Albrecht Dürer: Een levensbeeld

Part 17

Chapter 171,786 wordsPublic domain

Vier uur lag hij stil en ademde diep en geregeld; toen richtte hij zich plotseling op en sprak met een bijzonderen klank in zijn stem: "Het is morgen goede Vrijdag--de heerlijke Rafael is op goeden Vrijdag gestorven."

Vrouwe Agnes schrok bij deze woorden en trachtte hem te kalmeeren, doch Dürer vraagde, alsof hij niets daarvan hoorde: "Hoe lang rust hij reeds in het graf?"

"Acht jaren," antwoordde Vrouwe Agnes aarzelend. "Hij stierf in het jaar 1520."

"Acht jaren," fluisterde Dürer. "Hoe vroeg moest die heerlijke kunstenaar van de aarde scheiden! Gods wegen zijn dikwijls zeer wonderlijk!"

Toen ging hij weer liggen, sloot de oogen en sliep na eenige oogenblikken weer in.

Vrouwe Agnes bleef dien geheelen nacht op en was dankbaar, toen het eerste morgenrood door de vensters naar binnen drong. Zij verkoelde het gelaat van haar man met frisch water, hetgeen hem goed deed en waarvoor hij zijn trouwe verpleegster hartelijk dankte, als ware het een groote dienst geweest en zooals hij altijd voor het kleinste hulpbetoon deed. Tegen negen uur begonnen de klokken in de stad te luiden. Eensklaps riep de kranke luid: "Op dit uur hebben zij Hem aan het kruis genageld!

"Ach Heer Jezus, zie mij aan met denzelfden blik, waarmee gij den boetvaardigen boosdoener hebt aangezien! Want ik belijd u berouwvol al de zonden, die ik in mijn geheele leven heb bedreven."

Hij richtte zich plotseling op en zijn oogen zagen woest de kamer rond, zoodat Vrouwe Agnes met doodelijken schrik den beangstigden man in haar armen nam.

"Wat overkomt mij!" riep hij met een holle stem, terwijl hij zijn hand op zijn hart drukte. "Ik sterf! Heer Jezus, help mij; Heer Jezus, erbarm U mijner!"

In vreeselijken angst riep Vrouwe Agnes hem bij zijn naam--hij hoorde het niet, zijn ziel voer reeds op tot Hem, dien hij van ganscher harte had bemind en dien hij uit een vroom gemoed met zijn kunst zoowel als met zijn gansche leven had gediend. ----

De stad Neurenberg kon het niet gelooven, dat de man, waarop zij bovenal trotsch was, was heengegaan.

Allen treurden en Wilibald Pirkheimer, die spoedig was geroepen, zonk bij het sterfbed van zijn vriend, als vernietigd en gebroken, op de knieën neder, alsof hij met hem wilde sterven. Menigeen der zijnen had hij naar het graf gebracht, doch nooit had hij zooveel smart gevoeld als nu. Hij was niet van deze gewijde plek weg te krijgen en het pijnigde hem bovenal, dat hij in de laatste oogenblikken niet tegenwoordig was geweest, om zijn vriend de oogen toe te drukken. Hij wrong zijn handen, schreide als een kind en jammerde:

"O onuitsprekelijk lijden!--hij is heengegaan, voor immer, hij, die ik met mijn gansche hart liefhad en die deze liefde verdiende door zijn tallooze deugden en zijn bijzondere rechtschapenheid; hij, die als een goede engel mij ter zijde stond en mij den weg wees, dien ik moest gaan. Hij is heengegaan voor goed--mijn Albrecht! O, onverbiddelijk noodlot; o, onbarmhartige, wreede dood! Hij, die als een heilige onder ons verkeerde, is van ons weggerukt, terwijl zoovele onnutte en onbeteekenende menschen blijvend geluk en een lang leven genieten! Hij is heengegaan, en ik moet nog hier beneden zijn!"--

De gewoonte van dien tijd bracht mede, dat de dooden den dag na het overlijden werden begraven, doch bij Dürer moest men met dat gebruik breken. Den 6den April was hij gestorven en den 8sten lag hij nog op het paradebed, omdat de aandrang van menschen, die nog eenmaal het stoffelijk overschot van den grooten meester wilden zien, zoo groot was.

Daar lag hij in een zwarte kist, door frisch groen omgeven, als een beeld van hemelschen vrede; en het licht der twaalf kaarsen, die op hooge kandelaars tusschen laurier- en mirthestruiken brandden, wierp een glans van verheerlijking op het edele gelaat.

Aan het hoofdeinde stonden de prior van het Augustijnerklooster Volbrecht en de proost van de St. Sebalduskerk, die om beurten de gebeden voor de overledenen uitspraken, terwijl aan het voeteneinde een koorknaap het kruisbeeld omhoog hield.

Daarna hieven de Meesterzangers, met Hans Sachs aan het hoofd, een ernstig, plechtig gezang aan; de kist werd gesloten, en in een onafzienbare reeks bewoog zich de lijkstoet, onder algemeen klokgelui, naar het Johanneskerkhof, waar de grafkelder der familie Frey was geopend om in zich op te nemen wat sterfelijk was aan dezen onsterfelijke.

Door smart en ellende overmeesterd zat Vrouwe Agnes in het verlaten huis. Zij was als een schaduw geworden en begeerde te sterven en bij haar echtgenoot in het graf te rusten. Zij had van alle zijden veel liefde en deelneming ondervonden en men had haar duidelijk bewezen hoezeer iedereen met haar mede leed.

Op zekeren morgen trad de heer Eobanus Hesz, die den grooten meester in een lied had verheerlijkt en een vriend van Luther uit Erfurt was, bij haar binnen.

Hij nam een brief uit zijn zak en zeide: "Zie, geachte Vrouwe, hier heb ik iets wat u in uw diepe, groote smart tot troost moge zijn. Het is een antwoord van Doctor Maarten Luther op den lijkzang, dien ik hem had toegezonden en waarin met betrekking op uw overleden echtgenoot, het volgende staat: Het is niet meer dan billijk dien vromen, uitstekenden man te betreuren: maar gij moogt hem gelukkig noemen, omdat Christus Zijn licht in zijn hart heeft doen schijnen en hem op het juiste oogenblik uit dezen stormachtigen tijd, die spoedig nog stormachtiger zal worden, heeft weggenomen, opdat hij, die waardig was het beste te zien, niet gedwongen zou geweest zijn, het ergste te beleven. Zoo moge bij dan in vrede rusten bij zijn vaderen. Amen."

"Ween en klaag dus niet meer, zeer geachte Vrouwe--Doctor Maarten heeft het ook hier bij het rechte eind! God had zijn ziel lief, daarom nam Hij hem spoedig weg uit dit treurige leven."

AANTEEKENINGEN.

[1] Deze burcht werd in 1024 door Keizer Koenraad II gesticht en door Frederik Barbarossa in 1158 vergroot.

[2] Een oude gulden had 100 kreutzer; 49 kreutzer was 1 mark.

[3] De "mooie bron" is in Gothischen stijl gebouwd, 1385-1396, en is versierd met vele standbeelden; die op het onderste gedeelte stellen de 7 keurvorsten en 9 helden voor, daarboven zijn Mozes en de 7 profeten afgebeeld. In het ijzeren hek, dat dit waterwerk omgeeft, is op kunstige wijze een kleine, beweeglijke ring gesmeed. Vert.

[4] Dürer ontwierp later zijn teekeningen meestal op groenen of grijzen grond, teekende met de pen en zette de lichten aan met witte verf. Vert.

[5] In Boheme: Theodoric van Praag, Nicolaas Wurmser, Thomas van Mutina.

[6] De bloeitijd der Oud-Neurenbergsche school was in de 14e eeuw--die van de school van Keulen iets later, de belangrijkste namen daaraan verbonden zijn meester Wilhelm en meester Stephanus 1451. Men vindt een schilderij van dezen laatste in de koorkapel van den Keulschen dom.

[7] Aan Brugge komt de eer toe de gebroeders van Eyck tot woonplaats te hebben gediend en hun meesterwerken te zien ontstaan; zij verbeterden de verven door toebereiding met olie. Ook Memlinc woonde te Brugge en schonk zijn beroemde Ursulakast aan het St. Janshospitaal aldaar; hij stierf in 1499. (Vert.)

[8] Martin Schongauer of Martin Schön 1420-1488 (Zwaabsche school) leerling van Rogier van der Weyden, werd van goudsmid kopergraveur en schilder, en vereenigde een schitterend koloriet met fijnheid en zekerheid van lijn en vorm. (Vert.)

[9] Venetië was voor Neurenberg en Augsburg het tusschenstation voor den handel met het Oosten. (Vert.)

[10] "Wat God mij doet, dat is mij goed."

[11] De rijksinsignes en kleinoodiën werden gedeeltelijk te Aken en gedeeltelijk te Neurenberg bewaard; ze bestonden uit: de kroon, den zilveren schepter, den gouden rijksappel, twee ringen, twee zwaarden, een degen, een evangelieboek enz. en deden dienst bij de kroning des Keizers.

Tot de rijkskleinoodiën, die te Neurenberg in de Hospitaalkerk van den H. Geest werden bewaard, behoorde o. a. een mantel met een met goud gestikt Arabisch schrift van 41 woorden in parelen gevat en in 1133 door de Siciliaansche Arabieren voor de kroning van Koning Roger van Sicilië gemaakt.

[12] Maximiliaan wilde Karel VIII dwingen Italië te ontruimen.

[13] Volgens Vasari was Margaritoni van Arezzo in de 13e eeuw de eerste die op doek schilderde; hij nam daartoe doek op een paneel geplakt en met pleister overdekt. Vert.

[14] Dit was een kleine kopergravure met het opschrift: (Rome het hoofd der wereld). Op den achtergrond ziet men den Engelsburg en den Tiber en in het midden staat een vrouwelijk monster: een der voeten is een bokspoot, de andere een gierenklauw en de rechterarm eindigt in den poot eener kat. Een staart met een drakekop aan het eind en een ezelskop op de schouders volmaken het afschuwelijk geheel. Het volk begreep terstond de bedoeling en noemde het den "Pausezel."

[15] Het Andreaskruis van het heilige Vlies of van de Vliesridders werd ingesteld door Filips den Goede bij gelegenheid van zijn huwelijk in 1520 en schonk vele privilegiën. Vert.

[16] Vaarwel, vrome ziel! Heer, geef hem de eeuwige rust en laat uw onvergankelijk licht hem bestralen!

[17] Ik kwam, ik zag, ik overwon.

[18] Het bedoelde monogram bestond uit een kleine D in een groote A.

[19] De Signoria had het voorzitterschap in de drie hoogste staatslichamen: de groote raad, de senaat en het collegium. De tot de senaat behoorende raad van tienen bestond uit tien raadsleden en de Signoria. Na hun raadsbesluiten kon men niet in appèl komen. Vert.

[20] Keizer Rudolf II kocht later het stuk voor een aanzienlijke som en liet het, om het voor beschadigingen te vrijwaren, door vier sterke mannen op de schouders van Venetië naar Praag dragen.

[21] Nadat Keizer Rudolf II tevergeefs 10000 gulden had geboden voor dit schilderij, waarvoor haar maker 200 gulden had ontvangen, kwam het voor een nog grootere som in het bezit van den keurvorst Maximiliaan van Beieren. Dürers hoop, dat voor het werk een lange toekomst was weggelegd, werd niet vervuld, want in den nacht van den 10den April 1674 werd het kunstwerk bij een brand door de vlammen vernield.

[22] Dit was een afscheidsdronk der stervenden met hun bloedverwanten, in gebruik gekomen sedert de middeneeuwen, en ontleend aan de afscheidswoorden van Jezus in het Evangelie van Johannes.

[23] In de vasten van het jaar 1517 had Luther het "Onze Vader" in preeken verklaard en een zijner toehoorders had deze opgeschreven preeken spoedig daarna in druk doen verschijnen.

[24] "De afgeschaafde hoek"--("de afgemaakte Eck".)

[25] Dürer had helaas met zijn leer over de vestingwerken weinig succès en oogstte geringen dank. Een later geslacht bracht hulde aan zijn ideeën op dit punt. Straatsburg bouwde volgens Dürers aanwijzingen zijn vestingwerken bij de Kronenburger poort. En nu nog heeft Dürers gezag waarde en liggen zijn beschouwingen ten grondslag aan het zoogenaamd nieuw-pruisisch systeem der vestingbouwkunst.