Albrecht Dürer: Een levensbeeld

Part 3

Chapter 34,101 wordsPublic domain

Albrecht kon deze woorden niet vergeten en bewaarde ze als een dierbaar geheim in zijn hart, terwijl hij, gehoorzaam aan zijns vaders wenschen, in de goudsmidswerkplaats arbeidde.

Zoo gingen lente en zomer voorbij, de herfst streek met zijn verwoestenden adem over veld en weide en hulde de aarde in een grijs, somber nevelkleed. Het werd koud; in de schouw vlamde weer het vuur en lokte het gezin in haar verwarmende nabijheid.

In Albrechts hart had een verandering plaats gegrepen. De woorden van meester Wolgemut aangaande het toevertrouwde pond, waarmee men moest woekeren, en het antwoord van zijn vader: "niemand kan twee heeren dienen," lieten hem niet met rust. Telkens overdacht hij die beide schriftplaatsen en trachtte die met elkaar te doen samenstemmen. Doch hoe meer hij begreep, dat dit onmogelijk was, des te grooter werd zijn onvrede, want het werd hem steeds duidelijker, dat de goudsmederij niet de plaats was, waarvoor God hem had bestemd. Het bevredigde hem hoe langer hoe minder anderer modellen in goud en zilver na te maken, want de begeerte om zelf te scheppen werd steeds grooter. En tegelijk met die begeerte voelde hij ook de kracht er toe. Hoe weinig moeite kostte het hem immers de beelden, die zijn fantasie hem voortooverde, op het papier te brengen en hoeveel innig genot had hij daarvan. Hij voelde dagelijks meer dat de goudsmidswerkplaats niet zijn bestemming was en dat hij het niet zou kunnen uithouden zijn gansche leven lang smeltkroes, vijl en graveerstift te hanteeren.

Hoe onrustig klopte zijn hart bij deze overdenkingen en welk een zwaren strijd had hij te voeren, den strijd tusschen het volgen van zijns vaders wensch en het toegeven aan zijn eigen begeerte. Het was niet mogelijk de meening van meester Wolgemut en die van zijn vader te vereenigen en daarom koos hij, overtuigd dat slechts één dezer beiden gelijk kon hebben, de zijde van den eerstgenoemde en zoo werd zijn tweestrijd beslist.

Den 30en November des avonds, nadat hij in de eenzaamheid God om raad en hulp had gevraagd, zocht hij zijn vader op om hem zijn hartewensch mee te deelen: "Lieve vader," sprak hij, "ik wil u niet langer verbergen, wat er in mijn hart omgaat en 's nachts den slaap uit mijn oogen houdt. Ik heb nu twee jaren lang bij u in de werkplaats op uw verlangen gewerkt en zonder mij zelf te overschatten, geloof ik te mogen zeggen, dat het mij niet aan ijver heeft ontbroken en ik steeds mijn best heb gedaan om het u naar den zin te maken. Maar ofschoon mijn handen zich met goud, zilver en edelgesteenten hebben bezig gehouden, was mijn hart bij iets anders. Slechts wanneer ik potlood of penseel mocht hanteeren, voelde ik in mijn hart zulk een ongekende blijdschap en zulk een wonderlijk genot, dat ik begreep, dat het dit was, waartoe God mij heeft geschapen. Ach, vader, het doet mij leed u te moeten vragen om mij uit uw werkplaats te ontslaan, maar ik geloof, dat het Gods wil aldus is en dat ik mij aan Hem bezondig, als ik het pond mij toevertrouwd, in de aarde ga begraven."

Met klimmende verbazing luisterde zijn vader naar die woorden. Toen schoof hij zijn kapje in den nek, stond op met een somber gelaat en onder de gefronste wenkbrauwen uit wierp hij op zijn zoon een blik, waarin verwijt en smart om den voorrang streden. "Hoe had ik heden morgen kunnen denken, dat de dag zoo droevig zou eindigen! Mijn zoon, uw woorden snijden mij door de ziel. Daar gaan nu al mijn schoone droomen in rook op! Albrecht, nooit had ik gedacht, dat gij zoo lichtzinnig zoudt kunnen zijn, twee volle jaren van uw leven op deze wijze weg te werpen. Verlaat gij mij nu, nadat ik u alles heb geleerd en op het punt was u als gezel in het gild te doen opnemen? Gij hebt mij laten zaaien, doch de oogst onthoudt gij mij. O mijn zoon, waaraan heb ik dat verdiend? Tot nu toe waart gij mijn vreugde, nu bereidt gij mij een bittere smart."

Er was nu geen toorn meer in zijn stem, slechts innige weemoed en er blonk een traan in zijn oog.

Albrecht kon zijns vaders smart niet aanzien; het schemerde hem voor de oogen en hij was op het punt berouwvol al zijn woorden terug te nemen, toen de oude man snel hoed en mantel greep en, zonder iets meer te zeggen, wegging.

Even daarna kwam zijn moeder binnen; zij was zeer ongerust, en toen zij zag, hoe bleek Albrecht was, vraagde zij angstig: "Wat is er gebeurd, Albrecht? Uw vader is zoo juist in hevige gemoedsbeweging uitgegaan naar den heer Koburger, met wien hij ernstig over u moest spreken, zei hij op mijn vraag, wat hij ging doen."

Nu vertelde Albrecht haar met bezwaard gemoed wat er tusschen zijn vader en hem was voorgevallen, doch hij werd kalmer, toen hij bemerkte, dat zijn moeder hem beter begreep. Maar toch bleef zijn hart onrustig kloppen, terwijl hij op zijns vaders terugkomst wachtte.

Het eene uur na het andere verliep, voordat hij den stap van zijn vader weder hoorde en toen hij de voordeur hoorde opengaan, was het hem alsof zijn hart stil stond.

De boosheid was uit zijns vaders aangezicht verdwenen, hij zag er kalm en ernstig uit, en de klank zijner stem was geheel anders geworden, toen hij tot zijn zoon sprak: "Morgen ochtend vroeg moet gij het allereerst naar uw peetvader gaan en moogt gij hem dankbaar de hand drukken, omdat hij het is, die mij van meening heeft doen veranderen. Gij zult uw zin krijgen, Albrecht; als meester Wolgemut u nog in zijn werkplaats kan bergen en hij er niets op tegen heeft, dan zij hij in 't vervolg uw leermeester." Een luide kreet ontsnapte aan Albrechts beklemd gemoed en hij kuste in sprakeloos genot zijns vaders hand; zijn moeder stond er bij met gevouwen handen en dankte den Heer voor deze gezegende uitkomst.

Meester Wolgemut was bijzonder in zijn schik, toen hij den volgenden morgen zijn buurman Dürer met zijn oudsten zoon zag binnen komen en de eerste zijn verzoek tot hem richtte. Hij zeide, dat nu zijn hartewensch was vervuld en hij gaf Dürer de verzekering, dat het hem nimmer zou berouwen, want wie maar oogen had om op te merken zag, dat God hem voor de kunst, niet voor het handwerk had geschapen.

Eenige dagen later stond Albrecht met pak en zak gereed om naar meester Wolgemuts woning te verhuizen. Zijn vader gaf hem menigen goeden raad mee en zijn moeder legde zegenend haar hand op zijn hoofd en sprak: "Ga in den naam des Heeren."

HOOFDSTUK V.

BIJ MEESTER WOLGEMUT.

"Wat verbeeldt jij je wel, kwajongen! Wees maar niet zoo verwaand, hoor. Denk je, omdat je een paar portretten hebt durven kladden, dat je reeds iets beteekent en niet meer behoeft te leeren?"

Barsch snauwde Urban, de oudste leerling van meester Wolgemut, Albrecht Dürer deze woorden toe, terwijl hij hem het penseel uit de hand rukte, waarmee Albrecht, omdat er niemand in de kamer was, aan een groot altaarstuk onder aan den zoom van het gewaad der Maagd Maria, een paar streken schilderde.

"Hier behoor je thuis!" vervolgde hij en hij duwde hem naar den steen, waarop de verven moesten worden gewreven. "En kijk eens, slungel, de penseelen heb je ook nog niet gewasschen en de paletten zijn in het geheel niet schoongemaakt! En de vloer--zeg, waarom heb je den bezem niet gebruikt? Ben je daarvoor soms te goed? of ben je te lui om je plicht te doen?"

Daarop gaf hij hem nog een duw, en toen met een stok drie slagen op zijn rug. Albrecht beet zich op de lippen en zweeg. Hij was aan dergelijke behandeling reeds gewoon. Vier der gezellen van meester Wolgemut waren van het begin af aan onvriendelijk en ruw tegen hem geweest, omdat zij zijn meerderheid gevoelden en die niet konden verdragen, te meer daar hij zooveel jonger was. Slechts één, Sebaldus, die in leeftijd weinig met hem scheelde en zelf ook nog leerling was, was hem goed gezind. Bij hem sloot Albrecht zich nu aan; hij bracht zijn vrijen tijd met hem door, ging des Zondags met hem buiten de poort wandelen en luisterde gaarne naar de bemoedigende woorden van dezen goedhartigen knaap.

Nog meer goed deed hem de tevredenheid van zijn meester. Toen Albrecht bij hem als leerling kwam, was Michel Wolgemut ruim vijftig jaar; uit zijn lang, smal gelaat met het hooge voorhoofd, de sterk gebogen neus, de groote heldere oogen, de breede, vooruitstekende kin en den fijn besneden, vriendelijk lachenden mond, sprak zoowel verstand als mannelijkheid en groote goedhartigheid. Meester Michel was een eerlijk, rechtschapen man, en om zijn kunst hoog in aanzien niet alleen bij de ingezetenen van Neurenberg, maar in het geheele land.

Het was hem onmogelijk de vele opdrachten, die van alle kanten tot hem kwamen en ruim werden betaald, alleen ten uitvoer te brengen, daarom kon hij steeds meer en meer gezellen gebruiken, want overal waar groote altaarstukken noodig waren, richtte men zich tot den beroemden meester Michel Wolgemut te Neurenberg. De kerk der H. Drievuldigheid te Hof, de kapel van het heilig Kruis te Neurenberg, de Lievevrouwekerk te Zwickau konden zich op werken van zijn hand beroemen; op dit oogenblik werkte hij aan een groot altaarstuk voor de nieuwe, bijna voltooide Augustijnerkerk te Neurenberg, waarmee hij bijzondere eer hoopte in te leggen en daarom wilde hij niets aan de gezellen overlaten, doch alles zelf schilderen.

Ook in het maken van houtsneden was hij een meester. Anton Koburger, de drukker, die eenige jaren geleden een Hoogduitsche bijbeluitgave op zich had genomen en de platen daarvoor had ontleend aan den dertien jaar geleden uitgekomen Keulschen bijbel, was het nu met meester Wolgemut eens geworden over een nieuwe uitgave, namelijk een grooten prentenbijbel getiteld: "Schatbewaarder des rijkdoms van het eeuwig heil en zaligheid." De eerste plaat: God, de Vader, op zijn troon gezeten, terwijl Hij den voor Hem knielenden Verlosser zegent, was gereed en met waar genot schiep de meester andere voorstellingen. Het groote succes, dat deze eerste uitstekend geslaagde teekening behaalde, was dan ook de reden, waarom men den meester opdroeg de houtsneden op zich te nemen voor het werk van Dr. Hartmann Schedel: "de nieuwe Wereldkroniek," een kolossale onderneming, waartoe de patriciërs Sebaldus Schreijer en Sebastiaan Kammermeister de noodige middelen verschaften. Er moesten niet minder dan tweeduizend houtsneden daarvoor worden gemaakt en dat men het Wolgemut opdroeg, verhoogde aanmerkelijk 's meesters roem.--

Albrecht kon waarlijk geen beter leermeester begeeren. Wel is waar gaf hij geen les volgens een bepaalde methode; hij achtte het voldoende zijn gezellen en leerlingen te laten zien, hoe hij werkte, maar dat was voor Albrecht ook volkomen genoeg en toen hij nog op de onderste trede stond en niets dan knechtsdiensten mocht verrichten, zooals verven wrijven, penseelen wasschen en paletten schoon maken, keek hij met alle aandacht toe, hoe zijn meester werkte en leerde op deze manier zonder dat zijn meester er iets van bemerkte.

En wat hij in den loop van den dag met zijn oogen had geleerd, trachtte hij in zijn vrije oogenblikken met de hand uit te voeren, maar in het geheim, uit vrees nog meer wangunst bij de gezellen op te wekken. Hij voelde zich als een vogel, die de vleugels niet kan uitslaan en menige zucht ontsnapte hem als hij zich ter ruste legde en snakte naar den dag, waarop zijn knechtsbezigheden niet meer noodig zouden zijn en de meester tot hem zou zeggen: "kom nu hier, mijn zoon, en neem het penseel ter hand."

Zijn vriend Wilibald was altijd de eerste, die mocht zien wat hij in stilte had geschilderd, want hij hechtte veel aan het oordeel van dezen jongeling, die zooveel fijn kunstgevoel bezat.

In het voorjaar van het jaar 1488 ging hij meer dan anders naar het paleis der familie Pirkheimer, omdat de vrienden welhaast zouden worden gescheiden. Wilibalds vader wenschte, dat zijn zoon, die nu achttien jaar was, naar het hof van den bisschop van Eichstadt zou gaan, om aldaar te worden onderwezen in de gebruiken van het hof, in het voeren der wapenen en in de krijgskunst.

Eenige dagen voordat de vrienden afscheid van elkaar moesten nemen, kwam Albrecht in opgewonden stemming bij Wilibald. "Hier breng ik u wat ik in de laatste twee avonden heb gemaakt. Wilt gij het houden als een aandenken aan mij, Wilibald?" Hij nam uit zijn portefeuille de afbeelding van een jonkvrouw, gezeten op een schimmel, met een valk op haar hand, een baret met wapperende vederen op het hoofd en een lang, hemelsblauw kleed aan.

Met verrukking bekeek Wilibald haar en hij betuigde zijn innigen dank.

"Zoo iets moois hebt gij nog niet gemaakt, Albrecht," voegde hij er bij. "Nu reeds, terwijl gij nog niet eens gezel zijt en slechts als knecht wordt beschouwd en behandeld, zijt gij werkelijk reeds meester en ik ben er meer en meer trotsch op uw vriend te zijn."

Na nog herhaaldelijk zijn dank te hebben betuigd, bekeek hij weer het werk van zijn vriend. "Wat een bekoorlijk figuurtje en welk een allerliefst gezicht! Het komt mij zoo bekend voor, het is alsof ik het reeds ergens heb gezien".

Peinzend streek hij met de hand over zijn voorhoofd en dacht eenigen tijd na--op eens trad hij op Albrecht toe en zag hem diep in de oogen, terwijl hij uitriep:

"Nu weet ik het: het is Agnes Frey! Is het niet waar?"

Albrecht wendde snel het hoofd af om den blos te verbergen, dien hem deze veronderstelling van zijn vriend in het aangezicht joeg.

Had Wilibald geen gelijk? Waren het niet werkelijk de trekken van het jonge meisje, voor wie hij eenige jaren geleden het ringetje had gesoldeerd?

Hij had het niet expres gedaan, doch onwillekeurig had zijn hand het beeld te voorschijn geroepen, dat in zijn hart leefde. Hij had het mooie meisje niet kunnen vergeten en elke gelegenheid om haar te zien, had hij opgezocht; hij wist op welk uur zij naar de mis ging en richtte het zoo in, dat hij altijd als bij toeval er juist tegelijk met haar was. En 't maakte hem erg gelukkig, toen hij bemerkte, dat zij hem nooit trachtte te ontloopen, maar altijd vriendelijk met hem praatte, al was zij dan ook wel eens wat verlegen en bedremmeld.

Eens toen de gezellen der verschillende gilden zich vermaakten met ringsteken op de Hallerweide, was Agnes in die op elkaar gedrongen menschenmassa van haar familie afgeraakt, en zij liep gevaar door het gedrang, ontstaan door het schuw worden van een paard, in een sloot te worden gedrongen, toen Albrecht, die voortdurend in haar nabijheid was gebleven en haar in het oog had gehouden, plotseling bij haar was en haar uit dat gevaar redde. Hiervoor hadden haar ouders hem hartelijk bedankt en de heer Frey vergat het niet, maar hield den redder van zijn dochtertje in dankbare herinnering, beantwoordde steeds minzaam zijn groet op straat en bij voorkomende gelegenheden sprak hij hem vriendelijk toe.

Albrechts blos was Wilibald niet ontgaan en er speelde een glimlach om zijn mond, toen hij sprak: "Het schoone is de wereld, waarin de schilder leeft, en uw blik ziet scherp om het schoone te ontdekken. Hoe gelukkig zijt gij, dat God u het talent heeft geschonken om weer te geven, wat gij hebt gezien. Wat zou Agnes wel zeggen, als zij eens wist, wat gij hebt gedaan! Wil ik het haar verklappen?"

Met een smeekend gebaar wendde Albrecht zich tot zijn vriend:

"Wilibald!" riep hij ontsteld en een donkere blos kleurde zijn gelaat.

Wilibald klopte hem op den schouder: "Stel u gerust, Albrecht. Ik zal u geen verdriet doen, 't was maar om u te plagen."

Dit bevredigde Albrecht en opgewekt ging hij naar huis.

Twee dagen later moest hij afscheid van zijn vriend nemen.

Het was een moeilijk oogenblik en zeer lang trilde de smart der scheiding in zijn hart na. Hij voelde zich zoo eenzaam en het werd hem nu recht duidelijk, hoeveel hij had gehad aan Wilibald, in wiens hart hij had gelezen als in een open boek, door wiens edel denken hij zich mee omhoog gevoerd voelde, met wiens innigste gevoelens en gewaarwordingen hij volkomen sympathiseerde en met wien hij als het ware één was.

En de afwezigheid van zijn vriend was nog pijnlijker, toen de gezellen van meester Wolgemut, in plaats van te trachten hem zijn gemis te vergoeden, nog ruwer en vijandiger tegen hem werden.

Dit kwam daardoor, dat op zekeren morgen meester Wolgemut, die een groot kerkschilderij onder handen had, Albrecht van het verf wrijven afriep, en hem met eenige deftigheid het penseel overreikte, zeggende: "Kom hier, mijn zoon--nu hebt gij lang genoeg als knecht dienst gedaan, nu moogt gij toonen of uw hand in staat is om mij te helpen."

En nu wees hij hem op de schilderij de plaats aan, waar hij moest schilderen op dezelfde manier, waarop de meester was begonnen.

Albrechts hart juichte en hij dankte zijn leermeester met een veelzeggenden blik; doch zijn vreugde werd vergald, toen hij de toornige gezichten der gezellen zag en later hun nijdige woorden moest aanhooren. Hun verhouding werd steeds moeilijker en den geheelen dag zag hij tegen den avond op en tegen het oogenblik, waarop zij zich ter ruste moesten begeven, want hij deelde het slaapvertrek met de overige gezellen. Dan werd de arme jongen geplaagd en gesard en deden ze hun best hem zoo lang mogelijk uit den slaap te houden.

Zou hij zich beklagen bij meester Wolgemut en hem vragen thuis bij zijn ouders te mogen overnachten? Dikwijls was hij op het punt dit te doen, maar hij bedwong zich, verdroeg zijn lot zwijgend en troostte zich met de gedachte, dat deze moeilijke tijd toch niet altijd zou duren en met de woorden, die hij in den bij Anton Koburger gedrukten bijbel had gelezen: "Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt."

Eindelijk verging den gezellen de lust tot plagen, ontwapend door zijn onuitputtelijk geduld en Albrecht voelde zich gelukkiger, vooral ook daardoor dat zijn leermeester, bijzonder tevreden over zijn werk, zich steeds meer en meer aan hem liet gelegen liggen en hem nog moeilijker arbeid toevertrouwde. In het begin van het jaar 1490 had Wolgemut weder de opdracht van een groot altaarstuk gekregen. Hij had de schets geteekend en was begonnen met het aanleggen der verschillende partijen, toen men hem wederom ander werk opdroeg, dat geen uitstel duldde. Hij bedacht zich niet lang en gaf Albrecht het penseel over met de woorden: "Durft gij op u te nemen mijn werk voort te zetten, mijn zoon?"

Albrechts oogen schitterden van innig geluk over het vertrouwen, dat zijn meester in zijn kunst toonde en met vurige bezieling ging hij terstond aan het werk; de penseelbehandeling en opvatting van zijn leermeester waren hem zoo eigen geworden, dat hij volkomen in zijn manier verder werkte. Het penseel ging zoo vlug over het doek en de arbeid vorderde zoo snel, dat hij zelf er over verbaasd was.

Toen Wolgemut den volgenden morgen binnentrad, bleef hij als aan den grond genageld staan: "Wel, alle Heiligen! Wat hebt gij uitgevoerd, Albrecht? Het is alsof de booze er bij in het spel is, zoo gauw gaat het in zijn werk. Het is goed, dat ik niet later kwam, anders bleef er voor mij niets meer te doen en zou ik niet van mijn geweten kunnen verkrijgen het stuk met mijn W te onderteekenen! En kijk, wat hebt gij mijn bedoeling juist gevat! Niemand kan hieraan zien, dat twee verschillende handen er aan hebben geschilderd! Ik kan het met een gerust hart voor mijn eigen werk uitgeven, het is één schoon geheel."

Eenige maanden later hield meester Wolgemut Albrecht na het middageten een oogenblik bij zich en sprak: "Mijn wakkere gezel, wij moeten scheiden."

Verschrikt keek Albrecht hem aan, maar glimlachend legde de meester zijn hand op Albrechts schouder. "Neen, wij gaan niet in toorn en onmin van elkaar, maar ik geef u mijn zegen mede. Wat ik u leeren kon, hebt gij geleerd; nu moet gij zien, hoe andere meesters werken. Nu is de tijd daar, waarop gij de wereld in moet en de kunst van andere volken moet leeren kennen, opdat gij bij uw terugkomst uw kunst volkomen machtig zult zijn en daardoor uw ouders en geboorteplaats tot vreugde en eer zult strekken."

Deze woorden maakten diepen indruk op den jongen man. Het was sinds lang zijn hartewensch de wereld in te trekken en te onderzoeken wat daar te zien was. Toch deed het hem leed te moeten scheiden van den man, wien hij zooveel had te danken en die voor hem als een vader was geweest, en daarom was zijn aandoening niet onvermengd, maar een van vreugde en weemoed tegelijkertijd.

HOOFDSTUK VI.

HET AFSCHEID.

De mis was uit; de menigte stroomde uit de kerk en verspreidde zich in alle richtingen.

"Wees gegroet, jonkvrouw!" sprak Albrecht Dürer op zachten toon tot Agnes Frey, die hij bij den uitgang had opgewacht, en die nu met haar kerkboek tusschen haar beide handen en haar oogen neergeslagen het kerkgebouw verliet.

Zij beantwoordde zijn groet met een kleine hoofdbuiging en liep door.

"Mag ik met u meegaan?" vraagde Albrecht eerbiedig, "ik wilde u zoo gaarne nog eens spreken, voordat ik weg ga."

Agnes stond stil en zag hem ontsteld aan. "Gaat gij weg? Wat bedoelt gij?"

Albrecht knikte. "Mijn goede moeder is druk bezig alles voor mijn reis in orde te maken en mijn knapzak te vullen, voordat ik de wereld in trek."

"O, hoe heerlijk voor u!" sprak Agnes snel. "Wat zal uw hart luid kloppen van vreugde!"

"Ja, ik voel een vurige begeerte om de wereld in te gaan, Gods werken te bewonderen en vreemde zeden en gewoonten te bestudeeren. Maar het doet mij leed mijn geboorteplaats, mijn tehuis en allen, die mij lief zijn, te verlaten; daarbij loopt een reiziger allerlei gevaren, en ik heb wel noodig, dat er veel voor mij wordt gebeden. Nu wilde ik u vragen of ook gij in uw gebeden mij niet zult vergeten?"

Met een blos boog Agnes het hoofd. "Iederen morgen in de mis zal ik tot de H. Maagd voor u bidden."

"O, hoe dank ik u daarvoor," zei Albrecht met warmte, "en zult gij op een andere wijze ook nog eens aan mij denken?" voegde hij er aarzelend bij.

"Het scheiden zal mij minder zwaar vallen, als ik die troostende gedachte mag meenemen."

"Daar komt vader aan," fluisterde Agnes ontwijkend, doch zij trok haar hand niet terug, toen de jonge man die greep en hartelijk drukte.

Hans Frey, de koopman, die ook in de mis was geweest en hen nu had ingehaald, beantwoordde vriendelijk Albrechts groet en voegde er bij: "Meester Michel Wolgemut heeft mij verteld, dat gij morgen de wijde wereld intrekt."

"Ja, edele heer, en de meester heeft mij zijn zegen meegegeven," antwoordde Albrecht ernstig.

"Welnu, neem ook mijn zegen mee, Albrecht," zeide de heer Frey op vaderlijken toon en hij drukte den jongeling de hand. "Als uw tijd het u veroorlooft, ga dan met ons mee naar huis, dan kan ook mijn vrouw afscheid van u nemen. Ik ben er zeker van, dat zij daarop is gesteld, want zij houdt van u en heeft evenals ik groote achting voor uw ernstige levensopvatting en uw heerlijke kunst." Albrechts hart klopte luid en hij behoefde waarlijk niet tweemaal te worden uitgenoodigd. Hij had al lang gemerkt, dat de ouders van Agnes hem goed gezind waren, doch dat zij zoozeer op hem waren gesteld, had hij niet durven denken en vervulde hem met groote vreugde.

Vrouwe Anna haalde een kan edele malvezij voor den dag en sprak tot hem als een moeder tot haar kind; ook de heer Frey gaf hem vele goede raadgevingen voor de reis mede en eindigde met de woorden: "Meester Wolgemut heeft mij verzekerd, dat hij u niets meer kon leeren; en ik denk, als gij terug komt, dat de leerling den meester de baas zal zijn."

Agnes stond stil in de vensternis en keek naar buiten alsof zij er niets mee had te maken. Doch toen zij hem bij het afscheid nemen de hand reikte en sprak: "Mogen al de heiligen u beschermen op al uw wegen," zag Albrecht een traan in haar oog glinsteren en hoe gaarne had hij haar daarvoor vurig gedankt, want daardoor verried zij hem, wat er in haar hart omging en nu wist hij, wat hij reeds zoo lang had begeerd te weten. Nu kon hij getroost zijns weegs gaan--nu was de grootste smart van het scheiden verzacht.--