Albrecht Dürer: Een levensbeeld

Part 5

Chapter 54,020 wordsPublic domain

Daarop wendde de vader zich tot zijn dochter en vraagde op dezelfde wijze: "Agnes, begeert gij den jongen Albrecht Dürer tot uw wettigen echtgenoot?" Ook uit haar mond klonk het, wel minder luid, doch even vurig: "Ja, van ganscher harte," en zoo tot driemaal toe.

Toen legde haar vader hun beider handen in elkaar en de zijne er op leggende, sprak hij: "Albrecht, ik vertrouw Agnes aan u toe, evenals Christus de sleutels van het Rijk des hemels aan Petrus heeft toevertrouwd. Agnes, ik vertrouw u Albrecht toe, evenals Christus aan Petrus de sleutels van het Rijk des hemels heeft toevertrouwd." Toen nam hij een zwaard uit den hoek, zette een hoed op de punt en stak een gouden ring aan het gevest, nam daarna een mantel en een penning en voerde de verloofde tot haar bruidegom met de woorden: "Hiermee geef ik mijn wettig kind over in uw trouw en genade, en vraag u ter wille van het vertrouwen, waarmee ik haar aan u afsta, dat gij een rechtvaardig en goedertieren leidsman en een trouw beschermer voor haar zult zijn."

De bruigom hief plechtig de hand op met den eed: "Ik zweer het voor het aangezicht van den alomtegenwoordigen God!"

"Neem haar dan tot uw echtgenoot, haar, die gij hebt uitverkoren!" sprak Hans Frey en nu trapte de bruigom zijn bruid op haar voet, om daarmee te toonen, dat hij haar heer en meester was, maar daarna sloot hij haar in zijn armen als bewijs, dat zijn heerschappij zacht en liefdevol zou zijn en gaf hij haar den verlovingskus.

Een paar uren later was de ruime huiskamer gevuld met de verschillende familieleden der verloofden, die allen hun gelukwenschen en geschenken kwamen aanbieden; deze laatsten echter moesten binnen zekere grenzen blijven volgens ingewortelde, overdreven bemoeizucht der stedelijke regeering, die hierop strenge beperkingsverordeningen had uitgevaardigd.

Het was alleen aan de beide naastbestaanden veroorloofd de bruid een gouden ketting ter waarde van achttien gulden en een zilveren gesp tot den prijs van vijftien gulden op zijn hoogst te schenken.

Aan een welvoorzienen disch bleven de gasten gezellig bijeen tot den avond en op aller gezichten stond te lezen, hoezeer men was ingenomen met deze belangrijke gebeurtenis.

Hans Frey, hoe rijk en gezien ook in de oogen aller ingezetenen, zag volstrekt geen vernedering in het huwelijk zijner dochter met den zoon van een goudsmid; hij, de begaafde man, zelf bedreven in de kunst, voornamelijk in zang en spel, rekende het zich tot eer, de hand zijner dochter te mogen schenken aan een man, van wien hij voor de kunst de grootste verwachtingen koesterde. Meester Dürer was bovenmate verheugd en dankbaar, dat zijn zoon zulk groot geluk was ten deel gevallen, en al zag hij in het begin wel een weinig op tegen den omgang met deze aanzienlijke familie, spoedig voelde hij zich bij hen geheel thuis door de welgemeende vriendelijkheid, waarmee men hem tegemoet kwam.

Het gelukkigst van allen waren natuurlijk de beiden, die het middelpunt der algemeene vreugde uitmaakten. Hun wederzijdsch, stilzwijgend verlangen was nu bevredigd, ze konden elkander nu vrijuit vertellen, hoe lief zij elkaar hadden en met verrukking hoorde Albrecht de bekentenis van Agnes, dat zij hem als knaap reeds in stilte heel gaarne mocht lijden.--

Den 7den Juli op St. Margriet, werden de deuren der Sebalduskerk geopend voor een deftigen stoet: Albrecht Dürer geleidde zijn lieve bruid naar het altaar. Beide trokken aller blikken tot zich en vol bewondering was men het hierover eens, dat nooit een mooier paar deze kerk had betreden.

Hoe schoon kwam Albrecht Dürers statige gestalte uit in het blauw fluweelen wambuis, den zwarten met bont afgezetten mantel en hoe goed stond hem de met goud doorvlochten bruigomskroon van sterkriekende kruiden! En hoe lief zag de bruid er uit in haar wit zijden kleed, waarvan de lange sleep met blauw fluweel en schitterende paarlen was omzoomd; hoe liefelijk was de blos op haar wangen onder den bruidkrans van rozemarijn met vergulde bladeren!

Het jonge paar werd gevolgd door een langen prachtigen stoet van bruidsjuffers en jonkers en verdere bruiloftsgasten.

Onder plechtige orgelmuziek trad het jonge paar voor het altaar, waar hun door den priester de vraag werd gedaan, of zij elkaar wenschten te huwen en elkander trouw wilden blijven tot in den dood; waarop hij hun handen vereenigde en hen zegende met de woorden: Ego coniungo vos in nomine Patris et Filii et spiritus sancti. Amen. Daarop maakte hij over hen het teeken des kruises, besprenkelde hen met wijwater, stak hun den gouden ring aan den vinger en besloot de plechtigheid met een gebed, waarop het koor de huwelijksmis aanhief.

Intusschen waren in de groote zaal van het raadhuis een groot aantal tafels aangericht voor het bruiloftsmaal. Het bruidspaar nam aan de middelste plaats met de beide ouderparen, den overigen werd een plaats aangewezen volgens rang en geslacht. Terzijde zaten de muzikanten, die de gasten met hun deuntjes opvroolijkten.

Aan elke tafel dienden twee schenkers, en een omroeper ging van de eene tafel naar de andere, om in fraaie rijmpjes tot eten uit te noodigen--dat was zoo de gewoonte.

Als de muziek ophield, kwam de hansworst om met zijn grappen de vroolijkheid te verhoogen--trouwens, hij had zich die moeite kunnen besparen, want voortdurend nam de luidruchtigheid toe en de muzikanten hadden het overdruk om met hun trompetten en pauken al de toasten te beantwoorden.

Nadat men ruimschoots had genoten van de spijzen en dranken, had de brandschatting plaats. Het eerst verscheen de kok met den schotel, die bij de gasten moest rondgaan en waarin de gaven moesten worden gelegd. Met hetzelfde doel kwam de keldermeester met zijn drinkhoorn, de braadspitdraaier, de vrouw, die de vaten moest wasschen, en eindelijk de armvoogd met de bus voor de arme luitjes; allen werden rijkelijk bedeeld met klinkende munt.

Na afloop van den maaltijd kwam een der bedienden met een zilveren schaal en een meid met een handdoek, en gingen beurt voor beurt naar elk der gasten, om hen uit te noodigen hun handen te wasschen. Nadat hieraan was gehoor gegeven, was het trompetgeschal het sein, dat men zich voor het dansen naar de benedenzalen moest begeven, terwijl de bruiloftsoep, waarvoor de vader van de bruid een vetten os ten geschenke had gegeven, werd verzonden aan de kerkdienaars, de raadsbedienden, de zieken in het hospitaal en eveneens aan de doortrekkende reizigers in de herbergen. Het was 's avonds laat, toen men het jonge echtpaar met fakkellicht naar het huis van den vader der bruid begeleidde.

Maar daarmee waren de feestelijkheden niet afgeloopen; den volgenden dag namen ze daarentegen nog toe. Reeds in den vroegen morgen verschenen de gasten weer om hun geschenken aan te bieden. Het eerst van allen was de bruigom in het vertrek der bruid binnengetreden om haar het eerste geschenk te brengen: een kostbare parure van goud met echte parelen, robijnen en smaragden, een meesterstuk van den ouden Dürer en een verrukkelijk schilderij van zijn eigen hand, een landschap in Tyrol. De overige gasten wedijverden met elkaar in bewijzen hunner liefde en achting, waaraan geen einde scheen te zullen komen. Daarna ging men wederom gezamenlijk ter kerke, en nu droeg de jonge vrouw het haar niet meer loshangend zooals tot nu toe, doch opgebonden onder een muts, als bewijs dat zij nu het huwelijksjuk droeg. Na de mis legde het jonge echtpaar hun gave op het altaar en ontving den nazegen.

Na deze kerkelijke plechtigheid trok men weer naar het raadhuis, om zich daar nogmaals te vereenigen aan een welvoorzienen disch, die in pracht en overvloed den eersten nog overtrof en een bewijs was van den grooten rijkdom van Hans Frey.

Na afloop daarvan ging men onder vroolijken zonneschijn naar de veste, waar onder de linde op het voor ieder toegankelijke plein, met dansen de feestelijkheden zouden worden besloten.

Evenals den vorigen avond was het laat, toen de fakkels weder werden aangestoken om het jonge paar naar huis te begeleiden. Nu ging men evenwel niet naar het ouderlijke huis der bruid, maar naar de woning van den ouden meester Dürer, want Albrecht volgde niet het gebruik om bij zijn schoonvader te gaan inwonen, maar verkoos het huis zijner ouders, omdat hij dan steeds in de nabijheid van zijn ouden, gebrekkigen vader kon zijn en zijn kinderplicht tegenover den grijsaard beter vervullen.

Het was wel wat bekrompen wonen in het huis van meester Dürer en deze keek zijn schoondochter wel eens met bezorgden vragenden blik aan, omdat hij vreesde, dat het haar, die zooveel weelde was gewend, moeilijk zou vallen zich in deze bescheiden omstandigheden te schikken--doch zijn vrees was ongegrond: Vrouwe Agnes was volkomen tevreden met de beperkte ruimte, nu zij die deelen mocht met den man, met wien zij onuitsprekelijk gelukkig was.

HOOFDSTUK IX.

HET HUWELIJKSLEVEN.

De ondergaande Aprilzon wierp haar purperen gloed in de werkplaats van Albrecht Dürer, waar de kunstenaar met zooveel inspanning en ijver aan een groot stuk schilderde, dat de zweetdroppels op zijn voorhoofd parelden.

Er werd aan de deur geklopt en eenigszins ontstemd over de stoornis keek de schilder van zijn werk op, doch dadelijk hernamen zijn oogen hun vriendelijke uitdrukking, toen hij in den binnenkomende zijn ouden leermeester herkende.

"Zijt gij nog zoo laat aan den arbeid?" vraagde Wolgemut. "Gij moest uw oogen meer sparen."

"Ik heb haast," antwoordde Dürer, "want het is nog slechts drie dagen vóór het feest ter eere der tentoonstelling van de rijksinsignes en kleinoodiën." [11]

"Wilt gij daar deze schilderij ten verkoop aanbieden? Nu, gij zult er ongetwijfeld eer mee inleggen. 't Is een meesterstuk. O wat heeft God u bevoorrecht! Ik zou bijna jaloersch worden, als ik zie hoever de leerling den meester boven het hoofd is gegroeid; doch Johannes de Dooper bewaart mij voor nijd en afgunst."

"Johannes de Dooper?" vraagde Dürer verwonderd.

"Ja zeker!" knikte Wolgemut. "Niet lang geleden las ik in den bijbel van Anton Koburger en ik was getroffen door een tekst, die mij mijn tevredenheid terug gaf. Het was in het derde hoofdstuk van het Evangelie van Johannes, waarin ik las, dat de Dooper tot hen, die niet konden verdragen, dat Jezus van Nazareth hun leeraar in de schaduw stelde, zeide: "Hij moet wassen en ik moet minder worden." Hoe ootmoedig was hij en toch hoe groot juist daardoor, dat hij zich zoo vernederde! En ik wil hem navolgen en hem gelijk trachten te worden, opdat ik mij van ganscher harte daarin kunne verheugen, dat de discipel meer is dan zijn leermeester. God zegene u!--En hoe gaat het overigens, Albrecht?"

"Mij gaat het goed, meester," antwoordde Dürer, "ik heb alle reden om God te danken voor Zijn goedheid, want ik ben gezond en vol moed en levenslust, al heb ik in den laatsten tijd vrij wat onaangenaamheden ondervonden door mijn gezellen, die met mijn schilderwerk rondreizen. Velen hunner blijken schelmen te zijn, die zeer ontrouw hebben gehandeld met het werk, dat ik aan hun zorgen had toe vertrouwd, en mij slechts een klein deel der opbrengst hebben gebracht. Een ander, wien ik geld had geleend, heeft mij ook schandelijk bedrogen. Doch hoewel ik door deze wederwaardigheden veel schade heb geleden en de zorg voor mijn ouders en jongere broeders op mij neerkomt, zoo heb ik door Gods goedheid steeds alles gehad wat noodig was en nooit gebrek geleden."

"Hoe gaat het met uw vader?" vraagde Wolgemut deelnemend. "Ik heb gehoord, dat hij ziek te bed ligt."

Dürer knikte toestemmend: "Hij ligt reeds vijf dagen te bed. De acht-en-zestig-jarige is zeer zwak en mag maar heel weinig in de werkplaats arbeiden. Zijn oogen zijn slecht en zijn handen beven; Andreas mijn broeder, is nu veel aan zich zelf overgelaten, maar het is een flinke knaap, die bij vader goed heeft geleerd. Ik dank God, dat Hij mij mijn Agnes heeft gegeven! Zij helpt mijn moeder zoo trouw met oppassen en verpleegt den ouden man, alsof hij haar eigen vader ware."

"Ja," sprak Wolgemut, "het verblijdt mij ook zoo, dat God u in haar zulk een heerlijken schat heeft gegeven. Houd haar in eere!"

"Die vermaning is waarlijk niet noodig," antwoordde Dürer glimlachend, "want ik weet zelf het best welk een kostbaar kleinood zij is."

Wolgemut trad nu dicht bij den ezel om het werk nauwkeurig te kunnen beoordeelen, en daarna sprak hij: "Het is dus uw plan het op het feest ten verkoop ten toon te stellen? Dan zult gij u moeten haasten want ik zag reeds een groote menigte vreemdelingen voor het feest aankomen."

Dit feest was ter eere der tentoonstelling der rijksinsignes en kleinoodiën, waarvan Neurenberg, als middenpunt van het Duitsche rijk, de eer genoot die te mogen bewaren. Jaarlijks, in de lente, werden die kleinoodiën aan het volk vertoond en sinds de regeering van koning Sigismund werd er bij deze gelegenheid een groote jaarmarkt of kermis gehouden, die zooveel menschen uit alle deelen des lands trok, dat er in de herbergen nauwelijks plaats genoeg was.

Meester Wolgemut bleef nog eenigen tijd met zijn voormaligen leerling praten, totdat Vrouwe Agnes verscheen, met wie hij nog eenige woorden wisselde; toen vertrok hij. Vrouwe Agnes zag er vermoeid uit. Reeds sedert twee dagen was zij niet te bed geweest en zij had daarbij veel huishoudelijke plichten moeten waarnemen. Zij ging stil bij de tafel zitten met haar moe hoofd op de hand steunende.

Dürer ging naar haar toe en kuste haar op het voorhoofd. "Mijn arm vrouwtje, wat rust er nu veel op uw schouders! Gij hadt zeker wel gedroomd, dat gij het beter bij mij zoudt hebben!"

Met zacht verwijt keek Agnes naar hem op. "Foei, stoute man, hoe durft gij zoo iets zeggen! Van mijn vroegste jeugd af heb ik ledigheid nooit kunnen uitstaan, en hoe heerlijk vind ik de grootste drukte en moeite, waar het u geldt!"

"Mijn lieve vrouw!" riep Albrecht in vervoering en hij drukte zijn Agnes vurig aan zijn hart. Toen ging hij tegenover haar zitten om met haar te babbelen, want het was veel te donker geworden om nog te kunnen schilderen. Langzamerhand antwoordde Agnes weinig of niets meer, hij zag hoeveel moeite zij had om haar oogen open te houden--en eindelijk vielen ze dan ook toe en sliep zij. Toen stond hij zachtjes op, nam perkament en potlood en teekende Agnes uit, zooals zij daar zat met haar schort en witte muts, en met de kin op haar hand steunende.

Het was een vluchtige schets, een aardigheid, maar niettemin was Agnes blij verrast, toen zij bij haar ontwaken zich zelve op deze wijze zag weergegeven. Ondertusschen kwam Hans binnenstormen, Albrechts jongste broeder en de lieveling zijner ouders, de eenige, die behalve Albrecht en Andreas, van de achttien kinderen nog in leven was.

Hij liep luid schreiend op Agnes toe en zag er erbarmelijk uit: zijn gezicht was met bloed beloopen en de flarden hingen bij zijn wambuis.

"Om 's hemels wil, Hans, wat is er gebeurd?" riep Vrouwe Agnes.

"Wij waren aan het spelen bij de "mooie bron" en toen heb ik een duw gekregen, waardoor ik gevallen ben," huilde het kind.

Vrouwe Agnes haalde gauw uit de keuken een kom met frisch water en een linnen doek, waarmee zij Hans gelaat afwiesch, terwijl zij hem allerlei troostwoorden toesprak; daarop trok zij zijn buisje uit en ging het dadelijk verstellen. Albrecht keek met een innig gelukkige uitdrukking in zijn oogen naar alles, wat zijn vrouw deed, hij zag weder duidelijk welk een warm, liefhebbend hart zij had. Hoe vurig lief moest zij haar echtgenoot hebben, dat zij zelfs aan zijn broertje en zijn overige familieleden zooveel trouwe zorgen wijdde! Zwijgend zag hij hoe haar zachte handen de naald hanteerden bij dezen ongewonen arbeid, want thuis had zij zich nooit met dergelijk werk behoeven te bemoeien; dat deden de dienstboden, die zij bij alles tot haar beschikking had gehad en haar een gemakkelijk leventje hadden bezorgd.

Toen zij klaar was, trad Albrecht op haar toe en sloot haar in zijn armen: "Wat zijt gij toch goed en lief, Agnes! Dikwijls voel ik mij beschaamd, als ik bedenk, hoe weinig ik u waard ben."

Agnes legde haar hand op zijn mond: "O wees stil, dan spreekt gij ten minste niet langer onwaarheid, stoute man! Geloof mij liever, als ik zeg, dat ik het ben, die mij dikwijls zoo beschamend onwaardig tegenover u voel. Maar laat mij nu gaan om voor het avondeten te zorgen." Tegelijkertijd wikkelde zij zich uit zijn omarming los en dekte de tafel. Maar voordat zij zelf ging zitten, liep zij snel de trap af naar de kamer in het onderhuis, waar de oude Dürer te bed lag en bracht hem zijn soepje. Zij had deze zorg op zich genomen, opdat haar schoonmoeder zich geheel aan de verpleging van den zieke zou kunnen wijden.

"Hoe komt het toch, lieve Agnes, dat alles wat gij klaar maakt zoo heerlijk smaakt?" vraagde Albrecht aan tafel. "Doet gij er iets bijzonders in?" Vrouwe Agnes keek verwonderd op: "Iets bijzonders? Neen, alleen een weinig liefde."

Eerst moest Albrecht hierom lachen, doch toen kreeg zijn gelaat een peinzende uitdrukking en na eenige oogenblikken zei hij: "Ja, gij hebt gelijk, dat is het, dat is het!"

En nu deed hij de eieren met spek eer aan.

HOOFDSTUK X.

HULP BIJ DEN ARBEID.

Er volgde een warme zomer op de lente. Een drukkend zwoele temperatuur heerschte in Neurenberg, waar de straten als uitgestorven schenen. Al de burgers, die er tijd en geld voor hadden, ontvluchtten die benauwde, ongezonde atmosfeer en zochten de bosschen en de berglucht op, vooral ook omdat de sterfte bedenkelijk toenam en men bang was voor het uitbreken van de pest.

Een heete Augustusdag liep ten einde en vele wandelaars bewogen zich in de richting der stadspoorten om in het nabijgelegen Lorenzer- en Sebalderwoud zich te verkwikken aan de frissche, reine koelte, die in de schaduw der oude eiken en beuken waaide.--

Vrouwe Agnes trad bij haar man in de werkplaats binnen: "Zouden wij niet een oogenblik gaan wandelen na al den arbeid en de hitte des daags, beste Albrecht?" vraagde zij op den drempel staande.

"Ik zou het heel graag doen, Agnes," antwoordde Dürer, terwijl hij ophield met schilderen. "Ook ik zou gaarne eens frissche lucht gaan scheppen, maar mijn plicht houdt mij aan het werk. Zie eens, hoeveel ik nog aan dit schilderij heb te doen, en over zes dagen komt hij er voor, die het mij heeft opgedragen. Het heeft mij weinig geholpen, dat ik 's morgens met de zon opstond en niet voor middernacht naar bed ging. Ik krijg voortdurend meer bestellingen en het is mij onmogelijk alles alleen uit te voeren, zonder vóór mijn tijd geheel op te zijn."

Vrouwe Agnes trad op haar echtgenoot toe en legde haar hand op zijn schouder: "Zoo mag ik u hooren spreken, want nu zijn wij het eens. Heb ik u niet duizendmaal gevraagd, om het voorbeeld van uw leermeester Wolgemut te volgen en gezellen die u bij uw arbeid kunnen helpen bij u te nemen, en die u in staat stellen, alle bestellingen, die men u doet, uit te voeren? Gij hebt nooit naar mijn raad willen luisteren, en nu ben ik heel blij, dat gij van meening zijt veranderd."

"Toch schik ik mij met grooten tegenzin in deze noodzakelijkheid," antwoordde Dürer, "want mijn ziel komt in opstand tegen de manier, waarop men tot nu toe de kunst heeft verlaagd. Veel liever schilderde ik alles alleen. Dikwijls heb ik bij meester Wolgemut met eigen oogen gezien, hoe de gezellen een werk van den meester geheel bedierven, zoodat men duidelijk kon zien, dat verschillende handen er aan hadden gewerkt. Ja, als ik iemand kon vinden, wiens arbeid volkomen op den mijne geleek, zooals het eene ei op het andere, dan zou ik hem gaarne bij mij nemen; doch hoe moeilijk vindt men dat! Evenals elk vogeltje in het woud zingt zooals het gebekt is, zoo heeft elk, wien God de gave der schilderkunst heeft verleend, zijn eigen manier om het penseel te voeren."

"Dat is wel waar," beweerde Agnes, "maar in de werkplaats onderwijst de meester den leerling en daardoor krijgt deze de manier van zijn leermeester.

"Waart gij zelf niet vol lof over Hans Schäufelein, die ook bij meester Wolgemut heeft gewerkt en over Albrecht Altdorffer? Gij zelf hebt hun kunst en bekwaamheid geprezen. En van Schäufelein hebt gij gezegd, dat zijn kunst veel overeenkomst met de uwe had."

"Gij hebt gelijk," antwoordde Dürer, langzaam met het hoofd knikkend, "maar wat baat het of wij al over den Nördlinger schilder praten? Sedert een jaar is hij reeds weg en wie weet, waar hij nu is."

"Nu dan," sprak Agnes ernstig en zij legde haar hand op Albrechts arm, "kom hier en zie eens in den spiegel, hoe bleek gij zijt en welke kringen gij onder de oogen hebt! Al dikwijls heb ik met stillen angst er naar gekeken! Als gij geen gezellen wilt nemen of er geen kunt vinden, dan blijft er niets over dan dat gij een groot deel der opdrachten afwijst.--Maar laten we nu dit vervelende onderwerp laten rusten en gebruik maken van het overige van den avond om een weinig frissche lucht te gaan scheppen."

Dürer streek de weelderige lokken van zijn voorhoofd en knikte zijn vrouw toe: "Ik wil het niet weigeren, lieve Agnes, vooral daar ik wel begrijp, dat gij het meer om mijnentwil dan voor u zelve vraagt."

Hij verwisselde zijn werkbuis voor een betere kleeding, zette zijn baret op en ging met zijn vrouw uit om buiten de stad te wandelen.

Nauwelijks waren zij buiten de poort gekomen, toen een jonge man op hen toe trad en beleefd het hoofd ontblootte: "Gegroet, Meester Dürer! Wel, wat een geluk, dat gij de eerste zijt, die ik bij Neurenbergs poorten ontmoet! Want, juist om bij u aan te kloppen, ben ik hier gekomen."

"Hoe, zijt gij het, Schäufelein?" riep Dürer verbaasd uit. "Het schijnt mij waarlijk een beschikking des hemels, dat ik u ontmoet. Begrijp eens, we spraken juist over u! En waarmee kan ik u van dienst zijn?"

"Het is mijn hartewensch, dat gij de kroon wilt zetten op het werk, dat meester Wolgemut aan mij is begonnen. Bijna een jaar lang heb ik overal rondgezworven om bij andere schilders te leeren; toen dacht ik aan u en sprak tot mij zelf: waarom zoekt gij het zoo ver, terwijl gij den besten leermeester in de nabijheid hebt? Hebt gij nog plaats voor een gezel, dan zou ik heel gaarne bij u komen?"

Dürer zag zijn vrouw veelbeteekenend aan en antwoordde: "Plaats is er genoeg, want ik heb altijd alleen gearbeid en vreemde hulp versmaad. Maar mijn lieve vrouw dringt er sterk op aan, dat ik iemand zal opzoeken, die mij behulpzaam kan zijn bij het vele werk, dat mij wordt opgedragen. In u heb ik vertrouwen, omdat ik uw kunst ken; en nu gij op mijn pad komt, alsof God mij u toezendt, roep ik in Zijn naam u hartelijk welkom toe."

Hij reikte hem daarop de hand, die Schäufelein stevig schudde.

Ook Vrouwe Agnes drukte hem de hand met een blijden glimlach en de wandeling in het bosch vergetende, noodigde zij de beide mannen uit om te keeren, om het avondeten voor den vermoeiden reiziger te kunnen klaar maken.

Met innig genot zag Agnes dat langzamerhand de kleur weer op Albrechts wangen terugkeerde en dat de verhouding tusschen de beide schilders bijzonder hartelijk was. Zij stonden niet tegenover elkaar als meester en leerling: Dürer behandelde Schäufelein als zijn vriend en vertrouweling en dat verdiende hij ook, want niet alleen won zijn karakter Dürers genegenheid, ook zijn kunst drong hem 's meester achting af.

Schäufelein was een kunstenaar met rijken aanleg en had ernstige studiën gemaakt. Daarbij kon hij zich gemakkelijk Dürers penseelbehandeling eigen maken en het duurde niet lang, of hij had zich geheel aan zijn wijze van arbeiden gewend en Dürer vertrouwde hem gerust toe, aan grootere stukken mee te werken. Al was er nog wel iets van Schäufeleins eigen manier in te bespeuren, het verschil was toch niet zoo groot, dat het storend op de eenheid werkte of afbreuk deed aan den totaal-indruk.

En zoo konden de bestellingen, die Dürer alleen niet op zich had kunnen nemen, gezamenlijk worden uitgevoerd.