levensbeeld
Part 6
Tegen Kerstmis bood zich een tweede schilder aan, Hans von Kulmbach, ook een knap kunstenaar, die reeds naam begon te krijgen--en dat hij bij meester Dürer als gezel werkzaam was, rekende deze zich tot eer en vermeerderde zijn roem niet weinig. Dürer kon zich op zulke gezellen waarlijk wel beroemen. Als zulke begaafde kunstenaars hem hun meester noemden, hoe groot moest hij dan zelf niet zijn! En het was geen wonder, dat meester Dürer voortdurend in aanzien steeg bij de Neurenbergers en dat buiten af zijn naam steeds met meer lof werd vermeld.
HOOFDSTUK XI.
VOORNAAM BEZOEK.
Een groote menigte vreemdelingen stroomde in April van het jaar 1496 naar Neurenberg--het wemelde van allerlei soort van reizigers op de groote wegen. Vedelaars en zangers, goochelaars, koorddansers, kwakzalvers en zwervende studenten trokken naar de stad in gezelschap van berenleiders en kameeldrijvers, vrouwen, meisjes en vuile zigeuners. Daartusschen vertoonde zich monnikspijen en grove boerenkielen. Ook eerzame burgers trokken in troepjes stadwaarts en hier en daar baande zich een koets, aan aanzienlijke bezoekers toebehoorende, of een groep geharnaste ridders te paard een weg door de bonte menigte.
Het was weer ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en reliquiën, dat deze menschenmassa naar Neurenberg stroomde--en dezen keer was de toeloop zoo bijzonder groot, omdat een aantal vorsten en prelaten ook op weg waren en zelfs de keizer beloofd had te verschijnen.
De stad was versierd met vlaggen en wimpels, bonte tapijten en slingers van groen en bloemen. Zelfs de kerken hadden zich getooid, zooals een bruid zich tooit voor haar bruidegom en de groote markt was als in een feestzaal herschapen. Vandaar tot aan de veste, waar de keizer verblijf zou houden, was het alsof men door een bosch liep: het woud had zijn slanke dennen, die in twee rijen in den grond waren geplant, moeten afstaan.
Overal, in alle straten verdrong zich het volk uitgedost in hun fraaiste kleederen, om al de pracht en versieringen te kunnen bewonderen, voordat de feestelijkheden al hun aandacht in beslag zouden nemen. In de herbergen was het reeds vol vreemdelingen en nog steeds kwam er nieuwe toevloed.
Den 14den April ging het gerucht, dat de Keurvorst van Saksen met zijn broeder, Hertog Hans, in aantocht was. Het volk stroomde de poort uit om de naderenden te gemoet te gaan, en dicht voor de poort werden de gilden met hun insignes en banieren opgesteld. Toen de vorst kwam aangereden, kwam er geen einde aan het gejuich en gejubel van het verzamelde volk, want Frederik, bijgenaamd de Wijze, stond bij allen in hoog aanzien. Achter hem en zijn broeder volgde een lange stoet ruiters in mooie, blinkende wapenrustingen en met wapperende pluimen.
Kort daarop kwam ook de Landgraaf Lodewijk van Hessen met honderdvijftig ruiters, wien men dezelfde eer bewees.
Doch de algemeene spanning nam zeer toe, toen men vernam, dat den volgenden dag de keizer de poort der oude vrije Rijksstad zou binnenrijden.
De Keurvorst van Saksen reed met zijn broeder de poort uit om den vorst tegemoet te gaan. Weder werden de gilden opgesteld; de raadsheeren verschenen in hun deftige, zwarte mantels met de gouden ketens, de stadsmuzikanten zetten zich in postuur, op de wallen werd het geschut geladen en zelfs de allerarmste trok zijn beste kleeren aan. Maar zie, daar kwam een renbode om te zeggen, dat Zijn Majesteit verhinderd was zijn goede stad Neurenberg te bezoeken, omdat de Italiaansche veldtocht al zijn tijd eischte. [12]
Dat was voor de Neurenbergers een groote teleurstelling en men had nu maar half pleizier in de feestdagen, waarop de reliquiën en rijkskleinoodiën in het openbaar werden tentoongesteld.
Op den tweeden feestdag werd meester Albrecht Dürer reeds 's morgens vroeg in zijn arbeid gestoord, doordat men aan zijn deur klopte.
Op den drempel verscheen een vreemde, aanzienlijke heer, die beleefd groette en zeide:
"Ik kom uit naam van mijn heer en gebieder, den Keurvorst van Saksen, om u te zeggen, dat Zijn keurvorstelijke Doorluchtigheid van plan is u een bezoek in uw werkplaats te brengen. Derhalve zult gij u voor zijn ontvangst gereed moeten maken, want over een uur zal hij hier zijn."
Een oogenblik was Dürer door dit onverwacht bericht in verwarring gebracht, doch hij herstelde zich spoedig en sprak beleefd buigend: "Ik verheug mij over de hooge eer, die mij te beurt valt en Zijne keurvorstelijke Doorluchtigheid zal mij zeer welkom zijn."
Nauwelijks was de bezoeker weg, of Dürer snelde naar zijn vrouw om haar deze blijde tijding te brengen. Terstond ging zij naar het atelier om zoo snel mogelijk alles op te ruimen en in orde te brengen, daarin ijverig geholpen door de beide gezellen, die het ook reeds hadden gehoord.
Intusschen had meester Dürer zich in zijn pronkgewaad gekleed en vertoonde zich in al zijn mannelijke schoonheid, statig en vol kracht als een ridder, en Vrouwe Agnes vermeide zich opnieuw in den aanblik van haar echtgenoot; het kwam haar voor, dat hij er nog nooit zoo heerlijk en statig had uitgezien.
Nadat een uur verloopen was, kon men door het venster den keurvorst Frederik, door zijn broeder Hans vergezeld, in de straat zien aankomen. Dadelijk snelde Dürer de trap af om de aanzienlijke gasten op den drempel te ontvangen.
"Dus zijt gij meester Dürer," begon Keurvorst Frederik, terwijl zijn oogen met welgevallen de hooge gestalte beschouwden en hij hem vriendelijk de hand reikte. "Men prijst uw kunst zeer in het geheele land, en zelf heb ik ook reeds menig kunstwerk, dat mij heeft doen wenschen u persoonlijk te leeren kennen, van u gezien. Wilt gij ons nu voorgaan om ons de plaats, waar gij arbeidt, te laten zien?"
Eerbiedig geleidde Dürer de voorname bezoekers naar zijn werkplaats, waar de keurvorst plaats nam op den hem aangeboden zetel, terwijl zijn broeder zich naast hem zette.
Er hingen aan den muur veel schilderijen, die door den keurvorst zeer werden bewonderd, en zijn lof was Dürer des te meer waard, omdat hij niet alleen een liefhebber der kunst maar ook een kunstkenner was.
"Bij ons in Saksen," ging Frederik voort, "geniet Lucas Kranach een grooten naam en hij is een kunstenaar met bijzondere gaven; maar met u, Meester Dürer, kan hij zich toch niet meten. Ik zeg dit niet om u ijdel te maken of om meester Lucas' roem te verkleinen, maar om God in u te eeren, die u zooveel heeft geschonken. Hij geve u daarbij een goede gezondheid en een lang leven, om met het u toevertrouwde pond te kunnen woekeren tot Zijn eer en tot vreugde der menschen.--Maar ik verlang meer van u dan het genot, dat ik nu heb gesmaakt. Ook Wittenberg moet zien, waartoe de Neurenberger kunstenaar in staat is en daarom verzoek ik u voor mij een groot altaarstuk te schilderen, om de allerheiligenkerk te Wittenberg te versieren."
Dürers wangen werden nog donkerder gekleurd en zijn aandoening stond op zijn gelaat te lezen. Hij boog diep voor den vorst, dankte hem voor de eer hem aangedaan en vraagde, wat het schilderij moest voorstellen. Daarin liet de keurvorst hem geheel, vrij: "Schilder wat gij zelf wilt en wat uw hart u ingeeft--ik wil u in het minst daarin niet beperken."
Nog lang bleef de keurvorst vriendelijk praten, terwijl Hertog Hans de schilderstukken bekeek; eindelijk vraagde hij zelfs naar Vrouwe Agnes en sprak den wensch uit, haar te zien.
Daarop kwam Agnes te voorschijn, ook in feestgewaad gekleed en met zichtbaar welgevallen rustte 's vorsten blik op de bekoorlijke gestalte; haar wangen hadden een verhoogden blos en zij was in het begin niet weinig verlegen, maar spoedig overwon zij dit gevoel en beantwoordde vrijmoedig en beminnelijk de vragen, die Keurvorst Frederik tot haar richtte. Nadat hij ook nog enkele woorden met de gezellen had gewisseld, nam hij afscheid en drong bij Dürer op haast aan, opdat het schilderij spoedig te Wittenberg zou zijn.--
In de herberg op de waag, waar de burgers gewoon waren samen te komen om met elkaar te drinken, was het een heele drukte, toen eenige dagen later Albrecht Dürer zich daar liet zien; iedereen wilde hem de hand drukken en overstelpte hem met gelukwenschen. In aller achting was hij nog gestegen door de eer hem te beurt gevallen en men zag het hen aan, dat zij zich in hem geëerd voelden. Vooral Dürers schoonvader, Hans Frey, hield het hoofd trotsch in den nek en liet zich den edelsten Cypruswijn brengen; hij was bijzonder spraakzaam, hoewel hij gewoonlijk weinig sprak en zou gaarne een liedje met luitbegeleiding ten beste hebben gegeven, als men het had verlangd.
Woordelijk moest Dürer herhalen wat hij met den keurvorst had gesproken en allen luisterden met gespannen aandacht, ook meester Wolgemut, die zonder eenigen naijver zich met den gelukkige verheugde en verzocht nu en dan te mogen komen zien, hoe het altaarstuk vorderde.
Maar wie het uitbundigst was in Dürers lof, dat was Wilibald Pirkheimer. Het was reeds bijna twee jaar geleden, dat hij in Neurenberg was teruggekomen, nadat hij niet alleen de leerschool der ridderschap had doorloopen, maar zich ook in de wetenschappen aan de Italiaansche hoogescholen ijverig had bekwaamd. Spoedig daarna was de met mannelijke schoonheid begaafde jonge man in het huwelijk getreden met Crescentia, een dochter uit het rijke en zeer aanzienlijke geslacht der Rieters, en niettegenstaande zijn jeugd was hem de eer te beurt gevallen tot raadsheer van Neurenberg te worden benoemd. De verhouding met Albrecht Dürer werd weder dezelfde als vroeger, ja, eigenlijk was de omgang nog vertrouwelijker geworden, zoodat de oude benaming van Castor en Pollux weer in herinnering kwam om de innige verstandhouding, die tusschen hen heerschte, aan te duiden.--
Reeds drie dagen later had meester Wolgemut gelegenheid de schets van het altaarstuk te zien, en hij was vol verbazing over de vlugheid, waarmee Dürers hand de afzonderlijke figuren te voorschijn riep.
De gezellen mochten hem niet helpen, hij wilde het geheel alleen afmaken, al was het nog zoo groot. Vol bezieling arbeidde hij er aan van 's morgens vroeg totdat Vrouwe Agnes hem aan den maaltijd riep. Zijn ziel brandde van vurig verlangen om het reuzenwerk in zijn geheel te zien.
En na zes weken legde hij de laatste hand er aan. 's Avonds verzamelde hij zijn vrienden, die bij een glas edele malvezij luid hun lof over zijn werk uitspraken. Het was een vleugelaltaarstuk uit drie bladen bestaande: de verven, met lijm gemengd, waren onmiddellijk op het doek gebracht. [13] Op het middelste stuk buigt de Madonna in biddende houding over het kind Jezus, dat op een kussen voor haar ligt te sluimeren en door een engel koelte wordt toegewaaid. Maria's slanke gestalte is gehuld in een lichtblauw kleed, gedeeltelijk door een witten sluier verborgen, boven haar hoofd zweven twee engelen, die een gouden kroon met parelen bezaaid vasthouden, terwijl twee andere engelen de kamer schoonmaken, waarin Maria zich bevindt. In een zijvertrek ziet men Jozef aan den arbeid in zijn werkplaats.
De linker vleugel van het altaarstuk stelt de H. Antonius voor, die in een boek leest en een donkerblauw gewaad aan heeft en op den rechter vleugel ziet men het naakte figuur van den H. Sebastiaan ten halven lijve afgebeeld en met pijnlijk verwrongen trekken: hij was de hoofdman der keizerlijke lijfwacht te Rome, die op last van Diocletianus ontkleed aan een boom werd gebonden en door zijn soldaten met pijlen gedood, omdat hij zijn geloof in Christus had beleden.
In dit reusachtige altaarstuk was alles met evenveel liefde en toewijding geschilderd, niet alleen de groote figuren, maar ook het bijwerk.
De oude Wolgemut was niet weg te krijgen van het schilderij en hij werd niet moede het te prijzen, vooral de juiste teekening en het schoone koloriet. Vele nieuwsgierigen verdrongen zich de volgende dagen in het atelier om het kunstwerk te zien, voordat het kort daarop naar Wittenberg werd verzonden, omdat de keurvorst op spoed had aangedrongen.
Hans van Kulmbach, een der gezellen, genoot de eer het kostbare stuk naar de plaats zijner bestemming te brengen. De keurvorst beloonde den kunstenaar vorstelijk, maar nog meer waarde had voor Dürer de lof, waarmee meester Lucas Kranach het werk vereerde.
HOOFDSTUK XII.
DE PREDIKER IN DE WOESTIJN.
Het einde der eeuw naderde. Elk afsterven van het jaar reeds wekt door zijn luide prediking van het voorbij snellen van den tijd en van het vergankelijke van al het aardsche, velerlei aandoeningen in het hart der menschen; hoeveel te meer moet het verwisselen der eeuwen het gemoed tot in zijn diepste diepte aangrijpen! In groote mate was dit het geval, toen de vijftiende eeuw haar einde te gemoet ging.
In Duitschland heerschte een geest van opgewondenheid en verontwaardiging en met afschuw waren aller oogen gericht op Rome, waar de pauselijke stoel werd ingenomen door een man, die volleerd in zonden en misdaden, den naam van stedehouder van Christus volkomen onwaard was. Die man was Alexander VI. Hij beschikte op een schandelijke wijze over de hoogste kerkelijke ambten, die hij meerendeels door zijn handlangers liet waarnemen. Nog erger was zijn groote zedeloosheid; men beschuldigde hem zelfs in ongeoorloofde verhouding met zijn dochter Lucretia te leven. En in zijn eigen belang ontzag het hoofd der Christenheid zich niet om tegen den "allerchristelijksten" koning van Frankrijk met den aartsvijand der Christenen, Turkije, een verbond te sluiten.
Verlammend werkte de pauselijke tiranny op het Duitsche volk, dat zwaar leed onder den druk der ijzeren hand, die gewelddadig elke poging tot verzet onderdrukte. Met argusoogen bewaakten 's pausen handlangers alles wat van de pers kwam: elke uitgever, die het waagde een boek uit te geven, zonder het eerst aan de pauselijke goedkeuring te hebben onderworpen, kreeg den banvloek naar het hoofd geslingerd. Het Duitsche volk, benauwd en gedrukt, zuchtte naar verbetering der toestanden en naar verlossing van het pauselijke juk, dat den menschelijken geest in slavenketenen boeide, en snakte naar licht en vrijheid.--
In het begin van het jaar 1497 trad Wilibald Pirkheimer de werkplaats van Dürer binnen.
Hij vond daar alleen de beide gezellen, die bezig waren een groot schilderij, dat door Dürer was geschetst en waarvan hij de voornaamste gedeelten had aangezet, af te maken.
Schäufelein antwoordde hem op zijn vraag, waar de meester was: "Hij is alleen in zijn kamer, en komt tegenwoordig zeer zelden in de werkplaats."
"Waarom?" vraagde Pirkheimer.
"Ik weet niet wat er aan scheelt," antwoordde Schäufelein schouderophalend.
"Hij ziet er zoo ernstig uit, alsof hij veel verdriet had en onder zware zorgen gebukt ging."
"Is zijn vader erger geworden terwijl ik uit de stad was?" vraagde Pirkheimer.
"Neen," zei Schäufelein, "de oude man maakt het tegenwoordig beter dan anders: hij eet, drinkt en slaapt goed, en arbeidt zelfs nu en dan in de werkplaats--alleen de beenen willen niet goed meer mee."
Pirkheimer verliet met een korten groet de werkplaats en ging naar Dürers kamer. Ook hem was het opgevallen, dat zijn vriend er zoo somber en ernstig uitzag, maar op zijn deelnemende vragen had hij nooit een bevredigend antwoord gekregen.
Hij vond den meester met een portefeuille met teekeningen voor zich, die hij haastig dicht deed: "Gegroet Albrecht! Gij ziet, dat ik weer terug ben na een afwezigheid van bijna een maand. Mijn eerste bezoek geldt u, want ik heb u al dien tijd zeer gemist."
Dürer begroette zijn vriend hartelijk en drukte hem de hand.
"Ei zoo," zeide Pirkheimer lachend, "welke geheimen hebt gij voor mij? Wat heb ik u misdaan, dat gij mij uw vertrouwen ontzegt?"
Dürer schudde het hoofd: "Dat moogt gij niet zeggen, want gij weet toch wel, dat gij mij liever zijt dan ooit. Koestert gij nu argwaan, omdat ik iets voor u heb verborgen gehouden, dat nog niet rijp was om aan de wereld te worden vertoond? Maar nu gij toch hebt ontdekt, dat er een geheim is, wil ik het niet langer voor u verbergen; temeer, daar ik reeds lang in mijn hart den wensch koesterde, mijn vriend mee te deelen, wat mijn ziel vervult. Als gij tijd hebt, ga dan hier zitten en luister naar hetgeen ik u zal zeggen." Pirkheimer nam plaats en zag Dürer met gespannen aandacht aan.
"Gij spreekt in raadselen, Albrecht; bijna zou ik vreezen iets te moeten hooren, dat mij verdriet zal doen. Wat is er toch?"
Dürer schudde de lokken van zijn voorhoofd. "Ik lijd onder de kwaal, waaronder alle weldenkenden zuchten en bedroef mij over den treurigen toestand, waarin wij leven en dien wij te wijten hebben aan hem, die zich de stedehouder van Christus noemt. Wie het waagt, om met een enkel woord te getuigen tegen de algemeene verdorvenheid, moet verstommen onder den pauselijken ban. De moedige Johannes Hus heeft men het zwijgen opgelegd door den brandstapel. Hoe lang zal Hieronymus Savonarola's machtige stem te Florence nog weerklinken, nu hij die durft verheffen in protest tegen de verbasterde kerk en de heerschende misbruiken en men tevergeefs heeft getracht hem door het aanbieden van den kardinaalshoed het stilzwijgen op te leggen? Tevergeefs trachten de edelste mannen de vernederende ketenen te verbreken; het verderf neemt toe met elk jaar en het schijnt dat tegelijk met de eeuw ook de wereld haar eind tegemoet gaat."
"Maar waarop wilt gij nu daarmee neerkomen? Gij weet, dat al deze dingen ook mijn hart bezwaren," viel Pirkheimer hem in de rede.
"Geduld, mijn vriend," vervolgde Dürer, "gij zult het terstond begrijpen. De pen der geleerden en dichters is afgestompt door de bedreigingen van den Paus; het is hun verboden het volk te onderrichten."
Pirkheimer stampte met den voet en met somberen blik sprak hij:
"Ja, het schreit ten hemel, zooals die man te Rome het leven van den menschelijken geest doodt!"
"In dezen zorgvollen tijd," vervolgde Dürer, "is er een gedachte in mij opgekomen, die mij nu overal vervolgt en mij niet met rust laat. Nu de pen niet meer spreken mag, moet het penseel het doen. Waar woord en schrift der waarheid geen getuigenis meer mogen geven, daar moet het afgebeelde spreken. Het getuigt wel is waar niet zoo duidelijk als het woord, maar ik vertrouw, dat zijn prediking toch den weg naar aller hart zal vinden en ik heb een stem vernomen, die zeide: "Doe uw mond open en predik!" -- -- Maar hoe? Met het penseel? Och, slechts weinigen zien mijn schilderijen en ik wil tot het geheele volk spreken. En ziet gij, toen sprak dezelfde stem: Leg het penseel weg en grijp naar mes en graveerstift. Bij meester Wolgemut hebt gij u ook geoefend in de houtsnijkunst en kopergravuur, neem die te baat en woeker er mede het volk ten zegen! Dat is de kunst, die in aller bereik ligt, de afdrukken van houtsneden kan de armste op de markt koopen en deze kunst, die tot nu toe vrij is gebleven van den pauselijken banvloek, kan op deze wijze een prediking in de woestijn worden."
Hier zweeg de spreker en hij zag zijn vriend vragend aan. Pirkheimer liep in groote opgewondenheid de kamer op en neer, bleef toen voor Dürer staan en greep hem bij den arm: "Albrecht, die gedachte is van God! Ja, wees gij de stem van den prediker in de woestijn, spreek tot het volk met uw kunst en het volk zal naar u luisteren, u begrijpen, u danken! En zie, nu begin ik te vermoeden"--en hij zag naar de portefeuille--"dat op de gedachte de daad is gevolgd en gij reeds met uw prediking begonnen zijt."
"Uw vermoeden is juist," antwoordde Dürer glimlachend. "In deze portefeuille vindt gij wat ik gedurende twee jaar in stilte heb ontworpen. Het is de Openbaring van Johannes, die mij stof heeft gegeven voor mijn platen." Op Pirkheimers gelaat was duidelijk zijn verwondering te lezen:
"De Openbaring van Johannes? Toch niet een tweede "Pausezel," [14] zooals verleden jaar meester Wolgemut in de wereld heeft gegeven? Wel is waar, heeft Rome het verdiend met bijtenden spot te worden overgoten, maar volgens mij is meester Wolgemut te ver gegaan en heeft hij daardoor de zaak meer geschaad dan gebaat. Hij heeft voor zijn afbeelding aanleiding gevonden in de woorden uit de Openbaring van Johannes: "en de vrouw, die gij gezien hebt, is de groote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde," maar ik vind het niet goed van hem, dat hij Rome zoo hard heeft aangepakt."
Dürer legde zijn hand op den schouder van zijn vriend: "Wees er niet verbaasd of ontstemd over, dat ook ik in de Openbaring van Johannes stof voor mijn teekeningen heb gevonden. Heeft men in droevige tijden niet altijd weer naar dit profetische boek gegrepen, om het verborgene daarvan te doorgronden en zich er mee te troosten? Ik ben u dankbaar, dat gij zijt gekomen, want uw oordeel heeft steeds groote waarde voor mij en mijn werk zal niet in druk verschijnen, voordat gij uw oordeel hebt uitgesproken en het hebt goedgekeurd."
Hij opende de portefeuille en nam er vijftien teekeningen uit.
De eerste stelde den marteldood van den evangelist Johannes voor, ten aanschouwe van den Romeinschen Keizer Domitianus, op zijn troon gezeten en omringd door een groote volksmenigte; sober en breed van opvatting en uitvoering. Dit was eigenlijk het titelblad.
De tweede teekening muntte eveneens uit door eenvoud en rust, de kenmerken van het ware schoone. Hier was Johannes voorgesteld op het oogenblik, dat hij wordt geroepen om neer te schrijven hetgeen de Heiland hem zou openbaren. Johannes knielt diep ontroerd neder voor den Heer, wiens uitgestrekte hand de zeven sterren, het zinnebeeld der zeven gemeenten, vasthoudt.
Op de derde afbeelding ziet men Gods troon in het stralende licht des geopenden hemels. En in de hand desgenen, die op den troon zit, ligt het boek met de zeven zegelen; rondom zijn op troonen de vier-en-twintig ouderlingen gezeten, elk met een kroon op het hoofd en een harp in de hand.
Bij elke teekening namen Pirkheimers verbazing en bewondering toe, en bij het vierde blad ontsnapte hem een luide kreet van verrukking, die de vier Apokalyptische ruiters gold, boven wier hoofd op een wolk de engel der wrake zweeft, terwijl de ontzette menschheid tracht te ontvluchten. De eerste ruiter spant den boog, de tweede trekt het zwaard, de derde houdt de weegschaal en de vierde, de dood, rijdt op een schraal paard en slingert den helschen drietand. Een groot aantal figuren vertegenwoordigt het vluchtende volk, waarvan de gelaatsuitdrukking eenig, onvergelijkelijk is. Op bewonderenswaardige wijze was Dürer er in geslaagd eenheid te brengen in deze menschenmassa, die men uitstekend kan overzien, al is de ruimte zeer beperkt. Pirkheimer was één en al lof en bewondering.
De vijfde teekening bevatte het openen van het vijfde en zesde zegel te zamen genomen; boven in de wolken heeft de uitdeeling der witte kleederen aan de martelaren plaats en onderaan is de verduistering van zon, maan en sterren afgebeeld. Treffend is op het bovenste gedeelte de wijze, waarop zij, die ter wille van het Evangelie vermoord zijn, vertroost worden door de engelen, die hun naaktheid bedekken. Diep aangrijpend is op de onderste helft het oordeel Gods. En wie zijn het, die in hevige ontzetting zich voor den toorn des Rechters trachten te verbergen? Juist daarin wordt de toeleg en bedoeling van den schilder duidelijk; het zijn aan de eene zijde: een keizerpaar, de paus, kardinalen, bisschoppen, priesters en monniken, aan de andere zijde het door hen verleide volk in welks midden, vol beteekenis, een vrouw, met een kind op den arm, haar hand aanklagend tegen de verleiders opheft met een gebaar, dat duidelijk zegt: Vloek over u, die zooveel ellende over ons hebt gebracht! Dürer wilde zijn vriend het daarop volgende blad aangeven, doch Pirkheimer weerde hem af en bleef in diep nadenken verzonken: hij kon deze teekening nog niet ter zijde leggen.