Albrecht Dürer: Een levensbeeld
Part 2
Zij speelden 't liefst in den tuin van het paleis: daar vermaakten zij zich met hun ballen, hun stokpaard of den kruisboog, en ook wel met eigen gemaakt speelgoed. Soms ook gingen ze naar het Lorenzerwoud of het Sebalduskerkhof en stoeiden daar met andere jongens. Als het dan ooit gebeurde, dat Pollux onrechtvaardig werd behandeld, dan sprong Castor voor hem in de bres en toonde zich een trouwe, ridderlijke vriend. Maar ook in de werkplaats van meester Dürer liepen de knapen dikwijls binnen en hielpen hem soms door aan den blaasbalg te trekken en het een of ander aan te geven. Albrechts ouders maakten zich nooit ongerust, wanneer hun zoon op het etensuur niet verscheen, want dan begrepen ze, dat er bij Wilibald thuis iets extra lekkers werd gegeten en dat deze zijn vriendje mee wilde laten smullen. En de eenvoudige handwerkslieden vonden het een eer, dat Albrecht daar als kind des huizes werd behandeld.
HOOFDSTUK III.
OP SCHOOL.
Elken morgen te negen uur kwam er aan het paleis der Pirkheimers een kleine man, die door de portierster met alle teekenen van eerbied werd binnengelaten.
Om zijn kleine, magere gestalte fladderde een lange, wijde jas van vuurrood laken, hij droeg een hooge, spits toeloopende muts van zwarte wollen stof en om zijn scherp belijnd gelaat met lange, spitse neus, fladderden dunne, grijze haren. Met de rechterhand leunde hij op een stokje en in de linker droeg hij een rol perkament.
"God zegene u, mijnheer de Doctor!" zoo verwelkomde de meid geregeld den binnentredende; dan liep zij eerbiedig vooruit de trap op om de deur aan het eind der lange, donkere gang voor hem open te doen.
"God zegene u, Doctor!" klonk het daarop driestemmig in de kamer en het kleine, roode mannetje drukte allen met vriendelijken lach de hand.
Het was Doctor Henricus Philander, die op deze wijze in het paleis werd ontvangen. Eigenlijk heette hij Hendrik Liebmann, maar volgens de gewoonte der geleerden in dien tijd, had hij zijn voornaam in een Latijnsch en zijn familienaam in een Grieksch kleed gestoken.
Henricus Philander verdiende ten volle de algemeene achting om zijn groote geleerdheid en om zijn bijzonder talent van onderwijzen, dat hem alle kinderen der aanzienlijke families uit de stad als leerlingen bezorgde.
Bij den keizerlijken raadsheer en medebestuurder der stadsregeering van Neurenberg Johan Pirkheimer, kwam hij reeds zeven jaar aan huis, eerst om de oudste dochter Charitas onderricht te geven en later ter wille van Sabine, de jongste.
Met bijzondere voldoening en ijver kweet hij zich van zijn taak, want de beide meisjes waren zoo leergierig en zoo verstandelijk ontwikkeld, dat Doctor Philander dikwijls vergat, met meisjes te doen te hebben en hen onderwees, alsof zij jongens waren. Zij leerden Grieksch en Latijn zonder moeite en zij verdiepten zich gaarne en met vrucht in de geheimen der mathematica en der astronomie.
Sedert eenigen tijd was het aantal leerlingen in het paleis tot drie geklommen, want Wilibald was bij de lessen tegenwoordig, waardoor Doctor Philanders ijver nog toe nam, want hij bemerkte spoedig, dat de knaap het in verstand en geestesgaven nog van zijn zusters won. Het was waarlijk ook geen onaangename taak den knaap te onderwijzen, maar daarentegen een groot genot en naarmate Wilibald vorderingen maakte, steeg ook de achting voor den leermeester bij de ouders, die hem met weldaden overlaadden. Want het was het vurig verlangen van Johan Pirkheimer, dat zijn zoon een groot geleerde, zooals hij zelf was, zou worden, en zich op het gebied des geestes bijzonder zou onderscheiden.
Na een jaar was de knaap al aardig op de hoogte van de geschiedenis van het herleefd klassieke tijdperk en kende hij voldoend Latijn.
Nu weerklonken in den tuin van het paleis slechts zelden de stemmen der spelende knapen. 's Middags, als er geen les was, zaten ze samen aan de groote, eikenhouten tafel, die in het midden van de leerkamer stond en dan luisterde Albrecht met gespannen aandacht naar hetgeen Wilibald vertelde. Wat hij des morgens had geleerd, deelde hij 's middags aan zijn vriend mee, evenals de lekkernijen, die zijn moeder hem gaf. Bijzondere belangstelling toonde Albrecht voor de oude Grieksche godenverhalen en heldensagen en hij vergat alles om zich heen, als Wilibald begon te vertellen van den held Hercules, van Prometheus, die aan de rots was geketend en duldelooze smarten leed door Jupiters adelaar, die dagelijks een stuk van zijn altijd weer aangroeiende lever afbeet, van den tocht der Argonauten om het guldenvlies, van den strijd der zeven helden tegen Thebe, van de beide vrienden Orestes en Pylades, van den Trojaanschen oorlog, van Odysseus en andere heerlijke verhalen.
Al spoedig bemerkte Wilibald, dat Albrecht steeds stiller en meer in zich zelf gekeerd werd, als hij naar die verhalen luisterde en toen hij hem eindelijk vraagde, wat er toch aan scheelde, antwoordde Albrecht met een diepen zucht: "Ik benijd u."
Wilibald keek verbaasd: "Benijdt gij mij? En gij zijt zelf toch ook op school?" Maar Albrecht schudde droevig het hoofd: "Och, wat is nu de St. Sebaldusschool en onze meester in vergelijking met doctor Philander! Het is als mijn grove kiel vergeleken bij uw fluweelen buis. Gij kent toch meester Burgdörffer wel--wat gaat hem alles langzaam en moeilijk af! Hij heeft er ook zoovelen tegelijk om les te geven en dan het schoollokaal is zulk een naar, donker hok, dat men er nauwelijks kan ademhalen en de banken staan zoo dicht bij elkaar en zijn zoo ongemakkelijk, dat al mijn ledematen pijn doen, als ik naar huis ga. Op een houten katheder zit onze schoolmeester, een strenge, sombere man, die op het zwarte bord letters schrijft om ons die te laten nazeggen en op de lei naschrijven. Daarbij maakt hij flink gebruik van de roede van berketakjes gemaakt en tuchtigt daarmee allen, die lui, lastig en ondeugend zijn. Nu deze laatste soort is rijk vertegenwoordigd bij ons op school, vooral bij die zwervende luitjes, die men niet weet vanwaar zij komen en die weer verdwijnen, als zij er lust in hebben."
"Ja, ik kan me begrijpen, dat de meester met zulke lastposten heel wat heeft te stellen," zei Wilibald. "Mijn vader zegt dat het sluwe schepsels zijn, een echte plaag voor den onderwijzer. Is het waar wat Renate, onze meid, vertelde, dat de beul vijf van die schelmen gisteren heeft gegeeseld en uit de stad gejaagd?"
"Ja, dat is waar," bevestigde Albrecht.
"Wat hadden ze uitgevoerd?" vraagde Wilibald nieuwsgierig.
"Zij hadden het achtste gebod overtreden en het vijfde ook en zijn in de omliggende dorpen gegaan om brood bedelende; doch terwijl twee van hen aan de boeren kruiden, die genees- en tooverkrachten zouden hebben, verkochten, pleegden de anderen een aanslag op den kelder en namen alles mee, wat ze aan worsten, hammen enz. vonden. Daarna hebben ze den schoolmeester, die hen met strenge straf bedreigde, heel brutaal geantwoord en hem zelfs mishandeld."
"Nu dan hebben ze hun verdiende loon," vond Wilibald.
"Hm," bromde Albrecht, "het is waarlijk geen wonder, dat er van leeren weinig komt, als er zulke snaken op school zijn; soms troost ik mij wel, als ik denk aan zoovele arme jongens, die in het geheel niet op school gaan en steeds op straat slenteren: maar als ik aan u denk, Wilibald, dan word ik jaloersch. Hoe graag zou ik ook les nemen bij doctor Philander, want ik wenschte veel, heel veel te leeren."
Wilibald zweeg en keek peinzend voor zich. "Ik zou het u zoo gaarne gunnen," sprak hij na eenige oogenblikken, "maar hoe zou het mogelijk zijn?... Wilt gij echter eens stilletjes toeluisteren, dan zou ik er wel iets op weten. Kijk, daar in den hoek achter de kast moogt gij u verstoppen, maar zoo dat niemand het ziet. Morgen zoudt gij al kunnen komen, tenminste indien meester Burgdörffer niet boos is, als hij u mist."
"O, dat komt er niet op aan," sprak Albrecht opgewonden. "Het heeft bij ons wel iets van een duiventil: elken dag ontbreekt een groot getal scholieren, en er heerscht tucht noch orde door die zwervende lui, die doen juist zooals zij willen en verbeelden zich, dat zij de baas zijn."
"Nu, kom dan morgen ochtend vroeg, maar vooral voordat Dr. Philander er is."
Op den bepaalden tijd sloop Albrecht den volgenden morgen in het donkere hoekje en bleef daar onbewegelijk twee uren lang zitten luisteren naar het onderwijs van den doctor, die dien dag Latijn en sterrekunde op het programma had.
Albrecht genoot zoo lang hij luisterde; doch toen de les uit was, voelde hij dubbel hoeveel hij op de Sebaldusschool miste en met loome schreden ging hij er den volgenden morgen weer naar toe. Hij voelde zich ongelukkig en zijn ellende bereikte het toppunt, toen de meester hem een pak slaag gaf, omdat hij klaarblijkelijk in het geheel niet luisterde.
Zijn ouders bemerkten al gauw, dat er iets aan haperde; hij was zoo stil en in zich zelf gekeerd, dat zijn vader op zekeren dag naar de reden hiervan vraagde.
Het duurde lang voordat men iets uit hem kon krijgen, totdat hij eindelijk bekende, dat het slechte onderwijs en de groote wanordelijkheid op school hem zoo onvoldaan stemden. Zijn vader troostte hem met de woorden: "Wie langzaam gaat, gaat zeker. Werk zoo hard als gij kunt, opdat de meester tevreden over u kan zijn, dan leert gij langzamerhand alles, wat gij noodig hebt te weten. Pas op voor hoogmoed en ijdele wenschen, mijn zoon! Zie niet naar hen, die uw meerderen zijn in de maatschappij; benijd Wilibald niet omdat hij beter onderwijs geniet. Bedenk liever dat gij de zoon van een handwerksman zijt en eens evenals uw vader in de werkplaats zult arbeiden. Een goudsmid kan waarlijk zooveel geleerdheid wel ontberen."
Deze verstandige taal en de woorden zijner moeder die zij dagelijks herhaalde: "Ga in den naam des Heeren," misten hun uitwerking niet en met vernieuwden ijver ging Albrecht weer naar school.
Het gevolg was dan ook dat de meester pleizier in hem had, waardoor de knaap werd aangemoedigd om steeds meer zijn best te doen.
Zoo ging het langen tijd goed; maar later had de meester weer over Albrechts onoplettendheid te klagen en hij ontstak in hevige woede, toen hij op zekeren dag bemerkte, wat er de oorzaak van was.
Hij zag onder de rekenles, dat verscheiden leerlingen steelsgewijze de oogen naar Albrecht wendden. Plotseling verliet hij den katheder, greep den knaap bij den arm en ontrukte hem een klein stuk papier, waarop iets was geteekend. Toen hij het goed bekeek, herkende hij zijn eigen portret en hij was zoo verontwaardigd en woedend over deze majesteitsschennis, dat hij de roede greep en den armen teekenaar zulk een pak slaag toediende, dat hem hooren en zien verging.
Er liep een afkeurend gemompel door de rijen der leerlingen, die niet konden begrijpen, dat zulk een onschuldige scherts zoo streng gestraft moest worden en een der oudste jongens had den moed een kreet van afschuw te uiten. Maar dat maakte den meester nog toorniger en hij jaagde de heele bende uit de school.
Het teekenen stilletjes onder de les was den jongen kunstenaar al heel slecht bekomen en het zou niet te verwonderen zijn geweest, als hij 't in het vervolg geheel had gelaten. Trouwens, hij waagde het ook niet meer dergelijke grappen op school uit te halen, maar zijn medescholieren, één en al bewondering over zijn kunst, bedelden altijd om de een of andere teekening. En Albrechts goed hart, dat zoo moeilijk iets kon weigeren, bevredigde hun wenschen.
Als hij 's morgens op school kwam, verdrongen ze zich dadelijk om hem heen en ze strekten begeerig de handen uit, zoodra hij met een veelbeteekenend gezicht in zijn zak voelde. Dan werd er gevochten, dat het een aard had, want iedereen meende recht te hebben op de door Albrecht gemaakte teekening. Soms ook kroop hij met den een of anderen kameraad in een afgelegen hoek en deze zag dan met verbazing hoe vlug hem het teekenen afging.
Natuurlijk was Wilibald bij de uitdeeling de meest bevoorrechte. En toen Albrecht hem eens een afbeelding van een lansknecht met een harnas van staal, een hoed met pluimen en schitterende wapens ten geschenke gaf, kon Wilibald zijn oogen niet gelooven; langen tijd bekeek hij de teekening met alle aandacht, toen riep hij op eens uit: "Benijdt gij mij omdat Doctor Philander mij les geeft? Zie, gij kunt, wat hij mij nimmer leeren kan. En nu zijn de rollen omgekeerd, nu benijd ik u!"
Het was in April 1484. Des morgens was het geheele gezin van Meester Dürer bijeen voor het gebed en alle waren in bijzonder goede stemming, want Vrouwe Barbara vierde heden haar naamdag.
Vader Dürer had het gebedenboek opengeslagen en wilde met lezen beginnen, doch Albrecht was er nog niet; juist wilde zijn vader Andreas naar hem toe sturen, toen hij binnen kwam en met de beide handen achter zijn rug iets voor aller blikken trachtte te verstoppen. Zijn vader wenkte hem te gaan zitten en deed het gebed, waarna hij zijn vrouw de hand drukte en vurig Gods besten zegen toewenschte op haar verderen levensweg. Ook de kinderen, wier aantal nu tot vijf was geklommen, verdrongen zich om hun moeder en kusten haar handen.
Het laatst van allen kwam Albrecht bij haar en hij keek wel een beetje verlegen, toen hij een blad papier te voorschijn haalde en dat zijn moeder aanbood met de woorden: "Dit heb ik voor u gemaakt, lieve moeder, als een herinnering aan dezen dag."
Vrouwe Barbara trad een schrede achteruit en staarde vol verbazing eerst naar het papier en toen naar haar zoon: op het blad zag zij Albrecht voor zich, sprekend van gelijkenis en uitdrukking. "Mijn zoon"--meer kon zij niet zeggen, toen keerde zij zich tot haar man en liet hem het portret zien. Hij kon zijn oogen niet gelooven:
"Heilige Moeder Gods, leert gij dan tooveren op school? Hebt gij dat waarlijk zelf geteekend? Maar hoe kan men zijn eigen portret maken?"
Nu moest Albrecht glimlachen: "Het is waarlijk geen tooveren; ik heb geteekend wat de spiegel mij voorhield."
"Och kom, gij zoudt dat zelf hebben gemaakt?" zei zijn vader ongeloovig. "Spreek nu de waarheid, kleine schelm; 't is Meester Wolgemut, die het portret heeft gemaakt."
Albrecht antwoordde vroolijk: "Gij hebt in zoover gelijk, vader, dat Meester Wolgemut wel de hand in het spel heeft. Heel dikwijls ben ik bij hem in de werkplaats geweest en heb toegekeken, hoe hij schilderde. Daardoor heb ik het geleerd. En ook bij den heer Koburger, mijn peetvader, ben ik dikwijls in de drukkerij geweest om te zien, hoe Meester Wolgemuts houtsneden werden afgedrukt, dat heeft mij ook veel geholpen. En nu zult gij, lieve moeder, mij een groot genoegen doen, als gij dit kleine geschenk van mij wilt aannemen."
Zijn moeder sloot hem in haar armen, terwijl zijn vader het portret dicht bij het venster nog eens nauwkeurig bekeek. Ja, het was sprekend Albrecht; alleen de oogen waren niet heel goed geteekend, maar de rest... wel Meester Wolgemut zelf had het niet mooier en beter kunnen doen.
Met potlood was het portret op gekleurd papier geteekend [4]: op zijn hoofd had hij een kapje van laken, eigenlijk een lap, welks eind met drie knoopen boven op het hoofd bij elkaar werd gehouden, aan de linkerzijde afhing en voorzien was van lange franjes. Het haar, recht afgesneden, hing laag op het voorhoofd en verder in lange, golvende lokken aan weerszijden op zijn schouders. Hij droeg een buis met wijde mouwen, dat door de linkerhand van voren werd vastgehouden, terwijl hij de rechterhand vooruit strekte, alsof hij op iets wees.
Nadat Dürer het portret langen tijd had bekeken, trad hij vriendelijk op zijn zoon toe en legde zijn hand op diens schouder, zeggende: "Als gij met smeltkroes en graveerstift even handig zijt als met potlood en penseel, dan zal ik mij verheugen in den dag, waarop ik u in mijn werkplaats aan mijn zijde zal zien arbeiden. Mogen al de heiligen u zegenen en u bijstaan, opdat er een wakkere man uit u groeie!"
"Amen!" zei Vrouwe Barbara en toen haar zoon naar school ging, sprak zij zooals gewoonlijk: "Ga in den naam des Heeren!"
HOOFDSTUK IV.
IN VADERS WERKPLAATS.
Het was een koude dag in de maand Mei van het jaar 1486. De sneeuw viel in groote vlokken neder en hulde de daken, die pas er van ontdaan waren, opnieuw in een wit winterkleed.
Het was stil in meester Dürers werkplaats. Eenzaam zat Albrecht op zijn laag bankje te werken aan een gouden ring, waarin een nieuwe amethist moest worden gezet. Zijn vader was uit: hij moest voor zaken naar Augsburg; van de gezellen lag de een ziek te bed en de andere moest een boodschap in de stad bezorgen. Albrecht kon heden zijn aandacht niet goed bij het werk bepalen. Op de tafel naast hem lag een teekening, die nu en dan zijn blikken tot zich trok.
Er werd zachtjes aan de deur geklopt en daarop trad een meisje binnen van ongeveer dertien jaar, met een frisch, blozend gezichtje, een paar oogen, blauw als vergeetmijnietjes en een figuurtje vlug als dat eener hinde. Ze had een mutsje van zwart fluweel met een rand van marderbont op het lange, blonde haar, en droeg een donkerblauw kleedje en een manteltje ook van zwart fluweel met bont, dat tot aan de heupen reikte.
Het was het oudste dochtertje van den heer Hans Frey, een rijk, zeer ontwikkeld en geacht ingezetene, die vele vaste goederen bezat zoowel in de stad als daarbuiten en zelfs meermalen lid van den grooten Raad was geweest.
Albrecht kende haar zeer goed, daar zij dikwijls bij haar oom kwam, die dicht in de buurt woonde. Soms was hij met haar naar de mis gegaan en in vroeger jaren had ze zich niet te voornaam gerekend om met hem te spelen.
"God zegene u, Albrecht!" zeide zij een weinig verlegen en zij bleef in de deur staan.
"Dank u zeer, Agnes!" antwoordde hij vroolijk, terwijl hij van het bankje opstond.
"Waarmee kan ik u van dienst zijn?"
"Is uw vader niet thuis?"
"Neen, hij is naar Augsburg gegaan."
"O dan ga ik maar weer weg en zal wachten totdat hij thuis komt."
"Kan ik u niet helpen in zijn plaats?"
"Och, mijn ringetje is gebroken en ik wilde het zoo graag gesoldeerd hebben."
"Geef maar hier, Agnes."
Het meisje aarzelde, maar haalde eindelijk op herhaald aandringen van Albrecht den gebroken ring te voorschijn en overhandigde dien den goudsmidsleerling. "Kunt gij het al goed?" vraagde zij met meer vrijmoedigheid.
"Mijn vader heeft nog niet over mij te klagen gehad," sprak hij openhartig.
Nu kreeg het meisje de teekening in het oog. "Wat is dat?" vraagde zij nieuwsgierig. "Zoo, zoo, als nu uw vader was binnengekomen, dan geloof ik, dat hij voor het eerst reden zou hebben gehad over zijn leerjongen te klagen."
Maar Albrecht schudde glimlachend het hoofd. "Nu doet gij mij onrecht, Agnes. Gij denkt, dat ik dit nu heb geteekend, in plaats van mijn plicht te doen. Maar kijk eens hier: onder de teekening staat het jaartal 1485, dat bewijst duidelijk, dat zij reeds het vorige jaar is gemaakt. Ze is ook al vier maanden oud en dateert van Kerstmis; nu heb ik haar hier gehaald, omdat er veel in is, dat mij niet bevalt en ik wil die fouten verbeteren, als mijn werk klaar is." Agnes trad dichter bij om beter te kunnen zien. Het was een madonna, op een troon gezeten, met een gouden kroon op het hoofd, loshangende haren en een lang kleed, dat in breede plooien haar omgaf. Met een gelaat, stralend van moedervreugde zag zij neder op haar kind, dat op haar schoot stond en haar hals met beide armpjes hield omvat. Aan weerszijden stond een engel, waarvan de eene een harp en de andere een cither bespeelde.
Met gevouwen handen beschouwde Agnes geruimen tijd de teekening, toen keek zij Albrecht vragend aan: "Hebt gij dat gemaakt? Gij, een knaap van veertien jaar? Neen, maak dat aan anderen wijs! Wel weet iedereen, dat gij goed kunt teekenen, maar zoo iets... neen, neen, ik kan niet gelooven, dat gij dat hebt gemaakt."
"Dus, gij houdt mij voor zoo slecht, dat ik mijn naam onder het werk van een ander zou zetten en het dan voor het mijne uitgeven?" vraagde Albrecht en zijn stem klonk verwijtend. "Als gij hier nog een oogenblik wildet blijven, dan zou ik u metterdaad kunnen toonen, dat uw twijfel ongegrond is en mij verdriet doet."
Agnes kreeg een kleur en stak hem haar hand toe.
"Vergeef mij, Albrecht, het was waarlijk niet mijn bedoeling u verdriet te doen. Maar ik kan mijn oogen niet gelooven; Meester Wolgemut zelf zou trotsch kunnen zijn op zulk werk. Als gij het op een groot paneel met heerlijke kleuren hadt geschilderd, zou het waard zijn een altaar te versieren."
Albrecht drukte met een blos van genot over deze lof haar kleine zachte hand en liet die niet los, toen zij die wilde terugtrekken. Het meisje zag er bekoorlijker uit dan ooit en gaarne had hij haar willen vragen. "Blijf een oogenblik hier en laat mij uw lief gelaat op het papier brengen!" Doch zij vreesde reeds te lang te zijn gebleven, nam haastig afscheid en ging heen.
Albrecht liep snel naar het raam om haar na te zien, toen zij door de sneeuw naar huis stapte. Haar lof was hem liever dan al de bewondering, die zijn kunst bij zijn speelkameraden had geoogst. En met vernieuwden ijver legde hij zich in zijn vrijen tijd toe op zijn lievelingsbezigheid, die hem verkwikte na den moeilijken, dagelijkschen arbeid, en hem meer bevrediging schonk dan hij ooit van het best gelukte werk in de goudsmidswerkplaats gevoelde.
Voor zijn vader, die er anders over dacht dan hij, moest hij zijn liefhebberij verbergen en daarom deed hij het meest buitenshuis en verstopte zich met zijn vrienden, die hem steeds om teekeningen plaagden, in afgelegen plaatsen. Toch had hij niet te veel gezegd, toen hij tegen Agnes beweerde, dat zijn vader niet over hem te klagen had. De oude meester had pleizier in den ijver van zijn zoon en zag met vertrouwen de toekomst tegemoet in de overtuiging, dat Albrecht eenmaal een waardig opvolger in zijn werkplaats zou zijn. Nog geen jaar was verstreken, of de leerjongen was reeds goed vertrouwd met het gieten, soldeeren en polijsten. En nu, nadat hij nog niet ten volle twee jaar in de leer was geweest, had hij een veel grooter en moeilijker werk onder handen, waarvan reeds meer dan de helft klaar was: hij moest in gedreven zilver in zeven tafereelen weergeven, hoe de Heer Jezus herhaaldelijk nederstortte onder de vuisten der krijgsknechten op den lijdensweg van Gethsemane naar Golgotha. En met stille verbazing en innige verrukking zag zijn vader, dat hij zich niet tevreden stelde met het navolgen van anderer ontwerpen, doch zelf nieuwe wist te scheppen.
Met ongeduld wachtte hij op de voltooiing van het werk en toen het oogenblik was gekomen, riep de meester, innig gelukkig, zijn vrouw er bij en toonde haar wat zijn leerling had gemaakt.
Op denzelfden avond vond men in de woonkamer de vrienden en buren verzameld om de tafel, waarop een tinnen kruik met Bourgonje wijn stond, ter eere van den jongen kunstenaar.
Meester Wolgemut, de schilder, was ook tegenwoordig en vol lof over Albrecht. Hij sprak ook over het andere talent van den knaap en vond, dat het pond, door God aan hem toevertrouwd, niet in een zweetdoek mocht worden weggelegd, doch dat er mede moest worden gewoekerd ter eere van God en ook ter wille van den naaste.
Doch meester Dürer was het hiermee niet eens. Hij vond, dat hier een ander schriftwoord van toepassing was: niemand kan twee heeren dienen. Indien Albrecht zich met evenveel ijver op de schilder- als op de goudsmeedkunst toelegde, dan zou hij het in de eene noch in de andere tot volmaaktheid brengen. Daarom moest hij zich tevreden stellen met schilderen na volbrachten arbeid in zijn vak.
Meester Wolgemut sprak zijn vriend niet tegen, doch in stilte betreurde hij, dat Dürer dit vak voor zijn zoon had gekozen. Albrecht had ook hem eens in vertrouwen de afbeelding der Madonna laten zien en zijn verbazing over het werk van den veertienjarigen knaap had hij duidelijk uitgesproken in de woorden: "Als ik alleen zulke leerlingen in mijn werkplaats had, dan zou het er beter bij mij uitzien."